MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,

’T WELK MEER OFFICIËELS BEVAT DAN HET VORIGE, EN DUS OOK TOT EEN MEER GEWICHTIGE UITKOMST LEIDT.


Zoo de Raadpensionaris al een oogenblik, om den wille van zijn geliefdste panden, zich de zaak van Buat uit het hoofd had gesteld, de oude De Witt haastte zich weldra hem die te herinneren: en het was niet dan met spijt en wrevel, dat hij van zijn Vader vernam, hoe, naar ’t algemeen gerucht de Leden van ’t Hof tot zachtheid geneigd waren.

„Ik zie,” riep hij uit: „dat mijn terugkomst hoogst noodig was! ’t Is of, zoodra ik maar de hielen licht, geen onzer vrienden zich de zaken meer aantrekt en men er lust in schijnt te hebben, alles in de war te doen loopen. Doch wij zullen er, hoop ik, in voorzien.

Het bleek hem echter weldra uit een gesprek met Van Espenblad, dat deze zich wel degelijk veel moeite in de zaak van Buat gegeven had; ofschoon de listige vertrouweling van De Witt zich wel wachtte, hem met de bijzondere kunstgrepen, welke hij gebezigd had en die aan den lezer zijn medegedeeld, bekend te maken. De Witt oordeelde echter, dat, wat er ook gedaan mocht zijn, zulks niet genoeg was, om eenigen waarborg te geven, dat het Hof een vonnis zou vellen, overeenkomstig met het belang van den Staat, zooals hij dit begreep: en geen dag was er voorbijgegaan, of, op zijn aandrijven en dat zijner medestanders, werd in de gewone Vergadering der Staten van Holland de navolgende Resolutie genomen:

d.16 September 1666.

    „Is goedtgevonden ende verstaen, dat de voorschreve
„eerste ende andere Raden van den Hove alhier ter
„Vergaderinge bescheyden, ende henluyden uyt
„den name van wegen haer Ed. Groot Mog.
„serieuselijck gerepresenteert sal worden de enormiteyt
„van de feylen ende delicten, door den Rithmeester Buatt
„begaen, mitsgaders de sware gevolgen uyt soodanighe
„saecken voor den Staet te apprehenderen staende, als
„mede indien soo hooge Crimina niet met de vereyschte
„rigeur naer de Wetten souden werden ghestraft, met
„serieuse recommandatie dat zyluyden in de selve saecken,
„als mede in die van Johan Kievit, Eeuwout Van der Horst,
„ende alle anderen die insgelijcx daer aen schuldich mogen
„werden bevonden, willen procederen met de vereischte vigeur,
„ende met alle doenlijcke promptitude.”

En alzoo gebeurde het. Blijkens de notulen der Staten van!7 September, verschenen voor hen op dien dag de Leden van den Hove, en werd hun, bij monde van De Witt, de wil der Vergadering in krachtige bewoordingen te kennen gegeven. Een dag later  –   en dit verdient, wanneer men de zaken in haar verband beschouwt, geen mindere aandacht  –  werd door den Raadpensionaris verslag uitgebracht van de reeds op!6 Juli benoemde Commissie om van raad te dienen over de vacature door het overlijden van den Heer Dedel ontstaan, en voorgedragen: „dat bij haer Ed. Groot Mgh. soude behooren te worden geresolveert, dat nademael de deliberatie van het voorschreve poinct naer de inclinatie van de Leden noch wel een gheruymen tijdt soude mogen traineren, ende dat haer Ed. Groot Mo. intentie ende resolutie is, dat middelerwijlen den Heere van Maesdam blijve continueren in de exercitie ende bedieninge van de voorschreve functie, derhalven ook aen den selven Heere van Maesdam sullen volghen de Tractementen ende emolumenten, tot deselve functie behoorende, ende dat sedert het overlijden van den gemelden Heere Dedel, zaliger nagedachtenisse: tot dat wederom tot electie van een President als boven sal wesen geprocedeert.” Van dit verslag werd door de Leden afschrift verzocht, „omme d’intentie van de Heeren haer Principalen daer over te moghen verstaan:” en het eindbesluit alzoo uitgesteld tot nadere deliberatie.

