MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

DRIE EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

WENDELA BICKER.


Wendela Bicker, de derde dochter van den reeds sedert jaren overleden Burgemeester van Amsterdam, Johan Bicker, was in 1655, op achttienjarigen leeftijd, met den Raadpensionaris getrouwd, en dus op den tijd, waarin ons verhaal voorvalt, nog een jonge vrouw, die weinig in leeftijd met Elizabeth verschilde. Herhaalde kraambedden en huiszorgen, en een over ’t geheel vrij stil en ingetrokken leven hadden echter reeds vroeg van haar gemaakt wat men gewoon is een „huismoedertje” te noemen: op uiterlijk schoon had zij nooit kunnen bogen; maar ook de bevallige frischheid, die der jeugd altijd eigen is, de speelsche dartelheid van voorheen, de rijzigheid der gestalte, alles was spoediger dan gewoonlijk voorbijgegaan: en zelfs Wendela’s tijdgenooten moesten eerst een poos gaan nacijferen om tot de overtuiging te komen, dat Mevrouw De Witt niet veel ouder kon wezen dan zij.

Was Wendela noch door bekoorlijkheden, noch door majesteit van houding geschikt, om in de rij van hooggeplaatste inboorlingen en vreemdelingen, met wie haar echtgenoot uithoofde van zijn betrekking verkeeren moest, figuur te maken, evenmin bezat zij, wat in zoodanigen kring het gemis der genoemde hoedanigheden vergoedt, een fijn vernuft of uitgebreide kennis. Haar opvoeding was die eener rijke burgerdochter van dien tijd geweest: zij had alle vrouwen-handwerken in de volkomenheid geleerd, en was in het receptenboek bij uitnemendheid thuis, en onderwezen in het nagaan van alles, wat de wasch en schoonmaak betrof, wist de tapijten voor de mot en het linnen voor het verbleeken te bewaren;   –  doch voor het aesthetische leven had zij oog noch oor: lezen deed zij nooit, en met het schrijven ging het maar zoo wat:  –  en wat zij in De Witt het meest bewonderde, was wellicht niet zoozeer zijn grootheid als Staatsman, als dat hij een rekenaar was, tegen wien zelfs haar gewezen cijfermeester opzag, dat hij zoo fraai musiceerde, en dat hij zelfs  –  verzen maken kon!

„Maar,” zal deze of gene lezer, en waarom ook niet deze of gene lezeres, mij vragen: „kon een man als Jan De Witt zich gelukkig gevoelen met een vrouw, als gij daar beschrijft?”  –  Ik antwoord, naar overtuiging: „ja”; en ik geloof, dat voor iemand, die den geheelen dag aan ’t werk zat, wiens hoofd gevuld bleef met de belangen van het Gemeenebest, ja van geheel Europa, en die zelf geen tijd had zich met de huiszorg te bemoeien, het een voorrecht was een vrouw te bezitten, die hem, in de weinige oogenblikken, welke hij haar schenken kon, uit de hooge sferen der staatkunde in de lagere, rustige streken van het stille, gewone leven terugriep: een vrouw, die zorg droeg, dat tafel, kleer- en linnenkast altijd wel voorzien waren, en dat de huishouding haar geregelden loop had: een vrouw, die er voor waakte, dat hij   –  wat anders licht het geval zou geweest zijn  –  niet uitging zonder ontbeten te hebben:  –  en ik geloof evenzeer dat daarentegen een vrouw, uitblinkende onder hare kunne gelijk De Witt onder de zijne, het noodlottigste geschenk ware geweest, dat de „Goden in hun toom” hem hadden kunnen toezenden.

Maar ook daarom moest De Witt in zijn huisvrouw gelukkig zijn, omdat hetgeen zij voor hem deed niet bloot geschiedde uit een besef van wat haar plicht als echtgenoote en vrouw des huizes haar opleide, maar uit een gevoel van de reinste en teederste liefde. Te zeggen, dat Wendela haar man beminde, zou maar een flauwe, een onjuiste uitdrukking wezen van hetgeen zij voor hem gevoelde: te zeggen, dat zij hem aanhad, zou even verkeerd zijn; want aanbidding veronderstelt een vurige, driftige natuur, hoedanige zij niet bezat. Neen: haar liefde was een mengsel van verknochtheid, eerbied en bewondering: van die verknochtheid, die tusschen echtelieden, die welgepaard zijn, bestaat: van dien eerbied, waarmede het kind zijn vader aanziet: van die bewondering, welke de gewone mensch gevoelt voor dengenen in wien hij het ideaal van alle menschelijke volmaaktheden meent te aanschouwen.

