MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

ELIZABETH MUSCH

VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK,

HETWELK EEN NOG STELLIGER RESULTAAT GEEFT DAN HET VOORGAANDS


Het was op Zondag 10 October, ongeveer teken den middag, dat de Raadsheeren Pauw en Van den Honert, als daartoe gecommitteerd, zich naar de Gevangenpoort begaven, om aan Buat de uitspraak van het Hof mede te deelen. Zij vonden hem nog altijd lijdende en verzwakt, maar toch opzittende, en in gezelschap met den Franschen Predikant Carré, die gewoon was hem te bezoeken en den troost te verleenen, dien zijn toestand vereischte.

Niet dan met eenige moeite stond de gevangene op, om de Gecommitteerden te groeten, en bleef toen in eerbiedIge houding afwachten, wat zij hem te zeggen hadden.

„Gij hebt zeker reeds vernomen, met welke onaangename boodschap wij belast zijn,” zeide Pauw, die in weerwil van zich zelven, zich niet weinig aangedaan gevoelde, op het zien der verandering, die Buat in trekken en voorkomen ondergaan had.

„Slechte tijding komt hem, wien zij aangaat, altijd spoedig ter ooren,” antwoordde Buat, met een flauwen glimlach. „Ik heb gehoord, dat de uitspraak van het Hof niet gunstig voor mij geweest is.”

„Gij weet dus, tot welke straf u het Hof verwezen heeft,” hernam Pauw, als bevreesd om zelf de eerste brenger van het noodlottig bericht te zijn.

„Men heeft mij gezegd,” antwoordde Buat,  –  „en ik heb nog moeite om het te gelooven  –  dat ik ter dood zou veroordeeld zijn.”

„Zoo is het,” antwoordde Pauw: „het gerucht heeft u niet bedrogen. Gij zijt schuldig verklaard aan de misdaad van gekwetste Majesteit en derhalve veroordeeld om onthalsd te worden met verbeurdverklaring uwer goederen.”

„Ik ben zeer gevoelig voor de beleefdheid van het Hof,” zeide Buat, zich buigende, „dat het juist aan iEmand, die mij aanverwant is, den last dezer mededeeling heeft opgedragen:  –  hoezeer ik gulweg beken, nog geen helder denkbeeld te hebben, waardoor ik eigenlijk de doodstraf verdiend heb;  –   maar waarschijnlijk ligt dat alleen aan mijn gebrek aan juridieke kennis.”

„Het is mogelijk,” hernam Pauw, de schouders ophalende, „dat gij het gewicht en de gevolgen uwer daden niet zoo ernstig hebt ingezien; maar het Hof heeft die daden strafwaardig geoordeeld, en er valt voor u niets te doen, dan in dat oordeel te berusten.”

„Wat ik verricht heb,” antwoordde Buat, „is ten beste en ten dienste van den Staat geschied: ik heb niets beoogd, dan het tot stand brengen van een eerlijken vrede: en mijn geweten doet mij daaromtrent geen verwijtingen.”

„Het is noodeloos,” hernam Pauw, „over dat punt in verdere woordenwisseling te treden: en zoo ik u een raad mag geven, dan is het deze, dat gij uw gedachten aftrekt van dergelijke en alle verdere aardsche beschouwingen, om u voor te bereiden tot uwe aanstaande verschijning voor den Oppersten Rechter.”

„Is die zoo na ophanden?” vroeg Buat, niet zonder een zeer verschoonbare ontroering.

„De voltrekking van het vonnis is op morgen bepaald,” antwoordde Pauw: „de vier en twintigste uur na dezen zal voor u de laatste zijn.”

„Zoo spoedig reeds!” zeide Buat, terwijl hij peinzend voor zich zag: „ik meende verstaan te hebben, dat de Heeren Staten nog eerst een besluit moesten nemen met opzicht tot een brief van intercessie, welken de Heer Keurvorst van Brandenburg wel zoo goed is geweest tot hen te richten.”

„Vlei u met geen ijdele hoop,” antwoordde de Raadsheer: „noch de brief van Zijn Keurvorstelijke Doorluchtigheid, noch het smeekschrift, door uwe vrienden ingediend, noch de vertoogen van Zeeland, noch zelfs de tusschenkomst der Staten-Generaal, zullen de voltrekking van uw vonnis een oogenblik vertragen.”

„Men moet dan toch wel zeer bevreesd zijn, dat ik, gevangen man, nog een omkeering in den Staat bewerken zal.... of men moet wel vurig naar mijn dood wenschen, om daarmee zulk een haast te maken,” merkte Buat, niet zonder bitterheid, aan.

