MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

DE TWEE ADMIRALEN

Jacob van Lennep


Het was voorheen een algemeen gebruik, zedelijke of wetenschappelijke, maar vooral politieke beschouwingen of vertoogen op te helderen met voorbeelden of aanhalingen uit de geschiedenis. Zoodanig voorbeeld of aanhaling zette dubbele kracht bij aan hetgeen men beweerde: en niemand was vermetel genoeg om het gezag daarvan in twijfel te trekken. In de laatste tijden echter is men veelal tot andere gedachten gekomen. Ik heb velen, en daaronder schrijvers van naam, hooren beweren, dat althans, waar het staatkunde geldt, voorbeelden niet als bewijzen mogen gebezigd worden, dat, bij veranderde toestanden, ook andere behoeften ontstaan zijn, waardoor hetgeen vroeger nuttig, ja nodig heeft kunnen zijn, heden ten dage nadeelig, ja gevaarlijk zoude wezen, dat, in één woord, op het gezag der geschiedenis, als leermeesteres der volkeren, vrij wat moest worden afgedwongen.

Moge ook deze meening niet geheel van grond zijn ontbloot, ik voor mij geloof, dat zij meest en gretigst wordt omhelsd door de zoodanigen, die nooit de geschiedenis opzettelijk beoefend hebben, en het daarom wel zoo gemakkelijk vinden, haar gezag eenvoudig als uitgediend te verwerpen, als hare lessen te bestudeeren en er partij van te trekken. Bij die weinigen intusschen, die werkelijk met de geschiedenis bekend zijn, bestaat doorgaans een andere reden, waarom zij zich minder ingenomen toonen met haar onderwijs, immers zoo vaak dit in strijd is met de beginselen, die zij verdedigen. Het valt hun toch veel lichter, de geldigheid van dat onderwijs te loochenen, dan hun dwaling te erkennen. Wat mij betreft, hoe meer ik mij met geschiedenis bezig hield, hoe meer ik tot de overtuiging geraakte, dat, onder alle tijden en vormen, de menschen niet alleen dezelfde zijn gebleven, maar dat ook steeds gelijke oorzaken tot gelijke gevolgen hebben geleid: dat staatskunde en zedelijkheid nooit straffeloos zijn vanééngescheiden, en dat de eeuwige beginselen van waarheid, eerlijkheid en godsdienst onder alle omstandigheden de eenige zijn geweest, wier invloed, op den duur, rust, voorspoed en kracht aan een natie kon schenken.

De afschuwelijkste pest in een huisgezin is de tweedracht onder de leden, die het samenstellen. Niemand, die zulks ontkent. Van gelijke toepassing — althans men was het hier vroeger daaromtrent eens — is dit gezegde tot den Staat. Vandaar de spreuk der vaderen: „eendracht maakt macht.” En toch, wij hebben ook onze landegnooten van vroegeren of lateren tijd te vaak zien handelen als bestond die spreuk niet. Intusschen, men zoude voorheen zich geschaamd hebben, de waarheid, die zij bevat, tegen te spreken, en men vergenoegde zich, met er niet altoos naar te handelen. In onze dagen is men verder gegaan. Eendracht is een woord, dat Europa uit zijn woordenboeken schijnt te hebben verbannen. En dit is niet genoeg. Het wordt openbaar, door mannen van gewicht, verkondigd: niet slechts is opstand tegen het gevestigd gezag, in sommige gevallen — waarvan de bepaling doorgaans afhangt van de willekeur der onvergenoegden — heilige plicht; maar er behoren partijen, twist, scheuring te zijn: en alle verbroedering, verzoening, samensmelting, wordt met den naam van heilloze en doemwaardige transactie bestempeld. Om de heerlijke gevolgen van die fraaie leer te zien, behoeven wij alleen een blik te slaan op den toestand, waarin zich de meeste Staten van Europa bevinden.

Wat mij betreft, ik ben nog ouderwets genoeg, om de spreuk, waarmede 't onzen vaderen, zoo vaak zij die betrachtten, is welgegaan, een gulden spreuk te noemen, die niet slechts in 't burgelijke, maar ook in 't politieke leven van gezegende toepassing is: en het lust mij, uit den ruimen voorraad, dien de verhalen van vorige eeuwen opleveren, u een voorbeeld te herinneren en aanschouwelijk voor oogen te stellen, dat, naar mijn inzien, mijn gevoelen bevestigt.

Het jaar, uit welks geschiedenis ik mijn voorbeeld ontleen, is wederom dat merkwaardige jaar 1672, van 't welk geen dag omging, die niet stof opleverde tot belangrijke beschouwingen.
Het was in de laatste week van September. Nog altijd hielden de Fransche en Munstersche troepen het grootste deel der Vereenigde Gewesten bezet; doch de schrik, die, bij hun komst, den ingezetenen was om 't hart geslagen, was geweken sedert de aanstelling van Willem III tot Stadhouder en Kapitein-Generaal: de radeloosheid had voor moed en volharding plaats gemaakt: en men bereidde zich, om den tot nog toe gevoerden verdedigingskrijg in een aanvallenden te veranderen. De vloot, die in dat jaar zoo waardiglijk de eer des vaderlands gehandhaafd had, toen dit op het punt was van te zinken, die in het voorjaar bij Solebaai aan de vereenigde Britsche en Fransche eskaders manmoedig het hoofd had geboden en onverwonnen uit den slag was teruggekeerd, die, den geheelen zomer door, 's lands kusten tegen overlast beveiligd had, was door de Staten teruggeroepen, en De Ruyter, haar aanvoerder, na te Hellevoetsluis zijn boord verlaten te hebben, had zich naar Rotterdam begeven, waar hem zijn echtgenoot en hun ongehuwde dochter, de twintigjarige Margareta, op 't gerucht zijner terugkomst, waren tegemoet gereisd.

Hoe teeder ook de ontmoeting ware, niet opgeruimd, zoals anders, stond het gelaat des eerbiedwaardigen grijsaards, toen hij de zijnen aan 't hart drukte. Zijn voorhoofd was bewolkt, zijn oogen strak en droefgeestig en zijne hand, die nimmer beefde, wanneer zij den commandostaf omklemde, sidderde thans in die zijner huisvrouw. En inderdaad, er waren, sedert zij elkander 't laatst gezien hadden, gebeurtenissen voorgevallen, ontzettend genoeg, om de zwaarmoedigheid te billijken, die hem overvallen had. Wel was de toestand der Republiek, hoe zorgwekkend ook, niet meer zoo hachelijk als drie manden tevoren; maar toch, de hand des Heeren was zwaar over 't land geweest, en bij al de rampen des oorlogs hadden zich de schrikbarende gevolgen van oneenigheid en burgertwist doen gevoelen. Te 's-Gravenhage waren de beide mannen, waarvan de een door zijn invloed De Ruyter tot de hooge betrekking had doen klimmen, die hij zoo waardiglijk vervulde, en de andere op twee scheepstochten, ja nog in den laatsten zeeslag, het oppergebied aan zijn zijde gevoerd had, Jan en Kornelis De Witt, op de schendigste wijze vermoord geworden. Te Amsterdam had een baldadig grauw het huis des vromen Admiraals met plundering bedreigd, en was alleen gestuit geworden door de kloeke beradenheid zijner vrouw en de wakkere houding van haar buurman Wouter Smit. Deze gebeurtenissen, het verwijderen uit hunnen betrekking van velen, die de Admiraal onder zijne vrienden en begunstigers telde, hadden een diepe indruk bij hem achtergelaten, en het een en ander, hem wedervaren sedert hij voet aan land had gezet, had bijgedragen om zijn gemoed met treurige gedachten te vullen.
De drukten, van een aankomst in ' vaderland onafscheidelijk, en de bezoeken, die De Ruyter in zijn betrekking te brengen en te ontvangen had, hadden hem tot nog toe verhinderd, zijn hart uit te storten gelijk hij gewenscht had te doen. 't Was eerst laat in den avond, toen hij met zijn beide geliefden alleen gelaten, en de avonddisch was opgebracht, dat de vragen, door zijn vrouw gedaan, hem daartoe de gelegenheid verschaften.
„En denkt gij nu, Vader!” vroeg zij, „dat de vloot niet weer zal uitloopen van 't jaar?”
„Dat zal zich wel van zelf verbieden, Moeder!” antwoordde De Ruyter: „'t zal veel zijn, zoo wij er de zeegaten mee kunnen dekken. Er is geen schip, of 't heeft van de laatsten stormen geleden: en de meeste zijn in zoo deerlijken staat, dat er maanden zullen verloopen, eer zij weder gereed zijn.”
„Welk een geluk!” zeide Margareta: „dan hebben wij kans, vaderlief langen tijd bij ons te houden.”
„Dat hebje, Grietje!” zeide De Ruyter met een zucht: „en dat wel langer dan gij denkt misschien.”
„Wat meent gij, Vader?” vroeg mevrouw De Ruyter. (Ik geef haar den titel van mevrouw, omdat die haar die toekwam, sedert haar man de ridderlijke waardigheid bekleedde; ofschoon zij zich nooit anders dan juffrouw liet noemen).