Wij kennen nu Wendela Bicker eenigszins, wat haren aard en neigingen aangaat: en de lezer zal zich haar kunnen voorstellen, zooals zij nu, in haar achterkamer, het aangekondigde bezoek zat af te wachten. Het huisgewaad, dat zij droeg, was keurig zindeljk en van goede stoffage, maar maakte geen aanspraak hoegenaamd op zwier of welstand; te minder, daar ook zij zich in een staat van reeds ver gevorderde zwangerschap bevond, en dus vooral in haar kleeding gemak en ruimte behoefde. Alleen voor het kapsel was, ter eere van het verwachte bezoek, eenige meerdere zorg besteed: en in weelderigen overvloed stroomden van onder het zwarte kapje de goudblonde krullen uit, die haar als een echte afstammeling van het oude Batavische ras deden kennen, en met een paar zachte, vriendelijke, lichtblauwe oogen, het eenige waren, wat aan haar voorkomen nog iets behaaglijks gaf. Werkeloos was zij nimmer: en zoo zat zij ook nu weer bezig met het stoppen van kousjes voor haar oudste telgjes, toen de bel overging en kort daarna de eenige knecht, dien De Witt er op nahield, de kamerdeur opende en Mevrouw Van Wernhout aandiende.

Met eenige moeite stond Wendela, die, reeds bij het overgaan van de huisschel, haar stopwerk in de nevens haar staande mand had geborgen, uit haar leunstoel op, om de bezoekster te gemoet te gaan; maar zij verschoot van kleur en begon een weinig te beven onder ’t nijgen, toen zij bespeurde dat Mevrouw Aarssen niet alleen, maar door haar nicht verzeld was, die insgelijks heftig beefde, ja zelfs werk had, om zich staande te houden.

„Mevrouw De Witt zal mij verschoonen,” zeide Mevrouw Aarssen, terwijl zij Elizabeth onder den arm nam, als om haar voor te stellen, doch in waarheid om haar te ondersteunen, „zoo ik mijn nicht heb medegebracht.”

Wendela antwoordde alleen met een verlegen hoofdbuiging en wenkte den knecht om stoelen aan te schuiven, waarna deze de kamer verliet. Na zijn vertrek heerschte er een oogenblik stilte: totdat Mevrouw Aarssen, zeer wel begrijpende, dat geene van de beide jonge dames zich op haar gemak gevoelde, in dezer voege het woord opnam:

„Mevrouw De Witt zal gewis een weinig verwonderd, ja misschien verstoord zijn over de stoutheid, welke wij gebruiken. Maar och! wie in zinkensgevaar is, klemt zich aan een stroohalm vast, en zoo moet ook mijn arm Betje wel doen. Ik behoef u niet te vertellen wat een vreeselijk lot haar en haar kindje boven ’t hoofd hangt.”

Wendela kon alleen toestemmend knikken en begon nog harder te beven.

„En ik ben overtuigd,” ging Mevrouw Aarssen voort, „dat uw menschlievend hart met haar gevoelen zal. Gij hebt, evenals zij een man, aan wien gij gehecht zijt: gij zijt ook moeder en insgelijks op het punt van het weer te worden: en zult u dus eenigszins in haren staat kunnen verplaatsen.”

„Ja, ik kan dat..., ik gevoel dat alles,” bracht Wendela met moeite uit, terwijl de tranen haar langs de wangen biggelden.

.,Dat wist ik te voren,” hernam Mevrouw Aarssen: „en ik dank er u voor. Het doet mij leed, en nogmaals vraag ik u verschooning, dat wij u over zulk een treurige zaak komen ophouden en onaangename gewaarwordingen bij u verwekken; maar zoo reeds een bloot medegevoel voor de ramp van een ander u dus tot schreiens toe beweegt, hoeveel heviger moet zij dan niet lijden, wie deze ramp treft, en die in dit oogenblik schier al haar hoop op u gevestigd houdt?”

„Maar kan ik daar iets aan doen?” vroeg Wendela, bevreemd opziende: „kan ik u in dezen van eenigen dienst zijn?”

„Ach Mevrouw!” antwoordde Mevrouw Aarssen: „de Heeren van den Hove moeten in de zaak wijzen; maar, wij behoeven het niet onder stoelen of banken te steken, zoo de Heer Raadpensionaris wil, dan zal het vonnis, òf zoo streng niet zijn, òf, zoo het streng is, wel verzacht worden.”

