MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

EMILIA VAN NASSAU.


Daar baat noch bidden, noch vermanen
Noch harde dwang;
De lieve hartjes storten tranen,
Maar gaan haar gang.
Bilderdijk, de Vloek

Het is algemeen bekend, dat Willem de Eerste zeer gesteld was op huiselijk geluk, stille geneoegens en een vrolijk praatje na de beslommeringen van den dag: — welk een en ander hij dan ook achtereenvolgens bij vier wettige vrouwen gezocht heeft.
Zijn eerste vrouw was Anna Van Egmond, dochter van de Gravin Van Buren, een lief, goed vrouwtje.
Zijn tweede vrouw heette Anna en was de dochter van den Keurvorst Maurits van Saksen, een begaafde Vorstin, doch die zich niet verkoos te schikken in het zwervend en avontuurlijk leven, dat de Prins genoodzaakt werd te leiden, en zich in en over zijn afwezigheid wat al te in ’t oog loopend, onder anderen met den vader van den grooten Rubens, wist te troosten; weshalve hij zich van haar liet scheiden.
Zijn derde vrouw was Charlotte van Bourbon, dochter van Lodewijk II, Hertog van Montpensier, die een juist tegenovergesteld karakter bezat, en het stille kloosterleven vaarwel zeide om met den echtgenoot harer keuze al de gevaren en bekommernissen van krijg en burgertwist te deelen, totdat zij eindelijk, van de angsten, die zij had uitgestaan, toen de kogel van Jauregui hem gewond had, in eene krankte verviel en in zijn armen bezweek.
Zijn vierde vrouw was Louise Van Chatillon, dochter van den beroemden Coligny, en weduwe des Heeren Van Teligny, wier lot het was, haar vader en beide echtgenooten, door het zwaard of den kogel van dweepzieke moordenaars te verliezen.
Bij ieder van deze vrouwen heeft Willem I kinderen voortgebracht.
Anna van Egmond, met wie hij gehuwd was van 1551 — 1558, schonk hem zijn oudsten zoon Filips Willem — die, als knaap naar Spanje heengevoerd, ook aldaar een vader - en vaderlandlievend hart behield — en Maria.
Anna van Saksen, wier verbintenis met den Prins duurde van 1561 — 1577, was de moeder van twee Mauritsen (waarvan de een kort na zijn geboorte overleed, en de ander de bevestiger werd van ’s Lands onafhankelijkheid), en van twee dochters, Anna en Emilia geheeten.
Charlotte van Bourbon had geen zoons, maar daarentegen schonk zij haren echtgenoot, in de zes jaren, die zij met hem doorbracht (1577 — 1582) niet minder dan zes dochters, als: Louise Juliana, Elizabeth, Katharina Belgica, Flandrina, Charlotte Brabantia en Emilia II.
Louise van Coligny eindelijk, wier huwelijk na den tijd van een jaar door het moordend lood van Balthazar gerards verbroken werd, was de moeder van den zeeghaftigen Frederik Hendrik.
In alles alzoo liet Willem I, bij zijn overlijden, drie zoons en negen dochters na; een aartsvaderlijk getal.
Het heeft , zelfs in een vorstelijk gezin, vrij wat in, negen meisjes op een behoorlijke wijze aan den man te krijgen. Gelukkig hadden de dochters van Willem I een schat van neven, die vrouwen zochten, en zoo werden zij over ’t geheel redelijk wel geëtablisseerd.
Zoo huwde de oudste, Maria, den Grave van Hohenlo, een moedigen, maar ruwen ijzervreter en weinig beteekenenden Generaal, die vóór Maurits de legers van den Staat aanvoerde en die in de geschiedenis van ons land alleen schijnt op te treden om door vergelijking en tegenstelling, de verdiensten van zijn opvolger met des te grooter luister te doen schitteren.
Anna trad mede in den echt met haar vollen neef, den braven, dapperen en godvruchtigen Willem Lodewijk van Nassau, Stadhouder van Friesland en zoon van Graaf Jan IV.
Louise Juliana werd de gemalin van Frederik, Paltsgraaf van den Rijn.
Elizabeth kreeg tot man Hendrik de la Tour d’Auvergne, Hertog van Bouillon, haar neef van moederszijde.
Katharina Belgica werd de vrouw van Filips Lodewijk, Graaf van Hanau, die haar van vaderszijde bestond.
Charlotte Brabantina eindelijk werd uitgehuwelijkt aan Klaude, Hertog van Trémouille en Thouars.
Zoo waren, reeds in ’t jaar 1597, zes van de negen jonge dochters uitgehuwelijkt met volkomen toestemming van wederzijdse bloedverwanten, en waren alleen nog onvoorzien de beide Emilia’s en Flandrina.
Emilia II was nog slechts vijftien jaren oud en kon dus nog wachten. Zij kreeg eerlang den Paltsgraaf van Tweebruggen tot man.
Flandrina ging met Brabantina naar Frankrijk, doch omhelsde aldaar den Roomschen godsdienst en koos, in plaats van een man, een klooster.
Maar de oudste der beide Emilia’s ’t zij, dat zich voor haar geen geschikte partij had opgedaan, ’t zij, dat men verzuimd had, er eene te zoeken, zij was onverzorgd, en toch was zij dien leeftijd langzamerhand genaderd, waarop alle meisjes en vooral vorstinnen, die in den regel vroeg trouwen, beginnen te begrijpen, dat, zoo de kans nu niet komt, die waarschijnlijk nooit zal komen. — En Emilia had genoeg van vaders en moeders bloed om gansch niet getroost te zijn in ’t vooruitzicht van vrijster te sterven.
Dan, wat zij ook mocht verwachten en verlangen, de diplomatieke aanzoeken bleven weg, en daar niemand voor haar zorgde, begreep zij, het voor zich zelve te moeten doen, en haar genegenheid te volgen. Een voorwerp nu voor die genegenheid was, onder zoovele Edelen van goeden, ja van vorstelijken huize, als waar ’s-Gravenhage thans van wemelde, niet ongemakkelijk te vinden: en weldra was haar keuze bepaald.
Eenige jaren vroeger namelijk had zekere Don Antonio, gehouden voor een basterd van den broeder van Hendrik, Koning van Portugal, schoon geestelijke en prior van Acrato, aanspraak gemaakt op den troon van gezegd Rijk, toen door Filips II overweldigd. Hij was echter tegen zijn machtigen vijand niet bestand geweest, had Portugal moeten ruimen en was, na lang een zwervend leven geleid te hebben, in ballingschap gestorven. Nu waren, in April van ’t jaar 1597, zijn beide zonen, Don Emanuel en Don Christoval uit Engeland, waar zij zich langen tijd hadden opgehouden, in Den Haag aangekomen met een brief van aanbeveling door Koningin Elizabeth aan de Staten-Generaal gericht. De Staten, aan de voorspraak van hun doorluchtige Bondgenoote gehoor gevende, hadden niet slechts aan beide jongelingen hun bescherming toegezegd, maar ook voor hun onderhoud gezorgd, en aan Don Emanuel een betrekking bij ’t leger gegeven, terwijl diens broeder uitzicht had om eerlang bij den Koning van Marocco in dienst te geraken. De geboorte en rang dezer jongelieden gaf hun den toegang tot alle kringen, dus ook tot het Hof des Prinsen en tot dat der Prinses-weduwe, en hun goed vookomen en innemende manieren deden de belangstelling, die hun onvoorspoedig lot reeds vanzelf inboezemde, vrij algemeen in welwillendheid overgaan. Don Emanuel vooral, hoezeer geen man van schitterende gaven, noch die bestemd scheen om ooit, ’t zij in ’t veld, ’t zij in de raadzaal, een groote carričre te maken, was ten uiterste beschaafd, en bezat al die begaafdheden, welke geschikt zijn om in hooge kringen, zich, vooral bij de vrouwen, bemind te maken. En daarbij, zijn fraai gekroesde lokken stonden hem zoo goed: zijn hagelwitte tanden staken zoo blinkend af bij de olijfkleur van zijn gelaat: zijn blikken, brandend van een vuur, hoedanig alleen in zuidelijke oogen flikkert, hadden nu eens zulk een verterende en dan weder zulk een teedere uitdrukking, naarmate hij de rampen afmaalde van zijn vorstelijk huis of wel de schoone dreven en de heerlijke rivieren van zijn onvergeetbaar vaderland. En dan had hij zoo vele wederwaardigheden verduurd en wist die zoo aandoenlijk te schilderen; ’t was als met Othello,

’t Was strange, ’t was passing strange,
’t Was pitiful, ’t was wondrous pitiful.

Was ’t vreemd, dat hij menige jonge juffer, die zelden van zulke akeligheden gehoord, en van ’t beleg van Haarlem of van den moord te Naarden nooit dan bij overlevering en uit den mond van een flegmatieken oom of voogd vernomen had, het hoofd op hol bracht?
Maar Don Emanuel mocht hoofden, en zelfs harten op hol brengen, geene der schoonen van Den Haag had het nog als een zaak beschouwd, die in ’t rijk der mogelijkheden tehuis behoorde, dat zij hem tot man zou nemen: deze, omdat hij Roomsch, gene, omdat hij een vreemdeling, een derde, omdat hij arm en zonder vooruitzichten was: en in een nieuw gevestigden Staat, waar, bij snel aanwassende welvaart, dagelijks de middelen en het aanzien der ingezetenen toenamen, zagen dochters zoomin als ouders naar verbintenissen uit, dan die het vooruitzicht gaven om al verder en verder op den ingeslagen weg des voorspoeds te kunnen voortstreven. Don Emanuel nu bezat bij uitnemendheid de gaaf van geld te verteren: maar volstrekt niet die van het te verdienen.
Er was echter in ’s-Gravenhage ééne Jonkvrouw, die van eene andere meening was dan de overige dames, en deze Jonkvrouw was Emilia van Nassau.
Juist omdat zij een vorstin was, begreep zij, dat geen der hierboven genoemde bezwaren voor haar een bezwaar kon zijn. Don Emanuel was Roomsch, en zij Protestantsch; maar verschil van godsdienst kwam, waar het vorstelijke echtgenooten gold, naar haar oordeel, minder in aanmerking. Karel IX had immers zijn Katholieke zuster wel aan den Calvinist Hendrik van Navarre gegeven. Don Emanuel was een vreemdeling! ja, maar vorstendochters trouwden immers in den regel met vreemdelingen. Hij was zonder geld of goed: ja; maar toch een Koningszoon: en wie wist, of niet de omstandigheden, zijn moed wellicht, hem eenmaal de kroon terug zouden bezorgen, die zijnen vader ontweldigd was. En dan; hij was zoo beminnelijk: er deed zich geen beter minnaar op: en wat de laatste en beste reden was, die alle andere in de schaduw liet — zij had hem lief.

