EEN VERGADERING DER STATEN

VAN HOLLAND




Nooit is wellicht eenig land ter wereld uit een meer benauwden toestand op een meer wonderbare wijze gered geworden, dan het onze ten jare 1672. Zeker was de kampstrijd tegen Spanje bloediger en langduriger geweest: zeker waren er ook toen, vooral in de eerste jaren der worsteling, tijdstippen geweest, waarop men aan het behoud der verworven onafhankelijkheid meende te moeten wanhopen; maar toen ten minste bestond bij de ingezetenen de sterke prikkel van godsdienst en vrijheidszucht, die hen te strijd opwekte: er was kloekheid en beleid bij de Veldoversten: er was ijver en wakkerheid bij de regenten: en bij dat alles, er was een eminent Hoofd, een aanvoerder, een Willem van Oranje, op wien men vertrouwde en wiens leiding men volgde. — Maar in 1672 niets van dat alles. — Ook nu was de vijand in ’t hart van ’t land, met talrijker macht dan Spanje hier ooit had heengevoerd; met legerhoofden als Condé, Turenne, Luxemburg, mannen, die wel tegen Alva, d’Avila, of Verdugo konden opwegen: drie der Zeven gewesten waren reeds geheel, het vierde grootendeels veroverd: en wat vond men dezerzijds om den aanval te weerstaan? Burgers, het strijden sedert lang ontwend: een zwak en ongeoefend leger; bijna niet é&eacuten bekwaam bevelhebber: geene stad, geene vesting zelfs in staat van tegenweer: gebrek aan geld en krijgsbehoeften: wederom, ja, een Willem van Oranje aan ’t hoofd des legers geplaatst, maar, ten gevolge van de kleingeestige jaloezie der Staten, niet bekleed met het gezag, dat hem noodig was om in zijn betrekking van wezenlijke dienst te zijn: — en, wat nog het ergste was in deze omstandigheden, overal moedelossheid, wantrouwen, verraad: zoodat, naar de uitdrukking van een tijdgenoot, de Regeering radeloos, het Volk redeloos, het Land reddeloos was. — Alleen op zee kon men zeggen, dat de Staat nog voortleefde: daar had ’s Lands vloot onder de Ruyter met goed gevolg de verenigde macht van Frankrijk en Groot-Britannië weerstaan: maar het was te voorzien, dat, wanneer eens ook Holland voor de wapenen des Franschen overweldigers had moeten bukken, de vloot, van toevoer of voorraad ontbloot, allen verderen kamp zou moeten opgeven, en wellicht geen ander toevluchtsoord meer vinden, dan de reede der Afrikaansche of West-Indische bezittingen.

Door welk wonder werd onze Staat voor een schijnbaar onvermijdelijken ondergang bewaard? — Hoe gebeurde het, dat, als door een tooverslag, wakkerheid moedeloosheid verving, dat het vertrouwen terugkeerde, dat lafheid en verraad onschadelijk gemaakt werden? Wie waren, in de hand van den Opperbestuurder onzer lotgevallen, de werktuigen, door welke die ommekeer werd teweeggebracht? — De Geschiedenis antwoordt: Ons Vaderland had in deeerste plaats, en voornamelijk, zijn behoud te danken aan de kloekheid en het doorzicht der toenmalige Regenten van Amsterdam.

Merkwaardig vooral was die wakkere houding, omdat zij in schijn zoo geheel strijdig was met de politieke beginsels, welke de Regeering van Amsterdam vroeger had aangekleefd, en omdat zij voor hem, die, bij ’t lezen der Geschiedenis, alleen op de handelingen der personen, en niet op de geheime drijfveren let, iets zeer verrassends, iets bevreemdends heeft. Wel waardig daarom uit een dubbel oogpunt is het, die houding van Amsterdam nader gade te slaan en in het rechte licht te plaatsen. Doch toen ik mij daartoe opgewekt gevoelde, begreep ik, beter dan door een droog en koud vertoog, mijn doel te zullen bereiken, wanneer ik de personen zelven opvoerde, zoals ik onderstel, dat zij hebben kunnen spreken en handelen; alleen daar, waar de duidelijkheid het vorderde, het een en ander tot toelichting bijbrengende. Te dien einde kwam mij niets geschikter voor, dan om u, waarde lezer! binnen te leiden in de vergadering der Staten van Holland op het Binnenhof te ’s-Gravenhage, en u tegenwoordig te doen zijn bij de voornaamste debatten, welke aldaar hebben plaats gehad in het tijdvak van 25 Juni tot 8 Juli. Ik vlei mij, dat zij u niet te erg vervelen zullen: gij toch leest wel de debatten, die heden ten dage in de Kamer gehouden worden, over punten van vrijwat minder belang.

Alleen moet ik u waarschuwen tegen een teleurstelling. Gij hebt geene sierlijke redevoeringen te verwachten. De zittingen der Staten waren niet openbaar en de adviezen werden niet door den druk gemeen gemaakt. Geen der Leeden behoefde dus — gelijk thans misschien wel eens geschiedt — zijn welsprekendheid te luchten alleen ten gevalle van het publiek, en wijdluftigen betoogen te houden, welke anders wellicht in de pen waren gebleven. Bovendien vertegenwoordigen de Afgevaardigden van dien tijd niet, gelijk heden, het geheele volk van Nederland, en dus eigenlijk niemand: zij waren eenvoudig lasthebbers, in de Staten-Generaal van eene der Zeven Provincië, in de Provinciale Saten van eene der stemhebbende Steden. Zij brachten dus niet zozeer hun eigen gevoelen uit als dat hunner lastgevers, en wanneer men slechts een last overbrengt, legt men zich natuurlijk niet zoozeer op welsprekendheid en rhetorische figuren toe, als wanneer men zijn eigen denkbeelden ingang poogt te doen vinden.

Alvorens wij onze personages opvoeren, dienen wij het toneel te beschrijven, waarop de handeling voorvalt.