„Ik weet het niet,” antwoordde hij: „maar 't zou mij sterk verwonderen, indien deze niet mijn laatste zeetocht ware geweest.”
„Uw laatste zeetocht!” herhaalde zijn vrouw: „Vader! dan moet gij u niet wel gevoelen; want zóó hebt gij nooit gesproken: wat anders dan een gevoel van zwakheid en lijden zou u verhinderen kunnen, uwe betrekking waar te nemen? Ei zeg, wat schort er aan?”
„Naar 't lichaam niets,” antwoordde De Ruyter: „maar de ziel is krank. Wat in mijn afwezigheid hier te lande gebeurd is, heeft mij diep getroffen.”
„Maar Vader!” hernam mevrouw De Ruyter: „gij hebt altijd met de kalme onderwerping, die den christen voegt, uw lijden getorst. En zouden nu gebeurtenissen, die geen keer nemen, in staat zijn, u te beletten, wanneer de Heeren Staten u weder oproepen om uw dienst aan 't vaderland te bieden, aan die roeping gehoor te geven?”
„Ik zal niet in gebreke blijven,” antwoordde De Ruyter: „maar zij zullen mij niet oproepen.”
„U niet oproepen, Vader!” riep Grietje verbaasd uit: „en wat kan u zoo iets doen denken?”
„Mij dunkt, de zaak is nogal duidelijk,” zeide De Ruyter: „het land heeft een nieuw bestuur bekomen en andere Regenten hebben andere inzichten.”
„Zoudt gij denken, dat de staatkunde, die nu gevolgd wordt, eenigen invloed zou kunnen uitoefenen op de meening der Staten omtrent u?” vroeg mevrouw De Ruyter.
„Letten wij,” hernam hij, „op de teekenen der tijden. De heer Joan De Witt, zonder wiens wil of toelating hier vroeger niets geschiedde, die hier alles bestierde, heeft zich niet alleen gedrongen gezien, zijn ambt neder te leggen, maar is zelfs gevallen als een martelaar van den Staat: diezelfde burgers, die hem tevoren toejuichten, hebben hem thans omgebracht op een wijze, hoedanige men van kannibalen en van geen ingezetenen van een beschaafd land verwachten zou. Aan zijn broeder, die zich zoo verdienstelijk had gemaakt bij den lande, is een gelijk lot te beurt gevallen. Hun aanhangers en vrienden worden uit elke bediening verwijderd: mijn huis te Amsterdam is met plundering bedreigd. Hoe kan ik nog van dienst zijn aan mijn land, wanneer ik het vertrouwen mijner mederburgers verloren heb, ja zelfs aan hun haat en wraakzucht ten doel sta?”
„Nu stelt gij de zaak in een te donker licht, Vader!” voegde hem zijn huisvrouw toe: „die oploop te Amsterdam bestond uit gemeen volk, dat door booze luiden was opgeruid. Alle weldenkenden ten onzent kozen uw partij, en, geloof mij, ik heb nooit meer bewijzen van deelneming ondervonden dan juist te dier gelegenheid.”
„Dat hebt ge mij geschreven,” zeide De Ruyter: „en toch! steun daar niet veel op. Diezefde lieden zullen de ongeregeldheden afkeuren, en er toch in berusten, dat ik bedankt en als een uitgediende weggezonden worde: ja zij zullen het zeer natuurlijk vinden.”
„Maar Vader!” vroeg mevrouw De Ruyter: hebt gij eenigen grond om te gelooven, dat men u zoo ondankbaar zou behandelen?”
„Och Moeder! aan bewijzen ontbreekt het niet. Of hebt gij 't niet opgemerkt, hoe mijn ontvangst bij de vorige verschilde? Voorheen, als ik aan wal kwam, stroomde het volk mij tegemoet; de menigte wuifde met de hoeden en riep hoezee; en de aanzienlijken kwamen mij gelukwenschen. En nu — niet dan stroeve en stuursche blikken heb ik om mij heen gezien. Mannen, die vroeger om mijn gunst kwamen bedelen, zijn weggebleven, als hadde ik de pest meegebracht. — En wat heb ik nog wel moeten hooren van hen, die door hun ambt in de verplichting waren, mij tegemoet te komen? — Gij zult het nauwelijks gelooven?”
„Wel?”
„De een verhaalde mij, met een soort van triomf, en als dacht hij mij recht veel genoegen te doen met zijn mededeling, hoe de „factie,” zoo noemde hij 't, die ons zoo lang had onderdrukt, tot zwijgen was gebracht. Een tweede, die mij gelukwenschte met mijn terugkomst, voegde er bij, op een honigzoeten toon, vol geveinsde deelneming, dat ik nu waarschijnlijk wel rust zoude nemen. Een derde — zie, dat maakte mij 't bloed aan 't koken — vroeg mij, met een medelijdend schouderophalen, waar mijn verstand en voorzichtigheid geweest waren, toen ik, uit de vloot, een brief ter verschoning van den Ruwaard van Putten had geschreven?”
„Is 't mogelijk? dat dorst men u kwalijk nemen? En welk antwoord gaaft gij?”
„Ik gaf hem tot bescheid, dat het wel ellendig gesteld moest wezen in 't vaderland, indien men de waarheid niet meer spreken mocht: nochtans dat ik 't zou blijven doen, zoolang mij de oogen openstonden. — Goede hemel! is 't nog niet genoeg, dat men vrome mannen pijnigt en vermoordt, en zal 't niet eenmaal vergund zijn, voor hen in de bres te springen?”
„Maar geloof toch niet, Vader!” sprak mevrouw De Ruyter, „dat de man, die u zulk een dwaas verwijt deed, de tolk was van 't algemeen gevoelen. Neen, ook onder de Prinsgezinden wordt die gruwelijken moord verfoeid door al wie braaf denkt: en geen hunner, of hij zal 't in u prijzen, dat gij de waarheid voorstondt.”
„Men zal 't in mij prijzen, ja” zeide De Ruyter: „maar men zal toch wel de bovendrijvende meening moeten huldigen en mij ontslaan. Daarbij, denkt gij, dat de Prins niet liever aan 't hoofd der vloot een man zal zien, die zich altijd als een warm voorstander van zijn Huis heeft doen kennen? Ofschoon, God weet het, ik ben nooit zijn tegenstander geweest; ik heb mij nooit met staatkunde ingelaten, maar ten allen tijde aan de bestaande machten onderdanig geweest, en de bevelen gevolgd mij door mijn overheid gegeven.”
„Maar lieve Vader!” zeide Margareta: „de Prins is u niet ongenegen. Heeft hij niet, toen men ons huis bedreigd had, en eer gij uw verzoek tot hem gericht hadt, u een sauvegarde verleend en u onder zijn bijzondere bescherming genomen?”
„Dat heeft Zijn Hoogheid gedaan,” zeide De ruyter, „en ik ben er dankbaar voor. En desniettemin, de Prins zal aan den drang van degenen, die hem omringen, gehoor moeten geven, en mij ontslaan.”
„Waarlijk! gij stelt u 't ergste voor,” zeide zijn echtgenoote: „de Prins heeft vergeten en vergeven. heeft hij niet zijn onbepaald vertrouwen geschonken aan de heeren Van Beuningen, Van Beverningh en zoovele anderen, die vroeger zijn felste tegenstanders waren?”
„Omdat hij hun ondervinding en bekwaamheid niet kan missen,” zeide De Ruyter.
„En hij zou u kunnen missen, Vader!” riep Margareta uit: „u!”
„Och kindlief!” zeide De Ruyter met geveinsde nederigheid: „denkt gij, dat ik zoo ijdel ben, van mij onmisbaar te wanen? Zijn er niet anderen, evengoed in staat, het vaderland op de vloot te dienen als ik?”
„Onmogelijk!” zeide Grietje: „niet een, die uwe plaats kan bekleeden: noch Van Nes, noch Banckers, noch De Liefde, noch Evertsen ... om van de mindere officieren niet te spreken.”
„Grietje! Grietje!” zeide De Ruyter, den vinger bestraffend opheffende: wie heeft u geleerd, de verdiensten van bekwame officieren te schatten? Voorwaar!” voegde hij er ernstig bij, „het zoude er erg uitzien met ons vaderland, indien het lot van onze zeemacht van één man moest afhangen, en God beware mij voor de laatdunkende gedachte, dat ik die man zou zijn. Doch bovendien, gij hebt onder hen, die ter mijner vervanging in aanmerking zouden kunnen komen, er één vergeten — en die zal juist gekozen worden.”
„Eén vergeten!” herhaalde Grietje: „maar ik weet niemand bij het geheele lichaam der zeeofficieren, buiten hen, die ik noemde, die slechts van verre aanspraak zou kunnen maken op de betrekking door u bekleed.”
„Omdat gij slechts op de vloot zoekt,” zeide De Ruyter: „hij, die mij vervangen zal, is niet op de vloot: hij heeft die sedert zes jaar verlaten: en zijn naam is Kornelis Tromp.”