Dat Don Emanuel weldra den indruk bemerkte, dien hij op Emilia gemaakt had, dat hij van zijne zijde ook haar niet onaardig vond, dat hij oordeelde, niet licht een betere partij te zullen doen, dat een verbintenis met de zuster van den dapperen Maurits, en daardoor met de huizen van Nassau en Saksen, hem, armen zwerver, een zeer gewenschte zaak toescheen, dat alles laat zich makkelijk raden, al staat het zoo precies niet bij de historieschrijvers geboekt.
De zaak raakte alzoo spoedig genoeg tusschen de jongelieden klaar; maar daar was alles nog niet mee gevonden. Prinsessen trouwen gewoonlijk niet zoo maar zonder dat er iemand mee gemoeid wordt, en dit was ook het verlangen niet van Emilia. Haar zusters waren, gelijk ik reeds gezegd heb, allen in ’t huwelijk getreden met volle toestemming van de wederzijdsche maagschap niet alleen, maar ook van de Heeren Staten, en hadden van deze laatsten fraaie uitzetten gekregen: — en noch het een en noch het ander diende verwaarloosd te worden.
Intusschen begreep Emilia, en te recht, dat in de eerste plaats de toestemming van haar broeder Maurits moest verworven worden. Had zij deze bekomen, dan zou al het overige zich wel schikken. Wat toch was er, dat de Staten den jongen krijgsheld konden weigeren — hem, die, toen Nederland alom door vijanden bedreigd, verlaten van zijne bondgenooten, door burgertwisten verscheurd, zonder regering, zonder leger, zonder krediet, en op het punt van al de opofferingen van vroeger dagen te verliezen, schier radeloos hem aan ’t hoofd des legers riep, — die toen, zeg ik, op nauwelijks twentigjarigen leeftijd, den veldheersstaf met vaste hand gegrepen, de orde hersteld, legers als uit den grond geroepen en gevormd, gestrenge krijgstucht ingevoerd, de rol van verdediger met die van aanvaller verwisseld, stad voor stad aan den Spanjaard ontweldigd, en in negen jaren tijds, schier overal den vaderlandschen bodem van vijanden gezuiverd had?

Emila kende echter haar broeder genoeg, om te weten, dat zij niet op eenmaal bij hem — gelijk men ’t noemt — met de deur in huis moest vallen, en begon dus, met hem, door een vertrouwden raadsman, te laten polsen, of hij, in geval de Portugeesche Prins eens in ’t hoofd kreeg, aanzoek om zijn zuster te doen, zich tegen zoodanige verbintenis zoude verzetten. De zaakgelastigde van Emilia stelde de zaak slechts als een mogelijkheid voor, en dit gaf aanleiding, dat Maurits er zich minder over uitliet, dan hij anders wellicht zou gedaan hebben. Nochthans liet hij niet na, de bezwaren op te sommen, welke tegen een dergelijk huwelijk konden worden aangevoerd en hierboven reeds vermeld zijn: hij voegde er nog bij, dat Don Emanuel algemeen er voor doorging, evenals zijn vader, een basterd te zijn, die niet eens in staat was, zijn moeder te noemen, zoodat zijn aanspraak op de kroon naar Portugal weinig te beduiden had. Voorts liet hij zijn zuster verzoeken, dat zij zoude denken op de waardigheid van haar Huis, zich geene dwaze grillen in ’t hoofd stellen, en zooveel mogelijk allen omgang met den jongen vreemdeling vermijden.
Deze laatste vermaning had geen ander gevolg, dan dat Emilia nu wčl vermeed, haar minnaar in ’t openbaar te ontmoeten, doch des te meer geheime bijeenkomsten met hem had. Don Emanuel, inmiddels achtende, dat zijn eer er mee gemoeid was, de zaak door te zetten, liet bij Maurits een bepaald aanzoek om de hand zijner zuster doen. De Prins vergenoegde zich, hierop te antwoorden, dat Don Emanuel eerst zoude aantoonen, wie zijn moeder was geweest, en verbood hem, tot zoolang, ten hove te verschijnen. Weinige dagen daarna vertrok Mautits naar ’t leger.

De verliefde Vorstin, hoezeer weinig tevreden met het bescheid, dat haar minnaar bekomen had, gaf echter den moed niet verloren. Eerst werd aan Jan Baptist Rossa, later aan den Raadsheer Bruynincx (die geheimschrijver van haar vader was geweest en aan haar Huis ten nauwste verknocht was) bij gelegenheid, dat zij naar ’t leger vertrokken, de taak opgedragen, om het belang van haar liefde bij haar broeder voor te staan; doch niets vermochten hun redenen bij Maurits, die zich aan ’t eenmaal gegeven woord hield.
Zoo had Emilia alle pogingen , aangewend om het hart haars broeders te vermurwen, vruchteloos zien afloopen: en het begon de hooghartige dochter van Anna van Saksen reeds te berouwen, dat zij zich vernederd had, om een verlof te verwerven, ’t welk zij oordeelde, niet te behoeven, „Indien mijn broeder,” zeide zij, „zijn toestemming blijft weigeren, welnu! dan zal ik mij getroosten het buiten die toestemming te stellen: ik ben vrij, en meesteresse over mijne daden; laat Maurits in ’t leger regeeren naar zijn zin: over mij heeft hij niets te bevelen.” En, niet tevreden met de zaak dus zelve te willen doordrijven, besloot zij, in persoon daarvan kennis te gaan geven aan den Prins: een besluit, voorzeker gewaagd genoeg, daar zij niet kon weten, welk onthaal haar bij Maurits te wachten stond, wien wel eens in het hoofd kon komen, haar naar ’t Huis te Dillenburg of elders te doen vervoeren en aldaar in zekere bewaring te stellen, ten einde alzoo den voortgang van ’t huwelijk te beletten. — Doch een vrouw, die recht verliefd is, telt zwarigheden noch gevaren: en wellicht hoopte Emilia nog, dat hare persoonlijke verschijning, en de welsprekende woorden, die ’t gevoel van de liefde haar in de mond zoude leggen, een indruk op het hart van Maurits zouden maken, hoedanig eenen de redenen van derden, die in de zaak geen belang hadden, niet bij hem hadden kunnen teweegbrengen. Voor haar vertrek nam zij een hartroerend afscheid van haar geliefde; zij stelde hem haar juwelenkoffer ter hand, en zeide hem, dat, indien zij elders heengezonden werd en niet terugkwam, hij den koffer behouden moest met wat daarin was en daarvan leven; doch dat zij hoopte, zelve in staat te zullen zijn, den koffer van hem terug te vorderen. En, hem dit blijk van genegenheid gegeven hebbende, liet zij zich in een reiswagen pakken en sloeg den weg in naar ’t leger.

Maurits, die, in den nazomer van dit jaar, Alfen, Rijnkerk, Meurs en Grol ingenomen, en den vijand nergens rust gelaten had, was van daar voor het sterke en onwinbaar geachte Breęvoort getogen. Noch de natuurlijke verdediging der plaats, die, door diepe moerassen omringd, alleen toegankelijk was langs een dijk, die er dwars doorheenliep, en langs een smal voetpad, noch de hardnekkigheid, waarmede een sterke, wel van krijgs- en mondbehoeften voorziene bezetting zich verdedigde, hadden Maurits doen afzien van zijn voornemen om Breęvoort te bemachtigen. Hij had er op gerekend, nog in dezen veldtocht, al de sterkten van het Oversticht, die de vijand bezat, hem te ontweldigen, en dat gewest van het lastig verblijf van vreemde benden te zuiveren: — en hij was niet gewoon in zijn voornemen teleurgesteld te worden. Van drie kanten, te weten, van wedereinde van den dijk en over den weeken grond, de stad genaderd, had hij een hoogte weten te bemachtigen, aldaar een batterij op te richten en zoo de plaats uit twintig vuurmonden te doen beschieten. In acht dagen tijds was hij tot aan de gracht gekomen; had over deze een drijvende brug doen slaan, van kurk tezamen gesteld en die hij met ongelooflijke moeite van Doesburg had doen aanvoeren: en had nu, over die brug, zijn krijgsvolk de stad doen binnenstormen. De bezetting was, ja, op ’t kasteel geweken, doch onmiddelijk in besprek gekomen, en had zich, behoudens ’t lijf, aan de genade des winnaars overgegeven.

Het was op den avond van den 12den October. Binnen het kasteel van Breęvoort en daarbuiten in de stad was het een tooneel van wanorde en verwarring. Wij zeggen, in de stad; wij hadden moeten zeggen: op de puinhoopen der stad; want de huizen, voor zooverre de kogels der belegeraars die gespaard hadden, waren, na de overgave, door een toevalligen, noodlottigen brand vernield geworden. Bij dien brand hadden de arme burgers meerendeels nog verloren wat hun van de afpersingen, door de bezetting, en van de plundering, door de overwinnaars gepleegd, was overgebleven. En toch moeten zij nog iets hebben weten te redden: immers des daags te voren waren zij nogmaals geplunderd geworden, en zij hadden aan Olivier Van den Tempel een gouden keten ter waarde van 200 gouden kronen kunnen beloven, om door zijn voorspraak verschoond te blijven van een rantsoen van 6000 daalders, ’t welk men van hen eischte, en er af te komen met een vereering van drie voederen wijns aan den Prins, die dan ook, met hun lot bewogen, hun brieven van sauvegarde schonk met scherp verbod van hun te misdoen. ’t Kwam ongelukkig wat laat.

Zooals wij dan zeiden, in en om Breęvoort heerschten woeling en verwarring: des Konings troepen waren dien morgen uitgetrokken en die van de Staatsche bezetting vatteden post op ’t kasteel, dat eerst door de garde van den Prins was bezet geweest. Bij de beweging, altijd onafscheidlijk van zulke verrichtingen, kwam nog het binnen de stad voeren van ammunitie, om in tijd van nood te dienen, en het daaruit voeren van onbruikbaar geschut, het omwerpen van de gemaakte bres, en het wegruimen van het puin: voorts het gedurig in- en uitloopen van Koninklijke Officieren, Drost en Rentmeester en andere op rantsoen gestelde personen, die al wie maar eenigen invloed had zochten te bewegen, de rantsoenpenningen te verminderen, — en van de burgers, die verzoeken kwamen doen of klachten inbrengen: voege men hierbij het rumoer, dat immer plaats vindt, waar vele menschen in een klein bestek vereenigd zijn, het geschreeuw, getier en gevloek van officieren en soldaten in tien of twaalf verschillende talen, en men zal nog slechts een flauw denkbeeld hebben van het verwarde Babel, dat Breęvoort op gezegden avond vertoonde.