De vergaderzaal van H. E. G. M. is ruim 60 voet lang, 54½ breed: het gewelf is prachtig beschilderd: voortreffelijk tapijtwerk versiert de wanden: ten oosten en ten westen staan marmeren schoorstenen, met zwaar snij- en loofwerk en bovendien met schilderijen van Lievenz en Hanneman pronkende. Vijf groote ramen verschaffen het uitzicht op den Vijver en Vijverberg. In het midden van de zaal is een ruim vierkant parket, 29 voet lang en 28 breed, rondom met een sierlijke balustrade omgeven. Binnen dit parket nu houden de Edelen en de Afgevaardigden der achttien stemhebbende Steden hunne zittingen. In ’t midden staat een lange tafel, waaraan de stoelen voor de Ridderschap: aan het smalle einde dier tafel, tegenover den west-schoorsteen, is de stoel voor den Raadspensionaris: de plaats, door de Witt negentien jaar bekleed, doch waar men heden hem vruchteloos zal zoeken. Juist in deze netelige omstandigheden heeft een noodlottige gebeurtenis hem van het staatstoneel verwijderd en de Vergadering van zijne leiding en voorlichting beroofd. Vijf dagen te voren uit de Vergadering komende, is hij op de publieke straat door vier dolzinnigen aangevallen en gekwetst: en zijn wonden, ofschoon niet gevaarlijk, beletten hem vooralsnog zijne kamer te verlaten.

Aan de noordzijde van het parket loopt een tafel langs de balustrade, achter welke tafel de Afgevaardigden van Dordrecht, Haarlem, Delft, Leiden en Den Briel hunne zitplaatsen hebben; ten oosten, achter den stoel van den Raadspensionaris, staan drie tafels, trapsgewijze achter elkander oploopende: de benedenste is voor Amsterdam, de middelste voor Gouda en Rotterdam, de hoogste voor Gorkum, Schiedam en Schoonhoven bestemd. Voor de tafel der Amsterdamsche Afgevaardigden staan stoelen voor de Gecommitteerde Raden, wanneer dezen de zittingen verkiezen bij te wonen, in welke zij echter geen stem hebben. Ten zuiden zitten, langs de balustrade, de Afgevaardigden van Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Edam, Monnikendam, Medemblik en Purmerend. Van afstand tot afstand heeft elke tafel een uitspringend blad, aan ’t welk de Pensionaris van iedere Stad tegenover zijn medegecommitteerden zitting neemt. Aan weerszijden van den schoorsteen ten westen zijn de gestoelten der Secretarissen, doch buiten het parket: want het zou gekwetste majesteit zijn, hen, de bloote uitvoerders der bevelen van H. E. G. M., toe te laten binnen dat verblif der gewestelijke Souvereniteit.

Het is zaterdag, 25 Juni: — een zoele zomerachtige middag. Reeds een halfuur voor den aanvang der zitting zijn onderscheidene Afgevaardigden de zaal binnengetreden en vormen hier en daar groepen, waar zij zich over de aangelegenheden van den dag onderhouden. Op de gelaatstrekken der meesten is neerslachtigheid, op die van allen bezorgdheid te lezen. het is echter niet bij elk hunner de schrik voor Fransche overmacht, welk die bezorgdheid verwekt: met beschaming voor onze landgenoten erkennen wij het, er zijn, ook in die hooge Vergadering, eerlooze verraders, die in soldij van Frankrijk staan en, voor het hun toegetelde goud en de beloofde titels of waardigheden, hun geweten, de geheimen van den Staat en de onafhankelijkheid der Zeven Gewesten aan Lodewijk XIV verkocht hebben. Ook van de zoodanigen zullen wij er eenen sprekend moeten invoeren; maar wij zullen voor ’t minst zijn naam verbloemen en niet vermelden welke Stad hij vertegenwoordigt. Helaas! het zou te gemakkelijk zijn, uit bekende namen er eenen voor hem te vinden.

Talrijk ook is het getal van hen, die ’t zij uit laffe vrees, ’t zij omdat zij werkelijk geene andere uitkomst meer zien, slechts verlangen, dat er op de eene of andere wijze een einde aan ’s Lands droevigen toestand gemaakt worde, en dat men zich aan de voorwaarden, die de vijand zal opleggen, hoe bezwarend en vernederend ook, onderwerpen. — De minderheid, eindelijk, is van oordeel, dat tegenstand nog iets zal kunnen baten, en dat men nog niet aan ’s Lands behoud behoeft te wanhopen. Die minderheid, hoe gering, is nog in twee deelen gesplitst: het eene, uit twee of drie personen samengesteld, ijverige aanhangers van den Prins, en alzo, uit gehechtheid aan het Huis van Oranje, alle onderwerping aan Frankrijk, zoowel als aan de partij van De Witt, verafschuwende: — het andere uit de zoodanigen bestaande, die, ofschoon oorspronkelijk tegenstanders van het Stadhouderlijk Bestuur, echter beseffen, dat het tegenwoordige oogenblik zoowel wijziging der binnenlandsche staatkunde, als volharding in het bestrijden van den vijand vereischt.

Wij zullen de onderscheidene partijen beter leeren kennen, wanneer wij een dier groepen naderen en de gehouden gesprekken afluisteren.

Die man ginds, die door de heftigheid, welke in zijn bewegingen heerscht, de kleinheid van zijn postuur doet vergeten, is de Pensionaris Burgerdijk, van Leiden. een aantal leden is om hem heen gedrongen: en geen wonder: de maar is zooeven aangekomen, dat de Markies van Rochefort, voor wien Naarden de poorten reeds zonder tegenweer geopend had, den vorige dag ook Utrecht is binnengetrokken, ja, dat Woerden en Oudewater hun poorten voor hem hebben ontsloten.

