MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

VAN ESPENBLAD GEEFT ZICH VRIJ WAT MOEITE.


„Is de Heer Raadpensionaris reeds op het kantoor terug?” vroeg Van Espenblad aan den bode, op den morgen, nadat de door ons beschreven tooneelen in „De Dolfijn” hadden plaats gehad.

„Zooeven van het verhoor teruggekomen,” antwoordde de bode: „en ZEd. heeft mij gelast u terstond binnen te laten.”

„Welnu?” vroeg Van Espenblad, toen hij zich tegenover De Witt bevond.

„ Welnu,” antwoordde deze, die zich juist van hoed en mantel ontdaan en de gereedliggende stukken in handen genomen had: „Buat is opnieuw verhoord geworden.”

„Wie waren er tegenwoordig?”

„De Heeren Van Maasdam, Nierop, Goes, de Fiskaal Ruysch, uw ambtgenoot de Heer Van Natels, en ik.”

„En heeft hij wat meer geklapt?”

„Weinig dat ter zake dienende is,” antwoordde De Witt: „hij blijft bij zijn zeggen, dat hij niets kwaads in den zin heeft gehad, dat hij alleen den vrede bedoelde en daartoe ook met voorkennis van ons beiden werkte.”

„En zijn vrouw?”

„Zij is sedert ons eerste bezoek opnieuw verhoord geworden; doch wij hebben uit haar geen meerder licht kunnen ontvangen.

„Hm!” zeide Van Espenblad: „wij zijn aan haar toch de belangrijke ontdekking verschuldigd, dat Kievit en Van der Horst in het komplot waren.”

„Zoo is het,” hernam De Witt: „gij weet dat beiden verkozen hebben zich weg te maken, en geen gehoor te geven aan het opontbod om voor den Hove te verschijnen.”

„Zij hebben verstandiger gehandeld dan Buat,” merkte Van Espenblad aan: „en deze heeft het zich zelven meer dan u te wijten, zoo hij in hechtenis zit.”

„’t Is zoo,” zeide De Witt: „ik had hem willen redden, toen ’t nog tijd was.”

„En nu?” vroeg Van Espenblad, met zijn goedigen blik.

„Nu is de teerling geworpen en het voorbeeld moet gesteld worden.”

„Zoo,” zeide Van Espenblad, verrast: „gij zijt dus van meening, dat de aanwezende bewijzen voldoende zijn om Buat te doen veroordeelen?”

„Dat moet het Hof weten,” antwoordde De Witt: „ maar één ding is zeker:  –  hij moet veroordeeld worden  –  en wel ter dood.”

Van Espenblad zag De Witt een poos aan met een blik, waarin wel tevredenheid, doch tevens verwondering te lezen was. Die stellige verklaring bevreemdde hem in iemand, die zelf een oogenblik te voren de bekentenis had afgelegd, dat hij Buat had willen redden.

„Ik wist niet,” zeide hij eindelijk, terwijl hij langzaam een snuifje nam, „dat gij zoo fel op Buat gebeten waart.”

„Niet op Buat,” antwoordde De Witt: „ik beklaag hem; maar, gelijk ik reeds zeide, het is volstrekt noodig, dat er een voorbeeld gesteld worde. Die Engelsch- en Prinsgezinden, wier werktuig hij is, moeten, eens voor altijd, leeren, dat zij niet straffeloos kunnen voortgaan met het beramen van hun misdadige plannen, met het dwarsboomen van al wat door ons tot welzijn van den Staat wordt verricht!  –   Die zachte straffen, indertijd aan mijn ontrouwen klerk Jan Van Messem, aan den stuurman van Kortenaer, aan zoovele anderen opgelegd, hebben de noodlottigste gevolgen gehad en enkel gestrekt om de kwaadgezinden in hun overmoed te sterken. Daar moet een einde aan komen: en hoe edeler van geboorte, hoe beminneljker van hoedanigheden, hoe meer algemeen geacht en geliefd die Buat ook wezen moge, hoe meer zijn dood indruk zal maken. Gewis  –  de wederpartij kende haar belang te wel, toen zij den grijzen Oldenbarneveldt op het schavot bracht: en er is veel waarheid in het oude rijmpje:

Want het is wel meer gezien,
Heden en in oude tien,
Dat een eenig hooft gevelt
’t Gansche lant in ruste stelt.”

Ongelukkiger voorbeeld dan de straf, aan den Advocaat voltrokken, had De Witt wel niet, tot rechtvaardiging van zijn gevoelen, kunnen kiezen. ’t Is waar, de dood van den schepper en ’t hoofd der Staatsgezinde partij had voor een tijdlang het gezag volstrekt en geheel aan Maurits overgeleverd; maar die dood, verdiend of niet, had den gevallene tot martelaar verheven: en het was vooral de herinnering van dat martelaarschap, welke, nadat de krachtige hand van Maurits het roer van Staat niet meer omklemde, den invloed der Staatsgezinden vergroot en hun zegepraal verhaast had.

Van Espenblad, ’t zij dat hij de redeneering van De Witt beslissend vond of niet, vond het resultaat te veel overeenkomstig met zijn wenschen, om er zijn zegel niet aan te hechten.

