MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

TWEE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK,

WAARIN TANTE AARSSEN WEDER TEN TOONEELE VERSCHIJNT.


Er waren nog nauwelijks drie weken verloopen sedert den dag, waarop Buat van zijn vrouw het door mij beschreven afscheid had genomen, maar welke veranderingen had zee kort een tijdsverloop op zijn geheele voorkomen teweeggebracht! Toen was hij bloeiende van gezondheid, en in ’t volle genot zijner frissche levenskrachten: helder van oog en opgeruimd van geest: nu had het mannelijk bruin zijner gelaatstrekken voor een ziekelijk vaal plaats gemaakt: de gevulde wangen waren vermagerd en ingevallen: het oog stond dof en verglaasd: de spieren van elk lichaamsdeel waren pijnlijk aangedaan en als verlamd: en hartzeer, ongerustheid over zijn eigen lot en dat zijner dierbaarste panden, gebrek aan lucht en beweging, en, bij dat alles, die onuitstaanbaarste aller kwalen, verveling, hadden hem op het krankbed neergeworpen. Daar lag hij, toen hij de grendels van voor de deur zijns kerkers hoorde wegschuiven en den sleutel knarsend omdraaien in het slot.

„Wat nu weer?” vroeg hij, terwijl hij zich verdrietig omkeerde en de hand aan het gloeiend voorhoofd bracht: „komen zij mij alweer kwellen met hun lastige verhooren? Ik kan hun immers niets anders zeggen, dan ik reeds gezegd heb.  –   Ja waarachtig!” ging hij voort, toen hij den cipier den Heer Van der Graef zag binnenlaten, wien hij meende, dat een zijner Ambtgenooten volgen zou: „het zal er weer op neerkomen.  –  Maar hoe nu! gij alleen hier, Mijnheer Van der Graef?”

„Hadt gij dan nog iemand, buiten mij, hier verwacht?” vroeg deze.

„Verwacht? buiten u....” herhaalde Buat: „ik begrijp uw meening niet.”

Raadsheer Van der Graeff onderzoekt het valse briefje.„Ik meen,” hernam de Raadsheer, „of gij nog iemand buiten mij hebt uitgenoodigd, hier te komen?”

„Ik heb niemand uitgenoodigd,” antwoordde Buat, zich half oprichtende en Van der Graef verwonderd aanziende.

„Hoe!” zeide deze: „is dit briefje dan niet van u, of althans op uw eigen verzoek geschreven?”

„Ik weet van niets af,” antwoordde Buat.

„Noch ik,” zeide de Cipier, nadat Van der Graef hem het blaadje had laten zien.

„Zonderling!” riep de Raadsheer uit: „wat kan de reden zijn van zulk een foppage?”

„In zooverre is zij mij welkom,” zeide Buat, met de hem ingeboren wellevendheid, tot den nog altijd peinzenden en wrevelig op zijn nagels knauwenden Raadsheer, dat zij mij de eer verschaft, van u te zien. Misschien kan UEd. mij eenig bericht geven aangaande mijn arme vrouw en mijn kind.”

„Uw vrouw is redelijk welvarende,” antwoordde Van der Graef: „beter zelfs, dan men, in aanmerking van haar toestand, verwachten kon: en uw dochtertje moet, naar ik hoor, een toonbeeld van gezondheid zijn.”

„Ik dank u,” zeide Buat.

„Maar gij zelf,” hernam de Raadsheer: „gij schijnt ongesteld: is er iets, waar gij behoefte aan gevoelt?”

„Ik ben koortsig en ongedurig,” antwoordde Buat: „ik ben die bedompte lucht van den kerker, die gestadige eenzaamheid, niet gewend. Doch ik zou beter worden, indien ik maar wist, dat men niet te lang met mijn proces zou dralen. Niets is pijnlijker en vervelender dan de onzekerheid.”

„Daarvan,” hervatte de Raadsheer, „kan noch mag ik u iets zeggen. Reeds nu zou mijn bezoek, hoe kort ook, aan ergdenkenden stof tot kwade vermoedens kunnen geven: en ik mag het, tot mijn leedwezen, niet langer rekken. Vaarwel! ik wensch u van harte geduld en onderwerping. Maar wie op aarde kan mij die laffe poets gespeeld hebben?”