De beide Raadsheeren haalden de schouders op en hernieuwden hun aansporingen tot Buat, om aan alle hoop op uitstel of op genade vaarwel te zeggen.

„Ik zie met genoegen,” zeide vervolgens Pauw, „dat gij den eerwaarden Heer Carré hij u hebt, die u gewis met zoodanige gevoelens vervullen zal, als u in dezen oogenblik betamen. Doch daar Zijn Eerwaarde onze taal niet genoegzaam machtig is, en het toch noodzakelijk is, dat het gebed, hetwelk in uw uiterste voor u zal worden opgezondcn, door de omstanders verstaan worde, zal, met uw goedvinden, de Eerwaarde Vollenhovius, als jongste Predikant bij onze Gemeente, u dien laatsten dienst bewijzen.”

„Ik dank de Heeren voor hun zorg,” antwoordde Buat, zich wederom even buigende.

„Indien gij verlangt afscheid te nemen van uw vrouw,” hernam Pauw: „zoo kan u dit worden toegestaan.”

„Helaas!” antwoordde Buat, „ik zou dit wel gewenscht hebben; doch ik heb van Ds. Carré juist vernomen, dat zij, ten gevolge der ontsteltenis over het vernemen van het geslagen vonnis, ontijdig van een dood kind is verlost, en zich in zorgelijken toestand bevindt. Uwe uitspraak, Mijne Heeren!” voegde hij er met weemoed bij, „treft ook nog onschuldiger dan mij.”

„Hoeveel te meer moet dit een les wezen voor een iegelijk, om zich voor verkeerde handelingen te wachten,” zeide Van den Honert.

„Hebt gij nog iets te verzoeken?” vroeg Pauw, „wij zijn gemachtigd u in de laatste oogenblikken uws levens al datgene toe te staan, wat niet strijdig is met wet en orde.”

„Ik dank u, Mijne Heeren!” antwoordde Buat: „ik hoop alleen, tot aan mijn stervensuur toe behandeld te worden als Edelman, gelijk ik geboren ben en mij ten allen tijde getoond heb.”

„Wat verstaat gij daarmede?” vroeg wederom Pauw: „gij Franschen hebt uw eigene begrippen aangaande hetgeen men aan een Edelman verschuldigd is.”

„Mij dunkt, dit is nogal eenvoudig,” antwoordde Buat: „Ik wenschte als vrij man naar de strafplaats te gaan, en dat het schavot met rouw behangen werd: opdat ik ten minste daarop niet verschijne als een huisbreker of falsaris.” „Het Hof zal daarover raadplegen,” zeide Pauw, terwijl hij zijn ambtgenoot met een eenigszins ongerusten blik aanzag:  –  „gij hebt niets verder te bekennen of mede te deden?”

„Niets,” antwoordde Buat: „ik wensch nu niets meer, dan uwen raad op te volgen, en mij alleen bezig te houden met wat ik tot nog toe te veel verzuimd heb, de zorg voor mijne ziel.”

Hier boog hij zich, en de beide Heeren namen hun afscheid. Reeds vroegtijdig zag men op den volgenden dag een talrijke menigte al de toegangen tot de Voorpoort bezetten en heen en weder stroomen als de baren eener bewogen zee. Wel drukten de gelaatstrekken der meesten niets anders uit dan nieuwsgierigheid en verlangen naar den aanvang van het verwachte schouwspel; maar toch, ook bij velen was een uitdrukking zichtbaar van meewarigheid en smart:  –  en met moeite zou men onder al die rondwarende blikken er eenen ontmoet hebben, waarin goedkeuring te lezen viel van het vonnis, dat Buat ter dood verwezen had. Ook de meesten van hen, die wij ten huize van Verhagen ontmoet hebben, waren hier tegenwoordig; maar de opwelling van moed, die hen nog weinige weken vroeger tot het vormen van omwentelingsplannen had aangezet, was bij het grootste gedeelte uit hun hart geweken: ja de schrik, bij hen teweeggebracht door de vlucht van Kievit en Van der Horst, was nog vermeerderd geworden door de veroordeeling van Buat. Schier allen hadden de overtuiging bekomen van de machteloosheid hunner partij en van het a]vermogen van De Witt, naar wiens bevelen -gelijk zij het er voor hielden  –  niet alleen de Staten, maar zelfs de Leden van den Hove zich zoo gereedelijk schikten. Mocht dus deze of gene onder die vroeger zoo luidsprekende vijanden van den Raadpensionaris zich een zucht of verwensching veroorloven, het was niet dan in ’t geheim; en hij zorgde daarbij de aandacht niet te trekken der talrijke verklikkers, die op de pleinen heen en weder dolende, met Argusoogen alle verdachte gebaren bespiedden en met luisterend oor elk verdacht woord poogden op te vangen. Toch waren er, gelijk wij zien zullen, nog enkelen, die alle hoop tot redding des gevangenen niet hadden opgegeven en enkel op een gelegenheid wachtten om tot zijn bevrijding mede te werken.