„Dat weet ik niet,” zeide Wendela: „ik geloof niet .... dat De Witt.... daar zooveel in te zeggen heeft.”

„Wel stellig, meer dan iemand,” hernam de Weduwe: „èn door zijn ambt en invloed, èn omdat hij de beleedigde persoon is.... zoo er al eenige beleediging bestaat; want ik begrijp nog niet, wat die goede Buat eigenlijk verricht heeft, dat hem zoo geweldig kwalijk genomen wordt. Maar

Wy leven in een snegen tijt,
Die schier een hair aan stucken splijt.
Al segje niet een enkel woort,
Noch wort de meyning nagespoort.

zooals mijn vader zaliger wel te recht heeft aangemerkt. Maar daar wil ik nu niet over twisten. De groote zaak is maar, dat de Heer De Witt te zijnen opzichte vermurwd worde: en door wie kan dat beter gedaan worden dan door u?”

„Door mij?” herhaalde Wendela:  –  „maar.... ik spreek nooit met De Witt over politieke zaken.”

„En dat behoeft ook niet,” zeide Mevrouw Aarssen: „laat de zaak wat zij is, ofschoon daarover ook nog wel wat te zeggen zou vallen:  –  maar schilder hem de ongelukkige vrouw, en het harde lot, dat haar te wachten staat, indien zij haar man op zulk een schrikkelijke wijze verliezen moet. Herinner hem, hoe diezelfde Buat, dien hij thans aan den dreigenden arm der Justitie heeft overgeleverd, jaren lang als een goed en geacht burger hier geleefd heeft; hoe hij altijd ten dienste van ’t Vaderland gereed heeft gestaan en getoond, dat hij er zijn bloed voor veil had. Herhaal hem, wat reeds vroeger door Buat en zijn vrouw beiden telkens is verklaard geworden, en wat wij u thans nogmaals plechtig verzekeren, dat, zoo hij schuldig is aan eenig vergrijp, er nooit een boos opzet bij hem gehuisd heeft, en hij misschien verkeerd gezien, maar nooit anders dan ’s Lands welzijn voor oogen heeft gehad. Zie, lieve Mevrouw! dat kunt, dat wilt gij hem immers wel zeggen?”

„Ach, mijn waarde Mevrouw Van Wernhout!” antwoordde Wendela: „ik wil dat alles wel gelooven, en zou u zoo gaarne verplichten; maar ik weet te voren, wat De Witt zal zeggen als ik er hem over spreek: hij zal mij vriendelijk toelachen, en dan zal ’t wezen: „Wendeltje-lief! wat eten wij van middag?” of: „moet Johanna niet een nieuw jurkje hebben, want zij is gegroeid uit hetgeen zij nu aanheeft?” of iets dergelijks: en dan weet ik genoeg, en durf hem niet meer lastig vallen.”

„O, Mevrouw!” hernam Mevrouw Aarssen: „bedenk toch, het geldt hier het leven of den dood van een huisvader! het geluk of het ongeluk van een vrouw en kind! Zult gij daarvoor niet desnoods een zuur gezicht wagen, en, voor ééne reize, bij uw man durven aanhouden?”

Elizabeth had tot nog toe steenbleek en roerloos in haar stoel gezeten, zonder een woord te spreken en zonder een traan te laten. Zij had van den aanvang af weinig gehoopt van den stap, dien zij op aanraden harer tante deed; want zij had wel verwacht, dat het Wendela aan den noodigen moed ontbreken zou, om, ten haren behoeve, zich desnoods aan de ontevredenheid van De Witt te wagen. Intusschen, zij gevoelde, dat zij de taak, om Wendela te overreden, niet aan haar tante alleen kon overlaten, en dat, nu zij eenmaal gekomen was, zij toch ook iets moest zeggen. Zij rees derhalve op, vouwde de handen smeekend samen en wendde zich met de navolgende woorden tot Mevrouw De Witt:

„Och, lieve Wendela! laat u toch bewegen, en doe iets voor mij. Bedenk, dat zoo ik nu als smeekeling mij tot u wende, er evengoed een tijd zou kunnen komen, dat het lot, hetwelk Buat treft, ook uwen man te beurt viel:  –  en hoe innig zoudt gij dan wenschen, een voorspraak te verwerven, die hetzelfde voor hem deed, als wij van u verlangen.”

De taal van Elizabeth was wel gemeend, en hetgeen zij zeide niet van waarheid ontbloot: ongelukkig deed het op Wendela een geheel verkeerde uitwerking; want de onderstelling, door Elizabeth vooruitgezet, klonk haar als een heiligschennis in ’t oor. „Ik geloof niet,” zeide zij op een toon, waarin meer bitsheid lag, dan iemand van haar verwacht zou hebben, „dat De Witt ooit iets kan verrichten, waarover men hem tot rekenschap zou roepen.”