Maurits bevond zich op het kasteel: hij had juist geregeld, wat de gewezen commandant Gardot, de luitenant Broekhuizen en de vendrig Boetselaar als losgeld zouden betalen, en was bezig met een pleit aan te hooren, gevoerd aan de eene zijde door den Grave Van Solms, en, aan de andere, door den Heer Van den Tempel. Elk hunner beweerde, dat Jonkvrouw Van Broekhuizen zijn gevangene was: Solms, omdat zij door krijgsvolk van zijn regiment was gegrepen, Van den Tempel, omdat, naar zijn beweren, de Prins haar aan hem geschonken had. De twist liep hevig: want Solms was, als hem meer gebeurde, zwaar beschonken, en zijn weerpartij wilde zich niet door hem laten overschreeuwen; zoodat de prins nauwelijks wist naar wien te hooren: terwijl zijn neef, de goede Graaf Willem Lodewijk, vruchtelooze moeite deed om het krakeel te sussen en de twistenden tot bedaren te brengen. Het was in dit oogenblik, dat een hofbediende binnenkwam en aandiende: „de Prinses Emilia van Nassau.”
De aankondiging dat zijn neef, Grave Herman Van den Berg, met het geheele garnizoen van Lingen in aantocht was om Breęvoort te hernemen, zou Maurits minder bewogen hebben dan de tijding van de aankomst zijner zuster. Hoe volkomen hij anders meester ware over zich zelven, deze mare kwam hem zoo onverwacht, dat zijn wrevel, buitendien reeds opgewekt door de twist, waarvan hij getuige was, zich lucht gaf in den krachtigen uitroep: „is zij dol? dat ontbrak er slechts aan!”
„Begeert uwe Excellentie, dat de Prins zal worden binnengelaten?” vroeg de bediende, na een weil om bescheid te hebben gewacht.
„Zij verdiende het waarachtig wel,” mompelde Maurits binnensmonds „als een jonge juffer ongebeden en onverwacht in een veroverde vesting komt, moet zij ’t ook nemen als zij ’t vindt en voor geen klein geruchtje vervaard zijn. — Maar kom — nu zij eenmaal hier is, zullen wij tenminste partij van hare komst trekken om dit rumoer te doen ophouden. Hoort gij ’t niet, vetter van Solms! mijn zuster is hier en haar maagdelijke ooren behoeven niet gekwetst te worden door uw geschreeuw. — Kort en goed, ik wil van den zaak niet meer hooren, en zoo die freule uw volk ’t eerst in handen is gevallen, ’t is zeker, dat ik haar aan den overste Van den Tempel geschonken heb, gelijk mijn recht was, en dat hij dus alleen aanspraak op ’t losgeld heeft. Ga nu slapen, en kom morgen bij mij, als gij wat bedaarder zijt: dan zal ik zien hoe ik de zaak weder goedmake, zoodat gij geen reden van klagen hebt. En nu — gij zult niet verlangen bij het behandelen van familie-aangelegenheden tegenwoordig te blijven: ik groet u alzoo, en u allen, mijne heeren. — Gij blijft, vetter Lodewijk, zoo ’t u belieft. — Bartel! leid nu de prinses maar binnen.”
Het was niet zonder tegenstribbelen, dat de Graaf Van Solms, die weinig over de gedane uitspraak tevreden was, zich bewegen liet, om met de overigen het vertrek te verlaten; doch eindelijk gelukte het, en Maurits bevond zich met den Stadhouder van Friesland alleen.
„Hier komen! tegen mijn opzettelijk verbod hier komen!” bromde de Prins, terwijl hij, met de handen op den rug en den toorn op ’t gelaat, het vertrek op- en neer liep: „Zij verdiende dat ik haar weer wegzond, zonder haar te woord te staan.”
„Handel zacht met haar, Vetter!” zeide Willem Lodewijk: „bedenk, zij is een vrouw en uw zuster.”
„Des te erger, dat zij mijn zuster is,” hernam Maurits: „die betrekking zal mij nog leeds genoeg kosten: maar stil, daar is zij.”
Emilia trad binnen: haar oogen vlamden van spijt en de gloed der gramschap bedekte hare wangen; want zij had veel werks gehad om de stad binnen te komen: haar rijtuig was meer dan eens opgehouden geworden: de op hare komst niet voorbereide wachters hadden in ’t eerst niet willen gelooven, dat zij was wie zij voorgaf te zijn en zij had zich zelfs aan beleedigingen zien blootgesteld.
„Het kost vrij wat moeite om u te genaken, Broeder!” zeide zij, haar hand aan Maurits toestekende.
„Gij kunt het mijn trouwe manschappen niet euvel duiden, Zuster!” antwoordde Maurits met koelheid en zonder de hem aangeboden hand te aanvaarden: „niemand wist dat gij komen zoudt: en gij hadt zelfs geen voorwendsel tot ontevredenheid kunnen hebben, al had men u den toegang geweigerd.”
Emilia begreep nu zelve, dat zij een verkeerden weg insloeg, door te klagen over onaangenaamheden, waaraan zij zich vrijwillig had blootgesteld. De koude ontvangst, die haar te beurt viel, trof haar echter diep, en nauwelijks was zij gezeten op den stoel, dien Graaf Lodewijk haar onder een hartelijk welkom had aangeschoven, of zij barstte in tranen uit.
„Gij zijt ontsteld, lieve Nicht,” zeide de Graaf: „wil ik roepen, dat men u wat te drinken brenge?”
„’t Is niets,” zeide Emilia, met een bewogen stem: „ik gevoel geene behoefte: maar ik had een ander onthaal verwacht van mijn broeder.”
„Hoe kost ge dat verwachten?” vroeg Maurits, terwijl hij opeens zijne wandeling door de kamer staakte, voor haar staan bleef en haar strak in ’t aangezicht zag: „gij wist te voren, dat uw bezoek mij hier ongelegen kwam: of heeft u de renbode niet ontmoet, dien ik u zond, zoodra ik bericht ontving van uw dwaze voornemen om herwaarts te komen, en die u verzoeken moest terug te keeren?”
„Al hadt gij mij honderd renboden gezonden,” zeide Emilia: „ik ware evenwel gekomen. Het duurt reeds lang genoeg, dat ik met u spreken wilde en mijn gemoed voor u uitstorten, gelijk een zuster aan een broeder doet; — en ik laat mij daarvan niet langer weerhouden. Gij zijt de naaste bloedverwant, dien ik op aarde bezit, en gij moest van natuur mijn toevlucht en beschermer zijn; maar in stede daarvan ontwijkt gij mij en wilt mij niet hooren.”
„Omdat,” zeide Maurits, „ik meer en hooger plichten te vervullen heb, dan te luisteren naar de dwaze grillen eener .... maar ga voort! gij zijt hier nu eenmaal. Zeg mij, wat gij mij te zeggen hebt: alhoewel ik twijfel, of gij mij veel nieuws te vertellen zult hebben.”
„Kom Vetter!” zeide Graaf Lodewijk, terwijl hij zijnen neef een armstoel toeschoof: „ga zitten, en luister, met uw gewone bedaardheid en welwillendheid, naar hetgeen de Jonkvrouw u te zeggen heeft: gij zijt haar natuurlijke beschermer, en tot wien zal zij komen dan tot u? En gij, waarde Nicht, schep moed; en verhaal uw broeder wat gij op ’t hart hebt. Hij zal zich toegeeflijk omtrent uw vorderingen toonen, indien ze billijk zijn. Of wilt gij liever wachten met te spreken, tot ik mij verwijderd hebbe?”
„Neen, goede Vetter! blijf, wat ik u bidden mag,” zeide Emilia: „gij zijt hier in deze landen de oudste in jaren van ons Huis, en gij hebt recht, tegenwoordig te zijn, wanneer wij over iets spreken, dat de belangen van dat Huis betreft.”
„Ik luister,” zeide Maurits, nadat hij was gaan zitten, als iemand die zijn partij genomen heeft.
„Welnu, Broeder!” hernam Emilia: „gij weet, dat de Prins van Portugal aanzoek gedaan heeft om mijne hand.”
„En gij weet,” zeide Maurits, die nu al zijn bedaardheid hernomen had, „wat ik aan hem, dien gij Prins van Portugal noemt, heb doen antwoorden?”
„Gij hebt hem doen zeggen,” hervatte Emilia, „dat hij eerst de wettigheid zijner geboorte had te bewijzen. Welnu! Hier is zijn verklaring op dat punt.”
En meteen haalde zij een brief voor den dag, dien zij in haar boezem naast haar hart verborgen had gehouden, en overhandigde dien aan Maurits.
„Voorwaar!” zeide deze, met een spottende glimlach, terwijl hij het papier aan alle kanten bekeek, „ik wist niet, dat mijn zuster bijwijlen ook het ambt van bodinne waarnam. Mij dunkt, Don Emanuel had een voegzamer gelegenheid kunnen uitzoeken om mij zijn schrifturen te doen toekomen, dan door u. Gij hebt elkander alzoo weer ontmoet, ondanks mijn vermaan.”
„Lees den brief, Vetter!” zeide Graaf Lodewijk, dringend.
„Dat zal ik,” zeide Maurits: „ik heb de verklaring uitgelokt, en ’t is billijk, dat ik er kennis van neme.” Met deze woorden brak hij het zegel los, haalde den brief uit den omslag, en begon dien zacht te lezen.
Geen spier, die zich bewoog, noch op het gelaat van Emilia, noch op dat van den Graaf, zoo ingespannen bleven beiden op Maurits staren, ten einde den indruk gade te slaan, dien het geschrevene op hem maakte. Dan zijn gelaatstrekken bleven even onbeweeglijk als de hunne, tot hij de lezing volbracht had. Toen haalde hij de schouders op en zag Emilia aan.
„Weet gij, wat Don Emanuel mij schrijft?” vroeg hij.
„Hij heeft mij alleen gezegd, dat dit geschrift zijn verantwoording behelsde,” antwoordde zij: „den juisten inhoud heeft hij mij niet medegedeeld.”