„Drie steden van Holland in ’s vijands macht!” zegt, met een schijnbaar bedrukt gelaat, de Heer van Espenblad, een van hen, in wier ooren die tijding welkom klinkt: „Rochefort te Utrecht, en zijn leger weldra voor de wallen van Leiden! Wat zal ons overblijven dan onderwerping?”
„Ook Leiden!” herhaalt Boschveld, een der Gecommitteerde Raden, een warm voorstander der Stadhouderlijke Regeering: „hm! zoo spoedig niet. Z.H. is niet vergeefs in Bodegrave: en het omgelegen land kan onder water gezet worden. Er is niets, waar de Franschen zoo bang voor zijn, als voor verdrinken.”
„Dat hebben zij aan het Tolhuis niet bewezen,” antwoordt Van Espenblad: „ toen zij den Rijn zijn overgezwommen onder ’t kanon van Würtz.”
„Dat kanon heeft spoedig gezwegen,” hervat Boschveld: „daar had de verraderMontbas voor gezorgd, die de ammunitie had zoek gemaakt: en, wat het overzwemmen betreft, met een goeden wegwijzer was de zwarigheid niet groot.”
„Nu! wat wegwijzers betreft, die zullen ook hier niet ontbreken,” merkt de Amsterdamsche pensionaris Hop aan, met een zijdelingschen blik op Van Espenblad.
„Wat wil men doen zonder leger?” hervat deze: „en dan, als wij zelven al onze bezittingen opofferen, door ze te doen overstroomen, wat blijft er dan over, waar wij voor vechten zullen?”
„Van bezittingen gesproken,” klinkt plotseling een stem achter hem: „ik wensch u geluk, mijn Heer Van espenblad! ik hoor, dat uw lusthuis te Maarsen geheel vrij gebleven is van overlast en schade, ja zelfs van inkwartiering: en zulks op uitdrukkelijken last van den Hertog van Luxemburg.”
Hij, die aldus sprak, was een man van middelbaren leeftijd en van een indrukwekkend voorkomen. Zijn breed voorhoofd, de lange, aan de punt eenigszins voorovergebogen neus, de gunstige uitdrukking der levendige oogen, en de fijne glimlach, die om den mond zweefde, kondigden den scherpzinnigen Staatsman aan, gewoon aan hoven te verkeeren. En toch, datzelfde gelaat werd bijwijlen beneveld door een waas van zwaarmoedigheid, uit een bijzondere soort van dweepzucht gesproten, die men verre verwijderd zou oordeelen van een anders zo helder verstand. Die man, in ’t kort, was niemand anders dan de beroemde Koenraad van Beuningen, die Amsterdam reeds zo vaak ter Staatsvergadering, en den Staat als Gezant aan zoovele Hoven gediend had.