„Ach!” hernam Elizabeth: „behoeft men daartoe in onze dagen iets te verrichten? Kan niet de partij, die heden ’t onderspit delft, morgen opeens verheven worden en aan den Heer De Witt tot misdaad rekenen, wat zijn vrienden als een brave daad beschouwen? Ook de Heer Van Oldenbarneveldt stond in aanzien en eere, gelijk thans uw man:   –  en toch heeft hij zijn grijze hoofd op ’t schavot moeten verliezen. O bedenk dit! en laat de Heer De Witt het ook bedenken.  –  Laat hij genadig zijn, gelijk hij genade zou wenschen te vinden.”

Wendela sidderde. Geheel voor haar huis en huiszorg levende, en zelden met andere lieden sprekende, dan die bij haar den lof van haar echtgenoot uitbazuinden, had zij voor De Witt wel de gevaren, waaraan hij zich op zee en elders blootstelde, gevreesd; maar de voorstelling, dat ook hij als een offer der Staatkunde vallen kon, was haar geheel nieuw en onverwacht. Vervaard zag zij Elizabeth aan en zocht vergeefs naar woorden: terwijl zij krampachtig den stoel omkneep, waarop zij gezeten was.

„O! mijn Waarde!” vervolgde Elizabeth bemoedigd, toen zij de uitwerking harer woorden bespeurde: „als eens die dag komen moest dat, op Zijne beurt, uw man geroepen werd voor diezelfde Vierschaar, waar hij thans den mijnen gebracht heeft, hoe vurig, ik herhaal het, zoudt gij dan niet wenschen, gelijk ik thans, iemand te vinden, die ’t vermogen en tevens den wil had, om zich zijner aan te trekken! Ik zie het, dat denkbeeld alleen wekt ontroering bij u op: gij kunt dan den hartverscheurenden toestand beseffen, waarin ik verkeer, bij wie een zoodanig geval geen bloote veronderstelling, maar akelige wezenlijkheid is.  –  Ach! Wendela! lieve Wendela! gij zijt geschokt, ik zie het: en dat kon u misschien kwaad doen; maar vergeef het mij:  –  ik ben zoo diep ongelukkig.”

Wendela was inderdaad geschokt, en wel zoodanig, dat zij zich niet in staat bevond, eenig antwoord te geven, maar het hoofd in haar handen verborg en hoorbaar snikte.

„Laat,” vervolgde Elizabeth: „laat mij toch van hier gaan, met eenige hoop dat mijn taal u vermurwd heeft en dat gij aan de gebeden eener arme en hulpelooze vrouw gehoor wilt geven. Ach! verstoot mij toch niet. Wendela! Wendela-lief!”

En onder het uiten dezer woorden wierp zij zich voor Wendela neer, die, nu geheel door haar ontroering overmand, den arm om den hals der smeekeling sloeg en, tusschen tranen en snikken in, nauwelijks hoorbaar zeide:

„Wees maar gerust, Betje.... ik zal doen wat ik kan.... ik zal uw voorspraak zijn bij De Witt.”

„Dank, duizendmaal dank, lieve goede Wendela!” riep Elizabeth, terwijl zij de handen harer beschermster met kussen overdekte.

„De goede God zegene u voor dat besluit,” zeide Mevrouw Aarssen, die mede toetrad, en Wendela omhelsde: „nu gij u de zaak aantrekt, beschouw ik die als half gewonnen.”

Nog waren de drie vrouwen niet van haar aandoening teruggekomen, nog veegden zij herhaaldelijk de opwellende tranen weg, die telkens door nieuwe vervangen werden, toen onverwacht een zware mannenstap door de gang klonk. De deur ging open, en De Witt trad binnen.

Hij was zooeven van de vloot gekeerd, en had, bij ’t uitstappen uit zijn rijtuig, de huisdeur open gevonden, daar zijn knecht juist op de stoep stond en een praatje maakte met den voerman van de karos, waarmede de beide dames gekomen waren. Vandaar, dat hij dadelijk doorgeloopen en achter gekomen was, zonder dat zijn nadering de aandacht der aldaar aanwezige vrouwen getrokken had.