„Dat wil ik voorwaar gelooven,” hernam Maurits, „want anders, zoo gij een greintje verstand hadt, zoudt gij u met de overbrenging van zulk een onbeduidend geschrift niet belast hebben. Lees zelf, Vetter, en oordeel of dit stuk iets bewijst.”
Graaf Lodewijk las den brief, en nu was het tot hem, dat de schoone oogen van Emilia zich wendden. Maar ook op het gelaat van haar goeden neef vonden zij weinig troost; want hoe verder hij las, hoe meer zijn voorhoofd zich met rimpels betrok, en toen hij gedaan had, zeide hij met een zucht van goedwillig medelijden tot Emilia:
„Inderdaad, waarde Nicht! dat stuk behelst weinig, dat ter zake dient. Behalve eenige betuigingen van zijne liefde en genegenheid tot u en tot ons Huis, zie ik, dat hij op ’t stuk der wettigheid van zijns vaders huwelijk, zich alleen beroept op de algemeene bekendheid, zonder eenig bewijs of getuigenis daarvan te leveren.”
„En welke zoudt gij willen, dat hij voortbracht?” vroeg Emilia met drift: „is hij dan in staat, u de echte bescheiden te leveren, die wellicht in ’t een of ander klooster in Portugal bewaard worden, zoo Koning Filips die niet heeft doen vernietigen, of getuigen voort te brengen, die dood of verre van hier zijn? Is er, in zijne omstandigheden, eenig ander of sterker bewijs te leveren, dan de algemeene bekendheid, en de handelswijze zijns vaders, die hem en zijn broeder als echte kinderen erkend en voor al de wereld heeft doen voorkomen? En is het niet veeleer aan den zoodanige, die de wettigheid hunner geboorte tegenspreekt, om zijn zeggen met gronden te staven?”
„Waarlijk, schoone Nicht!” zeide Graaf Lodewijk, met een goedkeurenden glimlach: „gij spreekt als een rechtsgeleerde, en Mr.Paulus Buis noch Dr. Van den Nieuwburg zouden ’t hebben kunnen verbeteren.”
„Eén ding verbaast mij,” hernam Maurits, den brief nogmaals vluchtig doorziende: „de gansche wereld weet, volgens Don Emanuel, dat zijn vader wettig getrouwd was, en hij zelf weet niet eenmaal den naam zijner moeder te noemen. — Zij heeft toch waarschijnlijk een naam gehad.”
„Hij zal gewis, indien dit het eenige bezwaar is, wel in staat zijn, dien op te geven,” zeide Emilia, verlegen.
„Zuster!” zeide Maurits, „’t is jammer, dat gij niet, voor gij Den Haag verliet, in mijn kabinet zijt gegaan: daar hangen de geslachtslijsten, beide van onzen vader en van onzen moeder. Daar hadt gij beide kunnen bestudeeren, en kwartier voor kwartier nagaan, en dan zou het u gebleken zijn, dat niet een onzer voorvaderen, in welke linie ook, daar vermeld staat, van wien men de echtgenoote niet kent: allen vrouwen van adellijken, de meesten van vorstelijken huize. En nu wilt gij dat op die lijst een man gevonden worde, van wiens vader men niet anders kan vermelden, dan dat hij een verloopen paap was, en van wiens moeder men zal moeten schrijven: onbekend.”
„Zijn vader was een Koning, en is als zoodanig gekroond geworden,” hervatte Emilia met drift.
„Een basterd als zijn zoon,” zeide Maurits; „een opgeworpen pop, van wien men zich bediend heeft om een omwenteling te beproeven, doch dien men even spoedig weer heeft laten glijden, omdat hij noch de bekwaamheid, noch den moed bezat, om zijn vermeende rechten te handhaven. Denk niet, dat zijn zoon een enkelen aanhangeling in Portugal zou vinden, veelmin eenig vorst, die zich in zijn belang wapende. Armoede en ellende zoudt gij met hem lijden, indien ik dwaas genoeg ware, uw verliefde luimen toe te geven.”
„Ik ben des getroost,” zeide Emilia: „of wel,” vervolge zij, den toon der scherts pogende aan te slaan, „gij hadt vroeger voor mij behooren te zorgen, gelijk gij voor mijn zusters hebt gedaan. — Maar gij hebt voor mij, uw lijfelijke zuster, minder zorg gedragen, dan voor haar, die u slechts van halven bedde bestonden: en daarom moet ik wel voor mij zelve zorgen.”
„Heb ik mij met de huwelijken uwer zusters bemoeid?” vroeg Maurits wrevelig: „die heeft de Princesse-Douaričre altijd beschikt, en ik heb slechts, voor zooveel vereischt werd, mijn consent gegeven.”
„Welnu! hier wordt ook niets anders van u vereischt, dan uw consent,” hernam Emilia: „en zelfs dat, gelijk gij ’t zoo goed als ik weet, is in den grond onnoodig daar ik meerderjarig ben en vrij in mijne handelingen.”
„Dat is uw geluk,” zeide Maurits: „of liever uw ongeluk; want waart gij ’t niet, dan zoude ik reeds lang perk en toom gesteld hebben aan uw ergerlijke dwaasheden.”
„Waarom wordt gij nu scherp tegen elkander?” zeide Graaf Lodewijk: „die toon is niet diegeen, die tusschen broeder en zuster voegt. Spreek kalm en vriendelijk tegen haar, Vetter, en gij zult haar overtuigen, beter dan door verwijten, die tot niets leiden. En gij lieve Nicht! stel eens een oogenblik uw genegenheid voor dien jongen Prins — ik zal hem nu eens zoo noemen — uit uw geest, en beschouw, geheel onpartijdig, wat gij aan de eer en de waardigheid van uw Huis verschuldigd zijt.”
„Gij zegt het vriendelijker dan Maurits, goede Neef!” zeide Emilia, een droeven blik op hem slaande; „maar ’t komt in den grond op ’t zelfde neer: en in plaats van een voorspraak vind ik in u een tegenpartij.”
„Ik zou gaarne uw voorspraak zijn,” zeide Graaf Lodewijk, „indien die verbruide lambeel niet in des jonkmans wapen ware. Maar mag ik u ten dienste staan, wanneer ik zie, dat hetgeen gij zoekt uitloopt op uw eigen ongeluk en op verkleining van ons Huis?”
„Gijlieden spreekt altijd van ons Huis,” zeide Emilia verdrietig: „gij hebt geen van beiden ooit iemand recht liefgehad.”
„Dat heb ik gedaan, recht vromelijk en trouw,” zeide de Graaf: „uw waardige zuster, Maria Anna, mijn brave vrouw, die ik niet licht zal vergeten.”
Emilia haalde de schouders op, als wilde zij te kennen geven, hoe weinig een huwelijk van conveniëntie, gelijk Lodewijk met zijn nicht had aangegaan, in vergelijking kon gebracht worden met een huwelijk uit liefde, als waar zij naar streefde.
Maurits had, gedurende de afwending, die zijn neef gemaakt had, de juistheid erkend van ’t geen Emilia gezegd had: erkend, dat hij geen bepaald recht bezat, om haar in iets te dwingen of haar iets te beletten: en, schoon hem een oogenblik de gedachte was voor den geest gekomen om haar naar Dillenburg te zenden, hij wilde zijn macht niet misbruiken om de rol van dwingeland te spelen. Aan den anderen kant wilde hij niet goedkeuren, wat hij verkeerd vond, en zoo begreep hij, zich te moeten houden aan ’t geen hij vroeger gezegd had.
„Zuster!” zeide hij, op een toon, die minzamer klonk dan even te voren: ”ik blijf, dit herhaal ik, de zaak, waar gij uw geluk in ziet, als een dwaasheid beschouwen; doch, kan men mij overtuigen dat het ongelijk aan mijne zijde is, zoo zal ik steeds bereid zijn, zulks te erkennen. Ik wil dus gaarne nader overwegen wat gij mij gezegd hebt, — alleen op één punt blijf ik vaststaan! en dat is, dat Don Emanuel zijn moeder noeme; — laat hij naar Portugal schrijven of er iemand heenzenden: ik wil hem daartoe alle ruimte van tijd gunnen: — beloof mij alleen dit, dat gij de gansche zaak zult laten rusten tot deze veldtocht afgeloopen is, en ik in Den Haag terug ben gekomen.”
„Nog wachten tot het einde van den veldtocht!” riep Emilia: „heb ik dan nog niet lang genoeg gewacht?”
„O!” zeide Graaf Lodewijk, „bekommer u deswege niet: nu Breęvoort genomen is, zal de veldtocht niet lang meer duren.”
En nu,” vervolgde Maurits, oprijzende en zijn hand aan zijn zuster toestekende, „laat mij u ten avondmaal geleiden en tevens zien, hoe wij u een geschikt logies bezorgen in dit opgepropt verblijf. Tracht een blij gelaat aan te nemen, opdat onze huiselijke aangelegenheden aan mijn krijgsmakkers geen stof geven tot nodeloos gesnap; maar morgen moet gij den terugtocht weder aannemen: een legerkamp is geen verblijf voor een jonkvrouw van goeden huize.”
Met deze woorden, uitgesproken op een toon, die geen tegenspraak toeliet, voerde Maurits zijn zuster naar de eetzaal, en daar aan hare komst te Breęvoort een glimp gevende, dien de aanwezigen genoodzaakt waren voor goede munt aan te nemen, wist hij met dat volkomen meesterschap, welke hij doorgaans over gelaat en woorden kon uitoefenen, aan het gesprek een wending te geven van opgeruimdheid en scherts, die aan vreemden niets zou hebben doen vermoeden van de bestaande onenigheid. Ik zeg, aan vreemden, want de minnarij van Emilia was ten hove bekend genoeg, en voor mannen als Duivenvoorde, Brederode, Van den Tempel, Vere en andere voorname krijgshoofden, geen geheim.