„Ik geef u volkomen gelijk,” zeide hij, goedkeurend knikkende: „maar welke waarborgen hebt gij, dat het Hof zich deze reis strenger toonen, en een doodvonnis uitspreken zal? Er is wel bewijs.... maar toch..., er bestaat evenveel kans dat men alles ten gunstigste als ten ongunstigste uitlegt.”

„En ziedaar juist wat mij kwelt,” zeide De Witt: „ik heb zulke waarborgen niet:  –  en ik moet die verkrijgen.”

„Hm!” zeide Van Espenblad: „laat ons eens nagaan, op wie van de Raden wij rekening kunnen maken.  –  Daar is in de eerste plaats Van Dorp:   –  die is, voor zooverre zijn politieke gevoelens aangaat, wel op onze hand;  –  maar hij is van geboorte en natuur een hoveling, en behoort tot diegenen, die gaarne alle partijen te vriend houden, althans niet noodeloos in den baard varen... . intusschen, ik geloof, dat ik wel middel zal vinden om hem reden te doen verstaan.  –  Wie hebben wij verder?”

„Van den Honert.”

„Een weifelaar; doch altijd meer tot zachtheid gezind; op dien valt niet te rekenen.”

„Fannius....

„Uw boezemvriend sinds jaren, die gelijk met u gepromoveerd en getrouwd is; die zal u voorwaar niet afvallen: en, mits hij maar een goede formule vindt, zoodat hij door drie syllogismen tot de strafschuldigheid kan concludeeren, dan zijn wij van hem zoo goed als zeker.”

„Ockerse...”

„Die zou tegen ons zijn; maar ’t is onzeker, of hij zitten zal:  –   hij is ongesteld, naar ik hoor:  –  wij hebben dus maar te bidden, dat hij het nog een poosje blijve.  –  Voorts Goes: mede niet van onze vrienden.”

„Pauw en Van der Graef zijn beiden aan de vrouw van Buat vermaagschapt,” merkte De Witt aan.

„Dat zal den eerstgenoemde niet beletten om een streng advies uit te brengen,” zeide Van Espenblad: „maar Van der Graef is Oranje tot over de ooren en zou liever ter eere van Buat een gedenkpenning laten slaan, dan hem ter straffe verwijzen.”

„Nu blijven er Nierop en Sixti.”

„Stijve juristen:  –  en op wie ik geen staat zou maken,” zeide Van Espenblad:  –  „de slotsom is, dat ik groote zorg hebbe, of ’t vonnis wel in onzen geest zal uitgesproken worden.”

„En dat ik nu juist van hier moet,” zeide De Witt, wrevelig.

„Is uw vertrek bepaald?”

„Reeds heden reis ik naar Zeeland af,” antwoordde De Witt: „en dan zal het moeilijk zijn te beslissen, hoe lang mijn tegenwoordigheid bij de vloot noodig zal wezen.”

„Dat ziet er verkeerd uit,” zeide Van Espenblad.

„Ja gewis; want de vrienden van Buat zullen niet stilzitten:  –   reeds heb ik den Heer Blaespeil bij mij gehad, die te zijnen gunste mij spreken kwam: en het zou mij niet verwonderen, dat de Keurvorst zelf zijn voorspraak werd bij de Staten.”

„Nu!” zeide Van Espenblad: „daar staat tegenover, dat d’Estrades, namens zijn meester, op gestrengheid zal aandringen: en dan heeft Frankrijk toch meer invloed bij onze Regenten, dan Brandenburg.”

„Ja gewis,” hernam De Witt, peinzende: „Ook in Frankrijk zou men het hoogst euvel opnemen, zoo een daad als die van Buat niet streng gestraft werd. De Leden van den Hove moeten zulks begrijpen.”

„Wij zullen zien, hun dit, en nog meer, aan ’t verstand te brengen,” zeide Van Espenblad: „begeef u gerust naar Zeeland!  –  Ik zal hier niet ledig zitten: Buat zal ter dood veroordeeld worden:  –  of mijn naam is geen Van Espenblad meer.  –  Maar hoe nu met de voortvluchtigen te doen? Immers ook volgens ons landrecht,” voegde hij er lachend bij: „mag men niemand hangen, of men moet hem eerst hebben.”

„Wat mij betreft,” antwoordde De Witt; „het verheugt mij, dat zij van hier zijn: eensdeels, omdat hun vlucht op zich-zelve reeds een vermoeden van schuld op hen laadt, en, in verband met de zaak van Buat, het bestaan van een samenspanning tegen den Staat bewijst; anderdeels, omdat het voldoende is, in het belang der welgezinde partij, dat er één hoofd valle. Wanneer het getal der slachtoffers te groot werd, kon het gebeuren, dat, in stede van een nuttigen schrik, een nadeelig werkend medelijden werd verwekt.”