Met deze woorden verliet hij Buat, en terstond daarop de gevangenis. Maar Van Espenblad, die in de gelagkamer van De Oude Zwaan door het venster stond te gluren, had zijn gaan en komen bespeurd en geen twee dagen duurde het, of in de courant van Joannes Naeranus werd vermeld, dat een van de Raadsheeren zich niet ontzien had den gevangen Buat te gaan bezoeken en zich alzoo blijkbaar partijdig had betoond. Van der Graef, hierover door zijn ambtgenooten onderhouden, gaf een eenvoudig verslag van het gebeurde, en bewees, met de getuigenis van den cipier, dat hij maar een oogenblik met Buat alleen was geweest en over louter onverschillige zaken gesproken had. De kleine Joris, ondervraagd zijnde, bleef volbarden bij de les, die Van Espenblad hem voorgezegd had, en meer wist men uit hem niet te krijgen. Intusschen begreep men bij het Hof, dat, nu de verkeerde indruk eenmaal gegeven was, Van der Graef zich van de verdere kennisneming der zaak behoorde te verschoonen. En zoo was de stem van Van der Graef voor Buat verloren.

Men kan begrijpen, hoe het bericht, dat een trouw aanhanger der Oranje partij aldus uit de Vierschaar, om zoo te zeggen, was weggegoocheld, de arme Elizabeth trof. Het was een nieuwe slag, bij zoovele andere gevoegd: en voorwaar, wel had zij kracht van ziel noodig, om onder haar lijden niet geheel radeloos te worden. Immers, ’t was niet genoeg, dat haar echtgenoot in een kerker was geworpen en hem een doodvonnis dreigde, en dat zij zelfs den troost niet genieten mocht van hem te zien en op te beuren; maar ook haar eigen toestand was weinig gunstiger. Zij bewoonde, ja, haar huis; maar sedert al, wat zich daarin bevond, op last van den Hove geïnventariseerd en onder sequester gesteld was, als wellicht aan verbeurdverklaring onderworpen, had zij niets meer om zich heen, dat zij ’t hare noemen kon. Wel was het verbod van haar woning te verlaten, opgeheven geworden; maar tot wien zou zij, ook al ware zij minder zwak en ziekelijk, zijn heengegaan?  –  Niemand toch kwam haar bezoeken. Haar meest intieme kennissen vermeden het, bij haar aan te komen: en wel, voor zooverre zij vrouwen of dochters waren van Staatsgezinden, uit vrees van haar minder welkom te zijn; voor zooverre zij aan vrienden der Oranje-partij vermaagschapt waren, uit vrees, dat zulke bezoeken euvel mochten worden opgenomen en haar, of haar vaders, mans en broeders tot misdaad aangerekend: en Elizabeth was te hooghartig, om zelve troost te gaan zoeken bij wie dien niet uit eigen beweging kwamen aanbieden. Zij zat dus bijna altijd alleen en zag niemand dan haar moeder, wier tegenwoordigheid doorgaans meer kwaad dan goed deed; haar zusters, die even weinig trant hadden van met haar om te gaan, een paar Predikanten, die ongelukkig meer Politici dan Evangeliedienaars waren; den Geneesheer, en, in den beginne meester Florisz, wien zij echter het verstand gehad had, te verzoeken, haar huis te mijden. Hij had zich het een en ander van den gesmeden en mislukten aanslag laten verluiden, en zij begreep te recht, hoe zijn verkeer ten harent allicht het vermoeden zou kunnen doen ontstaan dat Buat mede in het komplot betrokken was geweest: een vermoeden, ’t welk aan de beschuldigers van dezen, nieuwe wapenen tegen hem in de handen zou geven. Haar schier eenig gezelschap was alzoo haar kind: en zelfs wanneer zij dit aan haar hart drukte, was het nooit dan met de verscheurende gedachte, dat het wellicht binnen weinige dagen een arm weesje zijn zou, van vader, ja misschien ook van moeder beroofd, verstoken van have en goed, van iedereen, als de dochter eens misdadigers, veracht en verstooten, en genoodzaakt van het haar toegeworpen genadebrood te leven.

Het was ongeveer in de helft van September, toen op een morgen, dat de arme bedrukte in diepe neerslaehtigheid, naast de wieg van het slapende kind gezeten was, Mevrouw Musch, met een vrij opgeruimd gelaat, de kamer binnentrad.

„Hoe gaat het, Betje?” vroeg zij: „ ’t oude doen, naar ik zie: nu, stel u maar niet het ergste voor: ik heb goede tijding voor u.”

Elizabeth had reeds zoo dikwijls zoogenaamde goede tijdingen van haar moeder ontvangen, die naderhand op niets uitdraaiden, dat zij geen groote verwachtingen meer had van hetgeen haar als zoodanig werd medegedeeld: en de trek van neerslachtigheld, op haar gelaat geprent, verdween niet, toen zij haar moeder aanzag en vroeg wat er dan gebeurd was.