Het was niet den volgenden dag, maar ten gevolge van toevallige omstandigheden, eerst den 14den October, dat Emilia zich weder op reis begaf. Nog had zij een- en andermaal een poging aangewend om haar broeder tot andere gedachten te brengen; doch Maurits was de man niet om op een eenmaal genomen besluit terug te komen: en evenmin had zij goede uitkomsten gezien van hare gesprekkken met Graaf Lodewijk, die haar wel beklaagde en vriendelijk troost zocht te geven, doch wel toonde, in den grond even weinig met de vrijage te zijn ingenomen als zijn neef.

Met dat al, daar het antwoord van Maurits ook nu nog niet geheel afwijzend was geweest, had Emilia geen aanleiding gevonden om — gelijk haar oogmerk was geweest — te verklaren, dat zij, ook in spijt van hem, het huwelijk met Don Emanuel zou voltrekken. Nauwelijks echter zat zij in den wagen, die haar terugvoerde, of zij gevoelde er berouw over, dat zij zich dienaangaande niet meer onbewimpeld had geuit; want zij zag wel in, dat er toch op de toestemming van Maurits niet te hopen viel: immers het kwam haar onzeker voor, of haar minnaar de voorwaarde zou kunnen vervullen, waarvan Maurits alle verdere overleggingen omtrent het huwelijk had afhankelijk gemaakt: en, bleef die voorwaarde onvervuld, dan viel er van haars broeders zijde niets meer te hopen. Hoe verder zij kwam, hoe meer zij de overtuiging verkreeg, dat zij op niemands bijstand of voorspraak moest rekenen, en hoe meer zij zich de noodzakelijkheid opdrong van zelve handelen, een kloek besluit te nemen, en, voor de terugkomst van Maurits in Den Haag, de zaak onherstelbaar te maken.
Deze slotsom van haar overdenkingen deelde zij aan Don Emanuel mede, die haar te Leiden tegemoet kwam en haar naar de hofstad vergezelde: en nu werd tusschen hen beiden overeengekomen, gevolg te geven aan dat overijld en noodlottig besluit, ’t welk haar op zooveel verdriet en lijden zou komen te staan.

Het was op den avond van den 9den November, dat er aan de deurwerd geklopt van een ouden Priester, die in een der meest afgelegen buurten van Den Haag bij stille lieden van ’t oude geloof binnenshuis woonde. De goede man, de deur ontsloten hebbende, zag een onbekende, dicht in een mantel gewikkeld, die hem meldde dat zijn komst onverwijld werd vereischt bij iemand, die dringend behoefte had aan zijn diensten. De Priester, wanende, dat er iemand op zijn strefbed lag, dien hij in ’t uiterst zou hebben bij te staan, haastte zich, zich van ’t noodige te voorzien, en, insgelijks een mantel omslaande, volgde hij zijn geleider door de donkere straten der hofstad. Wel poogde hij onderweg van dezen eenige inlichtingen te ontvangen aangaande den persoon, dien zij bezoeken gingen, zijn kwaal en toestand, doch de andere gaf hieromtrent geene of onvoldoende antwoorden en vergenoegde zich met den Priester te verzekeren, dat hij zich de moeite, die hij nam, niet beklagen zoude. Doch niet gering was de verbazing des geestelijken, toen hij bespeurde, dat de onbekende, met hem het binnenhof opgaande, aldaar aanklopte aan eene der deuren van des Prinsen verblijf, die terstond ontsloten werd.
„Vriend!” zeide hij, op den drempel blijvende staan: „is het ernst, en kan het zijn, dat men aan het hof van den Prins een Katholieken geestelijke noodig heeft?”
„Bekommer u des niet,” antwoordde zijn leidsman: „u zal niet het minste leed geschieden; maar integendeel uw tijdverlies ruim vergolden worden. Volg mij slechts.”
En, den weg wijzende, bracht hij den grijsaard door een flauw verlichte gang naar een achtertrap, die hij hem liet opstijgen, en van daar naar de deur van een binnenvertrek, waar hij aantikte. Ook hier scheen men op zijn komst voorbereid, althans de deur werd dadelijk geopend en de Priester nu in een vertrek gelaten, waarbinnen zich, behalve de bediende, die op de deur paste, een drietal hem geheel onbekende menschen bevond.
„’t Is wel!” zeide de leidsman des Priesters, na de aanwezigen even te hebben gegroet: „allen, die ontboden waren, zijn er, en ik ga er bericht van geven.”
„Maar de zieke?” vroeg de priester, hem bij den mantel vasthoudende.
„Toef slechts een oogenblik,” antwoordde de andere: „ik ga u aanmelden,” en meteen verwijderde hij zich, terwijl de bediende zich, op zijn last, buiten de deur begaf.
De Priester zag de omstanders aan, en dezen hem, en zoo bleven zij een wijl zwijgend voor elkander staan. Eindelijk vatte een hunner, die Hofmeester was van den Grave van Egmond, het woord op, en vroeg:
„Zoude een uwer mij ook kunnen zeggen, mijne Heeren! wat wij hier komen uitrichten?”
De drie anderen aarzelden een oogenblik om te antwoorden: en de Priester althans wachtte zich wel, te zeggen, met welk doel hij gekomen was, onbewust, of de aanwezigen mochten weten, welk ambt hij bekleedde. Een der overigen, een verminkt officier van de Iersche troepen, met een paar vervaarlijke knevels, gaf ten laatste in gebroken Neerduitsch te kennen, dat hij evenmin van de zaak iets begreep, als hij die de vraag gedaan had.
„Ik sat in de public house,” zeide hij, „daar came een serjent fan de laife gaarde in, een kennis fan mij: en seide tot mij: kom met, pij Kot! daer is good money te fordienen, pij Kot! en plenty fan eet en fan trink: en zoo pin ik come met: en he has bracht mij hier: en is weer vertrok — en zoo pin ik hier, pij Kot!”
„Ik geloof,” zeide de derde der genoodigden, die een kamerdienaar was van den Franschen Gezant, „dat wij ons hier in een der vertrekken bevinden, dat tot het gedeelte van het Hof behoort, ’t welk door de Prinsessen wordt bewoond.”
„Er is geene der Prinsessen meer hier, dan Prinses Emilia,” hernam de Hofmeester van den Grave van Egmond, — en ik kan toch niet denken, dat die onze diensten zou kunnen behoeven; — doch stilte,Messieurs! wij zullen weldra meer hooren: want daar gaat de tusschendeur open.”
En inderdaad, dezelfde geheimzinnige onbekende, die des Priesters leidsman geweest, en niemand anders was dan de kamerdienaar der Prinses, vertoonde zich nu aan een deur, die gemeenschap had met de binnenvertrekken, en welke hij geheel openzette: waarop onmiddelijk Emilia volgde, aan de hand van Don Emanuel. De jonge vorstin was geheel in ’t wit, doch zonder enig tooisel of opschik buiten een sluier van fijne Mechelsche kant, die haar hoofd bedekte en langs beide schouders afhing. Zodra zij binnen was gekomen, werd de deur weder achter haar gesloten.
Zij zag een oogenblik rond, om zich te verzekeren, dat geene andere dan de lieden, die zij ontboden had, tegenwoordig waren, en, zich toen tot haar kamerdienaar wendende:
„Folpert!” zeide zij: „is die oude man daar de Priester, dien ik u gelast heb te doen komen?”
De kamedienaar boog toestemmend, en nu vervolgde Emilia tot den Priester, die van angst en verlegenheid niet wist, hoe hij zich houden zou:
„Kom nader, vrome Heer! Gij zijt hier geroepen om een echtverbintenis in te zegenen tusschen den Prins van Portugal, hier tegenwoordig, en mij.”
„Verschoon mij, uwe Vorstelijke Genade!” zeide hij: „ik durf zoo iets niet te verrichten. Uwe Genade weet het misschien niet; maar er zijn plakkaten van de Heeren Staten, die het inzegenen zonder behoorlijke formaliteiten van dergelijke huwelijken tusschen Katholieken en Protestanten, aan den geestelijke, die er zijn dienst toe verleend heeft, met lijfstraf doen boeten.”
„Ik neem u in mijn hoede,” zeide de Prinses, „en zal u voor al de gevolgen vrijwaren.”
„Bedenk toch, Uwe Genade!” vervolgde de bevende grijsaard, „zijne Ecellentie is een fel heer, en zal het mij wijten.”
„Ik zal het gansche gewicht van zijn toorn op mij nemen,” antwoordde Emilia, „en u verschoonen, ingeval — wat ik nimmer geloof — zijn gramschap op u afdaalde.”
„Maar ik heb mijn gewaad niet,” hernam de Priester: „noch hetgeen noodwendig vereischt wordt om een plechtigheid als deze te vieren.”
„Ik neem geen verontschuldigingen aan,” zeide Emilia, op een vasten toon: „het moet nu geschieden of nooit: en op het verzuim van een enkelen vorm meer zal het wel niet aankomen.”
De oude man zag zich alzoo, ondanks zijn tegenstribbelen, wel genoodzaakt, aan den zoo stellig uitgedrukten wensch der Vorstin te voldoen, en de plechtigheid werd in tegenwoordigheid van haar kamerdienaar en de drie ontboden personen, als getuigen, schoon dan ook met verwaarloozing der meest gebruikelijke vormen, naar het rituaal der Roomsche Kerk voltrokken: terwijl de gewone beloften den Prins in ’t Latijn en der Prinses in ’t Neerduitsch werden voorgelezen en op dezelfde wijze door hen afgelegd. Toen verwijderden zich de getuigen, gelijk zij gekomen waren, nadat Folpert aan elk hunner, namens de Prinses, een ruim drinkgeld had ter hand gesteld. De geestelijke ontving insgelijks een goede belooning en een fraaien ring bovendien tot een gedachtenis, waarna hij het hof verliet op een even bedekte wijze als hij gekomen was. Hij achtte zich echter na het gebeurde niet langer veilig in Den Haag en begaf zich naar Amsterdam, waar hij zich schuilhield bij een zijner geloofsgenooten, tot de bui, die hij duchtte, was overgewaaid.

Aan de getuigen bij deze overijlde trouwplechtigheid was geen stilzwijgen opgelegd, en het was ook geenszins het doel der gelieven, de zaak geheim te houden. Integendeel zonden zij onmiddellijk een brief aan de Staten-generaal, waarbij zij hun kennis gaven van hetgeen had plaats gehad, met bijvoeging, dat, zoo de dienst van een Katholieken Priester was ingeroepen geworden, zulks geschied was, eensdeels, omdat de huwelijken, die anders dan door een Priester gesloten zijn, door de Roomsch-Katholieken voor onwettig worden gehouden en ten andere, om aan de kinderen, die zij krijgen mochten, hun aanspraak op de kroon van Portugal niet te doen verliezen.
Men kan beseffen, welke verbazing en verontwaardiging deze mededeling bij de leden der Staten-Generaal veroorzaakte. De afwezigheid van Prins Maurits bracht niet weinig toe om de verlegenheid te vermeerderen, waarin zij door deze rassche daad der Prinses waren gebracht. Intusschen zij begrepen, dat er iets diende verricht te worden en zoo committeerden zij drie hunner, namelijk Dr.Engelbert Van der Burch, Burgemeester van Arnhem, Arend Duyck De Joode, en Jan Rengers Ten Helm, om, met den Griffier, een nader onderzoek in te stellen.