„Wat!” zeide Van Espenblad: „ik mag lijden, dat zij vrij komen: Van der Horst heeft al zijn leven gewenscht, vreemde Hoven te zien: hij kan nu zijn smaak voldoen.  –  Maar het zal toch bij het straffen van Buat alleen niet kunnen blijven, hij heeft nog stellig meer medeplichtigen: daar is b. v. de Heer Van Zuylesteyn.. .

„Al bestond tegen hem eenig bewijs,” viel De Witt in: „dan nog zou ik het vernietigd willen hebben. Den zoon van Frederik Hendrik uit zijn bediening te ontslaan, dat was reeds een stoute, maar, geloof ik, een verstandige daad, waardoor ik aan mijn vrienden toonde, geen aanzien des persoons te gebruiken, en aan de tegenpartij, haar niet te vreezen; maar hem een crimineele vervolging op den hals te halen..., neen, dat gaat niet: in dat geval kreeg ik zoowel de vrienden zijns vaders als de zijnen tegen mij.”

„Nu! de oude Heenvliet dan,” hervatte Van Espenblad, die nog sedert de speelpartij bij Montbas een wrok tegen hem koesterde.

De Witt haalde glimlachend de schouders op, als wilde hij te kennen geven, dat die man zijn aandacht onwaard was.

„En onze ambtgenoot Bosveldt? hoe denkt gij over hem?” vervolgde Van Espenblad: zijn houding en gedragingen, toen hij met ons de vrouw van Buat verhoorde, zijn zeker bij u niet onopgemerkt gebleven.”

„Wat de geheime wenschen en uitzichten van Bosveldt betreft, zeide De Witt: „die laat ik voor Zijne rekening;  –  maar ik ken hem als te voorzichtig en te schrander, om zich in gevaar te steken, wanneer hij er buiten kan blijven.  –  Neen, Van Espenblad, geen namen meer:  –  ik herhaal het, één offer moet hier vallen: maar dat het daarbij blijve: ware ik wraakgierig, of ware het mij te doen, om schuldigen uit te vinden, het zoude mij weinig moeite kosten. Weet gij wel, dat men niet meer noch minder voorhad, dan mij hedenavond in een rijtuig te pakken en naar Engeland te schepen?”

„Inderdaad?” riep Van Espenblad: „en gij hebt toch, hoop ik, zorg gedragen, dat de schuldigen in verzekerde bewaring werden genomen?”

„Ik heb niets van dien aard gedaan,” antwoordde de Raadpensionaris: „ik heb de samenzweerders in ’t oog doen houden, en de noodige voorzorgen laten nemen: en dat volkje is van zelf uiteengeloopen.  –  Zij zouden ook wat moeite gehad hebben, hun plan te volvoeren; want van avond ben ik hier niet meer te vinden.”

„Maar zij kunnen hun boos opzet hervatten,” zeide Van Espenblad: „en dat op een oogenblik, dat gij er niet op verdacht zijt. Het ware, dunkt mij, al zoo veilig, die schelmen in hechtenis te doen nemen.”

„Neen, neen!” zeide De Witt: „dat zou den schijn hebben, als zocht ik de voldoening mijner personeele wraak. En bovendien, de drijvers zijn bekend en de justitie blijft hen gadeslaan. Wat kan zulk gespuis, dat geen steun vindt bij de goede Burgerij en verstoken is van zijn hoofd, toch uitrichten?  –  Maar, weet gij wel, wie mij in deze zaak voornamelijk van dienst geweest is?”

„Wel?”

„Gij zoudt het niet licht raden: het is Zijn Hoogheid, door Monsieur Gourville op Honselaarsdijk te noodigen.”

„Gourville!” herhaalde Van Espenblad.

„Ja,” vervolgde De Witt: „Gourville had ook zijn rol in de klucht: en daar ik ongaarne de zaak meer verwikkelde dan noodig was, heb ik den Heer Van Gendt verzocht, den Prins op te wekken tot het zenden eener uitnoodiging aan dien lastigen intrigant. Nu kunnen zij een dag of drie te zamen jagen, eten en spelen, en de zaak loopt met een sisser af.”

„’t Is waar,” zeide Van Espenblad: „ik herinner mij: Buat was met Kievit bij Gourville, toen de bode hem ontbood. Maar.... dat samenzijn had zijn reden en zonde tot gevolg trekkingen en ontdekkingen kunnen leiden, die voor de behandeling der rechtzaak uiterst gewichtig waren. Zou het geen plicht wezen, dien Gourville althans te laten vatten? Ik houd mij overtuigd, dat hij bekentenissen doen zal, waar partij van te trekken is.”

„Alsof hij niet terstond d’Estrades, en Gamarra er bij, zou in den arm nemen,” hernam De Witt: „ik wil mij noch Frankrijk noch Spanje tot vijand maken.”

Hm!” zeide Van Espenblad, zich de kin wrijvende: „denkt gij, dat d’Estrades, die zoo sterk ijvert voor het straffen van Buat, Gourville de hand boven ’t hoofd zou houden, wanneer hij de overtuiging had, dat deze in ’t belang van Engeland en Spanje, met de Staatsverraders hier geheuld had?”