„De heer Ockerse is hersteld, en heeft weder zitting in het Hof genomen,” antwoordde de Weduwe.

„Welnu?”

„Welnu! de Heer Ockerse is een zachtmoedig man, die een vriend van uw vader placht te zijn, en die zeker Buat niet ongunstig wezen zal. Hij heeft zich eerst willen verschoonen, als niet bij de verhooren zijnde geweest; maar zij hebben hem niet willen loslaten. Hoe jammer nu, dat zij er Van der Graef op zoo’n godgeklaagde wijze hebben uitgewerkt!  –  Dat waren er althans twee geweest, waar wij op hadden kunnen rekenen. Nu, een is beter dan geen, en ’t is altijd zooveel gewonnen.”

„Helaas! wat zegt dat nog,” vroeg Elizabeth, met een zucht, „als de meerderheid ons tegen is?”

.,Hm!” hernam Mevrouw Musch, „dat gaat nog zoo vast niet. Integendeel, voor zooveel mij ter oore is gekomen, zijn de meesten tot zachtheid geneigd, en zal uw man er waarschijnlijk met verbanning afkomen.”

„Schrikkelijk,” zeide Elizabeth, de oogen weemoedig opslaande: „wanneer zelfs verbanning als een uitkomst moet worden beschouwd.”

„Ja, dat is nu eenmaal zoo,” merkte de Weduwe aan: „alleen wie dood is, komt niet terug, en Mr. Jan zal niet altijd den meester spelen.”

„Dat zeiden de tegenstanders van Richelieu ook,” zeide Elizabeth: „en toch, hij is tot het laatste toe meester gebleven en heeft al wat hem in den weg was, verplet, zonder dat er ooit iets van terecht is gekomen.  –  Ach Moeder! Moeder! vlei u noch mij met ijdele hoop: ik zie te wel, hoe ontzettend de macht is, die De Witt op alle gemoederen uitoefent. Wie durft zich hier tegen hem verzetten? Immers niemand! Zelfs durft men mij, ongelukkige en machtelooze vrouw, niet bezoeken uit vreeze van in zijn ongenade te vallen. Ik ben immers van elk en een iegelijk verlaten?”

Op dit oogenblik hield er een rijtuig voor de deur stil, er werd aangebeld, en, weinige oogenblikken daarna, trad, als om het laatste gezegde van Elizabeth te logenstraffen, Mevrouw Aarssen de kamer binnen.

Elizabeth had haar Mooi niet gezien, sedert zij te Breda bij haar gehuisvest had: geen wonder alzoo, dat zij door hare onverwachte verschijning hevig werd aangedaan. Zij poogde op te rijzen om haar te gemoet te gaan; doch de krachten begaven haar en zij zonk weder in haar ziekestoel neder, terwijl zij de omhelzing der goede vrouw niet dan met een bitteren tranenvloed beantwoordde.

„Helaas! mijn lieve kind!” zeide Mevrouw Aarssen: „wel leert gij het door treurige ondervinding kennen:

De plaats, door ons bewoont, dat is een tranendal,
Waer nooit volmaeckte vreught of ruste wesen sal.

Ach ja, mijn hart is lang bij u geweest; maar daar was Maria, die ik bij haar bevalling moest bijstaan, en dat belette mij over te komen. Dat is nu Godlof, achter den rug en naar wensch afgeloopen: en nu kon niets mij verder terughouden, om hierheen te komen. Ik ben ’t eens met Vader, waar hij zegt:

Mijns oordeels ist de beste vrient,
Die ons in droeve tijden dient.

En zoo dacht ik, gij zoudt misschien wel een woordje tot opbeuring en stichting van Moei Aarssen willen hooren, nietwaar? En, indien mijn gezelschap u niet lastig is, dan blijf ik bij u, totdat gij mij missen kunt: ik heb er nu alles op beschikt.  –   Maar,” vervolgde zij, ziende dat Elizabeth al voort bleef weenen: „ik geloof waarlijk, dat mijn onvoorziene komst u verschrikt heeft. Vergeef mij, ik had misschien beter gedaan, u daarop voor te bereiden.”

„O neen, lieve Moei!” zeide Elizabeth, al snikkende: „ die tranen doen mij goed: ik beken, het heeft mij diep aangedaan, u zoo opeens voor mij te zien.   –  Ach! als ik mij alles te binnenbreng, en den tijd vergelijk toen ik bij u te Breda was, met den tegenwoordigen.... toen kwelde ik mij om ingebeelde rampen, en thans!.... o! ik mag er zelve niet aan denken.”