De eerste gewaarwording, welke zich bij Wendela op het zien van haar echtgenoot vertoonde, was die eener blijde verrassing. Maar toen zij hem te gemoet gegaan en om den hals gevallen was, en zij zag, hoe, nadat hij hare omhelzing beantwoord had, zijn oog eenigszins verwonderd op de beide bezoeksters rustte, toen gevoelde zij een gewaarwording van angst op de gedachte, dat zij reeds zoo spoedig geroepen werd om haar moed te bewijzen, door aan de gegeven belofte te voldoen.

De Witt had in ’t eerst noch Elizabeth noch Mevrouw Aarssen herkend; want hij had deze laatste in lange jaren niet ontmoet, en Elizabeth had zich, op zijn binnenkomen, al sidderend aan haar moei vastgeklemd, en het hoofd op den schouder van deze laten zakken. Hij had zich beleefd, maar stijf, gebogen en zijn vrouw vragend aangezien, als in afwachting dat zij hem aan de dames zou voorstellen. Wendela gevoelde nu, dat een verklaring onvermijdelijk was, en dat het zelfs beter ware, terstond haar taak te aanvaarden, dan daarmede langer te toeven. Misschien hoopte zij ook wel, dat de vervulling dier taak haar minder moeilijk zou vallen, nu het toeval De Witt en Elizabeth in elkanders bijzijn gebracht had, en deze laatste zelve zou kunnen aanvoeren, wat noodig ware, om het hart van den Raadpensionaris te vermurwen. Met een bevende stem zeide zij:

„Ja, lieve Man! het is die arme Mevrouw Buat, die mij is komen vragen, om.... en ach!.... gij zoudt ook mij zoo gelukkig maken, indien gij medelijden hadt met haar bittere rouwe en haar een gunstig oor wildet leenen.”

Hier zweeg zij, ontsteld over de ontevreden uitdrukking, die zich op het gelaat van De Witt vertoonde.

„Mevrouw Buat!” herhaalde deze, terwijl hij zich van zijn reismantel ontdeed: „wat kan Mevrouw Buat van mij te wachten hebben?”

„Helaas!” zeide Mevrouw Aarssen, het woord opvattende voor de beide jonge vrouwen, die als spraak- en roerloos bleven staan: „indien wij in een Koninkrijk woonden, dan zouden wij ons tot den Koning wenden, om van hem de te-niet-doening dier ongelukkige rechtsvervolging tegen Buat te verzoeken:  –   nu wenden wij ons tot den Heer Raadpensionaris, als tot den eenige in den lande, die de macht bezit om hetzelfde te doen, wat elders alleen door den Koning kan verricht worden.”

„Ik geloof, dat ik de eer heb tot Mevrouw Van Wernhout te spreken,” zeide De Witt, die zich nu haar gelaat te binnenbracht: „gewis,” vervolgde hij, na haar bevestigende buiging: „het verwondert mij, een bewering als de uwe te hooren uit den mond eener dochter van een mijner voorgangers in het Pensionaris-ambt. Niemand beter dan zij kan toch weten, dat de Raadpensionaris niets anders is dan de Minister der Heeren Staten, en de uitvoerder hunner bevelen.”

„Ja, Mijnheer!” hernam de Weduwe: „ik weet, wat dat ambt medebrengt, en wat de macht mijns vaders was; maar ik weet tevens, wie de Heer De Witt is: en niet ik alleen, maar geheel Nederland, geheel Europa, ja de geheele wereld weet, wat hij verrichten kan.”

De Witt moest in zijn ziel der spreekster wel gelijk geven, en iets, dat naar een glimlach zweemde, vertoonde zich op zijn lippen, toen hem de gedachte voor den geest speelde, hoe onbeduidend dat ambt van Raadpensionaris geweest was, door den goeden Cats bekleed, en welk gezag hij zelf er door had weten te verwerven.

„Mevrouw!” hernam hij, na een oogenblik zwijgens: „ik heb tot stelregel aangenomen, nimmer met dames over mijn bediening noch over staatszaken te spreken, en ik mag zelfs ten opzichte van een zoo verstandige vrouw als Mevrouw Van Wernhout geen uitzondering maken.  –  Doch ik hoor, dat gij, of liever uw nicht, een verzoek aan mij hadt, en ik herhaal, niet te kunnen beseffen wat het wezen kan.”

„Het zijn niet wij alleen” antwoordde Mevrouw Aarssen, terwijl zoowel haar blik als die van Elizabeth, smeekend op Wendela gevestigd, aan deze hare beloften schenen te herinneren: „het is ook Mevrouw De Witt, die u verzoeken zal tevreden te zijn met de straf, die Buat reeds ondergaan heeft, en hem door uwe tusschenkomst voor erger te willen vrijwaren.”