Margareta zweeg en sloeg haar oogen neder. Ook haar moeder zweeg; want beiden wisten, dat De Ruyter ongaarne over Tromp sprak: zijn echtgenoote gaf dus een wending aan 't gesprek, dat weldra evenals de avondmaaltijd zelf, ten einde liep.

Maar waarom sprak De Ruyter ongaarne over Tromp? 't Is omdat die naam hem een oogenblik herinnerde, waarin hij — de eenige reis in zijn leven — onbillijk was geweest. Elk ander ware, onder gelijke omstandigheden, het misschien evenzoo geweest als hij; maar toch, hij herdacht dat oogenblik nooit zonder leedwezen en zelfverootmoediging. Het geval, door mij bedoeld, had zes jaren vroeger plaats gehad en zich op de navolgende wijze toegedragen.
Het was gedurende den tweeden Engelschen oorlog, die begonnen was met dien noodlottigen zeeslag, waarbij Wassenaar om 't leven kwam, en onze vloot, ten gevolge van de onbedrevenheid of den onwil van velen onder de zeeofficieren, een jammerlijke neerlaag leed, ja, alleen door het beleid van Kornelis Tromp, van een geheele vernieling werd gered. Doch die schande was hersteld geworden. Onze vloot, weder door Joan De Witt en Tromp in staat gesteld om zee te kiezen, en nu door De Ruyter aangevoerd, had, nabij de Hoofden, dien befaamden vierdaagschen zeeslag gestreden, die onze helden met onsterfelijke eer overlaadde en dien Vondel in twee gedichten bezong. Thans zoude men voor de derde maal den vijand te keer gaan. Onze vloot, ruim 100 schepen sterk, was in drie eskaders verdeeld; het eerste werd aangevoerd door den zes-en-zestig jarigen Joan Evertsen, den Luitenant-Admiraal van Zeeland, die te voren, toen zijn trouw miskend was geworden, en hij zelfs aan vervolging had blootgestaan, zich aan den dienst onttrokken had, maar die, na het sneuvelen van zijn broeder in den jongsten zeeslag, niet geaarzeld had, opnieuw zijn krachten aan 't vaderland te wijden, en zijn leven ten offer te brengen, gelijk zijn vader, een zijner zonen en vier zijner broederen reeds gedaan hadden. Nevens hem gebood Tjerk Hiddesz, de onversaagde Admiraal van Friesland, wien de Franschen, onder den naar hunne gewoonte verbasterden naam van Kiërkides, herdenken. — Het tweede eskader stond onder de bevelen van De Ruyter, als Vlootvoogd, die zijn vriend, den Luitenant-Admiraal Aert Van Nes, ter zijde had. Over de achterhoede gebood Tromp, en nevens hem de Luitenant-Admiraal van 't Noorderkwartier Meppel. Weinig sterker dan de Staatsche was de Engelsche vloot, mede in drie eskaders verdeeld, en aangevoerd door de beroemde Zeevoogden Monk, Thomas Allen, en Jermias Smith.
Het was op den 4den Augustus, omstreeks elf uren voor den middag, dat de beide vloten elkander, tusschen Duinkerken en Noordvoorland ontmoetten. Het gevecht werd begonnen door het Zeeuwsche en Friesche smaldeel, dat de voorhoede aantastte. Er was bijna geen wind, en deze nog in het voordeel der Engelschen, zoodat De Ruyter belet werd, met den middeltocht op te komen; terwijl de vijand zijn macht geheel gebruiken kon. Wel kweet onze voorhoede zich in den aanvang dapper; doch eerlang werd zij door een samenloop van noodlottige omstandigheden in wanorde gebracht. Aan de beide Admiralen Evertsen en Tjerk Hiddesz nam een kogel het been en 't leven weg. De Friesche Vice-Admiraal Koenders stierf insgelijks aan ettelijke wonden: het schip van den Vice-Admiraal Backers zonk; hij zelf bracht ternauwernood het leven af. Was het wonder, dat op de schepen, verstoken van aanvoerders, en bij gemis van de noodige bevelen, schrik, verwarring, hier en daar zelfs twist en muiterij ontstond, ja, dat zij aan 't wijken sloegen en zich verstrooiden? Dit vluchten gaf aan Allen, die de Engelsche voorhoede gebood, ruim baan, en, met de zijnen vooruitgezeild, voegde hij zich nu bij den middeltocht. Reeds drie uren lang had hier De Ruyter tegen Monk gestreden. Zes Britsche schepen hadden de Zeven Provinciën, De Ruyters admiraalsschip, met onverpoosd geweld bestookt en al hun krachten gelijktijdig daartegen verspild; maar De Ruyter week niet zoo licht voor overmacht, en zijn schip, vast als een rots in zee liggende, trotseerde de kogels der vijanden, beantwoordde hun geschut met een vuur, dat niet verflauwde, schoot bij dezen stengen en want naar beneden, bij genen zeilen en tuigage in den brand, trof een derde in de kiel, dat zij onder water liep, havende een vierde zoo geweldig, dat hij het gevecht niet kon doorzetten, en noodzaakte eindelijk al zijn bespringers tot afhouden. Dan nu, terwijl hij bezig was zijn schade te herstellen en zich tot een nieuwen kamp gereed te maken, liet hem de langzaam optrekkende rook het noodlottige schouwspel bespeuren, hoe de schepen van de voorhoede zich aan alle zijden op de vlucht spoedden, terwijl Allen zegevierende op hem afkwam. Ook Monk had dit ontwaard, en hij vertoefde niet, met het hoofdeskader een anval te hervatten, waarbij hem thans dat van Allen ondersteunde. Nu was de verdubbelde macht der Britten te sterk om gekeerd te worden: nog een korten tijd bleven enkelen der onzen met onverflauwden moed het gevecht gaande houden; maar de meesten gaven 't op en begonnen te wijken; terwijl de weinigen, die zich nog weerden, aan te geduchter woede werden blootgesteld. Hachelijker dan ooit was thans de toestand van De Ruyter. Zijn voorhoede bestond niet meer: vele zijner eigene schepen waren reddeloos geschoten, anderen 't gevaar ontgaan, de macht der vijanden verdubbeld, en van 't smaldeel van Tromp, van wien hij hulp verwachtte, nergens iets te bespeuren. En toch, in weerwil van dat alles, hield hij het gevecht tot den avond uit. Toen, overtuigd dat hij te zwak was om langer met zoo weinige medestrijders het hoofd te bieden aan des vijands overmacht, begon hij de wijkende schepen met klein zeil te volgen, nog altijd hopende, dat Tromp hem, onder begunstiging van de nacht, te hulp zou komen. Doch toen de morgen aanbrak, vond hij zich jammerlijk teleurgesteld: nergens ontdekte hij schijn of schaduw van het eskader van Tromp, en waarheen zijn oogen zich wendden, loefwaart, lijwaart, van achteren, overal was hij bezet van Britsche schepen, die hem weldra van alle zijden beschoten. In dezen nood ontbood hij Van Nes bij zich aan boord. „Wat zullen wij doen?” vroeg hij, toen zijn vriend en ambtgenoot bij hem in de hut kwam: „wij zijn slechts met zeven of acht schepen tegen de menigte.” Van Nes oordeelde, dat men zich al wijkende moest verweren. Ook De Ruyter zag hier de noodzakelijkheid van in, doch zulks tot nog toe ongewoon zijnde, borst hij in bitteren weemoed uit, zeggende: „wat komt mij over? ik wou, dat ik dood was,.” „Ik ook,” zeide Van Nes: „maar men sterft niet wanneer men wil.” Hiermede nam Van Nes zijn afscheid; doch nauwelijks waren de beide Admiralen uit de hut, of een kogel gonsde er binnen en schoot de plaats weg, waar zij gezeten hadden, als moest hij tot herinnering strekken, hoe de goddelijke Voorzienigheid voor hun leven waakte, en hoe weinig reden zij hadden om te wanhopen. Zij beloofden elkander onder 't scheiden, dat waar de een was, de ander ook blijven zou. En inderdaad, Van Nes, naar zijn boord gekeerd, deed het uiterste om De Ruyter ter zijde te blijven en de vijanden op een afstand te houden. Zoo weken zij al vechtende, hun koers naar de Zeeuwse stroomen richtende, en kregen te negen uren in den morgen Westkapelle in 't zicht. Monk, van zijne zijde vurig hakende naar eer om den beroemden zeeheld te vangen, bleef hem gedurig volgen en liet niets onbeproefd om hem te naderen. Eerst zond hij een brander op hem af, die echter door het beleid van De Ruyter werd afgeweerd: toen gelukte het hem, met zijn Admiraalsschip en eenige andere oorlogsvaartuigen de Zeven Provinciën op zijde te komen. Zoo fel beschoten zij het schip van De Ruyter, dat deze een oogenblik ten eenenmale moedeloos werd. — „Hoe ben ik zoo ongelukkig!” riep hij: „is er dan onder die duizenden kogels niet één, die mij wegneemt?” — Doch toen zijn schoonzoon De Witte hem hierop voorstelde, dat zij op den vijand aanzeilen en zich dood zouden vechten, kwam de held tot zijn bezinning en zeide: „gij weet niet wat gij zegt. Als ik dat deed, ware alles verloren, maar als ik mij zelf en deze schepen er behouden af kan brengen, kan men 't werk weer hervatten.” — En inderdaad, weldra werd hij van de vijanden ontslagen, die, bij 't naderen der Zeeuwsche kust, zich, om de zandbanken niet verder wagen dorsten en weder zee kozen.