Dan, aan dezulken bleek weldra, dat de Overheid ook van hare zijde de noodige maatregelen genomen had om elken misdadigen aanslag te voorkomen:  –  met den slag van tien uren zag men acht Compagnieën van de Garde, te weten vier te voet en vier te paard, in goede orde aanrukken, en zoo op het Binnen- als op het Buitenhof postvatten.

„Het schijnt dat de Heeren mooi benauwd zijn, dat men hun den gevangene afhandig maken zal,” zeide de slachter Louw tegen Klaptas, die met Verhoef op het Buitenhof stond te praten: „zij sturen ten minste volks genoeg om hem te bewaken.”

„En toch zou ik het gansch zoo ondoenlijk niet achten,” zeide Verhoef, „om hem, in weerwil van dat alles in vrijheid te stellen, zoo ik maar een vijftig man had, op wie ik staat kon maken. Hoe velen zijn er niet bij diezelfde Garde, die onder Buat gediend hebben en met het grootste genoegen hun ouden Ritmeester een handje helpen zouden!”

„Vijftig man!” herhaalde Louw: „die waren er nog wel te vinden geweest; en,” vervolgde hij, rondziende: „misschien zijn zij nog wel bij elkander te krijgen.”

„Ja,” zeide Klaptas, zacht fluisterende: „ik wil wel zien, of ik nog dezen of genen van onze goede bekenden oploopen en samenbrengen kan.” En meteen verwijderde hij zich en verloor zich in het gedrang.

„Ik twijfel er aan,” zeide Verhoef tegen Louw, „of gij er wel tien zoudt vinden, laat staan vijftig, die nu iets zouden durven wagen.”

„Niet?” vroeg Louw: „gij ziet toch, dat de metselaar……

„Wie? Klaptas?” vroeg Verhoef: „meent gij dan, mijn brave Kapitein van de Hal, dat die waarlijk versterking is gaan halen? Ik geef er u mijn woord op, dat hij zich alleen weggemaakt heeft, en dat hij bevreesd is, in ons gezelschap gezien te worden.   –  Ja! wanneer er een algemeene oploop plaats had, en hij zich goed gerugsteund vond, dan zou hij meedoen als de beste, ja misschien haantje-de-voorste spelen, maar om zich te wagen, zonder zeker te zijn van medewerking, daarvoor moet gij niet op hem rekenen.  –  En zooals hij is, zoo zijn de meesten.”

„Maar ik dacht,” hernam Louw, „dat Van Vaalen...

„Stil!” zeide Verhoef, den vinger op den mond leggende: „hij wil iets wagen,” vervolgde hij fluisterend: „maar het zal gedeeltelijk van den Ritmeester zelven afhangen, of het plan uitvoerbaar is.  –  Maar geduld slechts! wij zullen het weldra hooren.”

Op dit oogenblik ging de deur van de Voorpoort open en stroomde de volkshoop in menigte derwaarts heen, om te zien, wie er voor den dag zou komen. Voor zooverre zij echter den gevangene nu reeds dachten te aanschouwen, vonden zij zich teleurgesteld: want de man, die buiten kwam, was onze oude kennis Meester Florisz, die met dat al niet weinig werks had om zijn weg te vervorderen tusschen den rondom hem samengepakten hoop nieuwsgierigen.

„Hebt gij den gevangene gezien? Wat heeft hij gezegd? Hoe zag hij er uit? Hoe laat zal ’t beginnen?” en meer andere dergelijke vragen klonken hem van alle kanten in de ooren.

„Zal hij het volk toespreken van ’t schavot?” vroeg de pamfletschrijver Gerbrandsz, hem bij de mouw trekkende.

„Denkt gij, dat ik discoursen met den gevangene gehad heb?” vroeg op zijne beurt de barbier, om zich heen ziende: „of, zoo dit het geval ware geweest, dat ik ze ulieden zou overbabbelen? Maar daar zorgen ze binnen wel voor, dat er geen woord gewisseld wordt: ik heb hem het haar geschoren, en ziedaar alles.”

„Krijg ik een lokje? Geef mij van zijn haar!” klonk het nu van verscheiden zijden, zonder dat Meester Florisz zich aan die verzoeken stoorde.

’t Was wel de pijne waard,” merkte de Jonker Van de Moezel aan, die met zijn gewone nonchalance tegen een huis stond geleund: „om nog een kapper te halen bij een kop, dien men binnen ’t uur verliezen zal.”