Hm!” antwoordde De Witt: „Gourville heeft, zelfs aan ’t Hof van Koning Lodewijk, machtige beschermers, bij wie d’Estrades in geen kwaad daglicht zou willen voorkomen:  –  bovendien, gij weet het zoogoed als ik, onze waarde Ambassadeur, hoe welgezind hij zich jegens mij toone, neemt het zoo hoog kwalijk niet, wanneer mij nu en dan een struikelblok wordt in den weg gelegd. Doch ik zal hem voorhouden wat er van de zaak is, en dan met den noodigen klem er op aandringen, dat iemand, die hier alleen komt om onrust te verwekken en zich te moeien met zaken, die hem niet aangaan, van hier verwijderd worde. En aan dien aandrang zal hij moeten voldoen.”

„Wel beschouwd, zou ’t jammer zijn, dat Gourville gehangen werd,” zeide Van Espenblad: „ja zelfs dat hij van hier ging; hij schenkt zulke heerlijke wijnen en heeft zulk een uitmuntenden kok.  –  Doch ik heb u genoeg opgehouden,” vervolgde hij, ziende dat De Witt zijn scherts niet beantwoordde: „ik heb dus de eer uw dienaar te zijn.”

Met deze woorden nam hij zijn afscheid en verliet hij het kantoor van den Raadpensionaris.

„Ziezoo!” zeide hij in zich zelven, terwijl hij met langzame schreden het plein overstak, om zich naar zijn woning te begeven: „in zooverre ben ik ten minste gerust, dat De Witt ten opzichte van Buat geen toegevendheid gebruiken, maar hem integendeel met alle gestrengheid vervolgen zal. En wat De Witt wil, dat moet ook geschieden, al zouden er zich hemel en hel tegen verzetten; ofschoon, nu hij van hier moet, het niet ongepast, noch onaardig wezen zal, hem een handje te helpen.... A ha! Mijnheer Buat! gij wildet mij uitdagen, mij dreigen? nu, gij zult het ondervinden, dat men mij niet ongestraft beleedigt, en, schuldig of niet, gij zult, deze reis, den dans niet ontspringen. D’Estrades, De Witt, het belang van den Staat, en boven en behalve dat alles, mijn bijzondere wraak, eischen uw dood.  –  Maar hoe nu aan die formalistische Heeren van den Hove geduid, dat zij de zaak evenzoo hebben in te zien als wij? Hoe hen overgehaald om een vonnis uit te spreken, dat met onze bedoelingen overeenstemt? En is er wel een onder hen, bij wien ik een krachtige mijn kan laten springen: maar toch, het zijn gewichtige personages, en hoog met hun achtbaarheid ingenomen; en, al laten zij zich bepraten om onzen zin te doen, zij zullen de verdenking daarvan toch willen ontgaan, en zoo aan ’t publiek als aan zich zelven willen opdringen, dat zij als vrije en onafhankelijke rechters uitspraak hebben gedaan. Het zal dus zaak zijn, niets overijlds te wagen. Misschien doet zich nog wel deze of gene omstandigheid voor, die ons in de hand werkt, en waaruit krachtiger bezwaren tegen Buat oprijzen.... en dan gaat alles van zelf. Die aanslag tegen De Witt zou ons mooi in de hand gewerkt hebben, en ’t is doodjammer, dat hij daar geen onderzoek naar wil laten doen; maar misschien begaan de Prinsgezinden, in hun blinden ijver om Buat te redden, wel de eene of andere nieuwe dwaasheid, waardoor zij hun zaak nog meer bederven en zijn dood noodzakelijk maken. Dus, nog een poosje bedaard afgewacht, welken loop de zaken nemen, en naar omstandigheden gehandeld.”

Terwijl Van Espenblad alzoo tot het besluit kwam vooralsnog stil te zitten, poogde van hare zijde de ongelukkige Elizabeth hemel en aarde te bewegen tot redding van haar echtgenoot. Zwak en ziekelijk, eerst door het bevel der Overheid, en, toen dat opgeheven werd, door den staat harer gezondheid, aan haar woning gebonden, bewust dat al haar daden en handelingen werden bespied, liet zij zich door niets van dat alles weerhouden om hulp en voorspraak voor Buat op te sporen: en wat zij zelve niet kon, liet zij door anderen verrichten. De Prins  –  voor wiens zaak Buat moest lijden, de Princesse-Douairière, die hem van zijn kindsheid af gekend en begunstigd had, de Jonkvrouw Van Beverweert, die in zekeren opzichte als zijn medeplichtige beschouwd kon worden, voor zooverre zij mede in ’t geheim met den vijand briefwisseling gevoerd had, de meest invloedrijke Leden der Staten van Zeeland, vooral de Raadpensionaris van dat gewest, die niets liever verlangde dan zijn Ambtgenoot van Holland in diens staatkunde te dwarsboomen, de Brandenburgsche Gezanten, en talrijke lieden van invloed meer, werden door brieven van Elizabeth of door bezoeken harer vrienden gebeden, zich voor Buat in de bres te stellen:  –  en, gelijk men zien zal, die aanzoeken vonden schier nergens doove ooren. De aanhangers van den Prins hadden, zoogoed als De Witt, begrepen, dat de zaak van Buat eigenlijk de hunne was, en dat zij het waren, wie men in hem meende te treffen: en van alle kanten werden dan ook pogingen aangewend, om den slag, dien men vreesde, te voorkomen. Onder hen, van wie men met recht verwachten mocht, dat zij zich moeite zouden geven, was zeker de Heer Van Heenvliet: ofschoon ieder, die den man eenigszins uit het vroeger verhaalde heeft leeren kennen, begrijpen zal, dat hij juist niet de geschiktste persoon was om Buat van dienst te zijn, en hij integendeel, door den hoogen toon, waarop hij zich overal beklaagde over de gevangenzetting, welke hij een maatregel van willekeur noemde, hem meer schade dan voordeel deed.  –  Als een staaltje van de wijze, waarop hij te werk ging, diene het verslag van een bezoek, door hem in de eerste week van September afgelegd bij den waarnemenden Voorzitter van den Hove, Van Dorp van Maasdam. Deze was juist bezig, een brief te lezen, hem door De Witt geschreven en gedagteekend uit het Jacht van Holland, zeilende in de Wielingen, den 4den September, in welken brief De Witt hem een omstandig verhaal gaf van hetgeen tusschen hem en Buat had plaats gehad  –  toen de Heer Van Heenvliet bij hem werd aangediend.