Van Espenblad gevoelde den zet in zijn volle bitterheid; doch, zich goed houdende, antwoordde hij, op onverschilligen toon:
„Het schijnt mij toe, dat UwEdele beter onderricht is van hetgeen mijn arm landhuis betreft, dan ik zelf.”
En toen, een wending aan het gesprek wenschende te geven, boog hij zich tegen een tachtigjarige grijsaard, die met Van Beuningen gekomen was.
„Het verheugt mij, u hier te zien, Dr. Tulp! hebt gij waarlijk kunnen besluiten, uw patiënten in Amsterdam te verlaten?”
„De Staat is tegenwoordig de ergste patië, dien ik heb,” antwoordde de beroemde Geneesheer en Burgemeester, wiens afbeeldsel ons door Rembrandt bewaard is.
„Jammer, dat de Staat niet tot de lijders behoort, die een heelkundige, als UEd., met een mes genezen kan,” hernam Van Espenblad.
„Eilieve, waarom niet?” vroeg Tulp: „er is altijd nog hoop, de gezonde deelen te bewaren, wanneer men de aangestokene en bedorvene op zijn tijd weet weg te snijden.”
„Hm, ja! zeer juist,” zeide Van Espenblad, terwijl hij een geweldige dosis Spaansche snuif nam uit een sierlijke gouden doos: „kan ik u dienen?”
„Een fraaie doos, mijn heer Van Espenblad!” zeide Van Beuningen: „volkomen het evenbeeld van die, waarvan zich de Ambassadeur d’Estrades placht te bedienen.”
„Vindt gij?” vroeg Van Espenblad, een weinig verlegen: „’t is waar, ik heb den Heer Ambassadeur indertijd verzocht mij een dergelijke uit Parijs te ontbieden.”
„Wel, waarom niet?” hernam de onbarmhartige Van Beuningen: „les petits présents entretiennent l’amitié.”
„Ik heb de doos eerlijk betaald,” zeide Van Espenbladm zich wrevelig verwijderend.
„Met uw eer,” mompelde Boschveld hem halfluid achterna, en begaf zich naar een andere groep, waar de Afgevaardigde Pesser zich deerlijk beklaagde over de roerigheid, die zich in zijne stad, Rotterdam, vertoonde.
„En wat willen zij?” vroeg een der aanwezigen.
„Zij varen uit tegen mij, tegen Vroezen, tegen Van der Aa, tegen De Groot: zij begeeren de verheffing van den Prins tot Stadhouder.”
„Zou het werkelijk waar zijn?” vroeg Foreest, van Alkmaar, „dat de prins reeds als zoodanig l.l. Dinsdag te Veere is uitgeroepen?”
„En gisteren te Bommel,” zeide Boschveld, zich de handen wrijvende; „ik heb hedenmorgen de tijding bij Mevrouw de prinses-weduwe, te Honselaarsdijk, vernomen.”
„Treurig, treurig!” zeide Pesser: „en dat in deze oogenblikken! Dat zal immers enkel strekken om den Koning nog meer te verbitteren.”
„Men moet korte metten maken met die muitelingen,” zeide Van Espenblad, die weer in den kring geslopen was: „de Heer De Groot is ook van die meening, en alle verstandige lieden.”
„Gij spreekt er gemakkelijk over,” zeide Pesser: „maar ’t is eer gezegd dan gedaan.”
„Bah!” zeide Van Espenblad: „met een half vendel stadssoldaten of burgers doet men al dat grauw verstuiven; en zoo niet, men heeft er slechts eenmaal onder te schieten.”
„Ja, maar dan moet men eerst soldaten hebben,” hernam Pesser: „en wat de burgers betreft, die zijn ’t juist, die ’t oproer maken. ’t Is hier niet het kanalje, dat zich ’t oproerigst toont: het zijn de gilden en de hoplui: — dat is, wat De Groot ook maar niet begrijpen wil; maar waar hij toch blijft?”
„Hij zal ’t parool zijn gaan halen bij den Heer De Witt,” zeide Boschveld, meesmuilende.
„Weet gij ook hoe onze Raadpensionaris het maakt vandaag?” vroeg Van der Tocht, van Gouda.
„Dezen middag ben ik even aan zijn huis geweest,” antwoordde de Amsterdamsche Burgemeester Gillis Valckenier, een van de Gecommitteerde Raden: „de boodschap was, dat de wonden goed stonden.”
„De wonden!” herhaalde Boschveld, het hoofd ongeloovig schuddende en met een boozen glimlach.
„Gelooft gij er dan niet aan?” vroeg Pesser wrevelig.
„Let wel!” hernam Boschveld: „ik ben de man niet, die zegt; maar er zijn lieden, die beweren goed onderricht te zijn, en die vasthouden, dat de Raadpensionaris, gelijk weleer Achilles en Roeland, onkwetsbaar is; niet door enige tooverij of dompeling in den Styx, maar omdat hij, op het voorbeeld van Olivier Cromwell en Signor Mazarini, een gemalieden borstrok onder ’t kleed zou dragen....”
„Kwaadaardige uitstrooisels van zijn vijanden,” zeide Valckenier.
„.... en dat die zoogenaamde wonden,” vervolgde Boschveld, zonder acht te geven op de woorden van zijn ambtgenoot, „hem in dit tijdsgewricht zeer goed te stade zouden komen, om zich buiten de zaken te houden en allen verantwoordelijkheid van zich af te schuiven.”
„Wel waarom niet?” bromde Pesser: zeg maar liever ronduit, dat de Raadpensionaris zelf den jongen Van de Graef heeft omgekocht om hem te vermoorden.”
„Is het waar,” vroeg Hop, naderbijkomende, „dat men dien armen knaap ter dood zal brengen?”
„Moest men hem dan genade schenken?” vroeg Van Espenblad: „een sluipmoord!”
„Wie keurt de daad goed?” hervatte Hop; „maar de aanslag is Goddank, mislukt: er heeft slechts lichte verwonding plaats gehad: opgewondenheid, door wijn en verkeerde gesprekken teweeggebracht, heeft een nauw volwassen jongeling, van een anders onbesproken gedrag, tot het feit gebracht: en, ofschoon ik zeer billijk keur, dat men hem ter dood veroordeele, zoo geloof ik, dat het goede staatkunde ware, genade voor recht te laten gaan en hem niet ter dood te brengen. Gestrengheid zou thans een slechte uitwerking doen, en waarlijk, de Heer De Witt behoeft het getal zijner vijanden niet te vermeerderen.”
„Alleen door kracht te toonen, kan men de menigte tot zwijgen brengen,” zeide Van der Tocht.”
Hop haalde de schouders op en zeide tegen Valckenier, met wien hij zich verwijderde: — „die lieden spreken van kracht te toonen, terwijl zij op het punt staan, het zwakste en lafhartigste besluit te nemen, en zich aan Frankrijk te onderwerpen .... maar ziedaar eindelijk den lang verwachten De Groot.”
Hij, van wien thans gesproken werd, de zoon van den beroemden Hugo, de man, aan wien de harde behandeling, zijn grooten vader hier te lande aangedaan, door De Witt op allerlei wijze vergoed was, die het ambt van Pensionaris, eerst te Amsterdam, daarna te Rotterdam bekleed had, later tot Ambassadeur aan ’t hof van Frankrijk benoemd, en thans door de Staten-Generaal met een bijzondere zending aan Lodewijk XIV was belast gewordem, Pieter De Groot trad de Vergaderzaal binnen, vergezeld door den Pensionaris Vivien van Dordrecht en een paar andere Afgevaardigden. De gissing van Boschveld was niet geheel onjuist geweest. Zij kwamen van De Witt, voor wiens ziekbed zij een soort van voorbereidende vergadering gehouden hadden. En inderdaad, de Raadpensionarishad zich gelukgewenscht, dat de wonden, die hij wel degelijk ontvangen had, hem aan zijn kamer boeiden, en dat tot de schijnbare onvermijdelijke vernedering van zijn vaderland voor ’t minst niet onder zijn voorzitterschap besloten zou worden.

Dadelijk stroomden de Afgevaardigden in menigte naar De Groot toe, die zich langzaam — want hij was kwalijk ter gang — naar ’t midden der kamer begaf: — allen verlangden te hooren, wat er te hopen of te vrezen viel. De Groot was druk aan ’t redeneeren, toen hij toevallig de levendige oogen van Van Beuningen op zich gevestigd zag. De blik van den jongeren, maar in ’t vak meer doorkneden en meer gelukkigen staatsman, bracht De Groot altijd min of meer van stuk. Hij maakte eene stijve buiging, welke Van Beuningen hoffelijk beantwoordde, daarbij voegende:
„Welkom weder hier uit het hol van den Leeuw. Ik hoop, dat gij iets goeds brengt in deze bange tijden.”
De Groot had geenszins het vlugge vernuft van Van Beuningen; maar hij was toch ook niet misdeeld van gevatheid en hij antwoordde, met dat accent, hetwelk hij als knaap in den vreemde aangeleerd en zich, ondanks zijn langdurig verblijf in Holland, nooit geheel had kunnen afwennen:
„Ik durf niet bepaald hetzelfde zeggen, wat gij eens aan de Fransche hofjonkers toevoegdet, toen zij over de duurte hunner krijgsuitrustingen klaagden: Tranquillez-vous, Messieurs, je porte la paix pour vous en poche; maar toch! ik vlei mij, dat de vruchten, die ik breng, niet geheel onwelkom zullen zijn.”
„Inderdaad!” zeide Van Beuningen: „men had mij verhaald, dat UEd. eigenlijk zonder antwoord terugkwam, en dat vond ik, voor mij, het beste. Nu, wij zullen hooren wat het geeft.”