De Gecommitterden, zich naar het hof des Prinsen begeven hebbende, lieten aldaar Don Emanuel op een kamer van zijn Excellentie voor zich verschijnen, en begonnen hem af te vragen, hoe hij zich had durven verstouten, een dergelijk huwelijk aan te gaan, zonder alvorens de toestemming te hebben bekomen, ’t zij van zijne Excellentie, ’t zij van de Heeren Staten-Generaal. Don Emanuel bracht hierop te zijner verschooning in, vooreerst den uitdrukkelijken wil van Prinses Emilia, die ’t aldus begeerd had, en ten andere, zijne onbekendheid met de wetten des lands, waaraan het alleen te wijten, dat hij, zonder het te willen of te bedoelen, wellicht en eenig punt misdaan had.
„Wij willen eens aannemen,” zeide toen Van der Burch, „al klinkt het ons vrij onwaarschijnlijk in ’t oor, dat gij niet nagedacht hebt over de verplichtingen, die op de Prinses en ook op u rusten, zoo jegens zijne Excellentie als jegens ons; maar gewis hebt gij nagedacht over de toekomst. — Gij wist, dat een echt als deze, naar allen schijn, zoo aan de Prinses als aan u, al de voordeelen ontnemen moest, die tot heden door u beiden zoo vanwege zijn Excellentie als van onzentwege genoten werden. En op welke wijze meent gij dan, gij, die zonder land of goed zijt, een vorstellijke echtgenoote naar haren rang en staat te onderhouden?”
Deze vraag maakte Don Emanuel niet weinig verlegen. Wel had hij de Prinses lief, maar toch minder welkom was hem het denkbeeld, ’t welk nu zoo levendig bij hem werd opgewekt, dat hij wellicht met haar armoede zou moeten lijden: en daarvoor althans had hij haar niet getrouwd. de zaak lag er echter toe, en hij moest in de gegevn omstandigheden althans een goed figuur zien te maken. Na eenige aarzeling antwoordde hij alzoo, op een toon, die niet zonder waardigheid was:
„Mijne Heeren! ik heb den Prinses getrouwd, niet uit hoop van eenig voordeel, maar ten gevolge der oprechte genegenheid, die ik voor haar gevoel, en zoo ik haar geen staat kan doen houden overeenkomstig hare en mijne geboorte, ik hoop, dat mijne oprechte liefde haar dit vergoeden zal. De middelen, die ik bezit, hoe gering ook, zullen toereikend zijn, om haar althans voor nooddruft te behoeden.”
„Het is een slecht bewijs van liefde, dat gij haar gegeven hebt,” zeide Van der Burch, „dat gij hebt medegewerkt om haar een stap te laten doen, waardoor zij alle schitterende vooruitzichten voor zich gesloten ziet en ternauwernood voor gebrek wordt gevrijwaard.”
„Indien geen andere toevlucht mij overblijft,” hernam Don Emanuel, „dan is er nog een middel, waardoor ik mij en de mijnen een onbezorgde toekomst verzekeren kan. Ik heb slechts den Koning van Spanje aan te zeggen, dat ik afzie van mijn aanspraak op de kroon van Portugal, en ik houd mij overtuigd, dat hij mij gaarne, ter erkenning daarvan, een jaarwedde geven zal, ruim genoeg om mijn verdere levensdagen in ruimte en genot te slijten.”
De gloed der verontwaardiging steeg den Staatsleden op ’t gelaat, toen zij deze taal vernamen. — „Hoe, mijn Heer!” riep Van der Burch: „gij wilt dat een Prinses van Nassau, een dochter van Prins Willem, aan Koning Filips haar onderhoud zal hebben te danken? Zijt gij dan zulk een vreemdeling in de geschiedenis van dit Land en van dit Huis, waar gij u aan vermaagschapt hebt, om niet te weten, dat diezelfde Filips den vader uwer vrouw heeft doen vermoorden? En, dit wetende, zijt gij dan zoodanig van eergevoel ontbloot, dat gij haar de gunsten van den dwingeland met de moordenaars haars vader wilt doen deelen?”
„Mijne Heeren!” zeide Don Emanuel, zich op de lippen bijtende: „zodra gij mij in mijn eer beleedigt, heb ik niets meer te zeggen. Ik heb u geantwoord als aan de Overheid van deze Landen, en u de opheldering gegeven, die gij vraagdet; maar ik ken u noch iemand het recht toe om mij te hoonen, of over mijne handelingen oordeel te vellen. Gij hebt de macht in handen; ik heb niets dan de rechten, die mij mijn huwelijk geeft, en deze zal ik laten gelden.”
Onder ’t uitspreken dezer laatste woorden boog hij zich, wendde zich snel om en verliet het vertrek.
„Pas op!” zeide Rengers: „hij gaat weer naar de Prinses toe.”
„Daar is voor gezorgd,” antwoordde Van der Burch: „ik heb wachten voor haar vertrek gezet, met last om hem den toegang te weigeren. Ik zie wel, dat met dezen kwant niets aan te vangen is: wij zullen ons nu naar de Prinses dienen te begeven, ofschoon ik van haar nog minder volgzaamheid wacht. Een netelige zaak, mijne Heeren!”
En werkelijk gingen zij naar Emilia; maar Don Emanuel was hen reeds voorgekomen. Rengers had juist geraden. Er bevonden zich wel een paar hellebaardiers voor de deur, die tot de vertrekken der Prinses geleidde, maar die deur, welke van buiten niet gesloten kon worden, stond open, en Emilia zelve in ’t woonvertrek, met angstig ongeduld verbeidende, wat de uitslag zou wezen van het gesprek haars geliefden met de Gecommitteerden, wier komst ten hove haar gemeld was geweest. Toen Don Emanuel nu aan de deur verscheen, kruisten de wachters wel hun hellebaarden, doch, eer zij er op verdacht waren, was de rappe jongeling, met een vluggen sprong, er overheen en in de armen zijner beminde gevlogen; terwijl de deur onmiddellijk voor de neuzen der overblufte hellebaardiers werd dichtgeslagen. Met een vrij benauwd gelaat verontschuldigden zij zich bij de Gecommitteerden, die een oogenblik later verschenen, en, aankloppende, toegang bij de Prinses verlangden. Zij vonden haar, nog op dezelfde plaats staande en met Don Emanuel aan haar hart geklemd.
„Gij kunt doen wat u goeddunkt, mijne Heeren!” riep zij hun toe, terwijl zij binnentraden: „maar hier is mijn getrouwde en echte man, wien ik om lief noch leed verlaten zal. Geen menschen zullen scheiden wat God vereenigd heeft.”
De Gecommitteerden zagen elkander aan, haalden de schouders op, en wendden toen beurtelings pogingen aan om der Prinses het verkeerde van haar handelwijze onder ’t oog te brengen, maar alles vergeefs; want tegen één woord, dat zij zeiden, had Emilia er dadelijk honderd gereed, en met die welbespraaktheid, welke iedere vrouw , en vooral een verliefde vrouw bezit, en voor welke alle mannenwelsprekendheid de vlag moet strijken, bracht zij hen telkens tot zwijgen, terwijl zij al dien tijd haar echtgenoot omarmd bleef houden, als vreesde zij, dat men haar dien zoude ontrukken. En die vrees was ook niet ongegrond.
„Mevrouw!” zeide eindelijk Van der Burch, ziende, dat alle verdere redekaveling onnut was: „de zaak ligt er toe, en wij kunnen niet ongedaan maken wat gedaan is; wij hebben dus slechts een verzoek aan Uwe Genade.”
„En dat is?” vroeg Emilia, eenigszins tot bedaren gebracht door den milden toon, waarop de Afgevaardigde sprak.
„Wij wenschen,” hernam deze, „de verdere beslissing in dezen aan zijn Excellentie over te laten: zijn Excellentie wordt dagelijks hier terugverwacht, en nu geve ik Uwer Genade in bedenking, of het niet beter is, ter vermijding van alle opspraak en gesnap, dat de Prins van Portugal tot zoolang zich onthoude van hier ten hove te verschijnen.”
„Hij is mijn gemaal,” zeide Emilia, „en ...”
„Met verlof van Uwe Genade,” viel haar Van der Burch in de rede: „omtrent dat punt moet ik nog eenige opheldering vragen.”
En te gelijk, Don Emanuel ter zijde nemende, fluisterde hij hem eenige woorden in ’t oor.— Wat hij hem vroeg, staat bij Bor te lezen. Doch wij zijn niet meer in de dagen van Bor, toen men maar zoo alles onbeschroomd en onbewimpeld nederschreef, en juist omdat Van der Burch de vraag fluisterend deed, willen wij niet zoo onbescheiden wezen, van ’s mans woorden in openbare geschrifte te herhalen. Genoeg zij het, dat Don Emanuel geen ander antwoord gaf, dan door het hoofd te schudden: welke ontkentenis aan Van der Burch echter in weerspraak scheen te zijn met den glimlach, die om ’s jonkmans mond speelde: althans de Gecommiteerde keek bedenkelijk en voegde toen, halfluid hem toe: „wij zullen dan zorg dragen, dat er vooreerst geene gelegenheid toe zij.”
Hij was voor ’t minst geslaagd, de gelieven van elkander verwijderd te hebben, en nu, zijn hand op den arm van Don Emanuel leggende, zeide hij, op vasten toon, tegen de Prinses:
„Mevrouw! de Prins van Portugal gaat met ons; de heeren Staten zullen te beslissem hebben, waar hij vooreerst zijn verblijf zal houden. Uwe genade zal te verstandig zijn om zich te verzetten tegen een maatregel, dien de welvoegelijkheid gebiedt; en ongaarne zouden wij geweld doen bezigen, waar wij op uwe inschikkelijkheid rekenen.”