De Leden der hoogste Vierschaar in Holland hadden alzoo, als schoolknapen van hun meester, hun les opgekregen, en vernomen, hoe zij te wijzen hadden:  –  en toch! het zij tot hun eer gezegd, de meesten onder hen gevoelden zich nog ongenegen om hun consciëntie geweld aan te doen en ten gevalle van Hun Ed. Groot Mogenden een doodvonnis uit te spreken. Intusschen, groot was de vrees voor De Witt, en men wilde gaarne vermijden, hem voor het hoofd te stooten: daarom werden, zoo ’t heette om meer licht in de zaak te vinden, de beraadslagingen van dag tot dag uitgesteld. Waarschijnlijk geschiedde dit in de hoop, dat er iets gebeuren zou, waardoor de zaken van gedaante veranderen mochten. En, in een tijd van oorlog en woeling kon er van den eenen dag op den anderen iets gebeuren. Ten gevolge van een ongesteldheid, aan De Ruyter overkomen, en van het ontslag, ’t welk de Staten aan Tromp hadden gegeven, was er niemand onder de Zeevoogden, aan wien men het opperbevel over de nu weder in goeden staat gebrachte vloot dorst toevertrouwen;  –  maar Jan De Witt had eenmaal besloten, de geledene schade en schande op de Engelschen te wreken: en wat hij eenmaal besloten had, daarvan was geen aardsche macht in staat hem af te brengen. Hij trok derhalve in ’t laatst van September opnieuw naar de vloot, nam er zelf het bevel over op, en stak in zee.

Deze afwezigheid van De Witt, en vooral de gevaarlijke kansen, waaraan hij zich blootstelde, deden de hoop voor een wijl herleven bij de vrienden van Buat:  –   immers, hoe licht kon niet een kogel den onverschrokken man treffen, en dan   –  ook al kwam er geen onmiddellijke verandering in de Staatkunde   –  ware het leven van den beschuldigde gered geweest. Zoo dachten ook de Leden van het Hof, en lieten daarom opzettelijk de zaak sleuren; maar zij hadden er niet op gerekend, dat, ook al was De Witt op zee gegaan, hij deze reis de noodige bevelen had achtergelaten en de noodige zorg gedragen, dat zij ten uitvoer werden gelegd:  –   de Resolutie, welke hij de Staten had doen nemen, kon nu aan zijn vrienden en aanhangers tot een richtsnoer strekken van de gedragslijn, welke zij te volgen hadden, en Van Espenblad aarzelde niet, er partij van te trekken. In heftige bewoordingen droeg hij ter Vergadering van Holland voor, hoe de Leden van den Hove met het besluit der Staten den spot schenen te drijven, en hoe het noodig was, hen nogmaals en met meerderen klem tot hun plicht te manen. Verscheiden stemmen ondersteunden het gedane voorstel: algemeen begreep de Vergadering, dat dezen keer haar achtbaarheid met de zaak gemoeid was: en zoo nam zij een tweede Resolutie, waarbij op nog scherperen toon aan de Raden een „speciael bevel” werd gegeven, „dat zy zich in dezen precise naer de Wetten ende Placaten souden hebben te reguleren, sonder daer van in het Sententieren van den voornoemden Buatt, ende andere syner Complicen eenichsints te defiecteren, de wyle haer Ed. Groot Mo. niet als met de hoochste onaengenaemheyt haer van der selver rechtmatige verwachtinge in desen gefrustreert souden konnen sien.”  –  En niet alleen werd extract van dit besluit den Hove toegezonden, maar zelfs nog daar te boven werden Van Espenblad en zes andere Staatsleden gecommitteerd, om het in persoon aan de Leden van het Hof te gaan voorlezen en door mondelingen aandrang te versterken: van welken last zij zich op Maandag 4 October kweten.

Het Hof dorst nu de behandeling niet langer uitstellen, en het was, gelijk mijn grijze en geleerde vriend, de Hoogleeraar Tydeman zich!) uitdrukt, „onder den warmen indruk van dien dubbelen aandrang van commissie en extract-resolutie,” dat op Dinsdag, juist terwijl de Pensionaris van Dordrecht, Vivien, aan de Staten verslag deed van die bezending, de beraadslaging door het Hof gehouden werd.  –  Ik wil den Lezer de moeite sparen om haar in het Archief van dat Hof ter Griffie van den Hoogen Raad te gaan nalezen, en daarom liever hen, die er aan deel namen, sprekende voor hem opvoeren.

„Wat mij betreft,” zeide Mr. Dirk Sixti, toen hem, als oudsten Raadsheer, door Van Dorp Van Maasdam, het eerst zijn gevoelen gevraagd werd: „ik zie niet in, dat door den gevangenen Buat meer is gepleegd dan een gewoon crimen perduellionis, strafbaar met de poena morti proxima; doch alvorens mij op dit punt beslissend te verklaren, zal ik gaarne de gevoelens van de overige Heeren vernemen.”

„Zoo denk ik er ook over,” zeide Mr. Aelbrecht Nierop: zaak is mij nog niet helder, en ik zal gaarne licht van mijn ambtgenooten ontvangen.”