Doch, waar was intusschen Tromp gebleven? En wat was de reden van zijn onverklaarbaar gedrag? Was hij gevlucht? Had hij het gevecht vermeden?, gelijk De Ruyter dacht, al kon hij 't nauw beseffen? Tromp vluchten! Tromp het gevecht vermijden! Weet gij, lezer! hoe Tromp gewoon was, zich in een zeeslag te gedragen? Waar de macht des vijands het dichts was opeengepakt, waar de grootste en zwaarst bemande schepen lagen, daar wendde hij den steven heen, verstrooide rechts en links al wat hem in den weg belemmerde, en zocht dan het meest geduchte der vijandelijke schepen uit, om 't even of het meer geschut en bemanning had dan het zijne, en klemde er zich aan vast, als de bloedhond aan den stier, als de horzel aan het paard, en gaf hem de laag van boven en van onderen: en dan kwam schip bij schip hem omsingelen en zijn sulfervlammen op hem losbraken; maar hij schoot rechts en schoot links, dat masten en rondhout aan spaanders vlogen en schip bij schip, reddeloos afhield, of opvloog, of zonk: dan deden zich nieuwe bespringers op, en ook zijn schip, reeds van kogels in den boeg, in de lenden doornageld, van want en tuig beroofd, met verbrijzelde masten, hier in brand, ginds lek geschoten, begon te trillen en te steunen als een zieltogende leeuw; maar op het oogenblik, dat de vijanden dan de Admiraalsvlag van Tromp zagen neerhalen en zich gereedmaakten om bij hem over te springen, en hem dood of zoo dadelijk in hun macht waanden, ziet dan rees op eenmaal diezelfden Admiraalsvlag van Tromp op een nader schip, en dan zag men hem daar even kalm en vast zijn bevelen geven; en dan kwam hij weder met hetzelfde onwederstaanbaar geweld aangieren, en dan vocht hij dien strijd nogmaals over, tot hij weder niets dan wrakken om zich heen had, en weder zijn eigen schip niets dan een wrak was, en tot hij weder een derde schip, en na het derde een vierde, altijd op dezelfde wijze in het gevecht bracht: totdat eindelijk de vijanden vroegen of er vijf, zes Trompen op onze vloot waren, en de radelooze schrik onder hen sloeg, en zij afhielden, en niet terugkeerden, en hun aftocht niet vertraagden, zoolang zij meenden dat Tromp hen op de hielen zat.
En de man, die op zulk een wijze gewoon was te strijden, zou gevlucht zijn?” — Maar zoo hier aan geen vrees te denken viel, hadden wellicht andere redenen hem genoopt, geen deel te nemen aan de slag?” — Ziedaar wat men verspreidde, ziedaar de laster, die, eerst fluisterend in de ooren geblazen, later luider en luider herhaald, weldra bij velen geloofd, en zich meer en meer uitbreidende, ten leste als waarheid werd aangenomen.
Er leefde, voor ruim 60 jaren, waarde lezer! een man, die een schoolboek schreef: van dat schoolboek zijn tallooze uitgaven elkander opgevolgd. Uit dat schoolboek heb ik, hebt gij wellicht de eerste notiën aangaande de geschiedenis van ons vaderland opgedaan. In dat schoolboek is niet eene enkele bladzijde te vinden, waarop niet, òf een verkeerde voorstelling der feiten, of een scheeve beoordeling van personen, òf een onwaarheid voorkomt. In dat schoolboek wordt ook gesproken van den zeeslag, op 4 Aug. 1666 gestreden, en wat lezen wij er nu aangaande het gedrag, door Tromp te dier gelegenheid gehouden? Slechts deze woorden: „Tromp hièld zich buiten het gevecht,”

Zien wij nu eens, wat daarvan geweest zij:
Toen de voorhoede onder Evertsen met de Engelschen aan den slag raakte, was Tromp even verre van den middeltocht verwijderd, als deze van de voorhoede; terwijl de windstilte hem verhinderde in 't opkomen. In dezen stand van zaken zag hij de Britsche achterhoede onder Jeremias Smith op hem afkomen; en terstond wendde hij alle pogingen aan, om van elk zuchtje partij te trekken en een ontmoeting met den vijand te verhaasten. Een brander, door Smith op hem afgezonden, werd door den Schout-bij-Nacht Van der Zaan in den grond geschoten; de Luitenant-Admiraal Meppel en de Vice-Admiraal Zweers gaven blijken van uitstekende dapperheid. Met den Engelschen Vice-Admiraal aan den slag gekomen, noodzaakten zij hem, nadat hij tot driemaal toezijn bodem van versch scheepsvolk had voorzien, zich door de vlucht te redden. Maar ook Tromp bleef niet achter en toonde de oude onversaagdheid, die hem bij den vijand zoo gevreesd maakte. Slechts door twee kapiteins, De Haen en Van Amstel, bijgestaan, stortte hij zich midden in 't Engelsche eskader, schoot een schip in brand, en deed de anderen voor zijn vuur verstuiven. Nog was de avond niet gevallen, of de schrik was alom den Britten om 't hart geslagen, en Smiths geheele eskader op de vlucht gejaagd, niettegenstaande het nog 31 schepen sterk was, terwijl de macht, waarmede Tromp het achtervolgde, uit slechts 23 schepen bestond. Immers het schip van Meppel was zoo doornageld, dat het nauwelijks zee kon houden en telkens scheen te zullen zinken: hij had Tromp niet kunnen volgen; maar met 8 andere zwaar beschadigde schepen moeten achterblijven.
Tromp bleef dus den vluchtenden vijand najagen. Onbewust van den dood van Evertsen en Tjerk Hiddesz en van de daarop gevolgde nederlaag ponzer voorhoede, kon hij niet vermoeden, dat De Ruyter in een zoo ongelijke strijd gewikkeld was, en moest integendeel verwachten, ook deze zegevierend te zullen ontmoeten. Te eerder kon hij deze hoop voeden, omdat eenige schepen van den Engelschen middeltocht zich bij het eskader van Smith bevonden. Volgens zijne berekening had De Ruyter alzoo een kleinere macht te bestrijden dan de zijne. Daar het hem, Tromp, gelukt was, het grootere eskader van Smith met een kleinere macht te overwinnen, was zijn meening niet onnatuurlijk, dat De Ruyter, zonder veel moeite, op een zwakkeren vijand zou hebben gezegevierd.
Hoe 't zij, den geheelen nacht door vervolgde Tromp het vijandelijk smaldeel; doch zonder zijn vijand tot staan te krijgen, zoo hevig was de vrees, die hij hem inboezemde. Eerst met het aanbreken van den dag, het vruchtelooze zijner poging inziende, oordeelde hij het raadzaam, zich weder met Meppel te vereenigen, en De Ruyter op te zoeken. Zoodra echter zagen niet de Engelschen hem den terugtocht aannemen, of zij staakten hun vlucht en begonnen, op hun beurt, van vervolgden vervolgers te worden: echter altijd daarbij een eerbiedigen afstand bewarende.
Dit duurde zoo den geheelen dag. Intusschen, van het eskader van De Ruyter, dat toen reeds in onze zeegaten was binnengevallen, werd Tromp niets gewaar; maar tegen het vallen van den avond ontdekte hij het overige gedeelte der Engelsche vloot, dat nu, van 't vervolgen van De Ruyter terugkeerende, alle moeite deed om onze achterhoede te onderscheppen. De opgestoken wind en invallende duisternis verhinderden echter de volvoering van dit opzet: Tromp zeilde onbelemmerd door en kwam den volgenden dag te Vlissingen ter reede. Hij zelf, Zweers, Van der Zaan, al de officieren van zijn eskader, hadden zich uitstekend gekweten, en geloofden dan ook louter eerbewijzen en lofuitingen te zullen ontvangen; doch weldra bemerkten zij, dat deze hun hoop deerlijk zou worden teleurgesteld.
Reeds dadelijk toen Tromp bij De Ruyter aan boord kwam, gaf deze hem met harde woorden zijn afkeuring te kennen over het door hem gehouden gedrag, en beklaagde zich, dat hij, in stede van bij de vloot te verblijven, deze verlaten had om afzonderlijk te strijden. Ja zelfs de bedaardheid, die hem anders kenmerkte, voor een wijl verliezende, voer hij, in tegenwoordigheid van het scheepsvolk, in hevige bewoordingen uit tegen Zweers en Van der Zaan, die in alle gevalle niets anders hadden gedaan dan de vlag van hun Admiraal te volgen. Tromp was de man niet, om zich een verwijt, vooral een onbillijk verwijt, te laten aanleunen. Hij antwoordde, dat, indien hij niet de 35 schepen der Engelsche achterhoede had afgesneden, het met De Ruyter nog erger zou zijn gesteld geweest, en dat ongetwijfeld een volkomen overwinning door de onzen ware behaald geworden, indien de voor- en middeltocht zich even kloek als de achterhoede hadden gekweten.