De hamer van den Voorzitter, welken post Vivien, als Pensionaris van Dordrecht, de oudste der stemhebbende Steden, in de afwezigheid van zijn neef De Witt bekleedde, had inmiddels de leden reeds naar hun plaatsen geroepen. Spoedig hadden alle bijzondere gesprekken opgehouden: het appél nominaal had plaats: het gebed werd gelezen: en de diepe stilte, welke gedurende die lezing bestaan had, bleef nog geruime tijd voortduren.
Na de resumtie der notulen, welke niets merkwaardigs opleverde, stelde Vivien voor, dat al wat verder aan de orde wezen mocht, uitgesteld worden en men dadelijk over zou gaan tot de gewichtige vraag van het oogenblik. Dit werd algemeen goedgekeurd, en nu gaf Vivien het woord aan De Groot, om verslag te doen van zijn zending.

Deze, opgerezen zijnde, verhaalde, hoe hij met de Heeren Van Gend en Van Odijk op reis gegaan zijnde, den 20sten te Reenen was aangekomen, welke stad zij geheel van inwoners verlaten en in den treurigsten toestand hadden bevonden. Van daar hadden de Afgevaardigden zich begeven naar ’t huis te Keppel, waar zij eten en drinken, maar geen bed hadden kunnen bekomen. Hier waren op den 22sten de Fransche ministers Louvois en Pompone gekomen, die hun gevraagd hadden of zij gevolmachtigd waren, om met Z.M. te handelen. Op hun antwoord, dat zij door de Staten-Generaal gezonden waren, om te vernemen, wat de Koning begeerde en op welken voet hij met de Staten zou willen overeenkomen, hadden de Fransche ministers verklaard, niet met hen in onderhandeling te kunnen treden, zoolang zij niet van volmacht waren voorzien: hun voorts te kennen gevende, dat al wat de Koning gewonnen had, het zijne was en vrijgekocht moest worden; dat men hem de oorlogskosten vergoeden, en zijn bondgenooten tevreden stellen moest. Pompone had er bijgevoegd, dat alleen een spoedig besluit de Staten van het uiterste verderf zou vrijwaren. Na dit vernomen te hebben, hadden de Afgevaardigden onderling goedgevonden, dat De Groot naar Den Haag terug zou keeren, ten einde de vereischte volmachten te verzoeken.

Een dof gemompel deed, zodra De Groot had uitgesproken, zich aan verscheidene kanten hooren. De meeste leden hadden echter hun besluit reeds vooraf genomen en zwegen stil: terwijl Vivien alle ontijdige discussie afsneed, door dadelijk opnieuw het woord in dezer voege tot De Groot te richten:
„Alvorens wij tot opinieeren overgaan, zal ik Den Heer De Groot, als best met den stand van zaken bekend, verzoeken, de Vergadering met zijn gevoelen te willen voorlichten.”
„Dat gevoelen,” zeide De Groot, „kan spoedig geuit worden. men heeft hier slechts te kiezen, om òf den Staat met wapenen te verdedigen, òf zich, zoo goed men kan, met den Koning te verdragen. Wat het eerste punt betreft, ik voor mij beschouw allen verderen tegenweer als nutteloos, en alleen dienende om nog meer geld en menschenlevens te verspillen, en nog meer den Koning te verbitteren. Al wat ik op mijn reis vernomen heb, heeft mij de overtuiging verschaft, dat onze toestand hopeloos is. Het krijgsvolk bij de Nieuwerbrugge is gedeeltelijk verloopen, en de overgeblevenen zijn zoo flauwhartig, dat zij den post bij den eersten aanval verlaten zullen. Geene stad is in staat een beleg af te wachten. Binnen een paar dagen zal de Koning met het hoofdleger te Utrecht zijn: en reeds heeft hij zich van de wegen, die naar Amsterdam en Gouda leiden, doen onderrichten.”
„Wat zeide ik?” fluisterde Boschveld aan Valckenier in ’t oor: „de wegwijzers zijn al gevonden.”
„Hm!” antwoordde zijn ambtgenoot: „den weg te kennen valt licht, maar om hem af te leggen kon nog bezwaar inhebben.”
„Een verdrag,” vervolgde De Groot, „kon wellicht nog voordeel aanbrengen. Het is de politiek van Frankrijk niet, ons Gemeenebest geheel ten onder te brengen en daardoor de heerschappij over de zee, welke wij thans nog aan Engeland betwisten, in de handen van dien machtigen nabuur te brengen. Ik heb de overtuiging, dat Z.M. ons de regering laten zal. mits men de door Z.M. genomen steden vrijkoope, en de grensvestingen in zijne handen stelle. Hoe meer men biedt, hoe meer men zal kunnen behouden; maar, welk besluit men neme, het zal met spoed genomen worden. Het rekken der onderhandelingen zal tot niets leiden, dan om aan den Koning gelegenheid te geven, zijn veroveringen voort te zetten: en zoo zal er niets blijven, waarover eenig beding kan vallen.”

„Uw E. G. M. hebben het preadvies van den Heer De Groot verstaan,” zeide Vivien: „ik zal thans het gevoelen der Vergadering innemen, en vraag alzoo in de eerste plaats dat van de Ridderschap.”
De aanwezige Ridderschap bestond te dezer gelegenheid alleen uit de Heeren Van Duivenvoorde en Van Maasdam, beide onbeteekenende, angstvallige grijsaards, en anders gewend, van De Witt te vernemen, hoe zij hunne stem moesten uitbrengen. De afwezigheid van den Raadpensionaris zoude hen deze reis machtig in de verlegenheid gebracht hebben, indien zij zelven een praeadvies hadden moeten uitbrengen. Gelukkig behoefden zij slechts in te stemmen met wat De Groot had gezegd, en, in eene rede, waarvan de eenigste verdienste was, dat zij op dien welluidenden, hoffelijken toon werd uitgesproken, welke de man van hooge geboorte kenmerkte, gaf Duivenvoorde te verstaan, dat men, naar het gevoelen der Edelen, den Koning, zoo mogelijk, genoegen moest geven, mits men de unie, den vrijen godsdienst en de regering behield.