„Wel!” hernam Florisz: „denkje dan, dat de Ritmeester er niet op gesteld is, als een fatsoenlijk man te sterven, gelijk hij geleefd heeft: of moest hij er in zijn dood zoo smerig en verloopen uitzien als sommige lieden van mijn kennis?”

„Bovendien,” voegde Gerbrandsz er bij: „wanneer men zulk een groote reis ondernemen gaat als de Ritmeester, kan men wel niet minder doen, dan vooraf zijn toilet in orde te maken.”

„Wel!” vroeg Louw, die, Florisz van verre bespeurd hebbende, zich een weg naar hem gebaand had: „hoe is de Heer Buat gemoed?”

„Wel en wakker,” antwoordde Florisz: „ofschoon hij zich vrij wat ontsticht getoond heeft, toen hij hoorde, dat men niet eenmaal het schavot met rouwlaken behangen zou, gelijk hij verzocht had, en voor iemand van geboorte wel gepast had.”

„Bah!” zeide de Jonker Van de Moezel, zich uitrekkende; „de rouw komt immers eerst te pas nadat men dood is.”

„Twee dubbeltjes mair de Sententie van den Heir Buat!” klonk opeens naast hen de stem van den kleinen Joris: „niet meer dan vier stuivers! koopt de Sententie van den Ritmeester Buat!”

„Vier stuivers: dat is veel geld,” zeide Florisz.

„’t Is ook een lang stuk, Sinjeur!” zeide Joris, hem het gedrukte boekje voorhoudende.

„Ja,” zeide Gerbrandsz, „dat ’s waar: en weet gij waar ’t veel van heeft?”

„Welnu?” vroeg Florisz.

„Van een van uw barbiersrecepten,” antwoordde Gerbrandsz: „want het is even vol met nullums ingredienten.”

„Ja!” zeide Van de Moezel: „alleen het slot er van is verstaanbaar: „dat hij veroordeeld is om met den zwaarde te worden geëxecuteerd.”

Terwijl de omstanders over deze kwinkslagen lachten en ze elkander oververtelden, was Verhoef langzaam genaderd en had hij den barbier ter zijde getrokken.

„Wel!” fluisterde hij hem in: „zou er nog kans bestaan, aan Mr. Jan dat banket, waar hij zijn zinnen op gesteld heeft, van voor den neus weg te kapen?”

„Minder dan ooit,” antwoordde Florisz op gelijken toon, en terwijl hij mistroostig met het hoofd schudde: „ik heb hem zoo wat van ons voornemen in ’t oor geblazen, op een oogenblik, dat de stokbewaarder niet naar ons keek: maar hij gaf mij te kennen, dat hij getroost was te sterven, en niet begeerde, dat brave lieden hun leven voor hem in de waagschaal zouden stellen.”

„ ’t Is verduiveld jammer,” hernam Verhoef: „Wilde Jan had zijn volkje reeds klaar, en zoo het Buat gelukte, door een vluggen zijsprong buiten het bereik der dienaars te komen, dan zou hij zich spoedig tusschen zijn vrienden bevonden hebben, die hem in de confusie wel weggevoerd hadden tot waar de paarden gereedstaan.”

„’t Zou weinig gebaat hebben,” zeide Florisz: „ik ben daarbinnen te weten gekomen, dat al de bruggen opgehaald, en aan al de uitgangen van Den Haag posten geplaatst zijn: zoodat niemand er in of er uit mag voor de executie is afgeloopen.”

„In dat geval moge God zijner ziele genadig zijn!” zeide Verhoef, met een zucht: „wij hebben het onze gedaan.”

„Nu!” hernam de kapper: „wij kunnen niet weten, wat er gebeurt. Misschien verandert de Ritmeester nog van gedachte: en dan heeft Den Haag schuilhoeken genoeg. Nu! ik moet van hier: ik heb nog een half dozijn klanten te helpen, maar tegen twaalf uren vinden wij elkander allen volgens afspraak terug tusschen de Gevangenpoort en ’t Groene Zootje.”

Met deze woorden verwijderde hij zich; doch ’t was of de Commandant der Bezetting, die, op een geruimen afstand, midden op het Buitenhof heen en weder reed, zijn woorden gehoord, en begrepen had dat zij een nieuwen maatregel van voorzorg noodzakelijk maakten; althans hij deelde oogenblikkelijk zijn bevelen mede aan den Adjudant, die nevens hem reed: en de compagnieën, zich alom in beweging stellende, verlieten haar standplaats, om post te vatten op de Plaats, op den Kneuterdijk, en op den Vijverberg: zoodat zij het schavot van drie zijden hielden ingesloten.