„Ja,” hervatte Mevrouw Aarssen: „’t is een harde beproeving voor u, en vooral in den staat, waarin gij u bevindt. Maar al hadt gij ’t te voren nooit gedaan, gij zult nu hebben loeren inzien, hoe gelukkig het is, dat wij hier geen blijvende woonstee hebben, en uw troost gezocht, waar die alleen te vinden is.

Ach! wat de werelt geeft, indien men ’t recht besiet,
Is voor een droeve ziel maer roock en anders niet:

en daarom de gedachten naar boven gewend. Zie, uw moeder en ik, wij hebben ook ruim ons deel gehad: en zij zal mij niet tegenspreken, dat, wanneer men innig diep zielsverdriet heeft, alle raad en troost van menschen weinig baat geeft, en wij die alleen aan den Godsdienst vragen kunnen. Want, zooals Vader te recht heeft gezegd:

Zij zal ons, wat er komt van onverwachte slagen,
In stilheyt, met gedult en willigh leeren dragen.

en dit zult gij ook ondervonden hebben.”

Elizabeth vergenoegde zich de hand van haar Tante te drukken en zweeg. Zij was niet ongodsdienstig;  –  wie was dat in die dagen, buiten eenige weinige Spinozisten?  –  maar zij had nog niet geleerd, haren Heer boven alles lief te hebben, en het was nog maar alleen gewoonte, redeneering, een koud geloof of liever lijdelijk toestemmen, die haar tot de eenige en algenoegzame bron van troost, die uit het Evangelie vloeit, gebracht hadden. Nooit had zij dorst gevoeld naar de wateren des levens, nooit daarin lafenis niet alleen, maar ook volkomen genezing voor alle krankheid der ziel loeren zoeken. Het natuurlijk gezond oordeel van Mevrouw Aarssen deed haar terstond bespeuren, dat Elizabeth nog niet in de stemming was, waarin zij haar wenschte; maar ook tevens deed het haar begrijpen, dat het verder aanroeren dier snaar, zou het den gewenschten uitslag opleveren, niet te haastig, met behoedzaamheid en op gunstige oogenblikken geschieden moest. Zij gaf dus een ongezochte afleiding aan ’t gesprek.

„Komaan!” zeide zij: „ik zou vergeten, dat, zoo het al plicht is, de zieken op hunne eeuwige belangen te wijzen, wij daarom toch niet vergeten mogen dat zij ziek zijn, en dus moeten beginnen, met te vragen, hoe het met de krankheid staat en wat er tot herstel gedaan kan worden. Ik begrijp wel, dat er al het mogelijke gedaan wordt, en dat een onnoozel mensch als ik, die buiten de beslommeringen van het Haagsche leven ben, hier wel geen wijsheid zal hebben te schaffen; maar toch, als men een goeden wil heeft, kan men soms een goeden inval krijgen. Hoe staan de zaken al zoo zuster Musch?”

„Niet zoo geheel wanhopig,” antwoordde deze, niet te onvreden dat zij aan ’t woord kon komen en iemand vond, die met belangstelling naar haar luisterde: en zij haastte zich een nauwkeurig verslag te geven van het gebeurde in de zaak en van alle stappen, ten behoeve van Buat gedaan.

,.Hm! Zoo!” mompelde Mevrouw Aarssen, na tot het einde zoo aandachtig te hebben toegeluisterd: „maar is er al iets gedaan bij den Heer De Witt zelven?”

„Bij De Witt!” herhaalde Mevrouw Musch: „bij hem, die de oorspronkelijke aanklager en bij al de eerste verhooren tegenwoordig geweest is, en die, zoowel bij die gelegenheden als hier aan huis, genoeg bewijs heeft gegeven, dat hij niets anders zoekt, dan het verderf van mijn Schoonzoon! Zoudt gij begeeren, dat wij ons nog verlaagden, om bij hem een zeker afwijzend antwoord te gaan halen?”

„Wel!” hernam Mevrouw Aarssen: „het is juist omdat hij zoo hevig tegen Neef Buat is ingenomen, en de eenige is, die, te recht of te onrecht, reden tot beklag tegen hem meent te hebben, dat wij moeten trachten hem tot wat Christelijker gevoelens over te halen. Wij mogen toch niet vergeten, dat  –  waar anderen zich ook mee vleien mogen  –  hier alles door zijnen wil geschiedt.”

„Helaas! daar ben ik maar al te veel van overtuigd,” zeide Elizabeth.