Uitdrukkingen als deze, die een ingewikkeld verwijt tegen De Ruyter bevatteden, waren niet geschikt om de ontevredenheid van dezen te verminderen, en hij beklaagde zich bij de Staten over het door Tromp gehouden gedrag. Niet dat hij 't dezen misgunde, gelukkiger in de slag te zijn geweest dan hij. Geen afgunst kon in de ziel van De Ruyter plaats vinden. Maar hij was en bleef in het noodlottige denkbeeld, dat de bevelen, die hij als Opperbevelhebber gegeven had, waren verzuimd geworden, en dat Tromp hem moedwillig aan 't gevaar ten prooi had gelaten. En hetgeen vroeger gebeurd was gaf stof tot dit vermoeden. Toen, bij den dood van Wassenaer, onze vloot geslagen was, kon er, om des overledenen plaats te vervangen en de zeemacht weder op een behoorlijken voet te brengen, niemand in aanmerking komen dan De Ruyter of Tromp. De Ruyter was toen aan de kust van Guinea, en de keus moest alzoo op Tromp vallen. Aan zijn moed zoo wel als aan zijn geschiktheid voor de hem op te dragen taak viel niet te twijfelen. Hij was van kindsbeen af in 's Lands dienst geweest, en, evenals voorheen zijn vader, de afgod van 't scheepsvolk. Doch hij was bekend als Prinsgezind, en dat was bij de toenmalige Regenten een slechte aanbeveling. Intusschen het behoud der vloot in den laatsten zeeslag had men grootendeels aan hem te danken, men kon hem niet wel voorbijgaan, en men schroomde de zaak des Vaderlands opnieuw in de waagschaal te stellen, door wederom, gelijk men vroeger gedaan had, een Admiraal te kiezen uit de landofficieren. Men zag dan in Tromp zijn Prinsengezindheid over 't hoofd, en gaf hem het opperbevel; doch onder zoodanige bepalingen, dat het slechts in naam bij hem berustte, en inderdaad bij de drie Gemachtigden der Algemeene Staten, of liever bij één van die drie, namelijk bij Jan de Witt. Tromp bevlijtigde zich, aan het in hem gestelde vertrouwen te beantwoorden. De schepen werden met spoed weder in orde gebracht, bevelhebbers en matrozen wedijverden om op hun post te zijn, en de vloot was zeilvaardig, toen De Ruyter onvoorziens in 't land terugkeerde. Nauwelijks droegen de Staten hiervan kennis, of zij besloten, de macht, aan Tromp verleend, in te trekken, om het opperbevel over de in Texel vergaderde vloot op te dragen aan De Ruyter, die er onmiddelijk werd heen gezonden. Men beseft licht, hoe diep het Tromp moest grieven, dus, zonder eenigen wettigen grond, zich verstoken te zien van het commando over een vloot, die hij zelf in gereedheid had gebracht! Hevig gebelgd over de hem aangedane beleediging, weigerde hij in den aanvang onder De Ruyter in zee te gaan. Doch, zoo hij dapper en opvliegend was als Achilles, hij was spoediger nedergezet dan deze: en zoo bedacht hij zich, vergat zijn wrok, bleef in dienst en ontving De Ruyter, toen deze aan boord kwam, op de vleiendste wijs; terwijl de beste overeenstemming bij hun beraadslagingen en besluiten heerschte. De zeeslag, in Juni 1666 geleverd, en waarbij zij de overwinning op de Engelschen behaalden, had dan ook getoond, welke goede gevolgen hun eensgezindheid droeg. Met dat al, het ontbrak niet aan de zoodanigen, die beweerden, dat Tromp steeds een geheimen wrok bleef voeden, en louter naar een gelegenheid uitzag, om het ongelijk, dat hij geleden had, aan De Ruyter betaald te zetten. Gedienstige oorblazers, wier getal altijd legio is, lieten niet na, De Ruyter voortdurend tegen hem te waarschuwen, en, al mocht de vrome Admiraal in den aanvang aan dergelijke praatjes niet hechten, de laster laat toch altijd, ook in 't minst ergdenkende gemoed, een druppel van zijn gift na. Nu viel de zeeslag voor, waarvan ik u een schets gegeven heb: het daarbij gebeurde deed De Ruyter werkelijk aan een voorbedacht opzet van de zijde van Tromp te gelooven. Is 't wonder, dat zelfs hij, anders zoo kalm en gelaten, in toorn ontstak, en voor een oogenblik zich zelven vergat?
De zaak ware echter nog te sussen geweest, zoo Tromp haar niet door een ondoordachte, hoezeer mede verschoonbare daad had bedorven. In de opwelling zijner gramschap schreef hij aan de Algemeene Staten, zoowel als aan die van Holland, een krachtigen, doch bitteren brief, waarin hij zich zelven poogde te verontschuldigen en De Ruyter in 't ongelijk te stellen. Hij eindigde met te schrijven dat, indien hij, na al zijn getrouwe diensten, voor een schelm werd uitgekreten, hij zijn ontslag verzocht, daar het geen tijd was, schelmen te gebruiken.
Dit geschrift verwekte, vooral bij de Staten van Holland, groot misnoegen, 't welk nog vermeerderd werd door een onvoorzichtige daad van een zijner bloedverwanten, te zijner gunste ondernomen. De heer Van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten zeeslag had bijgewoond, had, na zijn terugkomst, aan de moeder van dien Admiraal de bijzonderheden van het gevecht verhaald, en, te dier gelegenheid, bijzonder uitgeweid in zijn lof. Kievit, Gecommiteerde Raad van Rotterdam en zwager van Tromp, haastte zich, van het gehoorde een verslag op te stellen, waarbij het gedrag van Tromp in een gunstig licht, dat van De Ruyter daarentegen in de schaduw werd gesteld, welk verslag hij liet drukken en verspreiden. Dit werd door de Staten van Holland zoo euvel opgenomen, dat zij Kievit ter verantwoording riepen, waaraan hij zich onttrok door ten lande uit te wijken. Terzelfder tijd werd door hen een Commissie benoemd, met De Witt aan 't hoofd, om de beschuldigingen over en weder door de beide Admiralen ingebracht, te onderzoeken. De Commissie, aan haar last voldaan hebbende, liet — wat opmerking verdient — de vraag, wie gelijk had, in 't midden; doch gaf te kennen, dat het algemeen belang noodwendig het ontslag, òf van De Ruyter, of van Tromp vereischte, daar de zaken nooit goed konden gaan, zoolang er verwijdering tusschen de beide Vlootvoogden bestond. De keus kon den Staten niet moeilijk vallen. Behalve dat het, waar 't krijgsdienst geldt, een algemeen en tot behoud der ondergeschiktheid en goede orde onmisbaar beginsel is, den hoogsten in rang in 't gelijk te stellen, zoo was in de oogen van de Leden der Staten-Vergadering het onderscheid te groot tusschen De Ruyter, die, altijd even onderdanig aan hun bevelen, slechts gehoorzaamde en zich met geen staatkunde inliet — en Tromp, die wel in dienst alleen zijn plicht als zeevoogd indachtig was, maar buiten den dienst zich in daden en gesprekken een warm aanhanger van den Prins en een ijverig tegenstander toonde der bovendrijvende partij. Ja velen, minder aan 's Lands belang dan aan hun eigen inzichten gehecht, grepen met welgevallen het voorwendsel aan, dat zich aanbood, om Tromp te verwijderen, en zoo werd hem te kennen gegeven, dat zijn aanstelling tot Luitenant-Generaal was ingetrokken. Bij het vernemen van dit besluit bleef hij bedaard, en verklaarde zich bereid, aan De Ruyter elke voldoening te geven, ja hem in een volgenden strijd getrouw ter zijde te staan; ten einde blijken mocht, dat hij geen haat of wrok tegen hem voedde, maar desnoods zijn leven voor hem zoude opofferen. Dit aanbod werd niet aangenomen, ja zelfs aan Tromp verboden, zich weder naar naar de vloot te begeven: zoo zeer vreesde men een opstand van het hem zoo verknochte zeevolk.
Op zoodanige wijze was Tromp beloond geworden voor zijn talrijke diensten; maar, hoe miskend ook en verguisd, hij bleef zijn vaderland even trouwhartig beminnen: ja hij wees het aanbod, hem gedaan door de toen nog, zoo 't heette, met ons bevrienden Franschen Koning, om, tegen een aanzienlijk jaargeld, in dienst te treden, met waardigheid van de hand, zeggende, liever in zijn vaderland als vergeten burger te leven, dan, met eer en rijkdom overladen, een vreemden vorst te dienen.