Emilia verbleekte bij het hooren dezer woorden: maar zij bood geen wederstand meer. Zij kende de macht der Staten; zij besefte, dat hetgeen hun Afgevaardigde zeide, in zijnen mond geen ijdele bedreiging was; de overspanning, die haar tot nog toe woorden en krachten had doen vinden, hield op: zij voelde zich de knieën onder ’t lijf knikken en zij tastte met de hand naar een stoel, waarop zij weenende nedergleed, terwijl Van der Burch haastig Don Emanuel in ’t oor blies:
„Kom mijn Heer! toon een man te zijn: bespaar ons het aanhooren van vruchteloos gejammer, en aan de Prinses een afscheid, dat alleen kan strekken om, zonder eenig nut, haar aandoeningen op te wekken”
De Griffier was inmiddels eene der vrouwen van de Prinses gaan roepen en terwijl deze, haastig toegeschoten zijnde, aan haar meesteres de vereischte hulp toebracht, verwijderden zich de Gecommiteerden met Don Emanuel. Zonder verzuim werden nu gepaste middelen in ’t werk gesteld, om dezen te beletten, verder ten hove te verschijnen. Hierbij bleef het niet; de Staten, beducht dat Maurits, bij zijn terugkomst, in de eerste opwelling van drift, zijn toorn op een gevoelige wijze aan Don Eamnuel zou doen ondervinden, lieten dezen aanzeggen, dat hij in zijn eigen belang, den Haag verlaten moest en zich begeven binnen Dordrecht, den Briel of Schiedam, naar zijn keuze. Don Emanuel, den schijn niet willende aannemen, alsof hij vrijwillig de stad verliet, gaf ten antwoord, dat de Staten zelven de plaats slechts hadden te noemen, waar zij verkozen, dat hij zich heen zou begeven. Zij wezen hem hierop Schiedam tot verblijf aan, stelden zich borg voor de schulden, die hij in Den Haag gemaakt had, en stonden hem f 150 ’s weeks toe ter zijner vertering.

Den 19den November kwam Prins Maurits, die inmiddels Ootmarsum, Enschede, Oldenzaal, en Lingen veroverd had, in Den Haag terug. Reeds was hem het gerucht ter oore gekomen van den stap, door zijn zuster gedaan; en, zonder deze te willen zien, deed hij haar dadelijk na zijn komst aanzeggen, dat zij onverwijld Den Haag had te ruimen, en zich naar het Hof te Delft begeven; ’t welk zij wel aannam te doen; doch uithoofde van ongesteldheid eerst twee dagen later volvoerde. De Prins was intusschen verbleven in ’t Hof der Prinsesse-weduwe in ’t Noordeinde, en had geweigerd zijn verblijf te betrekken of er zelfs te komen, zoolang zijn zuster daar vertoefde.

In Delft werd Emilia naar haren staat ontvangen en van al het noodige verzorgd. Zij bleef echter krank en deed in haar ziekte niet dan kermen en jammeren en haar begeerte toonen om haar zwager, den Grave Van Hohenlo, te spreken, die, naar zij beweerde, haar wel zou voorstaan bij den Prins en bij de Staten. Hieruit leidden sommigen af, dat zij op diens raad, of althans met diens voorweten gehandeld had; waaraan echter niets was, gelijk gemelde Graaf later ook plechtig betuigde. Intusschen werd zij al zwakker en zwakker: en geen wonder! want, sedert de prins Van Portugal uit den Haag vertrokken was, had zij geweigerd, het noodige voedsel te gebruiken. Men had in den beginne deze weigering niet anders beschouwd dan als een gril, die ras zou voorbijgaan en voor het gevoel van behoefte wijken. Doch ook toen zij te Delft was, bleef zij volstandig bij haar besluit, en geen vermaningen noch smeekingen van dienaars of geneesheeren waren in staat haar te overreden, eenige spijs tot zich te nemen.
De vrees, dat de verliefde Prinses zich werkelijk zou laten doodhongeren, begon in ’t einde zoo haar broeder als de leden der Staten-Generaal te bekruipen: en ongaarne wilde een hunner den blaam op zich geladen zien van medegewerkt te hebben tot den dood eener telg uit het Vorstenhuis. In deze verlegenheid besloten zij hunne toevlucht te nemen tot Johannes Van Heurn of Heurnius, Professor in de medicijnen aan de Universiteit te Leiden, die niet slechts als een deskundig geneesheer bekend stond, maar ook als een man van uitstekende schranderheid in ’t aanvaarden van gepaste geneesmiddelen naar den aard der ziekte en ’t karakter des lijders. Hij werd verzocht zich naar de Prinses te begeven en zijn beste pogingen aan te wenden om haar tot verstandiger inzichten te brengen.
Naar Delft gereisd en bij Emilia toegelaten, ontvouwde de geleerde zijn last, en begon haar, op zachten, deelnemende toon, het misdadige van hare handelwijs voor oogen te stellen, en het leed, dat haar noodlottig besluit, om geen spijs te nemen, bij hare vrienden en hoogschatters, ja bij de geheele Natie had opgewekt. Doch, hoezeer zij met aandachtige beleefdheid naar ’s mans woorden luisterde, zij had reeds meermalen dergelijke vertoogen gehoord om er niet tegen gewapend te zijn en zij volhardde bij haar verklaring, dat, sedert de dwang van haar broeder en van de Staten haar alle uitzicht op geluk ontnam, zij den dood verkoos boven een leven buiten het voorwerp van haar liefde.
Heurnius liet zich echter zoo licht niet uit het veld slaan: „Mevrouw!” zeide hij, het hoofd schuddende met een minzamen lach, die niet geheel vrij was van schalksheid; „Uwe Genade is te verstandig om niet te begrijpen, dat zij zich zelve nu meer kwaad doet, dan zijn Excellentie of de Heeren Staten haar ooit berokkend hebben. Zij mogen u thans van uw lief gescheiden hebben; maar zoolang er leven is, is er nog hoop op vereeniging; en wanneer Uwe genade zich zelve moedwillig den dood bezorgt, dan is die hoop uit. — Doch dat wil ik aan de verdere overdenkingen van Uwe Genade overlaten. Ik wil nu eens van mij zelven spreken, en Uwe genade onder ’t oog brengen, hoe zij, door eenige spijs en drank te nuttigen, mij, haren dienaar, grootte eer en voordeel zoude toebrengen.”
„U, Heer Dokter!” vroeg Emilia, verwonderd opziende: „hoe zoude daaruit voordeel of eer voor u kunnen ontstaan?”
„Ziedaar wat ik Uwe Genade zal ophelderen,” antwoordde Heurnius, innerlijk tevreden, dat hij hare nieuwsgierigheid had opgewekt: „er bestaat een algemeen dwaalbegrip bij de menschen, dat de verliefdheid een krankheid, ja een soort van razernij is, die noch door goeden raad, noch door medicijnen, noch door leefregelen, in ’t kort, op geenerlei wijze, te genezen of te verhelpen is. Zoo Uwe Genade nu mijnen raad wilde volgen, en, door het aanwenden van gepaste middelen, haar vorige gezondheid, vroolijkheid en sterkte terugbekwam, zoo zouden de lieden erkennen, hoe valsch en verkeerd het genoemde begrip ware, en ik voor mij zoude eene groote vermaardheid bekomen, en goede winsten maken: immers allen, die met liefde bevangen waren, zouden tot mij komen en van mij geholpen willen worden: — en al die naar mijnen raad luisterde zou ik ook genezen.”
In spijt van haar ziekte, zwakheid en verdriet, kon de Prinses niet nalaten te lachen over deze redenering des hoogleeraars.
„Heer dokter!” zeide zij toen: „ik geloof, dat gij de waarheid spreekt: maar mijn ziekte kan niemand genezen dan de Prins Van Portugal, mijn getrouwde man, dien men mij tegen recht, reden en met de grootste tirannie van de wereld onthoudt. Ik ben een vrije dochter, tot mijn jaren gekomen en aan niemand onderworpen, en heb een keuze gedaan, waardoor ik de waardigheid van mijn Huis niet te kort doe. Is Don Emanuel een heer zonder geld, ik ben daarmede tevreden, en zal mij in een bekrompen staat voegen, totdat God het anders schikt: zoo niet, ik zal geduld gebruiken.”
„En om geduld te gebruiken, een versterkende potage nemen, met tweebak, in goeden Spaanschen wijn gedoopt,” zeide Heurnius.
„Ten uwen gevalle zal ik zuks doen, Heer Dokter!” zeide Emilia: ”ik zal nemen, wat gij mij voorschrijft en de komst van zijn Excellentie afwachten, om te zien, of hij jegens mij een broeder of een tiran zal willen zijn.”