„Maar Mijnheeren!” merkte Maasdam aan: „indien wij op die wijze voortgaan, en niemand zich stellig wil uiten, zon zullen wij niet veel verder komen. Mij dunkt, de zaak is nu eenmaal genoeg onderzocht en van alle zijden bekeken: en ik besef niet, hoe men nog aarzelen zou, zich te verklaren omtrent het al of niet strafschuldige.”

„’t Kan wezen,” hernam Sixti, die, zoowel als Nierop, noch het ter dood veroordeelen van Buat, noch het uittarten van de Staten voor Zijne rekening wilde nemen, maar zich, hoe de uitslag ook wezen mocht, achter zijn ambtgenooten wilde verschansen: mij is de zaak niet zoo klaar:  –  immers niet wat den wil en de bedoelingen van den gevangene betreft, en het doet mijns inziens ten deze alles af, of hij al dan niet met boos opzet gehandeld heeft.”

De heer Van Maasdam haalde de schouders op en wendde zich tot den in rang volgenden Raadsheer, Mr. Adriaan Pauw: „Ziet,” vroeg hij, „de Heer Van Bennebroek ook zwarigheid in het zeggen zijner meening?”

„In geenen deele,” antwoordde Pauw, die minder beschroomd was dan zijn ambtgenooten om in deze het spits af te bijten: „mijn gevoelen omtrent de zaak staat vast:” en meteen, een papier met geschreven aanteekeningen voor den dag halende, hield hij een geleerd vertoog, waarmede ik den lezer niet vervelen wil, en ’t geen daarop nederkwam, dat hij het begane misdrijf tot zeven hoofdbezwaren bracht, waarop hij, de oplossingen, door Buat op elk dier bezwaren gegeven, achtereenvolgens onderzoekende, aanwees, hoe zij, naar zijn oordeel, alle onvoldoende waren. Hij eindigde met de verklaring, dat Buat, als schuldig aan de misdaad van gekwetste Majesteit tot de doodstraf moest veroordeeld worden.

„Ook ik,” zeide Mr. Willem Goes, die nu het woord bekwam, „ben, evenmin als de Heer Van Bennebroek, bevreesd om mijne meening te zeggen. Naar mijn begrip heeft Buat zich vergrepen en verdient hij gestraft te worden; doch ik kan niet verstaan, dat hij de misdaad van gekwetste Majesteit zou hebben begaan.

„Zie slechts het Plakkaat in,” voegde Pauw hem toe: „ waarin het houden van mondelinge en schriftelijke correspondentie met den vijand als zoodanig wordt aangemerkt.”

„Ik ken de zinsnede, waar gij op doelt,” hervatte Goes: „maar men moet die in haar geheel aanhalen. Er staat bij: „tot nadeel van den Staat;” en ik zie niet in, dat de Staat tot nog toe, door al dat geschrijf en gepraat van Buat, eenig nadeel geleden hebbe.”

En, na, tot staving van zijn gevoelen, de bezwaren, tegen Buat ingebracht, te hebben nagegaan, concludeerde hij, dat de schuldige zoude gevangen gehouden worden tot na den oorlog en daarna verbannen, met verbeurdverklaring zijner goederen.

De beurt was nu aan Mr. Pieter Ockerse. „Mijne taak is moeilijk,” zeide hij: „ik heb de verhooren niet bijgewoond, en kan dus alleen uit de stukken oordeelen: uit deze blijkt mij wel, dat Buat heeft gedaan wat men lata culpa noemt, die ten hoogste strafbaar is; maar niet dat hij malo animo zou gehandeld hebben. Ik kan dus mijn stem geenszins tot de doodstraf geven.”

„Ik wel,” zeide Mr. Kornelis Fannius, de boezemvriend van De Witt: „de gevangene heeft in drie verschillende opzichten gezondigd:  –  vooreerst, door tegen het uitdrukkelijk verbod van den Heer Raadpensionaris overal te verspreiden, dat men den vrede met Engeland kon hebben wanneer men verkoos:  –  ’t geen strekken kon om de onkundige lieden hier te lande in den waan te brengen, dat de Regeering oorzaak was van de voortduring van den oorlog, en dat zij geen vrede begeerde: uit welke verkeerde opvattingen allicht ontevredenheid, ja oproer kon ontstaan.   –  Ten tweede heeft hij, gelijk uit brieven van Arlington en Sylvius blijkt, ten nadeele van dezen Staat, den vijand verwittigd van verscheidene zaken.   –  En ten derde heeft hij geijverd om dezen Staat van de ons zoo noodige alliantie met Frankrijk af te scheuren:  –  elk van welke drie vergrijpen op zich zelf reeds de straffe des doods met verbeurdverklaring van goederen waardig is.”