Sedert dien tijd waren jaren verloopen. De ontevredenheid van De Ruyter tegen Tromp was lang geweken, en alleen de herinnering leefde nog bij hem van de groote diensten, door dezen aan den Staat bewezen. Was het te verwonderen, indien, bij het nadenken over hetgeen had plaats gehad, zich bij een man, zoo nauwgezet als De Ruyter, een geheim zelfverwijt paarde aan het leedgevoel, dat een held, zoo uitstekend in dapperheid en krijgsbeleid, voor 't vaderland als verloren was? Gewis, meer dan eens moest De Ruyter denken dat, indien hij zich na dien noodlottigen zeeslag met meer kalmte gedragen en meer bedaard onderzocht had, dat ongelukkige misverstand nooit had plaats gehad. En thans! Wat zoude wellicht gebeuren, nu de partij, die Tromp aan hare inzichten had opgeofferd, zelve het onderspit gedolven had? Was het niet te verwachten, dat men den uit den dienst verwijderden Admiraal in zijn eer en ambt herstellen, en daarentegen aan De Ruyter, ondanks al het door hem verrichtte, zijn afscheid, geven zou? Een voorwendsel was zoo licht te vinden, al zocht men het slechts in zijn reeds ver gevorderden leeftijd.
Deze en dergelijke gedachten kwelden den waardigen grijsaard, toen hij, den morgen na het hierboven opgegeven gesprek, zich met de zijnen naar 's-Gravenhage begaf, om aldaar bij de Staten-Generaal verslag te doen van zijn laatsten zeetocht. Zoo echter iets hem gerustheid had kunnen inboezemen, het zou de ontvangst geweest zijn, die hem ten deel viel bij Hun Hoogmogenden. Niet slechts werd hij op de meest heusche wijze verwelkomd en hem de eer der zitting gegeven, niets slechts werd, nadat hij zijn verslag had overgelegd, de dank der Vergadering hem in de meest vleiende bewoordingen toegebracht, maar ook, en dat was het gewichtigste, hem werd aanbevolen, — met gelijken ijver, kloekmoedigheid en courage in alle voorvallende occasiën daerinne voorts te willen continueren.

„Ziet gij wel, Vader!” zeide Margrietje, toen hij, in zijn herberg aan de zijnen den afloop zijner ontmoeting met de Staten-Generaal verhaald had: „ik wist wel, dat men u niet kon missen.”
„Laat ons niet te veel hechten aan eenige beleefde uitdrukkingen,” zeide De Ruyter, het hoofd schuddende: „'t hinkende paard zal wel achteraankomen. Mij is last gegeven, onmiddelijk naar 't leger bij den Prins te gaan, en aan Zijn Hoogheid insgelijks verslag te doen.”
„Welnu! de Prins zal u evengoed ontvangen als de Heeren Staten, wees daar gerust op,” zeide mevrouw De Ruyter.
DeRuyter zweeg, en kort daarna was hij met de zijnen in een wagen gestegen en op reis naar Zwammerdam, waar toen des Prinsen hoofdkwartier gevestigd was. Daar gekomen, vonden zij zich eenigszins teleurgesteld door het bericht, dat Zijn Hoogheid zich voor 't oogenblik aan den Uithoorn bevond. Zij zetteden hun tocht derwaarts voort; doch het was eerst laat in den avond, eer zij aldaar aankwamen: en zoo was het eerst den volgenden morgen, dat De Ruyter zich bij den Prins kon laten aanmelden en weldra bericht bekwam, dat deze hem zoude ontvangen.

Zonderling! de onverschrokken held, die sedert jaren gewoon was aan duizenden te gebieden, die zich door Frankrijks en Spanjes aanzienlijkste en hooghartigsten edellieden met den diepsten eerbied had zien behandelen, die aan Vorsten zijn bevelen gegeven had, en, in het besef, dat hij zijn plicht vervulde, voor niemand de oogen behoefde neder te slaan, voelde zich eenigszins verlegen, toen hij het vertrek binnentrad, waarin zich de twee-en-twintig-jarige jongeling bevond, dien hij als knaap gekend had. Maar die knaap was man geworden, was thans in den Staat schier oppermachtig, en wie kon zeggen, of hij zich niet op De Ruyter zou willen wreken over de vernedering en verdrukking, die hij ondergaan had van de partij, waaraan De Ruyter zijne bevordering te danken had.
Dan niet lang duurde bij De Ruyter die beschroomdheid. De koele strakheid, die anders het gelaat van Willen III reeds van zijn vroegsten leeftijd kenmerkte en het gevolg was van het aanhoudend zelfbedwang, dat hij had moeten in acht nemen jegens hen in wien afhankelijkheid hij zich bevond, had, zoodra de Admiraal binnentrad, plaats gemaakt voor een minzamen lach, te meer onwederstaanbaar, omdat hij zelden op 's Prinsen lippen zweefde. Zijne oogen, voor wier doordringende opslag elke blik zich anders nedersloeg, blonken thans van opgeruimde blijmoedigheid: de blos van het vergenoegen dekte 's prinsen wangen, en hij was op dit oogenblik werkelijk, 't geen hij anders nooit scheen te zijn, een jongeling in den besten en gelukkigsten tijd des levens. Zonder te wachten, dat De Ruyter tot hem kwam, liep hij op hem toe, drukte 's grijsaards hand in de zijne, en schudde die hartelijk met den uitroep: „ welkom! welkom! vrome Admiraal! wat heb ik verlangd, u te zien.”
„Uw Hoogheid is wel goed,” antwoordde De Ruyter, terwijl hij, bewogen door dit onthaal, den Prins met zijn heldere oogen in 't aangezicht zag.
„Ga zitten, Vader! ga zitten!” vervolgde de Prins, terwijl hij de hand des Admiraals niet los liet, vóór dat hij dezen in een armstoel nevens hem had doen plaatsnemen: „wij hebben elkander in lang niet gezien, en er is veel gebeurd, sedert gij den vasten wal verlaten hebt.”
„Veel, zeer veel!” zeide De Ruyter, met moeite een zucht bedwingende: „en dit herinnert mij in de eerste plaats mijn plicht om Uw Hoogheid geluk te wenschen met Haar verheffing. God zegene Uw Hoogheid en doe Haar voor 't arme Vaderland wezen, wat vroeger Haar doorluchte Voorvaderen geweest zijn, beschermers van 's lands vrijheid en de zuivere religie.”
„Ik dank u,” zeide de Prins: „maar laat mij hopen, dat het niet alleen aan plichtgevoel is, dat ik uw gelukwensching te danken heb. Het is nu, zoo immer, de tijd, dat eendracht en samenwerking van alle bekwame en vaderlandschlievende mannen onmisbaar zijn, en ik voor mij heb behoefte, niet slechts aan dienaars, maar ook, en vooral, aan vrienden.”
„Uw Hoogheid zal mij gelooven,” zeide De Ruyter, „ik ben niet gewoon, ijdele woorden te spreken, noch anders te zeggen dan ik 't meene: al ware het mijn plicht niet, Uw Hoogheid, als thans met het Kapitein-Admiraalschap bekleed, te gehoorzamen, dan nog zou ik het doen uit verknochtheid voor Haar persoon, en uit erkentenis voor den dienst, bereids voor Haar aan het Vaderland bewezen.”
„Maak mij niet hoovaardiger dan mijne jaren voegt,” zeide de Prins: „een lofspraak uit een mond, die nooit dan waarheid spreekt, is zulk een schat, dat gij er karig mede zijn moet, Admiraal! wilt gij hem, wien gij dien wegschenkt, niet voorgoed bederven. En wat zegt het weinige, dat ik heb kunnen doen, bij al wat door u verricht is?”
„Laat ons geen vergelijkingen maken,” zeide De Ruyter, glimlachende, „in weinige maanden heeft Uw Hoogheid reeds meer verricht dan anderen in jaren. Was ik niet dagelijks aan boord de tijding wachtende, dat men zich lafhartig aan Frankrijk onderworpen had, toen mij daarentegen het bericht verheugen kwam, hoe Uw Hoogheid in de bediening Harer Voorvaderen gesteld was en het op zich genomen had, den vijand het hoofd te bieden? En zijn niet, sedert dien tijd, door uwe werkzaamheid, volharding en doorzicht, de Franschen tot staan gebracht? En heeft niet de moedeloosheid, die vroeger heerschte, voor wakkerheid plaats gemaakt?”
„Dank daarvoor niet mij,” zeide de Prins, „maar onze brave landgenooten en de omstandigheden: men had behoefte aan een hoofd, om 't welk men zich scharen kon: en dat was toevallig bij de hand. Jammerlijk slechts, en eeuwig te betreuren, dat er ook ander bloed dan dat der vijanden gestort is.”
„Ja wel te betreuren,” herhaalde De Ruyter.”