Intusschen begonnen overal, zoo op den Vijverberg als op het Buitenhof, de ramen zich met toeschouwers te vullen en groeide ook, naarmate de tijd vorderde, hij de volksmenigte die rustelooze ongedurigheid aan, welke de gemoederen bij het ophanden zijn eener belangrijke gebeurtenis vervult. Weldra drong alles weder naar de zijde van de Voorpoort heen, op het gezicht eener bende Hellebaardiers, die zich in dubbele rij daar voor kwam scharen. Eindelijk, daar begon het klokkenspel van de Groote Kerk den voorslag van halftwaalf te spelen, en een doodsche stilte heerschte plotseling over het Buitenhof. Daar sloeg de klok:  –  en met den laatsten slag ging de deur der gevangenis open, en stelde de treurige optocht zich in beweging.

Ritmeester Buat op weg naar de plaats van executie.Twee dienaars gingen tusschen de Hellebaardiers vooruit: achter hen volgde de ongelukkige, die het voorwerp was van de algemeene nieuwsgierigheid en belangstelling. Baard en knevels waren met zorg gekamd en opgemaakt; maar het verbleekte en vervallene gelaat scheen nog bleeker, nu het afstak tegen den zwarten vederhoed, die hem ’t hoofd bedekte, en tegen het sombere rouwgewaad, waarin hij was uitgedost. In zijn oogen echter, die gedurende zijn gevangenschap dof en wezenloos hadden gestaan, blonk thans de uitdrukking eener waardige fierheid. die niet overmoedig het lot scheen uit te tarten, maar daarin met gelatenheid te berusten, en die aanduidde, dat de ziel met kalmte en onvervaard haar toekomst te gemoet ging. De sleep van een breeden rouwmantel, die van de schouders des gevangenen over de bovenarmen in breede plooien nederviel, werd achter hem door den lijf bediende zijner schoonmoeder gedragen: en vier andere bedienden zijner naaste betrekkingen volgden hem om hem eer aan te doen. Daar achter kwamen de Predikanten Carré en Vollenhove, die hem in de laatste vier en twintig uren hadden bijgestaan, en voor wie hij zijn testament gemaakt had, begeerende, dat zijn kind zou worden opgevoed in de Gereformeerde religie, in welke hij geleefd had en stierf. Met vasten stap trad Buat voort, nu en dan, waar hij een bekend gelaat zag, vriendelijk knikkende, of zich ten halve buigende, naar den rang of stand van den persoon. Op de brug gekomen, die van het Buiten- naar het Binnenhof geleidt, wendde hij het gelaat naar de vertrekken van den Prins en ontblootte zich het hoofd, hoezeer Zijn Hoogheid zich niet in Den Haag bevond. Zoo ging hij voort, tot hij de gehoorzaal van den Hove ingetreden, zich voor de Hove bevond. Eerbiedig groette hij hier de vergaderde Raadsheeren, en luisterde aandachtig en met gebogen hoofde naar de voorlezing zijner Sententie. Geen teeken van ongeduld gaf hij, terwijl deze pijnlijke, en, in dit geval, vrij lange formaliteit vervuld werd: alleen duidde nu en dan een nauwelijks merkbaar hoofdschudden aan, dat hij het gewicht der tegen hem aangevoerde gronden, of de billijkheid der motieven, in geenen deele beseffen of erkennen kon. Toen eindelijk de lezing was afgeloopen, hief hij met majesteit het hoofd omhoog, zag den Voorzitter aan met een doordringenden blik, en zeide, luid en met kracht:

„En nochtans, Mijne Heeren! sterf ik onschuldig.”

Onmiddellijk daarna, het Hof en de Advocaten groetende, wendde hij zich om en begaf zich met zijn geleide weder de Gehoorzaal uit, en, op dezelfde wijze als hij gekomen was, terug, het Binnen- en Buitenhof over, maar nu, onder de Voorpoort door, naar die befaamde plek aan het begin van den Vijverberg, van ouds bekend als het Groene Zootje, waar het schavot hem verwachtte. Hier, in ’t voorbijgaan zijdelings heenziende naar die Oude Zwaan, waar hij zoo menig genoeglijk uurtje had doorgebracht, herkende hij voor het venster van het vertrek, waar Gourville onlangs gehuisvest had, den Jonker Van Bleiswijck en Van Espenblad, die aldaar, nevens elkander, Zijne komst hadden zitten afwachten. Den hoed aflichtende, wierp hij den eerstgemelde een minzamen afscheidsblik toe en zag toen Van Espenblad aan met een uitdrukking, waarin geen toom, maar een kalm verwijt te lezen was.

