MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

De engel en het kind

     Een Engel blikte in ’t wiegjen neêr,
En vond in ’t hemelsch aangezichtjen
Van ’t schuldeloos en sluim’rend wichtjen,
     Als in een beek, het zijne weêr.
     „O (Sprak hij) liefjen! mij gelijk!
O! Ga met mij naar hooger sferen!
Wij zullen samen God vereeren
     En zalig zijn in ’t Hemelrijk.
     „Volkomen vreugd heerscht niet op aard,
Daar heeft ook ’t heil zijn ongenuchten:
De blijdschap gaat vermengd met zuchten,
     De wellust met berouw gepaard.
     „Daar woont de kommer op elk feest:
Daar zijn nooit onbewolkte dagen
Een waarborg tegen onweersvlagen:-
     Daar is nooit waar geluk geweest.
     „Hoe, zoude een bitt’re tranenvloed,
Die blaauwende oogjens eens ontluist’ren?
Zou ’t leed den reinen glans verduist’ren,
     Die ’t effen voorhoofd blinken doet?
     „Neen! met mij, eer gij zwoegt en lijdt,
Naar d’onbeperkten trans gevlogen!
De Algoedheid scheldt uit mededogen,
     U al uw verd’re dagen kwijt.
     „Uw afzijn bare aan niemand leed!
Neen, schoon ge uw adem laat ontglippen,
Vloei de eigen danktoon van elks lippen,
     Dien uw geboorte vloeien deed.
     „Dat hier geen voorhoofd somber zij;
Want o! de laatste dag des levens,
Is hij niet de allerschoontste tevens,
     Wanneer men rein is, liefje! als gij?”
     En de opgetogen Engel vlood
Met breede vlerk naar hooger kringen,
Om ’t Hallel voor Gods throon te zingen.
- Ach! moeder! ach, uw kindje is dood.

Gedichten, zoo oude als nieuwe, 1851

[Jacob van Lennep pagina

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.