„Ik hoop niet, dat ik u store,” zeide deze, toen hij binnen getreden en gezeten was: „maar ik wilde een woord met u komen wisselen over die ellendige zaak van Buat.”

„Van Buat!” herhaalde de Raadsheer, een bedenkelijk gezicht zettende: „mijn waarde Heer! ik hoor daar al meer over dan mij lief is:  –  doch kunt gij mij iets mededeelen, dat strekken mag om ons meer licht te geven, dan zal het mij welkom zijn.”

„Wat licht mededeelen!” riep Heenviet: „de zaak is zoo klaar als de dag: gij hebt toch voor de Ridderschap zitting in de Staten, en nog beter dan aan mij moet u de deductie van Zeeland bekend zijn.”

„Ja,” antwoordde Maasdam: „maar wat zou die?”

„Welnu!” vervolgde Heenvliet: „Zeeland heeft zich tot de Generaliteit gewend en mededeeling der stukken verlangd.”

„Ik weet dat,” hernam Maasdam: „de Staten van Zeeland willen het proces voor de Generaliteit gebracht hebben, op grond, dat door Buat geen misdaad tegen Holland in ’t bijzonder, maar tegen de Unie gepleegd zou zijn; en nog liever zouden zij de zaak aan zich trekken, onder voorwendsel, dat Buat, ter repartitie van Zeeland staande en garnizoen houdende te Bergen-op-Zoom, niet justiciabel zoude zijn voor ons Hof.”

„Welnu!” zeide Heenvliet: „dat klinkt, dunkt mij, als gezonde taal: en men behoort aan het verlangen te voldoen.”

„Vindt gij?” vroeg Maasdam, op een drogen toon: de Staten zijn van andere gedachten: zij houden zich aan de oude rechtspreuk: ubi te invenio ibi te punio, en achten, dat een delict, door een inwoner van Den Haag begaan, ten opzichte van den Minister van Holland, wel degelijk van de competentie des Hollandschen Rechters is.”

„Een delict!” herhaalde Heenvliet: „is het dan reeds uitgemaakt, of hier een delict bestaat? Wat heeft Buat anders gedaan, dan De Witt en zijn vrienden, ten tijde van den overweldiger Cromwell, toen zij ook geheime correspondentie voerden over die hatelijke Akte van Secluzie?  –  Hem heeft men er voor beloond, en zal men nu Buat, wegens hetzelfde feit, durven straffen?”

 

Nu komt gij op de verdiensten van de zaak zelve,” zeide de Raadsheer: „en daarover zult gij gevoelen, dat ik mijn oordeel liefst voor mij beware.”

„Bah!” zeide Heenvliet: „als Rechter, dat spreekt van zelf;  –   maar als mijn vriend Van Dorp zult gij toch moeten toestemmen, dat het een schandaal zou wezen, hem het slachtoffer te doen worden der wraakgierigheid van De Witt.”

„Stil! spreek zoo luid niet, mijn waarde Heer!” hernam de Raadsheer, den vinger op den mond leggende: „indien gij verlangt,” vervolgde hij op zacht fluisterenden toon, „dat ik als vriend tot u spreke, dan kan ik dat alleen doen, om u aan te raden, wat voorzichtig te zijn: men houdt u sterk verdacht, van ’t eerst Buat tot die correspondentie te hebben aangezet: en het zou mij leed doen, indien gij voedsel gaaft aan zoodanig vermoeden, en het Hof daardoor noodzaaktet, ook u in ’t verhoor te nemen.”

„Mij in ’t verhoor nemen!” herhaalde Heenvliet, in luid gelach uitbarstende, en met een ongeloovig schouderophalen: „mij!  –  dat meent gij immers niet?”

„Ik meen het zeer ernstig,” antwoordde Maasdam.