„Hebt gij ’t wel opgemerkt?” vroeg de Jonker aan zijn buurman: „hij heeft mij herkend en gegroet.”

„Hij heeft altijd een goed gezicht gehad om zijn vrienden en vijanden te onderscheiden,” antwoordde Van Espenblad, met welbehagen een snuifje nemende.

„Nu, ’t is een lust om te zien,” hernam Bleiswijck, „zoo wakker als hij voortwandelt; ’t spijt mij maar, dat ik er niet bij heb kunnen zijn, toen hij op de Rolle was; maar men kan zich niet op twee plaatsen tevens bevinden:  –   en ik wou toch liever getuige zijn van ’t belangrijkste oogenblik.

Zie! nu groet hij de familiën, die ginds voor ’t raam zitten: daar knikt hij een kleinen jongen toe, die in een boom zit.”

„’t Is Joris,” zeide Van Espenblad, „die wel boodschappen doet voor de bezoekers van deze herberg.”

„Maar hebt gij wel opgemerkt,” vroeg de Jonker, „dat het hoedafnemen hem niet afging met zijn gewone gemakkelijkheid? Ik had van hem verwacht, dat hij den zwier en de losheid in al zijn bewegingen, die hem altijd onderscheidden, ook tot in ’t uiterste bewaren zou.”

„Geduld maar,” zeide Van Espenblad: „gij zult zoo meteen wel bespeuren, waar dat aan hapert.”

„Daar treedt hij het schavot op!” hernam de Jonker, met nieuwsgierig oog de gedragingen van den patiënt gadeslaande: „daar nemen zij hem zijn hoed af. Arme drommel! al zijn schoone haren zijn weggeschoren.  –  Daar valt de mantel.   –  Bij mijn ziel! hij is aan de armen gevleugeld!”

„Nu zult gij beseffen, waarom hem straks het aflichten van den hoed eenigszins moeilijk viel,” zeide Van Espenblad.

„Ja voorwaar,” hernam de Jonker: „hij kon alleen den voorarm gebruiken.   –  Maar dat is toch een schandaal, een Edelman aldus te knevelen of hij een gemeene boef ware. Ik herinner mij de executie te hebben bijgewoond van den Heer Advocaat Van Oldenbarneveldt, en van den Heer Van Groeneveldt, en van den Heer Ambtman Mom, en van den Heer Van Botbergen, en van meer Edellieden;  –  maar ik heb nooit gezien, dat men een van allen de armen bond.”

„Hm!” zeide Van Espenblad, glimlachende: „het kan somtijds noodig wezen, voorzorgen te nemen:  –  ziet gij daarginds dat matrozenvolkje wel onder het schavot, daar, nevens Florisz den barbier en Verhoeff en anderen van dat slag?”

„Welnu?” vroeg Bleiswijck.

„Welnu,” hernam Van Espenblad, „men vermoedde sterk, dat er een komplot bestond om den gevangene te verlossen:  –  en zoo er iets van dien aard uitbarstte, zou iemand, die zijn armen vrij had, zich gemakkelijker in de verwarring hebben kunnen wegmaken, dan een geknevelde.”

„Daar is wat van aan,” zeide Bleiswijck: „maar ’t is en blijft toch onhebbelijk, evenals dat men het schavot niet met zwart bekleed heeft, gelijk hij verzocht had, zooals mij de Heer Van den Honert zelf heeft verteld, en gelijk men aan iemand van zijne geboorte verschuldigd was.”

„Nu,” zeide Van Espenblad, „als gij eens in ’t geval komt, zal men ’t, hoop ik, beter met u maken.  –  Maar zie eens, wat geeft hij daar aan den Predikant Carré?”

Parbleu!” antwoordde de Jonker: „uw oogen zijn twintig jaar jonger dan de mijne: en, al ware dat zoo niet, hoe wilt gij, dat ik ’t weten zal? ’t Is iets dat in een neusdoek geknoopt is; maar wie kan daar doorheen zien?   –  En kijk!  –  nu knielt hij..... daar hebben zij hem waarachtig een vullen lap baai of sergie gegeven om op te knielen, en niet eens een behoorlijk kussen.”

„Hoeden af!” zeide Van Espenblad: „Ds. Vollenhove begint het gebed.”

„En dat kan lang duren,” antwoordde Bleiswijck, zich in zijn stoel achteroverwerpende: „ik heb hier in Den Haag al vrij wat Predikanten gehoord in mijn leven, maar niet eenen, die het geduld zijner toehoorders zoo op de proef stelt als hij.”