„Dit zou ik u toegeven,” zeide Mr. Joan Van den Honert, die ’t laatst aan het woord kwam, „indien bij dit alles het booze opzet ware bewezen: maar dewijl mij daarvan nog niets gebleken is, kan ik hem wel schuldig verklaren aan het crimen laessae majestatis maar niet in summo gradu.”

„Ik moet u doen opmerken,” zeide Maasdam, glimlachende: „dat de qualiflcatie, die gij aan de misdaad geeft, zich in terminis wederspreekt.”

„Wel mogelijk,” antwoordde Honert: „maar ik weet mijn gevoelen niet duidelijker uit te drukken.”

De Voorzitter beet zich op de lippen: zoo waren er nog maar twee onder de Raadsheeren, die zich bepaaldelijk voor de doodstraf hadden verklaard. Hij gaf echter den moed niet op, om de meerderheid tot het omhelzen van dat gevoelen over te halen, en wendde zich daarop nu weder tot Nierop, die zich het zijne nog had voorbehouden.

„Ik hoop,” zeide hij, „dat gij thans meerder licht verkregen hebt, en niet langer uwe meening verzwijgen zult.”

„Ik heb die van onzen Voorzitter nog niet verstaan,” antwoordde Nierop.

„Ik voeg mij volkomen bij die van de Heeren Pauw en Fannius,” zeide Maasdam: „en ik zie niet in, hoe er, daar de feiten bewezen zijn, aangaande het boos opzet eenige twijfel zijn kan.”

„In allen gevalle,” merkte Fannius aan: „wij hebben, dunkt mij, meer te letten op de gepleegde misdrijven, dan op den wil des daders. In eens anders hart kan niemand lezen, en de gevangene moge al de beste bedoelingen ter wereld gehad hebben, hij heeft niettemin gehandeld in strijd met de uitdrukkelijke begeerte der hooge Overheid van den Lande: en bovendien,” voegde hij er met niet weinig naďeveteit bij: „de Heeren Staten willen, dat men oordeele naar de wetten en ordonnantiën: gij hebt hun waarschuwing gehoord en gelezen, en hun bekommering verstaan: het is hun uitdrukkelijke wil, dat wij naar het Plakkaat vonnissen:  –  de gevolgen komen alzoo voor hunne rekening, niet voor de onze.”

„Daarbij,” zeide Maasdam, „mogen wij niet nalaten, te bedenken, dat men ook in Frankrijk deze zaak bijzonder ter harte neemt. Ziehier kopie eener zinsnede uit een brief, reeds op 3 Sept. door onzen Ambassadeur Van Beuningen aan den Heer Raadpensionaris geschreven: „ „dit Hof sal seer het oogh hebben op ’t geen in de saecke van den Heer Buatt en sijne Complicen gedecreteert sal worden.”

„Moet dan het Hof zich door Frankrijk zijn vonnissen laten voorschrijven?” vroeg Goes, wrevelig.

„Nu,” zeide Nierop: „indien de meerderheid het zoo begrijpt, ik kan mijn stem wel bij die van den Voorzitter voegen.”

„Maar er is geen meerderheid vóór de doodstraf,” merkte Ockerse aan.

„Dat is er wel,” zeide Maasdam: „immers ik kan de uitspraak van onzen Ambtgenoot Van den Honert, dat hier Staatsmisdaad bestaat, niet anders laten gelden, dan met weglating der tegenstrijdige bijvoeging, welke hij er aan verknocht heeft:   –  en dan moet zij tot de doodstraf leiden.  –  Ook heeft de Heer Sixti zich nog maar onder voorbehoud verklaard.”

„Hm!” zeide Sixti, „ik zou mij nogal kunnen voegen bij het gevoelen van onzen Ambtgenoot Goes, en tot gevangenschap stemmen met confiscatie van goederen.”

„Maar het plakkaat,” hetvatte Maasdam: „het plakkaat!”

„Ja,” hernam de grijze Raadsheer, zijn voorhoofd wrijvende: „het plakkaat moge zeggen wat het wil, naar de meening van alle criminalisten moet men letten op de aninum et intentionem operantis.

„Maar houdt gij Buat dan in zedelijken zin onschuldig?” vroeg Pauw.

„Wel niet onschuldig,” antwoordde Sixti: „maar toch, het boos opzet blijft mij altijd twijfelachtig.”