„Hoor eens, Vriendlief!” zeide Heenvliet: „gij weet zeer wel, dat zoo iets te ongerijmd zou wezen. Buat moge al aan deftige geslachten hier te lande vermaagschapt zijn: hij is een vreemdeling, en het laat zich hooren, dat men tegen hem nog iets durft ondernemen;  –  maar men zou er nog tweemalen over denken, eer men mij ter verantwoording riep.”

„En heeft men Kievit en Van der Horst dan verschoond?” vroeg de Raadsheer, wien de blinde waan van den grijsaard meer ergerde, dan verbaasde.

„Daargelaten of de gelijkstelling tusschen hen en mij te pas komt,” antwoordde Heenvliet, terwijl hij de borst hoog opzette: „zoo zou men het met hen toch nooit zooverre hebben laten komen, om hen vast te durven zetten:  –   en zij zijn dwazen, dat zij ’t ontloopen zijn.”

„Hm!” zeide Maasdam: „dat zal de ondervinding leeren, of zij zoo dwaas geweest zijn: behartig gij maar den goeden raad, dien ik u gegeven heb.”

„En gij den mijnen,” antwoordde Heenvliet, opstaande: „laat Buat loopen: iedereen beklaagt hem, en gij zult nooit, zelfs aan zijn ergsten vijand, de overtuiging kunnen geven, dat hij een landverrader is geweest. Wat zoudt gij er aan hebben, het Hof in algemeenen haat te brengen?”

„Het Hof zal wijzen volgens eed en plicht,” zeide Maasdam, op dien toon van eigenaardige deftigheid, die rechterlijke beambten kenmerkt: „en het zal zich niet storen aan het gepraat der menschen. Ik heb de eer, uw dienaar te zijn.”

„Nu! als dat maar het geval is, dan ga ik met een gerust hart van hier,” hernam Heenvliet. En, den Heer Van Maasdam vaarwel zeggende, verwijderde hij zich, de vaste overtuiging met zich dragende, dat hij een krachtigen indruk op den Raadsheer gemaakt had.

„Heeft men ooit ingebeelder en koppiger vent gezien?” vroeg deze, toen hij zich alleen bevond, zich zelven af: „en toch! hij heeft niet zoo geheel ongelijk. Eigenlijke bewijzen van kwade bedoeling zijn er tegen Buat niet te vinden: en wij zouden het toch voor God noch voor ons zelven kunnen verantwoorden, hem op losse gronden ter straffe te verwijzen.”

Op dit oogenblik werd de Heer Van Espenblad aangediend en binnengelaten.

„Ik heb daar den ouden Heenvliet ontmoet,” begon hij, na de gewone begroeting: „en ik durf wedden, dat ik raden kan wat hij te vertellen had.”

„En ik durf wedden,” zeide Maasdam, „dat gij de zaak, waarover hij spreken kwam, uit een ander oogpunt beschouwt dan hij!”

„Juist,” hernam Van Espenblad, zich op zijn gemak zettende: „het gold de zaak van Buat, nietwaar? Ha! ik vertrouw, dat gij hem niet veel troost hebt gegeven.”

„Ik heb gezorgd, er mij niet over uit te laten,” zeide Maasdam.

„Nu, dat begrijp ik,” antwoordde Van Espenblad: „althans tegen hem, die geen haar minder dan Buat een plaatsje op de Voorpoort verdiende.”

„Er bestaan tegen hem geen bewijzen,” zeide Maasdam: en niemand beschuldigt hem.”

„Des te beter,” hernam Van Espenblad: „de man heeft zijn jaren: en ’t is bijna de moeite niet waard, den beul het werk te laten doen, dat de ouderdom weldra van zelf verrichten zal. In allen gevalle doet het altijd meer uitwerking, wanneer men den dader zelven, dan wanneer men den medeplichtige een kop korter maakt.”

„Ik wist niet,” zeide de Raadsheer, „dat er al sprake was, van iemand een kop korter te maken.”

„Het is hoog tijd,” vervolgde Van Espenblad, als had hij de aanmerking niet gehoord, „dat er een schitterend voorbeeld gesteld worde, en een schrik verspreid onder hen, die de Regeering dwarsboomen en meer nog onze vijanden zijn dan zij, die met het zwaard in de hand tegenover ons staan.”

„Men kan alleen een voorbeeld stellen aan hen die schuldig zijn,” zeide Maasdam: „en tot nog toe is dit niet uitgemaakt ten opzichte van Buat.”

„Niet uitgemaakt!” herhaalde Van Espenblad: „en is zijn misdadige correspondentie dan niet duidelijk bewezen?”

„De correspondentie, ja,” antwoordde Van Dorp: „maar of het misdadige daarvan zoo duidelijk is, dat blijft de vraag: en die vraag zal het Hof naar zijn geweten beslissen.”

„En wanneer gij,” vervolgde Van Espenblad, „daarmede de landing op Terschelling in verband brengt, welke stellig hier in Den Haag beraamd was?”

„Dat kan en mag ik u zeggen,” zeide Maasdam, „dat, noch uit de processtukken, noch van elders, ons een schaduw van bewijs is voorgekomen, als zoude Buat daarvan iets geweten hebben.”