„Wij kunnen van hier toch geen woord verstaan,” zeide Van Espenblad, het hoofd naar binnen brengende: „ik ga zoolang buiten den wind. Waarachtig, ik ben overtuigd, dat wij den tijd konden hebben een half dozijn partijen op ’t verkeerbord te spelen, eer de man Amen zegt.”

Ja,” antwoordde Bleiswijck: „ongelukkig dat het spelen verboden is, zoolang het vonnis niet voltrokken is, en dan nog..., mijn arme tegenpartij ...

„Ja, dat is ook waar,” hernam Van Espenblad: „de Heer Van Heenvliet, waar zit die? Het is mij een raadsel, dat hij, die Buat op het schavot heeft helpen brengen, nu niet eens de beleefdheid heeft, te komen zien, welke figuur hij er maakt.”

„Hoe! weet gij het dan niet?” vroeg de Jonker, verbaasd: „de goede man is zoo straks aan een beroerte overleden.” „Inderdaad?” riep Van Espenblad.

„Och ja!” hernam de Jonker: „en wel, gelijk mij zijn Kamerdienaar verteld heeft, uit wiens eigen mond ik de omstandigheden vernomen heb, van loutere spijt en kwaadaardigheid, dat men iemand heeft durven ter dood veroordeelen, dien hij verklaarde dat vrijgesproken moest worden.”

„De man is zich tot in den dood gelijk gebleven,” merkte Van Espenblad aan.

„’t Spijt mij toch,” hernam Bleiswijck, „dat men hier niets kan verstaan van wat die zwartrok zegt: ja, in mijn jongen tijd zou ik wel een plaatsje wat meer in de nabijheid hebben gezocht, en er misschien wel een op de trappen van ’t schavot kunnen krijgen; maar het lange staan begint mij moeilijk te vallen. ’t Duurt ondertusschen verschrikkelijk lang.”

De Jonker had niet zonder reden den Predikant Vollenhove beschuldigd, dat hij wat veel van de aandacht zijner toehoorders vergde. Immers, in stede van een kort en treffend gebed te doen, aan den toestand passende van den veroordeelde, en geschikt om diens ziel in ’t uiterste uur met troost en hoop te vervullen, was Vollenhove begonnen een geleerde en uitgewerkte Predikatie te houden, waarbij hij, minder den lijder dan de omstanders op ’t oog hebbende, hun voorhield, hoe zij allen, evenals Buat, door hun tallooze zonden en overtredingen, niet alleen de doodstraf verdiend, maar bovendien het strenge oordeel Gods te vreezen hadden; na welk betoog hij hen wees op des Heeren barmhartigheid, en die aan alle boetvaardigen verzekerde.

„Maar dat is ongehoord en onvergeefiijk,” riep Bleiswijck al geeuwende uit, toen Vollenhove ongeveer drie-kwartier-uurs gesproken had: „de Staten moesten een plakkaat maken, waarbij dien zwartrokken verboden werd hun toehoorders zoo te vervelen.”

„Gelooft gij niet dat hij Buat het meest verveelt!” vroeg Van Espenblad, terwijl hij hem een snuifje aanbood: „ondertusschen zou ’t mij niet verwonderen, zoo de vrome man zijn preek met opzet zoolang rekte, op hoop, dat er nog respijt of genade komen mocht. Zoo hij echter daarnaar wacht, kan hij nog een jaar aan ’t praten blijven.”

„Zou er dan hoegenaamd geen kans meer op wezen?” vroeg Bleiswijck: „er is toch door den Heer Copes eergisteren nog een brief van den Keurvorst van Brandenburg ingediend, om voor Buat te intercedeeren.”

„Ja,” antwoordde Van Espenblad: „maar gij kent het oude rijmpje?

’s Maandags nog niet present,
Dinsdags in ’t Logement,

enz., ’t welk eindigt:

Om ’s Zaterdags naar huis te gaan:

Nu  –  dit laatste was ook eergisteren het geval, en de Vergadering, bij mangel van Leden, niet in staat, eenig besluit te nemen.”

„Dat weet ik,” hernam de Jonker: „maar ook, dat Copes verzocht heeft, men zou het vonnis opschorten, tot de Vergadering talrijk genoeg ware om te beraadslagen. Ik heb het van den man zelven.”

„De Staten,” zeide Van Espenblad, „hebben zich bij Copes verontschuldigd, en zullen later wel aan den Keurvorst schrijven, waarom zij raadzaam hebben geoordeeld, de executie door te zetten.”