„Welnu dan!”  –  hernam haar Mooi: „hij is wel geen Koning: maar hij is machtiger misschien dan ooit een Koning geweest is: en daarom geloof ik, Zuster! met allen eerbied voor uwe meerdere kennis van zaken, dat gij met al dat rondloopen bij den Prins en de Prinsgezinden, aan de zaak van Neef Buat meer na- dan voordeel doet. Denkt gij, dat het, in de tijden van Dukdalf, veel afgedaan zou hebben, als gij, om voor een vriend genade of recht te bekomen, de voorspraak van Prins Willem! of van Hendrik Van Brederode bij hem hadt ingeroepen?”

„Maar wat wilt gij dan?” vroeg Mevrouw Musch, met drift: „dat wij ons aan Zijne voeten werpen en het stof van zijn schoenen kussen?  –   Wij?”

„Zoo wij,” vroeg op hare beurt Mevrouw Aarssen, „nog onder Koning Filips leefden, zou dan Elizabeth aarzelen om een voetval voor hem te doen, wanneer zij wist, dat zij zulks deed ten behoeve haars mans? Maar ik verlang niet, dat gij u tot den Heer De Witt zelven wendt:  –  gij moet iemand in den arm nemen, die invloed op hem heeft: en tot wie kunnen wij ons dan beter wenden dan tot zijn vrouw?”

„Dat schaap!” mompelde Elizabeth verdrietig.

„Betje, Betje!” zeide haar tante, weemoedig het hoofd schuddende: „omdat gij nu juist niet op den besten voet met haar zijt, omdat zij in Amsterdam opgebracht en misschien niet op de hoogte is van uw Haagsche en hoffelijke manieren: omdat gij vroeger met zekeren ijdelen trots op haar hebt neergezien, is dat alles een reden, waarom gij nu zoudt weigeren bij haar te gaan: bij haar, die u zeker van meer dienst kan wezen dan alle Prinsen en Keurvorsten?”

„Ik heb haar nooit kunnen velen en zij mij niet,” zeide Elizabeth: „en ’t zou tot niets leiden.”

„Kindlief!” hernam Mevrouw Aarssen: „laat het toch met u niet wezen:

De ziecke schouwt behulp en wil ellendigh sijn.

Zult gij het verantwoorden kunnen, als uw man, ’t geen God verhoede, eens veroordeeld werd, en gij de bewustheid bij u ronddroegt: „er was misschien nog één redmiddel voor hem geweest, en ik heb het onbeproefd gelaten!”

„Gij hebt gelijk, lieve Moei!” zeide Elizabeth geroerd.  –   „zooals altijd, en ik was een ijdel, hoogmoedig, zondig schepsel, dat ik meer mijn eigen dwaze neigingen raadpleegde dan het belang van mijn armen Buat, voor wien ik zoo gaarne mijn leven offeren zou. Ja, ik zal u gehoor geven, ik zal naar Wendela gaan.... ik hoop althans dat mijn krachten het zullen toelaten, Maar gij gaat toch met mij, nietwaar?”

„Wat mij betreft,” zeide Mevrouw Musch: „ik laat u vrij in deze zaak;   –  maar ik zet mijn voet niet over den drempel van Mr. Jan.”

„En ik geloof met u,” zeide haar zuster, „dat het ook beter is, dat gij er niet gaat, dan dat gij er gaan zoudt in een stemming, die meer geschikt is om wrevel dan om deernis te verwekken.  –  En nu, Betje! het ijzer gesmeed terwijl het heet is, en met de zaak niet getalmd. De Heer De Witt mocht eens terugkeeren, en dan zou het wel kunnen gebeuren, dat hij zijn vrouw verbood, ons te ontvangen. Wat dunkt u, zoudt gij u sterk gevoelen, er reeds hedenmiddag heen te gaan?”

Elizabeth knikte toestemmend, en dientengevolge werd dan ook Stijntje uitgezonden naar Mevrouw De Witt, om te vragen of Mevrouw Aarssen haar geen belet zou doen. Deze laatste had bij later nadenken geoordeeld, dat de echtgenoote van den Raadpensionaris misschien zwarigheid zou maken om Elizabeth te ontvangen, en dat het daarom voorzichtiger ware, dat deze haar Tante onaangemeld vergezelde, in welk geval men haar toch wel niet weer zou uitdrijven.  –  Uit dit staaltje zal de lezer kunnen bespeuren, dat, zoo Mevrouw Aarssen de „onnoozelheid der duive” bezat, zij toch ook bij enkele gelegenheden daarmede de „voorzichtigheid der slange” wist te paren.


[Jacob van Lennep pagina] – [31e hoofdstuk] – [33e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.