„Kievit heeft er van geweten,” hernam Van Espenblad, op een beslissenden toon: „en Arlington heeft er van geweten:  –  en Sylvius mede:   –  en met alle drie stond Buat in verbinding. Doch wat ook daarvan zijn moge, het Hof dient wel in ’t oog te houden, dat het hier niet zoozeer de vraag moet gelden over meerdere of mindere schuld, als wel die, wat het belang medebrengt van den Staat: en ik geloof dat, bij de Staten van Holland althans, er slechts één gevoelen is, te weten, dat er, gelijk ik zooeven zeide, eindelijk eens een voorbeeld gesteld moet worden.”

„Het Hof heeft naar geen bijzondere gevoelens, zelfs naar die der Staten, hier te vragen,” merkte de Raadsheer aan: „het vraagt alleen, wat er bewezen is en wat de wetten en plakkaten voorschrijven.”

„Juist! meer verlangen wij niet, en dan ben ik ook omtrent den afloop der zaak vrij gerust,” zeide Van Espenblad, met bijna dezelfde woorden als Heenvliet bij zijn vertrek gebezigd had. „Maar nu over iets geheel anders gesproken: gij weet, dat ik in Juni mede benoemd ben geworden in de Commissie, welke de Staten van bericht dienen moet, betreffende het vervullen der plaats van wijlen den Heer Dedel?”

„Ja,” antwoordde Maasdam: „dat bericht blijft lang uit.”

„De Heer De Witt heeft veel in ’t hoofd gehad,” vervolgde Van Espenblad: „en hij zal nog wel eenige dagen bij de Vloot vertoeven:  –   intusschen, dit kan ik u in ’t vertrouwen mededeelen, dat de Commissie naar allen schijn adviseeren zal, u voorloopig met de waarneming van het Voorzitterschap te blijven belasten, tegen genot van de daaraan verknochte wedde en emolumenten.”

„Dit kan mij zeker niet dan aangenaam zijn,” zeide Maasdam: „ maar waarom zou er geen definitief besluit in die zaak genomen worden?”

„Hm!” antwoordde Van Espenblad: „zooveel ik heb kunnen bespeuren....... maar gij laat nooit aan iemand blijken, dat ik uit de school geklapt heb.... wil men tot Voorzitter iemand hebben, niet alleen van erkende geleerdheid en kunde!  –   want dan zonde men geen oogenblik in de keuze behoeven te aarzelen;  –   maar ook iemand, wiens politieke inzichten en gedragslijn men weet, dat met die van den Heer De Witt overeenstemmen.”

„Ik dacht,” zeide Maasdam, zich op de lippen bijtende, „dat het juist de plicht van een Rechter was, het oog voor staatkunde te sluiten en recht te doen, zonder aanzien des persoons.”

„Dat is uwe meening,” zeide Van Espenblad: „een meening, die ik gaarne eerbiedig; anderen intusschen, en wel zij, van wie voornamelijk de beslissing afhangt, zijn van oordeel, dat het tot de omkeering van den Staat moet leiden, wanneer er tusschen de Regeering en het hoogste Rechts-college geen overeenstemming heerscht, en de handelingen der eerst-gemelde door het laatstgemelde tegengewerkt of verlamd worden.”

„Maar ik heb, zooverre ik weet, mij nooit een tegenstander van den Heer De Witt getoond,” zeide Maasdam, zich eenigszins onrustig op zijn stoel draaiende.

„De Heer De Witt,” vervolgde Van Espenblad, „wil, geloof ik, wel iets meer dan negatieve hulp: hij heeft voorstanders noodig, en vooral in een College als het Hof van Holland.”

„Een Voorzitter van den Hove kan zich toch niet vernederen tot een werktuig van den Raadpensionaris,” zeide Maasdam, wederom een volmaakt deftige houding aannemende.

„Dat kan niemand begeeren,” hernam Van Espenblad, terwijl hij hem zeer bedaard een snuifje aanbood: „maar de zaken kunnen vorderen, dat beiden eensgezind zijn, wat hun zienswijze betreft.  –  Wij hebben ’t in Frankrijk gezien, tot wat haspelingen dat verschil van meeningen tusschen Ministers en Parlementen aanleiding gegeven heeft.”

„Frankrijk mag zich gelukkig rekenen,” zeide Maasdam, „dat het nog een Parlement bezat, ’t welk de aanmatigingen van het Koningschap bijwijlen te keer ging.”

„Ja,” hernam Van Espenblad: „maar wij hebben hier geen Parlement: en het Hof zou er slecht bij varen, indien het tegenover de Staten ooit een vijandige houding aannam. Doch de grenzen uwer macht behoef ik u niet te leeren kennen.  –   Nu! wat ik u gezegd heb blijft tusschen ons, en het spreekt van zelf, dat gij er uw profijt mede kunt doen, of niet, al naar dat gij verkiest.”

Hier gaf hij een wending aan het gesprek, en, na zich nog een poos met den Raadsheer onderhouden te hebben over enverschillige zaken, nam hij zijn afscheid.