„De regering!” herhaalde Hop tegen Van Beuningen: „gij zult zien, dat de Vergadering alles zal opofferen, mits zij slechts op ’t kussen blijve.”
„Wel, wij verlangen ook op ’t kussen te blijven,” antwoordde Van Beuningen: „maar op die wijze zie ik er geen kans toe: en ik geef weinig om de regering, als er niets meer te regeeren valt.”
„En dat is nogal de Ridderschap, die zoo spreekt,” zeide Boschveld, het hoofd naar de achter hem zittende Amsterdammers omwendende: „wel zegt het spreekwoord, dat een Renegaat erger is dan een Turk.”
Dordrecht, als de oudste Stad, moest thans zijn gevoelen uiten: het opnieerde als de Edelen; doch begreep, dat men, staande de onderhandelingen, een wapenschorsing moest bedingen. Haarlem en Delft, die nu volgden, zeiden geen middel tot verdediging te weten, en oordeelden, dat men alzoo zonder toestel last moest geven om vrede te sluiten.
„Ook onze stad is van dat gevoelen,” zeide Burgerdijk, van Leiden sprekende: „beter een deel onzer vrijheid te behouden, dan die geheel te verliezen. Ja, wij achten het zelfs noodig, de Gevolmachtigden tot de handeling aan geene voorwaarden te verbinden, maar ter Generaliteit te bewerken, dat hun onbepaalde last gegeven worde.”
„Onbepaalde last!” riep Hop, wiens beurt het thans was, voor Amsterdam te spreken: „onbepaalde last om alle eischen in te willigen, om alle vernederingen te ondergaan, om ons, met andere woorden, op genade en ongenade over te geven! — En daartoe, tot het verklaren onzer eigen schande en moedeloosheid, begeert men, dat, dus onverwacht, zonder ruggespraak met onze committenten, rauwelijk besloten worde! Dit kan, dit mag niet gebeuren. De Afgevaardigden van Amsterdam zijn niet gemachtigd te stemmen over een zaak van zulk gewicht, waar het bestaan der Republiek van afhangt. Zij hebben een vordering en een verzoek op de Vergadering: zij vorderen, dat hier geen besluit genomen worde, aleer zij gelegenheid hebben gehad, aan de Regeering hunner stad verslag te doen, en zij verzoeken, ja zij bidden, het eenige, wat nog tusschentijd den moed niet geheel verlieze, het eenige, wat nog den Staat uit zijn benarden toestand redden kan.”

Flets en treurig stak bij dezen mannelijken taal die van den Pensionaris van Gouda af. Deze Stad zou afwachten, hoe de overige Leden stemden, ten einde, zoo mogelijk, tot eenparigheid van gevoelen te komen.
„Wat ons betreft,” zeide Pesser, voor Rotterdam sprekende, „ook wij stemmen in met de Heeren van Amsterdam, dat wij niet gemachtigd zijn op dit stuk te stemmen. Doch nu de nood dringt, de steden onvoorzien zijn en de toegangen aan de Nieuwerbrugge en Goejanverwellen-sluis niet te houden, gelooven wij, behoudens de ratificatie onzer Stadsregeering, te kunnen toestemmen tot het verleenen der gevraagde lastgeving.”
Gorkum, Schiedam, Schoonhoven, en Den Briel verklaarden zich nagenoeg in gelijken zin en stemden met de Edelen. Nu kwam de beurt aan de Steden uit het Noorderkwartier. Alkmaar, welks Afgevaardigden niet vergeten hadden, hoe hunne stad de eerste was, die den Spanjaard afsloeg — en dat buitendien het verste van het oorlogstoneel verwijderd was — stemde als Amsterdam: ook Hoorn, waar een wakkere geest heerschte: — Enkhuizen wilde, als Gouda, een nadere rondvraag afwachten, om zich te verklaren. Doch Edam, Monnikendam, Medemblik en Purmerend, waar men, nu de vijand al de aan de Zuiderzee gelegen Geldersche en Overijsselsche steden vermeesterd had, voor een aanval van de zeezijde beducht was, stemden met de Edelen.
„E. G. M. Heeren!” zeide Vivien, nadat de rondvraag was afgeloopen: „in onze vergadering mag geen besluit, over wat geringe zaak het loope, dan met eenparigheid genomen worden; hoeveel te meer in een zaak van zulk gewicht als ons heden bezig houdt. Ik vlei mij, dat, na al het gehoorde, de weinige Leden, die zich nog onthielden van te stemmen, van gedachten zullen veranderen.”
„Mij dunkt,” zeide Duivenvoorde, „dat de meerderheid niet in haar wis verderf behoeft gesleept te worden, omdat enkele Leden een vertoon van kloekheid willen maken. Roekeloosheid is geen moed: en, zoolang men nog iets behouden kan, is het dwaasheid, alles in de waagschaal te stellen. De dissentiëerende Leden dienen zich te voegen bij de meerderheid. De Ridderschap althans wil niet aansprakelijk wezen voor het nadeel, dat door dralen kan veroorzaakt worden.”
„Gij hoort het, mijne Heeren van Amsterdam!” zeide Vivien: „dat uwe Stad zich bij de meerderheid voege: en gewis zal niemand zich langer tegen het praeadvies verzetten. Nu is er nog middel, om de regeering en het bondgenootschap te behouden, die door tegenstand verloren raken.”
„’t Is ons onverschillig,” zeide Haarlem, „of Amsterdam zich bij ’t besluit voegt of niet. Wil het alleen de macht van Frankrijk trotseeren, wij hebben er vrede mee; doch het houde de raadpleging niet nutteloos op, noch belette andere Steden voor zich zelven te zorgen.”
„Neen gewis,” zeide de Pensionaris van Delft: „wij zouden anders stemmen, zoo Amsterdam geheel Holland, of geheel Holland binnen Amsterdam besloten ware; doch de vijand is voor de poort. Reeds voor eenige dagen is beraadslaagd of men geen volmacht verleenen zou, en men had zich dus op een rondvraag, als die van heden, kunnen voorbereiden, en zorgen, van behoorlijken last te zijn voorzien. Amsterdam behoort zich bij de meerderheid te voegen, of althans het algemeen gevoelen niet te weerstreven.”
„Gij zult ons toch niet willen overstemmen,” vroeg van Beuningen, „en bij meerderheid een besluit doordrijven, dat slechts met eenparigheid mag genomen worden?”
„Niet in gewone gevallen, en waar keus is,” zeide Burgerdijk, van Leiden: „maar nood breekt wet. Nog eenmaal heeft men, zonder Amsterdam en Gouda, een besluit genomen, namelijk dat, van de Grafelijkheid aan Prins Willem I op te dragen. Er is geen tijd om ruggespraak te houden: door langer te toeven zijn wij onherstelbaar verloren. Amsterdam moge in staat zijn, zich te verdedigen, het is rijkelijk van volk, van krijgsbehoeften, van geld voorzien; maar welke stad, behalve zij, heeft kruit, manschap of voorraad! Ik vertrouw, dat het geen onzer aan moed ontbreekt; maar wij willen niet te gronde gaan om Amsterdam te believen. Of zal Amsterdam ons tevens met zich zelf beschermen?”
„Ja,” zeide Van Beuningen: „dat zal het. Wij zelven, wij, Afgevaardigden van Amsterdam, durven u daarvan de verzekering geven. Wijs ons de gevaarlijkste posten, wij zullen zorgen, dat zij bezet worden. Amsterdam zal Holland niet in den nood verlaten. Wij hebben recht om te vertrouwen, dat de overige Leden ons het ongelijk niet zullen aandoen, van zich afzonderlijk met den vijand te verdragen; veelmin van zich gelijk sommigen ’t verlangen, op genade over te geven. Gij wilt geld aanbieden. Maar van waar zult gij genoeg bekomen, om den schraapzuchtigen Franschman te voldoen, wanneer Amsterdam zijn medewerking weigert en zijn beurzen sluit? Bij gebrek aan geld, zullen alzo opofferingen van een erger natuur moeten gedaan worden; maar wanneer gij alles hebt weggegeven om Frankrijk tevreden te stellen, wat zal u dan overblijven, om, op zijne beurt, Engeland aan te bieden?”
Zo uitte zich Amsterdam; doch die kloeke taal vond slechts doove ooren, daar de zaak bij de meerderheid reeds te voren beklonken scheen. De eene stad vóór, de andere na, voegde zich bij de Edelen: ja de meesten predikten de leer, dat, in een nood als dezen, elk voor zich moesten zorgen. Alkmaar alleen bleef met heftigheid het voorstel bestrijden. „Men kan,” zeide Foreest, „ons niet vergen te stemmen in een zaak van deze natuur. Of beseft gij niet, dat Frankrijk schatten van ons eischen zal? En hoe zult gij die invorderen op een oogenblik, dat de gemeente zonder verdienste is, dat de handel stilstaat en geen landbouw op de verdronken velden mogelijk is? Het oproer staat voor de deur: en dan is ’t beter, met de wapenen in de hand een eerlijken dood van den vijand te ontvangen, dan door onze eigen burgers te worden om hals gebracht.”