„Ach ja,” lieve De Witt!” zeide Wendela, op vleienden toon: „kunt gij dat doen, zoo doe het, ook ten mijnen gevalle.”

Mevrouw Buat smeekt Wendela de Witt om bij haar man op genade voor Ritmeester Buat te vragen.„Wendela!” riep De Witt uit, terwijl zijn gelaat weder overwolkt werd: „gij moest weten, wat deze beide dames zeer goed weten, dat ik, welke macht men mij ook verkieze toe te schrijven, den loop der Justitie niet stremmen kan.”

Wendela boog verlegen het hoofd; doch Mevrouw Aarssen liet zich niet zoo licht uit het veld slaan: „ik weet,” zeide zij: „dat Buat voor zijn rechters verschijnen moet, en dat dezen gehouden zijn om naar eed en plicht te wijzen; maar ik weet ook, dat, welke de uitslag zij hunner beraadslaging, het van de Heeren Staten afhangt, in geval van veroordeeling, genade voor recht te doen gelden, en dat de stem van den Heer De Witt in dat geval alles af zal doen.”

„Zoo heeft er dan nog geen uitspraak plaats gehad?” vroeg De Witt, terwijl de uitdrukking van zijn gelaat van teleurstelling getuigde.

„Helaas neen!” zeide Elizabeth, zich bevende in het gesprek mengende: „en die onzekerheid, waarin wij verkeeren, is niet het minst schrikkelijke van onzen toestand.”

„Ik hoop voor u, dat die spoedig moge ophouden,” zeide De Witt, op een koelen toon en met een blik, die weinig verlangen te kennen gaf om het gesprek verder met haar voort te zetten. Mevrouw Aarssen begreep echter, dat zij de gelegenheid, die zich nu voordeed, en wellicht nooit terug zou keeren, niet ongebruikt mocht laten voorbijgaan, maar alle middelen moest in ’t werk stellen, om het hart van De Witt te vermurwen.

„Kom!” zeide zij, terwijl zij vertrouwelijk naar hem toetrad: „ik wil nu eens niet tot den grooten en beroemden Raadpensionaris spreken, die bij al die staatszorgen en hooge belangen wel eens gevaar zou kunnen loopen, te vergeten, dat hij een hart heeft; maar tot Mr. Joan De Witt, zooals ik hem nog gekend heb, jong, vroolijk, vlug, minzaam en goedhartig, die nu en dan zijn werkzaamheden eens afwisselde, door op onze avondpartijen een eerste viool te spelen, of den vroolijken dans te geleiden. In die dagen zoudt gij door een vuur gesprongen zijn om uw evennaaste te verplichten, en gij zoudt toen niet geoordeeld hebben, dat een daad, zonder boos opzet bedreven, en alleen het gevolg van gebrek aan nadenken, zulk een strenge vervolging verdiende. Zie, mijn vader heeft wel terecht gezeid:

Wie doet er ooit een malle greep,
Die niet en heeft haar nagesleep?

en Neef Buat ondervindt er de waarheid van:  –  maar ik vraag u in gemoede af, wanneer gij onbevooroordeeld overweegt, wat hem eigenlijk ten laste kan gelegd worden, of dan niet de schaal ten voordeele der clementie moet overslaan?”

„Mevrouw!” antwoordde De Witt, „ik wenschte gaarne niet met u in een redetwist te komen over den aard van Buats bedrijf. Er zijn handelingen, die de wereld in ’t algemeen als gering van beteekenis zal achten, en waarin zoo de Staatsman als de rechter een misdaad ziet, die strenge straf vereischt.”

„’t Kan zijn,” hernam de Weduwe. „ik wil niet vragen, wat de wereld zeggen, noch hoe de Staatsman de zaak beschouwen zal.  –  Maar dit mag ik vragen, en die vraag moogt gij ook tot u zelven richten: hoe zal God, de Opperste Rechter, die beschouwen?”

„Buat moge bij God genade vinden,” antwoordde De Witt, „indien de menschen hem die ontzeggen moeten.”

„Neen!” riep Mevrouw Aarssen uit: „niet aldus moet gij mijn woorden uitleggen: ik vraag u af, of gij uwe handelwijze omtrent Buat, gesteld dat gij die als staatsdienaar en burger verantwoorden kunt, ook bij God zult kunnen rechtvaardigen?”

„God heeft mij zware plichten opgelegd,” antwoordde De Witt, „toen Hij mij riep, om het ambt te bekleeden, dat mij is opgedragen, en die plichten moet ik vervullen, wat het mijn gevoel ook moge kosten.”