„Laten wij nu niet in een eeuwigdurenden cirkel redeneeren,” zeide Maasdam, „en telkens op hetzelfde terugkomen. Is Thuanus, de vriend van Cinq-Mars, niet ter dood veroordeeld op vrij zwakker grond? en heeft hij, die een der beste criminalisten van Frankrijk was, niet zelf erkend, dat, ofschoon zijn geheele misdaad bestond in het niet aangeven van het voornemen eens vriends, en er bij hem aan geen boos opzet te denken viel, het vonnis rechtvaardig was?”

„Ja, ik herinner het mij,” antwoordde Sixti, verheugd, dat hij zich met het aangehaalde voorbeeld dekken kon: „indien hier alleen de aard van het misdrijf, en niet zoozeer de bedoeling des daders beschouwd moet worden..., dan kan ik, desnoods, wel tot de straffe des doods concludeeren.”

Nu Sixti zich aldus had laten overhalen, kostte het minder moeite ook Van den Honert te bewegen, zijne stem tot de doodstraf te geven: en, in weerwil dat het eerste advies van de meerderheid der Leden tot een minder gestreng vonnis zou hebben moeten leiden, verkreeg, door het zwenken van twee stemmen, het gevoelen van den Voorzitter de overhand en waren het alleen Goes en Ockerse, die zich niet bij de meerderheid wilden voegen. Het besluit was niet zooras gevallen, of Maasdam schreef een briefje aan Van Espenblad, dien hij wist, dat zich op dat oogenblik in de Vergadering der Staten bevinden moest, om hem kennis van den uitslag te geven.

„En nu,” vroeg hij, na den bode er mede weggezonden te hebben, „dienen wij te bepalen, wanneer de executie zal plaats hebben. Laat zien:  –   morgen wordt er Bededag gehouden voor ’t goed succes van den zeetocht: wij kunnen het vonnis dus niet voor Donderdag resumeeren:  –  dus zou het hem Vrijdag moeten worden aangezegd en Zaterdag voltrokken.”

„Dat zal bezwaarlijk gaan,” merkte de Griffier aan: „de Scherprechter is tegen Zaterdag te Amsterdam bescheiden om aldaar bij een rechtspleging zijn dienst te leenen.”

„Nu  –  dan Maandag,” hernam de Voorzitter: „ofschoon ik het wel anders gewenscht hadde; want nu zal er Zondag voor hem in de kerken gebeden worden, en gij weet hoe de meesten gestemd zijn. Lieden als Simonides en Thaddeus de Landtman, zijn nog in staat een martelaar van hem te maken.”

„Dat zou hun slecht bekomen,” zeide Pauw: „en de Overheid zal hen gewis in ’t oog houden;  –  maar van iets anders: hoe is het met de complicen van Buat? zullen wij over hen niet eerst uitspraak doen?”

„’t Ware zaak!  –  zoo wij hen eerst hier hadden,” antwoordde Maasdam: „maar men heeft verzuimd, intijds, gelijk wij hadden voorgesteld, hun uitlevering te vragen: en nu zitten zij hoog en droog in Engeland.  –   Of zij een weinig vroeger of later veroordeeld worden, zal hun niet baten of schaden: ’t is nu maar zaak, hoe spoediger hoe beter het vonnis van Buat op te maken.”

„Dat zal nog zoo gemakkelijk niet gaan,” zeide Goes: „ik althans zou er weinig kans toe zien, om tot de doorgedreven conclusie te geraken.”

„Ik wel,” zeide Pauw: „er is een zeer volledige memorie bij de stukken, en voorts die brief van den Heer De Witt aan onzen Voorzitter, die ons tot leiddraad kunnen dienen.”

„Uitmuntend,” zeide Maasdam: „indien gij met den Heer Fannius en mij er u mede wilt belasten, dan zullen wij dat, hoop ik, spoedig klaren.”

Maar het werd niet spoedig geklaard: als ieder zal begrijpen, die de moeite nemen wil het omslachtige vonnis bij Aitzema na te lezen: een stuk voorzeker, waarin de menigte en opeenstapeling der grieven het gebrek aan gewicht daarvan vergoeden moet. De stellers waren nog ternauwernood tot een vierde van hun arbeid gevorderd, toen Maasdam een briefje van Van Espenblad ontving van den volgenden inhoud:

Weledele Heer!

    „Ik wensch u geluk:  –  de Staten hebben bij Resolutie
„van heden de voordracht, ten uwen behoeve op 11 Sept. j.l.
„gedaan, alsnu finaal gearresteerd.

Uw ootmoedige Dienaar,

V. E.

Uit de Vergadering, 5 Octobris.”


[Jacob van Lennep pagina] – [33e hoofdstuk] – [35e hoofdstuk]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.