Nadat de tweede omvrage geschied was en sommige Leden nog van beschouwing gewisseld hadden, bij welke gelegenheid Leiden nogmaals op het nemen van een onmiddellijk besluit had aangedrongen, bekwam De groot wederom het woord om dit laatste advies te ondersteunen.
„Wij moesten,” zeide hij, „mild met den Koning handelen: hem, in ruil van wat hij reeds veroverd heeft, Maastricht aanbieden en de steden in de Generaliteitslanden.”
„Ook Breda?” viel Hop in: „ ook Grave? steden, waar zijn Hoogheid Heer over is? Wij kunnen eens ander mans goed toch niet wegschenken.”
„Z. H. zal er, om ’s Lands welzijn, in toestemmen,” hernam De Groot: „voorts, er is geen geld voorhanden, men zal termijnen kunnen bepalen, waarin het gevorderde betaald zal worden, en wij Z. M. in de oorlogskosten te gemoet komen, mits zij de goedheid hebbe, de Unie in haar geheel en den godsdienst vrij te laten.”
„De goedheid van den Koning!” riep Van Beuningen met bitterheid: „de Heer De Groot heeft hem later leeren kennen dan ik, en bezit misschien bewijzen van die zonderlinge goedheid: wat mij betreft, ik kan alleen oordeel vellen naar ’t geen ik rondom mij zie, en dat getuigt weinig van goedheid.”
„Waarom hem te tergen?” vroeg De Groot: „de Koning is voornemens, den Winter hier te lande door te brengen en dan Amsterdam aan te tasten.”
„’t Is nog lang eer ’t winter is,” zeide Hop.
„En dan,” vervolgde De Groot, „is het zijn vast besluit, zoo de stad hem weerstaat, er niet den eenen steen op den anderen te laten.”
„Eer dat gebeurt,” zeide de oude Dr. Tulp, oprijzende, „zal nog menige Franschman voor onze wallen den geest geven. Ik ben een oud man, mijne Heeren!” vervolgde de eerwaardige grijsaard, terwijl hij zijn rechterarm uitstak: „maar nòg beeft deze hand niet, wanneer zij met het lancet een ader opent of den kanker uit een aangetasten boezem snijdt: en zij zou evenmin beven, als het er op aankwam, een bus op een Franschman af te schieten. Er leven nog mannen genoeg, die den tachtigjarigen strijd hebbeb medegemaakt en die niet schromen, opnieuw, als ’t gevergd wordt, het Vaderland te dienen.”
Er was meer dan een in de Vergadering, die den wakkeren grijsaard, toen hij gesproken had, toejuichten; maar het was slechts de toejuiching, die men den tooneelspeler schenkt, wiens spel ons behaagd heeft, en niemand was er, die zich door het gesprokene bewegen liet om het gegeven voorbeeld te volgen. — Ieder bleef over en weder bij zijn gevoelen: en al wat zij, die niet met de meerderheid instemden, verkrijgen konden, was dat het nemen van een besluit tot den volgenden avond zou worden uitgesteld, en dat de Leden, die zwarigheid gemaakt hadden om te stemmen, inmiddels een keer naar huis zouden doen om last te halen van hun Committenten.