„Wel! gij hebt die vervuld,” hernam Mevrouw Aarssen: „toen gij Buat aan den arm der gerechtigheid overgaaft;  –  maar nu gij aan die harde noodzakelijkheid gehoorzaamd hebt, laat nu de stem der menschelijkheid in u spreken.”

„Och ja, De Witt,” zeide Wendela, de handen vouwende: „doe het te mijnen gevalle: de bloote gedachte doet mij sidderen, dat iemand, ook al ware het ten onrechte, u ooit rekenschap zou kunnen vragen van iemands bloed.”

„En ik,” zeide Elizabeth: „ik verlaat deze plaats niet. voor ik van u de toezegging heb ontvangen, dat gij u ontfermen zult over mijn armen man en mij. Ach, mijn waarde Heer! ik ben de schuld van alles: ik heb hem tot het aanhouden dier correspondentie verleid, toen hij er reeds geheel van wilde afzien: en ofschoon ik er spoedig daarna berouw van had, het gebeurde is oorspronkelijk alleen mijne schuld. Laat mij toch niet onder het gewicht blijven rusten dier verschrikkelijke gedachte, dat ik mijn man zou vermoord hebben. Zie! ik beken, dat ik vroeger trotsch en ijdel geweest ben; maar ik ben het niet langer; ik val voor u te voet, ik omhels uwe knieën, en wat gedachten ik vroeger over u moge gehad hebben, ik zal uwen naam zegenen, indien gij mij de bede toestaat, die ik thans tot u richt.”

„O, De Witt!” zeide Wendela, hem om den hals vallende: „verstoot haar niet: denk wat ik lijden zou, indien ik op gelijke wijze voor uw behoud moest smeeken.”

Het is een der minst aangename toestanden, waarin zich iemand kan geplaatst zien, met aandrang en klem te worden gebeden, iets te verrichten, waartoe ons hart nog wel geneigd zou wezen, maar waartegen ons verstand zich verzet: en nog lastiger wordt die toestand, wanneer die smeekelingen vrouwen zijn, in stand met ons gelijk, en eene daarvan nog wel onze eigen vrouw. De Witt verwenschte dan ook innerlijk het toeval, dat hem juist op dit oogenblik had doen thuis komen, en niet een halfuur vroeger of later, wanneer hij zich niet aan een tooneel als dit zou hebben zien blootgesteld: en meer nog verwenschte hij den invloed, welken de welsprekendheid der beide bezoeksters op Wendela had uitgeoefend en waardoor deze, voor ’t eerst van haar leven, er toe gebracht was, ook haar eigen invloed, waar ’t een staatszaak gold, op hem te beproeven. Hij kon, hoe hij ’t voor zichzelven ook verbergen mocht, niet ontkennen, dat er veel waars gelegen was in de gronden door Mevrouw Aarssen aangevoerd: hij begon zich zelven reeds af te vragen, of hij wèl handelde, door de stem van ’t medelijden zoo geheel in zijn borst te versmoren om alleen naar die van ’t staatsbelang, of liever naar die der partijzucht, te luisteren: en het is nog de vraag of hij niet ware geëindigd, met toe te geven, toen hij zich onverwacht op den schouder voelde tikken. Hij wendde ’t hoofd om   –  en zag voor zich een langen, mageren, bleeken, bijna tachtigjarigen grijsaard staan, die, terwijl hij den blik zoo ernstig en gestreng op hem richtte, dat de Raadpensionaris den zijnen nedersloeg, langzaam en plechtig deze woorden tot hem sprak: „Gedenk aan Loevestein!”

Wie was die grijsaard, die Jan De Witt de oogen deed nederslaan en wiens toespraak op hem werkte als een mystieke tooverspreuk of als het somber verwijt eens afgestorvenen?   –  Geen wonder, dat de Raadpensionaris ontzag voor hem toonde; want die man was zijn vader: het was Jacob De Witt, Oud-Burgemeester van Dordrecht en Meester van de Rekeningen der Domeinen van de Staten van Holland en West-Friesland, de hooghartige Regent, in wien, na den dood van Oldenbarneveldt, de Staatsgezinde partij haar voornaamsten steun en hoofd geëerbiedigd had, en die, zich den heftigen tegenstander van Willem II betoond hebbende, op last van dien Vorst in hechtenis genomen en naar Loevestein gezonden was geweest. Slechts korte dagen had die gevangenschap geduurd; maar die korte dagen waren toereikend geweest, om voor altijd aan de partij van Jacob De Witt den naam van „Loevesteinsche factie” te hechten, en om in ’s mans boezem een onuitdoofbaren haat en wraakzucht tegen het Huis van Oranje te ontsteken.