„Goed!” hernam Bleiswijck: „maar er is nog door de vrienden van Buat een verzoek gericht aan de Staten-Generaal: en deze hebben, niet zonder grond, begrepen, dat, zoo de gevangene al misdreven had, zulks niet was tegen de Provincie Holland in ’t bijzonder, maar tegen de Unie en dat de Staten-Generaal alzoo gerechtigd waren, in dezen verzachting van straf te verleenen:  –  en, naar ik vernomen heb, is er ook door hen uitstel der strafoefening gevorderd, tot het punt der competentie ware uitgemaakt.”

„Juist,” zeide Van Espenblad, „maar Holland heeft begrepen, dat men Buat bij provisie maar zou doen onthoofden, en later uitmaken, of men daartoe recht had gehad of niet.”

„Een fraaie wijze van handelen,” merkte Bleiswijck aan: „en gewis de eerste reis, dat ik den ouden regel „eerst betalen en dan doleeren” ook in halszaken zie toepassen;  –  maar de Prins, heeft die niets voor zijn trouwen dienaar gedaan?”

„Daar heeft de Heer Van Gent voor gezorgd,” antwoordde Van Espenblad: „en in allen gevalle zou het weinig gebaat hebben.... maar mij dunkt, de preek is uit;  –  ja waarlijk, de gevangene rijst op.... de scherprechter drukt hem de muts op ’t hoofd..., en brengt hem naar de plaats waar hij knielen moet.”

 ………………………………………………………………………
 ………………………………………………………………………

„’t Is toch jammer van hem,” zeide Van Espenblad, eenige oogenblikken later, terwijl hij een snuifje nam: „’t was in den grond een hupsche vent.”

Het lijk van Buat werd door zijn dienaars gekist, en vervolgens eerst op de Voorpoort en ’s avonds naar zijn huis gebracht: terwijl het den volgenden dag naar de Kloosterkerk gevoerd en in het graf van den Raadpensionaris Cats werd bijgezet.

Drie dagen later keerde De Witt van de vloot terug, maar zonder dat het hem was vergund geweest, die der Engelschen te ontmoeten en de door hem verlangde wraak te nemen over de onderneming van ’t Vlie.  –  Eerst in ’t volgende jaar, en dan ook glansrijk, zou die wraakneming op de wateren der Medway en ten aanzien van ’t sidderend Londen volbracht worden. De eer daarvan was echter niet voor den Raadpensionaris, maar voor zijn broeder Kornelis weggelegd.

Wat de ongelukkige Weduwe van Buat betreft, zij herstelde van haar ziekte, maar het was om voor nieuwe smarten bewaard te blijven. In Maart van ’t volgende jaar richtte zij aan den Hove van Holland het navolgende smeekschrift, ’t welk zich bij de Processtukken in ’t Archief van dat Hof bevindt:

„Aen den hove van Hollant!

    „Geeft seer ootmoedelick te kennen de bedroefde weduwe van den ritmeester buat hoe dat zij suppliante door haar affaires tot Parys geprest wordende derwaers te reysen heeft moeten resolveren alhoewel in een seer onbequaem saysoen voor een swacke vrouw de voorschreve reyse opt spoedicht (sic) aan te neemen met intentie soo ras haere saecke maar wat in staet heeft gebracht hier ook wederom te comen ende soo als sy suppliant reysveerdich stont is haer door een deurwaarder van den hove aangeseyt, dat niet en soude vertrecken voor naerdre ordre ende want haer suppliante meeninge niet anders en is dan alleen een reys te doen ginds ende weder voor eenigen tijd laettende haar kint ende andere saecken alhier soo bidt sy suppliante seer ootmoedelick dat UEd. mog haer gelieve toe te laten die reis te mogen doen dit doende

(w.get.)„elisabet maria musch.”

Op dit rekest volgde een appointement van den Hove, waarbij ’t verzoek werd toegestaan, doch tevens aan de verzoekster gelast, zich voor ’t vervolg te onthouden uit Holland en West-Friesland.

Een jaar later schreef De Witt bij missive in d. 18 Mei 1668 aan der Staten Afgezant in Engeland J. Meerman, in antwoord op een verzoek, namens de Weduwe Buat gedaan, of het haar niet zou vergund kunnen worden, in Holland terug te komen: „dat de zaak van Buat een zaak was van de ordinaire justitie, met welcke hij zich nooit bemoeid had, noch ook namaals meende te bemoeien, behalve dat die vrouw nogh om haere personele deughden, nogh om de deughden van haer vader ofte moeder sulcks meriteerde.”

Keerde Elizabeth Museh desniettemin ooit in Den Haag terug?  –   Misschien vind ik later nog eens gelegenheid, deze vraag aan den lezer te beantwoorden.


[Jacob van Lennep pagina] – [34e hoofdstuk] – [Inleiding]


Ingezonden door J.R. van Wijk op 19 July 2001.