„De moord der Heeren De Witt is een execrabel feit,” vervolgde de Prins, „en zal mij een bron van hartzeer blijven; ik was aan den Raadspensionaris veel verschuldigd, en zoo ik den lande van nut zal kunnen zijn, zal ik zulks meest te danken hebben aan de lessen, die ik van hem ontvangen heb. Gij waart met de beide Heeren bevriend, en het gebeurde moet u zeer getroffen hebben.”
„Meer dan ik 't uitdrukken kan,” zeide De Ruyter.
„Ik wil 't gelooven,” hernam de prins, „doch de zaak is onherstelbaar, en het onderwerp te akelig om er lang bij te verwijlen. Zeg mij liever, Admiraal! hoe staat het met de vloot?”
„Ik heb mijn verslag medegebracht,” antwoordde De Ruyter, „en ben bereid alle verdere opheldering te geven, die Uw Hoogheid verlangen mocht.”
Dit aanbod van De Ruyter gaf aanleiding tot een belangrijk onderhoud, waarbij de Admiraal meer dan eens in de gelegenheid was, zijn verbazing te toonen, niet alleen over de juiste en scherpzinnige vragen, hem door de prins gedaan, maar ook over diens volkomen bekendheid met al wat het zeewezen betrof: ja 't kwam hem onverklaarbaar voor, hoe Willem III, bij al de werkzaamheden en beslommeringen, die zijn betrekking bij 't leger hem op den hals haalde, nog tijd had kunnen vinden om hetgeen zoo op de vloot als bij de verschillende Admiraliteiten had plaats gehad, tot in de kleinste bijzonderheden te leeren kennen.
„Gij hebt een braven Zeevoogd verloren in den Luitenant-Admiraal Van Gendt,” zeide eindelijk de Prins: „hebt gij reeds nagedacht wie meest geschikt ware, zijn plaats te vervangen?”
„Ik durf dit nauw beslissen,” antwoordde De Ruyter: „daar zijn de Vice-Admiraals Zweers, De Liefde, Schram, die elk hun afzonderlijke verdiensten hebben: niet een onder hen, of hij zou op een waardige wijze de plaats des overledenen bekleeden.”
„Hm! ja!” zeide de Prins, „maar zoek eens goed Admiraal! is er ook buiten de vloot niemand te vinden, even geschikt als de door u genoemden?”
„Buiten de vloot!” herhaalde De Ruyter: „zoude Uw Hoogheid begrijpen, dat wederom een overste van de Landmacht in die betrekking behoorde geplaatst te worden?”
„Ik dank u,” antwoordde de Prins: „wij hebben er te droevige ondervinding van. De Heer van Obdam was een man van ongemeene dapperheid: maar gebrek aan kennis en ondervinding van 't zeewezen is de oorzaak geweest van zijn dood en 't verlies onzer vloot. En Van gendt, hoe verdienstelijk ook, is toch zoo wat half en half schuld geweest, dat Engeland een voorwendsel heeft gevonden om ons den oorlog te verklaren. Neen, geen landofficieren op de vloot. Maar zoek eens goed: — ik wilde liever uw geheugen niet te hulp komen.”
De Ruyter zag den Prins vorschend aan; doch deze vergenoegde zich met te glimlachen.
„Ja gewis, Uw Hoogheid!” zeide eindelijk de Admiraal: ik weet nog wel een man, die tegen al de genoemden dubbel opweegt, en wien ik zelfs in ervarenis en beleid boven Van Nes en Banckers zoude stellen. Maar de vraag is, of hij willen zou?”
„Of Tromp het Vaderland, nu 't in nood is, zou willen dienen!” riep de Prins uit: „twijfelt gij er aan, Admiraal?”
„Wij zijn er gekomen,” dacht De Ruyter, en bleef eenige oogenblikken peinzend voor zich uitzien.
„Welnu! zeg mij gul uwe meening,” zeide de Prins: „wat hier gesproken wordt blijft geheel onder ons.”
„Prins!” zeide eindelijk De Ruyter: „ik had wel gewenscht mijn leven in 's lands dienst te eindigen: doch ik besef het zelf wel, ik word oud, en al ben ik, Gode zij dank! nu nog gezond en in staat mijn plicht te vervullen, op mijn leeftijd kunnen van den eenen dag op den anderen de krachten bezwijken, of het brein versuft raken, zonder dat men het zelf ontwaart. 't Is wijzer daarom intijds partij te kiezen, de zeilen te bergen en voor anker te gaan liggen: ja oneindig beter, zijn post te verlaten, eer de geschiktheid om dien naar eisch te vervullen ons verlaat. Uw Hoogheid zal wel doen, mij mijn ontslag te geven, en mij door den Heer Tromp te doen vervangen. Hij doet in bekwaamheid voor niemand onder, is jonger en vlugger dan ik, en bij 't scheepsvolk bemind.”
„Hoe, Admiraal!” riep de Prins, innig getroffen door dit blijk van 's mans grootmoedigheid, doch veinzende, hem niet te verstaan: „gij zoudt het land in dezen hachelijken tijd van uw dienst willen berooven?”
„Het land zal er geen schade bij lijden,” hervatte de Admiraal, „wanneer het Tromp voor De Ruyter krijgt.”
„Dat zal men niet zoo redelijk toegeven, ” zeide de Prins: „doch wat alle harten, en inzonderlijk het mijne, met vreugde vervullen zou, wat de Engelschen zeker tot een spoedigen vrede zou doen neigen, zoude wezen, dat wij èn De Ruyter èn Tromp weder op de vloot zagen.”
„Zou Uw Hoogheid dat werkelijk meenen!” riep De Ruyter, terwijl een glans van vergenoegen zich over zijn gelaat verspreidde.
„Twijfelt gij aan mijn oprechtheid, Admiraal?” vroeg de prins op een minzaam verwijtende toon.
„Verschoon mij, Uw Hoogheid,” hernam De Ruyter: „ik twijfel niet aan uw goede bedoeling in dezen; maar geen knecht kan twee meesters dienen: en geen vloot aan meer dan één opperhoofd gehoorzamen, of alles loopt in 't niet. 't Kan zijn, dat ik mij bedrieg; maar de Heer Tromp zou, geloof ik, zich aan den Lande hoogst verdienstelijk maken, indien hij het opperbevel voerde; terwijl hij daarentegen wellicht minder geneigdheid en geschiktheid heeft om bevelen te ontvangen; daarom herhaal ik mijn aamnbod, om mijn ontslag te nemen.”
„Ik neem noch uw aanbod, noch uw redeneering aan,” zeide de Prins: „er heeft tusschen u en Tromp ongenoegen plaats gehad: een misverstand, noem het zooals gij wilt. Zoudt gij dat ongenoegen kunnen vergeten, en u met hem verzoenen?”
„Verzoening ook met zijn vijanden is Christenplicht,” zeide De Ruyter: „en ik wil den Heer Tromp niet als mijn vijand beschouwd hebben.”
„Ik dank u, Admiraal!” zeide de Prins, hem de hand reikende: „dan is de zaak gevonden.”
„Gevonden;” herhaalde De Ruyter.
„Tromp zal weder in dienst komen,” vervolgde de Prins: „doch niet voordat tusschen u en hem alle sporen van ongenoegen zijn uitgewischt, en hij zich verbonden heeft, u voortaan met die achting en gehoorzaamheid te behandelen, die men aan zijn Overste schuldig is.”
„Indien de Heer Tromp daartoe te bewegen is,” zeide De Ruyter, „dan zal ik het uur onzer verzoening onder de gelukkigste mijns levens tellen.”
„Laat het aan mij over, dit te beproeven, Admiraal!” zeide de prins, oprijzende: „en nu, hartelijk dank voor uw bezoek: uw verslag zal ik lezen en wij spreken daarover eerstdaags nader. Gij zult thans wel wenschen uw huis en uw vrienden te Amsterdam eens terug te zien. Wel aan! ik geef u verlof, en verzoek mijn gebiedenis aan de uwen.”
„Uw Hoogheid is al te goed,” zeide De Ruyter: „en dat Zij van mijn huis gewaagt doet mij denken, dat ik nog verzuimd heb, mijn oprechten dank te betuigen voor de verleende sauvegarde.”
„Nu, dat was wel 't minst, dat wij doen konden,” zeide de Prins: „wanneer gij het het gansche land tegen aanvallen van vreemden beschermdet, dat wij uw woning tegen die der kwaadwilligen beveiligden. Vaarwel Admiraal! en bewaar mij uwe vriendschap.”
Hiermede liep dit onderhoud af. Men kan denken, met welk een blij en opgeruimd gemoed De Ruyter de zijnen terugzag. Niet slechts was het onthaal des Prinsen minzaam geweest boven verwachting; maar, verre dat er enig denkbeeld bestond om hem door Tromp te doen vervangen, had men het weder in dienst nemen van dezen laatste, als 't ware van hem, De Ruyter, laten afhangen. Hij begaf zich alsnu naar Amsterdam; doch geen drie dagen was hij daar geweest, toen hij weder bij den Prins ontboden werd, die zich thans te Bodegrave bevond.