„Gedenk aan Loevestein!” waren de woorden, die zijn kinderen, jaren achtereen, telken avond, als toegift op den vaderlijken zegen, uit zijn mond vernomen hadden, en waarmede ook hun ijver voor de in hun oog zoo schendig verongelijkte partij, en hun wrok tegen de verdrukkers van wat zij „vrijheid” noemden, waren levendig gehouden.  –  „Gedenk aan Loevestein!” waren de woorden, die ook thans weder strekken moesten om in een oogenblik van weifeling, den Raadpensionaris opnieuw te doen worden hetgeen hij zich anders immer toonde, de onverzettelijke Vertegenwoordiger der Staatsgezinde politiek.

Door een hunner beide vrienden, die den Raadpensionaris ontmoet had, toen deze de stad binnenreed, van diens terugkomst verwittigd, was hij naar den Kneuterdijk gewandeld, om hem te verwelkomen. Vernemende wie zich binnen bevonden, en terstond radende, waar dat bezoek toe leiden moest, had hij zich onmiddellijk naar achteren begeven om, in deze hachelijke omstandigheid, zijn zoon een hart onder den riem te steken.

En wel beantwoordde de uitwerking zijner toespraak aan zijn verwachting. Mevrouw Aarssen en Elizabeth waren reeds dadelijk op zijn komst met angst teruggetreden:   –  en na zich, zachtjes, doch op een wijze, die geen tegenstreven gedoogde, uit Wendela’s omhelzing te hebben losgemaakt, sprak de Raadpensionaris de beide bezoeksters in de navolgende bewoordingen toe:

„Mevrouwen! ’t is nooit mijn gewoonte geweest, iemand met ijdele verwachtingen te vleien. Wat het Hof in de zaak van den Ritmeester Buat beslissen zal, laat ik daar; maar ’s Lands belang vordert, dat er een voorbeeld gesteld worde, en ik zal nooit de man zijn om zulks te verhinderen.  –  Een langer verblijf hier zou vruchteloos en, voor u gelijk voor ons, niet dan pijnlijk kunnen zijn.”

„Helaas!” zeide Mevrouw Aarssen, terwijl zij een verwijtenden blik op den grijsaard sloeg:

„Toen ick was aldernaest, toen was ick alderverst,

 maar, is er dan geen mogelijkheid....”

„Neen!” zeide Elizabeth, in wier levendig en licht beweegbaar gemoed de haar ingeschapen fierheid den weemoed opnieuw beheerschte: „verneder u niet langer, lieve Moei! tegenover dien trotschen, onbuigzamen man. God weet het, ik zou alles doen, om mijn armen Buat te redden; maar hij zelf zou zijn leven te duur betaald achten, indien ik het door laagheden koopen moest.”

En zich aan den arm van Mevrouw Aarssen vastklemmende, groette zij met een hoofdbuiging Wendela, die beschaamd en verlegen ter zijde was getreden, wierp aan den Raadpensionaris een blik van haat en minachting toe, als wilde zij daarmede de gedachtenis uitwisschen aan den voetval, dien zij zooeven voor hem gedaan had, ging den grijsaard voorbij, zonder hem zelfs met haar aandacht te verwaardigen, en wandelde, met een vasten tred, de kamer uit, de gang door en zoo naar het rijtuig, dat haar wachtte.

„Men behoeft niet te vragen, of zij een echte dochter is van Kornelis Musch,” zeide De Witt, haar naoogende: „wat u betreft, Wendela! ik verlang van dat vrouwmensch, noch van die geheele Buatsche geschiedenis ooit meer een woord uit uwen mond te hooren. En vertel mij thans eens, hoe maken ’t onze lieve kinderen?  –   Dan zal vader zoo meteen de goedheid wel willen hebben, mij mede te deelen, wat er sedert mijn afwezigheid in de politieke wereld is gebeurd.”

En, den Oud-Burgemeester een stoel aanbiedende, zette hij zich naast zijn huisvrouw en hoorde haar een tijdlang praten over de groote vorderingen van Johanna, en over de verkoudheid van Agnes en Maria, en over het kiezen krijgen van Jantje  –   en vergat, zoolang die mededeelingen duurden, dat er ooit zulk een echtpaar als Buat en Elizabeth op de wereld was geweest.


[Jacob van Lennep pagina] – [32e hoofdstuk] – [34e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.