„Ziezoo!” zeide hij, toen hij op straat gekomen was: „ik heb er althans den schrik in gebracht: en zoo die nu maar behoorlijk, werkt, dan is er ten minste ééne stem gewonnen. Maar dat baat nog niet: ik moet op middelen peinzen, om hen, die Buat gunstig zijn, onschadelijk te maken.  –  Of Van der Graef al, op grond van aanverwantschap, zich verschoont, wat zal dat helpen, als Pauw hetzelfde doet. De kans blijft dan gelijkstaan. Hoe drommel vind ik er iets op.”

Terwijl hij, aldus peinzende, den Vijverberg afliep, zag hij in de verte juist den Raadsheer Van der Graef de Plaats overloopen en zich langs den Kneuterdijk verwijderen.

„Ik heb het al!” riep hij uit: „een heerlijke inval!  –   en na niet gedraaid, met dien in ’t werk te stellen.”

En meteen, zijn zakboekje uithalende, scheurde hij daar een blad uit en schreef er met potlood en met veranderde hand eenige regels op.

Toen, zijn stap versnellende, haastte hij zich naar de Plaats, en wenkte den kleinen Joris, die, met de beenen over de leuning van de huisstoep geslagen, zich onledig hield met het verrichten van gymnastische oefeningen, dat hij tot hem komen zou.

„Knaap!” zeide hij, hem het blaadje, dat hij als een briefje dichtgevouwen had, en tevens een scheepjesschelling in de hand duwende: „daarginds loopt de Heer Van der Graef: gij overhandigt hem dit briefje, en zoo hij u vraagt van wien het komt, zeg hem dan: „van een onbekenden Heer, die uit de Voorpoort kwam. Verstaat gij?”

„Al begreipen, Menheir!” antwoordde Joris.

„Maar,” vervolgde Van Espenblad: „gij wacht u, mijnen naam te noemen. Wanneer de week om is, en ik bemerk, dat gij niet gebabbeld hebt, zal ik u weer een schelling geven.”

„Mondje dicht,” zeide Joris, zich met de vlakke hand voor den mond slaande: en meteen liep hij, wat hij loopen kon, den reeds ver verwijderden Raadsheer achterna. Welhaast had hij hem ingehaald en stelde hem nu, zonder een woord te spreken, het briefje ter hand.

„Is dat voor mij?” vroeg Van der Graef eenigszins verwonderd, en begon, na den bevestigenden hoofdknik van den jongen, het navolgende te lezen:

 „De R. Heer V. d. Graef wordt vriendelijk verzocht even
„aan te komen bij den Gevang. Buat, die hem
„een belangrijke mededeeling te doen heeft.”

 „Van wien hebt gij dat briefje, knaap?” vroeg de Raadsheer, terwijl hij peinzend op het schrift bleef turen.

„Van een Heir, die uit de Gevangenpoort kwam,” antwoordde Joris, terwijl hij, met de beenen wijd van elkander, hem met wijdopengespalkte oogen stond aan te gapen.

„Zoo!” zeide Van der Graef, half overluid, half tot zich zelven: „dan zal ’t van den cipier of van een zijner dienaars zijn.”

„Dat ’s wel mogelijk,” antwoordde Joris, altijd in dezelfde houding. Maar, ziende dat de Raadsheer zich in beweging stelde, deed hij ’t zelfde, nu en dan naar Van der Graef opziende, die hem reeds vergeten had.

„Ik wilde wel,” dacht deze bij zich zelven, terwijl hij, van koers veranderende, zich naar de Voorpoort begaf, „dat Buat juist mij niet had doen roepen. Misschien handelde ik voorzichtiger, zoo ik een mijner Collega’s verzocht met mij te gaan. Maar ’t kan ook zijn, dat Buat hetgeen hij mij zeggen wil verzwijgen zou in ’t bijzijn van een derde. Nu, wij zullen naar bevind van zaken handelen, en zorgen ons niet te compromitteeren.”

„Menheir! Menheir!” klonk op eens naast hem de stem van Joris, die vruchteloos gepoogd had, zijn opmerkzaamheid te trekken.

„Gij nog hier? wat wilt gij toch?” vroeg Van der Graef.

„ Schiet er niet een klein fooitje over, Mijnheir?” vroeg de knaap: „voor ’t harde loopen, dat ik ’edaen heb.  –  Maer Menheir!” vervolgde hij, terwijl Van der Graef werktuiglijk in zijn beurs tastte: „mag ik UE. wel wat vraegen? Is het wair, dat ze Menheir Buat zullen hangen, zoo’n besten Heir?”

„Bid God, dat gij nooit in verzoeking komt,” zeide Van der Graef, terwijl hij hem een dubbeltje in de hand stopte: „ook de besten kunnen struikelen.”

„Dankje wel, Menheir!” zeide Joris, terwijl hij, meer op het geldstuk lettende dan op de zedenles, zich op een draf naar den naastbijgelegen kruiwagen begaf, om de verworven schatten tegen de hem aanlachende peren in te ruilen.


[Jacob van Lennep pagina] – [30e hoofdstuk] – [32e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.