De Prins zat in een ernstig onderhoud gewikkeld met den Heer Van Beverningh, die de betrekking van Commissaris van Hun Hoogmogenden bij 't leger bekleedde, met zijn voormaligen Gouverneur, thans zijn wapenbroeder, den Heer Van Zuylesteyn, en met een derden persoon in burgerkleding, doch wiens geheele houding den krijgsman verraadde. Hun gesprek was op 't levendigst, toen De Ruyter werd aangediend.
„Braaf!” riep de Prins: „ onze vrome Admiraal laat niet op zich wachten. En nu, mijne Heeren, wat ik u bidden mag, laat mij een oogenblik met hem alleen.”
De drie Heeren verwijderden zich en de Prins wachtte De Ruyter af.
„Groot nieuws!” zeide hij, zoodra deze binnengetreden was. „Ik ontvang zooeven de tijding, dat de Engelschen vloot weder is uitgezeild: en het zal noodig wezen de zeegaten goed te voorzien.”
„Ik ben gereed mij te begeven, waar Uw Hoogheid mijn tegenwoordigheid zal noodig oordelen.” zeide De Ruyter.
„'t Is thans meer dan ooit, dat wij behoefte hebben aan trouwe hulp en samenwerking van al wie het wel met het Vaderland meenen,” zeide de Prins: „gij herinnert u ons laatste gesprek?”
De Ruyter boog zich.
„En gij zijt niet van gedachten veranderd? Doch wat behoef ik dat te vragen? Wat een man als De Ruyter zegt, daar blijft het bij. Nu — ik heb met Tromp gesproken.”
„Inderdaad!” zeide De Ruyter, verrast.
„Ja! en ik heb bevonden, dat ik mij niet bedrogen had. Wel verre dat er bij hem eenige schijn of schaduw bestaat van wrok of verbittering, zal hij het u dank weten, indien gij hem vergunt, weder onder uwe bevelen ten strijde te mogen gaan.”
„Heeft hij dat waarlijk gezegd?” vroeg De Ruyter, opgetogen van vreugd.
„Indien gij mij niet gelooft,” zeide de Prins, terwijl hij lachte en het hoofd schudde, „zoo gelooft hem dan zelven. Mijn Heer Tromp! mag ik u verzoeken om binnen te komen?”
De deur van het zijvertrek ging open, en de schoone wakkere gedaante van Tromp vertoonde zich. De beide zeehelden zagen elkander een wijl aan, als wilden zij de verandering gadeslaan, die zes jaren bij hen in houding en gelaatstrekken gemaakt hadden. Toen trad Tromp met een rustigen stap naar zijn ouderen krijgsmakker toe, en zeide:
„Admiraal! het verheugt mij hartelijk u te zien.”
„En mij dan!” zeide De Ruyter, mede een stap vooruit doende en hem de hand toestekende.
„Ik had niet gedacht, dat het mij zou vergund zijn, die hand weer te drukken,” zeide Tromp: „geloof mij, Admiraal! jegens u heb ik nooit mijn plicht moedwillig verwaarloosd, en, heb ik zonder opzet verzuimd, gedenk het dan niet meer.”
„En gij, mijn Heer Tromp!” zeide De Ruyter, „geloof vrij, dat het mij leed doet, zoo ik u ooit verdacht heb van opzettelijke plichtverzuim, en vergeef mij wat mij ooit in drift ontviel. Zie, wij zijn allen zwakke menschen, en moeten over en weder geduld met elkander hebben.”
„Braaf gesproken!” riep de Prins, met het vergenoegen op 't gelaat: „zie! dat is een gebeurtenis om Franschen en Britten van spijt te doen bersten. En nu, mijn waarde Tromp! gij zult niet weigeren, uw ouden rang bij de vloot te hernemen?”
„Als mijn voormalige bevelhebber mij onder hem dulden wil,” zeide Tromp, „zal hij op de geheele vloot geen konstabelsmaat hebben, gehoorzamer dan ik.”
„En geen officier zoo dapper en bekwaam,” zeide De Ruyter, hem nogmaals de hand schuddende.
Op deze wijs had de Prins, met die wijsheid, welke van zijn vroegste jeugd af al zijn daden kenmerkte, de verzoening weten te bewerken tusschen de twee grootste zeehelden hunner eeuw, en beider dienst aan het Vaderland te verzekeren. En, dat die verzoening oprecht was, bewees hetgeen later plaats had. Niet slechts, toen in Mei des volgenden jaars, de vloot van den Staat zeilree lag, en Tromp bij De Ruyter aan boord verscheen, was de ontmoeting tusschen hen even heusch en hartelijk als in 's Prinsen tegenwoordigheid, maar ook was het, of het gejuich, dat toen allerwegen van de schepen opging, reeds de zege begroette, die als het gevolg der tusschen hen herstelde verstandhouding verwacht werd. En toen, kort daarna — juist op denzelfden dag, waarop in 't vorige jaar de slag bij Solebaai begonnen was — de vloot weder met die der Engelschen en Franschen aan den slag raakte, en toen Tromp toonde, dat hij nog steeds dezelfde was, en, midden onder den vijand geraakt, driemalen van schip veranderd had, en in 't uiterste gevaar verkeerde, toen zeide De Ruyter, die alles voor zich had doen wijken, tegen de zijnen, dat het beter was een vriend te helpen, dan een vijand te deren, en keerde van het vervolgen terug, en drong door schepen en kruitdamp henen om Tromp bij te springen. „Mannen!” riep Tromp, toen hij hem in 't oog kreeg: „mannen! saar is Bestevaêr, die komt ons helpen: ik zal hem ook niet verlaten, zoolang ik adem heb.” En De Ruyter ontzette hem, en nu vereenigd, drongen zij op den vijand aan, dat hij overal de zee voor hen ruimde.

Mijn schets is geëindigd. Ik heb er niets nieuws in verhaald, niets althans, wat gij waarde lezer! niet overal kunt vinden. Ik heb alleen, gelijk ik in den aanvang zeide, u een bekend historisch feit in 't geheugen willen terugroepen, en u afvragen of de leering, die het met zich brengt, niet ook nu nog en ten allen tijde van toepassing blijft? Vloten uitzenden als in die dagen kunnen wij niet meer, mannen als De Ruyter en Tromp zijn schaars meer te vinden; maar, het voorbeeld dat zij gaven, verdient wel bij de nakomelingschap in aandenken te worden gehouden. En zulks vooral in een tijd als de onze, waarin velen het als iets loffelijks schijnen te beschouwen, partijschap, en daardoor wantrouwen, wrok, vete en twist te voeden tusschen personen, die, vereenigd, aan het Vaderland van dienst zouden kunnen zijn. Had er in 1672 geen oprechte aaneensluiting van partijen plaats gehad, hadden Staatslieden als Fagel, als Van Beuningen, als Van Beverningh, zich niet met trouw en oprechtheid geschaard om den Vorst, wien zij vroeger uit het bewind hadden pogen te weren, hadden helden als Tromp en De Ruyter elkander de verzoenende broederhand niet toegereikt, Nederland ware reeds toen geworden wat het honderdveertig jaar later, ten gevolge van binnenlandsche verdeeldheid werd — een wingewest van Frankrijk.
Maar neen. Nederland zal nimmer weer het wingewest eener vreemde natie worden! Die kreet van scheuring en slooping, uit zoovele hoeken van het oude Europa opgegaan, heeft die proef grootmoedig doorgestaan. Van zijn koning zoo onverwachts beroofd, bleef het een wijle, wat de gevaarlijkste toestand voor eene natie is, aan zich zelf overgelaten. Had niet, bij een min bedaard, bij een min ordelievend volk, uit het missen van een wettig hoofd regeeringloosheid, uit regeeringloosheid verwarring, uit verwarring onrust, uit onrust het verderf des Vaderlands kunnen voortspruiten? Maar, kalm en beraden te midden hunner droefheid, beseften alle Nederlanders, ministers of volksvertegenwoordigers, krijgslieden en burgers, aanzienlijken of geringen, dat 's lands toekomst van rust en eensgezindheid afhing: en thans, nu het hoofd van den Staat in ons midden is teruggekeerd, zien wij, ja bedroefd nog, doch bemoedigd de toekomst tegemoet. Een Graaf Willem III heeft over Holland geregeerd, die een der meest geachte en invloedrijkste Vorsten was zijner eeuw, en wien een dankbaar volk den naam schonk van Willem den Goeden. Een Prins Willem III heeft ons land van den oever des afgronds gered en den naam der vrije Nederlanden door geheel Europa doen eerbiedigen. Moge een Koning Willem III, den naam dier doorluchtige voorgangers waardig, zich, als zij, de liefde des volks, den eerbied van Europa, de erkentenis van een dankbaar nakroost waardig maken. Dat de eerste woorden, die hij tot ons sprak, steeds in ons hart gegrift blijven, en tot richtsnoer strekken onzer daden: dan rijzen voor Nederland gelukkige dagen, door eendracht tusschen de kinderen van 't zelfde Vaderland, door eendracht tusschen Vorst en Volk.


[Jacob van Lennep pagina] [Coster pagina]