Hiermede had nu wel de hoogleraar zijn oogmerk bereikt en kon hij goede rapporten terugbrengen aan de Staten-Generaal; doch hij mocht hun tevens niet verbergen, dat, wat de zaak van het huwelijk betrof, de Prinses steeds even vast op haar stuk bleef staan. De leden der Staten raadpleegden nu den Prins; doch deze, niet ten onrechte gebelgd, verklaarde, nimmer te zullen gedoogen, dat een zuster van hem zich en den Nederlanden vertoonde als gade van een Portugeeschen basterd. Het gevolg dier verklaring was, dat de reeds vroeger genoemde leden der Staten opnieuw met den Griffier gecommitteerd werden, en wel om naar Schiedam te gaan, en den Prins Van Portugal aan te zeggen, dat hij, zowel als zijn broeder Don Christoval, de Nederlanden had te ruimen.
Nu trof het, dat, toen de Gecommitteerden te Schiedam het rijtuig uitstegen, Don Christoval, die zijn broeder gezelschap was komen houden, zich juist aan de herberg bevond, waar zij afstapten; en, vermoedende dat hun komst Don Emanuel gold, haastte hij zich om zich ongemerkt weg te spoeden en hem van hun komst te verwittigen.
„Dr. Van der Burch en zijn medegecommitteerden!” riep Don Emanuel, geheel verslagen: „en ik weet niet, wat zij mij te zeggen hebben, noch heb tijd de prinses te raadplegen. — Luister eens, Christoval! gij moet mij helpen. — Eerst zullen wij vernemen, wat zij willen, en inmiddels tijd zien te winnen. Maar roep mijn kamerdienaar hier, en zorg, dat niemand der huisgenooten met de Gecommitteerden spreke. Ik ben krank, verstaat gij?”
Inderdaad, toen kort daarna Dr. Van der Burch en zijn ambtgenooten zich aan het verblijf des Prinsen vertoonden, ontving hen Don Christoval aan de deur, die hun met een bedrukt gelaat verhaalde, hoe zijn broeder reeds sedert verscheidene dagen bedlegerig en in zorgvollen toestand was.
De Gecommitteerden, die zich desniettemin van hun last wilden kwijten, volgden den jongeling naar het slaapvertrek van Don Emanuel, waar deze op zijn bed lag uitgestrekt, met zijn kamerdienaar daarnaast bezig om een verwarmende drank te bereiden. De blinden waren dicht, en daar het buitendien December was, en een betrokken lucht, was er van de gelaatstrekken des gewaanden zieken nauwelijks iets te onderscheiden.
„Het smart ons, u zoo ongesteld aan te treffen,” zeide Van der Burch, terwijl hij zich aan het voeteneinde van het ledikant nederzette: „wij hadden geen bericht van uw ziekte ontvangen: anders ware het bevel der Heeren Staten, dat wij belast zijn u mede te deelen, gewis zoo stellig niet geweest.”
„En wat is dat bevel?” vroeg Don Emanuel, met een zwakke stem, en het hoofd naar den muur gewend.
„Hun wil is,” antwoordde Van der Burch, „dat gij onmiddellijk deze stad niet alleen, maar zelfs het grondgebied der vereenigde Gewesten zult ruimen; — gij en uw broeder.”
„Helaas!” hernam Don Emanuel: „gij zult niet lang meer last van mij hebben. — Ja, ik zal weldra deze Gewesten verlaten, maar voor hoogere en betere, waar ik met mijn welbeminde vrouw zal vereenigd zijn.”
„Wat bedoelt gij?” vroeg Van der Burch, verbaasd.
„Vruchteloos zoekt gij het voor mij te verbergen,” hervatte Don Emanuel: „mijn lieve Emilia is niet meer, zij is gevallen als het slachtoffer van uw en haars broeders dwingelandij. — Maar ik zal haar volgen en deze herberg niet verlaten dan om naar mijn graf te gaan.”
„Wie heeft u verhaald, dat de Prinses zou overleden zijn?” vroeg Van der Burch: „wij kunnen u integendeel verzekeren, dat zij beter en op den weg tot volkomen herstel is.”
„Praatjes, waarmede gij mij opbeuren en troosten wilt,” hernam Don Emanuel: „ik ben te zeker onderricht, dat zij van honger is omgekomen, en ik wil haar voorbeeld volgen.”
De Gecommitteerden zagen elkander verbaasd aan; doch vruchteloos was het, dat zij tijd en woorden verspilden om den zieke van zijn opvatting terug te doen komen: hij bleef volharden, dat zijn berichten echt waren, en dat niets hem zou weerhouden van gevolg te geven aan zijn besluit. Eindelijk namen zij hun afscheid, met toezegging van den volgenden dag terug te zullen komen: terwijl zij, het vertrek verlaten hebbende, aan Don Christoval, die hun uitgeleide deed, lieten beloven, toch alle mogelijke moeite aan te wenden om zijn broeder van zijn dwaling te overtuigen en tot betere gedachten te brengen.
Zoodra zij het huis verlaten hadden, haastte zich Don Christoval naar boven, waar hij zijn broeder reeds half uit het bed vond, bezig zich weder aan te kleeden.
„Zij zijn beetgenomen,” riep deze hem toe, zoodra hij hem zag, — „en weten niet hoe zij zich houden zullen. — Waarlijk, die waanwijze getabberde heeren te kwellen en in onrust te brengen, is nog het eenige genoegen, dat mij overblijft. Maar nu moet gij mij een dienst doen, Christoval! stijg ijlings te paard, rijd naar Delft, en zie, dat gij Emilia te spreken krijgt. Deel haar het bevel der Staten mede en hoor, wat zij mij aanraadt. Wij moeten in dezen niets zonder haar medeweten en goedkeuring doen.”
De jongeling haastte zich om aan het verzoek zijns broeders te voldoen, en, Schiedam tegen het vallen der duisternis verlaten hebbende, was hij dienzelfden avond weder terug. Hij had de Prinses gesproken en Don Emanuel wist nu waar zich aan te houden. Toen den volgenden morgen de Gedeputeerden hun bezoek hernieuwden, vonden zij hem in zijn bed opzittende, en schijnbaar beter.
„Ik bid u om verschoning, mijne Heeren!” voegde hij hun toe, zoodra zij gezeten waren, „wegens mijne woorden van gisteren. Ik heb, bij nader inzien, begrepen, dat achtbare mannen, als gij zijt, der waarheid niet te kort zullen doen. Ik wil alzoo gelooven wat gij mij zegt aangaande de herstelling der Prinses, en gewis zullen de blijde berichten, die gij mij gaaft, niet weinig toebrengen, om mij insgelijks spoedig mijn vorige gezondheid te doen herkrijgen.”
„Het verheugt ons zeer, u zoo verstandig en welgemoed te zien,” zeide Van der Burch.
„Ik heb,” vervolgde Don Emanuel, „hier te veel gastvrijheid en weldaden ontvangen, om niet al mijn leven een dienaar van de Heeren Staten te blijven en zal dus getrouw de bevelen nakomen, die zij mij verkiezen te geven. Zij het mij vergund, te vragen, waarheen ik mij zal hebben te begeven?”
„Het was de wensch der Staten, dat gij naar Wezel trokt,” antwoordde Van der Burch.
„Zoo zij het dan,” zeide Don Emanuel, „ik zal gehoorzamen; doch dit eene verzoek alleen mag ik niet terughouden, dat namelijk Mevrouw Emilia, die ik voor God en de wereld getrouwd heb, mij derwaarts volge; waarbij ik tevens waag, de hoop te uiten, dat de Staten eerlang den stap, dien ik gedaan heb, met meer toegeeflijke oogen gelieven te beschouwen.”
„Wat deze laatste twee punten betreft,” zeide Van der Burch, „daarover zijn wij niet gemachtigd, eenige beslissing te nemen. — wanneer zoude het u schikken, de reis te aanvaarden?”
„Wel!” antwoordde Don Emanuel, „indien er goede scheepsgelegenheid is, dan zoo spoedig zulks maar verlangd wordt; alleen weet ik niet, of mijn schuldeischers er zich niet tegen zullen verzetten.”
„Zijn die zeer talrijk?” vroeg Van der Burch.
„Dat hangt af van de beteekenis, die aan ’t woord gehecht wordt,” antwoordde Don Emanuel: „zij zijn, op het bloote gerucht van wat er gaande was, reeds komen opdagen, en mijn broeder heeft hen in de benedenkamer bij elkander verzameld, waar zij mijn gezondheid drinken met Lonsbier.”
„Wij zullen zien, hen te voldoen,” zeide Van der Burch, na zijn ambtgenooten te hebben aangezien: „mijn heer de Griffier! zoudt gij u willen belasten, met die lieden hun rekening af te vragen?”
„Die uilen!” dacht Don Emanuel bij zich zelven: „hadden zij dadelijk in mijn huwelijk toegestemd, dan zoude mijn vrouw mijn crediteuren betaald hebben: en nu moeten die uit ’s Lands penningen worden voldaan.”
De Griffier kwam weldra met de rekeningen terug: „het totale bedrag werd opgetrokken en de schuldeischers bekwamen last zich aan de herberg der Gecommitteerden te vervoegen, waar zij hun geld ontvangen zouden. Voorts werden aan Don Emanuel f 1200,- ter hand gesteld tot reisgeld en vertrok hij met zijn broeder een paar dagen later, op den 9den December, te schepe van Schiedam. Dan spoedig veranderde hij van gedachte en besloot liever te land zijn reis voort te zetten. Te Utrecht gekomen, vond hij ook daar een schuldeischer, die de vrijheid nam zijn koffers in beslag te nemen. Ook hierover wendde hij zich tot de Staten-Generaal, die, tot welken prijs ook, van zijn tegenwoordigheid in de Nederlanden ontslagen willende zijn, terstond zorg stelden, dat de schuld voldaan werd en de beide broeders hun reis onverhinderd vervolgen konden.
Den dag, dat zij Schiedam verlaten hadden, waren ook de Gecommitteerden naar Den Haag teruggekeerd. Zij hadden zich, op hun doortocht, te Delft bij Prinses Emilia vervoegd, en haar te kennen gegeven, hoe zij op last der Staten-Generaal, Don Emanuel en zijn broeder hadden doen vertrekken; terwijl zij haar nogmaals aanmaanden, tot betere gedachten terug te komen, haar hart van den vreemdeling af te trekken, en te volgen, wat haar broeder en de Staten zouden beschikken. Doch hun was door de Prinses geantwoord, dat zij niets anders van de Staten begeerde, dan het verlof om haar echtgenoot te volgen en bij hem te zijn, waarbij zij verklaard had, niet te kunnen gelooven, dat een van hen zoo tiranniek zou zijn, om haar gevangen te houden tegen de privileges van den Lande, en de vrijheid, die haar als meerderjarige dochter toekwam.
Toen Van der Burch en zijn ambtgenooten met dit bescheid in Den Haag waren teruggekeerd, begonnen zoowel Maurits als de leden der Staten in te zien, dat geen verdere tegenstand zou baten, wilde men geen groote opspraak en schandalen verwekken. Reeds den dag daarop verscheen Bruyninck bij de Prinses, haar uit naam van haar broeder aanzeggende, dat, vermits zij hardnekkig bleef volharden, en niet volgen wilde noch zijnen, noch harer vrienden raad, noch op de waardigheid letten van het Huis, waaruit zij gesproten was, maar zich verschansen achter haar meerderjarigheid en heimelijke trouwing, hij de hand van haar aftrok en haar niet meer als zijne zuster erkende, waarom hij van haar vorderde, dat zij hem zijn dienaars terugzond, en tevens de juweelen, die zij van hem had, voor zooverre daar zijn naam of cijfer op stond;daar hij niet begeerde, dat een Portugees die zou hebben of verteren. Ook bovendien werd haar een lijfrente opgezegd van f 2000, die zij uit den boedel haars vaders trok, boven de f 3000 ’s jaars, die haar bij diens uitersten wil gemaakt waren. — Maar finantieele beschouwingen hadden evenmin gewicht bij Emilia als vermaningen of bedreigingen; en gewillig afstaande wat van haar geëischt werd, vertrok zij reeds den 12den December uit Delft, scheepte zich den dag daarna te Rotterdam in en reisde naar Wezel, waar zij zich met haar echtgenoot verenigde.
Of op dit trouwen geen rouwen volgde, durven wij niet beslissen. Zeker is het, dat Emilia, ofschoon zij zich later nog eens met haar echtgenoot hier te lande vertoonde, en zich ook met haren broeder verzoende, meestal een zwervend leven leidde, en zich bekrompen moest behelpen, te meer, daar zij haar man verscheiden kinderen baarde. Het verschil van Godsdienst schijnt geen gelukkigen invloed op hun huiselijk geluk te hebben uitgeoefend: althans het gaf aanleiding, dat Emilia eidigde met zich van haar man te verwijderen en te Genčve neder te zetten, waar zij overleed. Don Emanuel, van zijn aanspraken op den troon van Portugal afstand gedaan hebbende ten behoeve des Konings van Spanje, ging over in dienst van dezen en trouwde een Spaansche vrouw, waardoor alle betrekking tusschen hem en de Nederlanden van zelve kwamen te vervallen.

En dit is de waarachtige geschiedenis der vrijage tusschen Emilia Van Nassau en Emanuel Van Portugal.


Ingezonden door Alidus Bakker op 17 maart 2001