Heden ten dage zou dit heen- en weertrekken minder tijd hebben genomen, nu Den Haag door een spoorweg met Amsterdam, en verder door goede straat- of macadamswegen met de Noord-Hollandsche steden verbonden is. Maar te dier tijd en nog tot in ’t begin van deze eeuw was daar nog zelfs geen straatweg: van Den Haag tot Alkmaar was alles zwaar zand: en de postwagen, het bijna enige middel van vervoer, besteedde een tiental uren, om den weg tusschen de Hofplaats en de groote stad aan ’t Y af te leggen. Het moest dus uit den aard der zaak den Afgevaardigden der Noord-Hollandsche steden reeds moeilijk genoeg vallen, om binnen een zoo korten tijd, als bepaald was, terug te zijn: en dan was het hier om geen bloot heen- en weerreizen te doen: de zitting had, als ik zeide, op Zaterdagachtermiddag plaats gehad: men kwam dus op Zondag te huis: was moest vroedschap belegd, de Regeeringsleden uit de kerk, sommige zelfs van hun tuinen of buitenverblijven gehaald worden: dat alles nam tijd weg: en dan nog was de zaak te gewichtig om er zoo maar in allerijl en met overhaasting over te beraadslagen. Geen wonder dus, dat de Afgevaardigden van Amsterdam, Hoorn, Edam en Purmerend — ja zelfs die van het naderbij gelegen Schiedam — eerst Maandag in Den Haag terug waren. Doch ook al waren zij op hun tijd geweest, het had niet gebaat, en niet weinig vonden zij, vooral de Amsterdammers, wier Regering besloten had liever op de wallen te sterven, dan een nooit gekende dienstbaarheid aan te nemen, niet weinig, zeg ik, vonden zij zich teleurgesteld, toen zij vernamen, dat de zaak in hun afwezigheid reeds des Zondags haar beslag bekomen had. Vergeefs was een Bezending van de Staten van Zeeland bij die van Holland toegelaten geweest, en had zij niet alleen de bevreemding en het ongenoegen harer Principalen te kennen gegeven over de aan den Koning gedane Bezending, maar zelfs aangedrongen, dat men, door een wakkren weerstand, den Staat onder Gods zegen uit de tegenwoordige verdrukking moest bevrijden. Men had de Zeeuwsche Heeren beleefdelijk ontvangen, doch zich niet aan hun vertoogen gestoord, en er was, in de afwezigheid der vijf zooeven genoemde Steden, overeenkomstig het voorstel van De groot besloten en onmiddellijk kennis van dat besluit gegeven aan de Staten-Generaal.
In dit hooge Staatscollege werd de zaak, zoo mogelijk, met nog meer overhaasting en op een nog meer onwettige wijze behandeld en afgedaan, dan in de Staten van Holland. Er kon ook daar, als bekend is, geen besluit genomen worden dan met toestemming der zeven gewesten, die de Unie uitmaakten. Nu waren Overijsel en Stad-en-Lande afwezig: Holland werd vertegenwoordigd door Duivenvoorde, Burgerdijk en Van der Tocht, die alle drie met kracht aandrongen op het verleenen der volmacht aan De groot. Friesland stemde er tegen: Zeeland zeide ongelast te zijn: Utrecht verklaarde geen stem te kunnen uitbrengen, daar die gansche provincie in handen des vijands was: Gelderland had dezelfde reden kunnen opgeven om niet te stemmen: doch het voegde zich bij Holland: en deze Gewesten dreven nu met hun beiden ’t besluit door, ’t welk Friesland, dat voorzat, weigerde op te maken, en de Griffier Fagel, toen Duivenvoorde ’t voor Holland opgemaakt had, weigerde te teekenen. De Groot was alzoo vertrokken, met de belofte, dat hem de volmachten zouden worden nagezonden, en met dit krachrig afscheidswoord van Fagel: „Ga vrij tot den Koning, het zal u lichter vallen uw Vaderland te verkoopen, dan den kooper in ’t bezit van ’t gekochte te stellen.”

Niet weinig toonde, in de Vergadering der Staten van Holland van Maandag 27 Juni, Amsterdam zijn ongenoegen over den spoed, waarmede de zaak was doorgedreven, en liet protest aanteekenen tegen dat besluit; terwijl de Pensionaris Hop niet schroomde, den Leden in de krachtigste bewoordingen aan te wrijven, dat zij waren verkoopers van de souvereiniteit en vrijheid, er bijvoegende uit naam zijner medegecommitterden van Amsterdam, „dat zij zich van de andere Leden niet zouden laten overleveren, noch immer trempeeren in een negotiatie van dergelijke bassese: dat zij zich voor de gemeente zouden kunnen justificeeren: maar dat diegenen te vreezen hadden, die buiten nood, en zonder een kanonschot ontvangen te hebben, zoo prodigaal waren in het overgeven van de liberteit hunner subjecten!” uitdrukkingen, Fransch in den vorm maar echt Hollandsch, wat de uitgedrukte gevoelens betrof.

Schoon de leer van de faits accomplis toen nog niet gepredikt was, er viel voor ’t oogenblik, na het protest, niets anders te doen, dan af te wachten wat nader gebeuren zou. Leiden deed nu den voorslag dat, zoo de handeling, die vanwege de Generaliteit plaats had, , zwarigheid ontmoette, Holland, als Gewest, alleen met den Koning zou handelen. Dit voorstel vond ingang: en, hoezeer het streed met de plichten, welke men, overeenkomstig de Unie, jegens de overige provinciën te betrachten had, het had echter deze goede uitwerking, dat het de vreesachtige Steden verhinderde, om, gelijk zij eerst wilden, zich afzonderlijk met Frankrijk te verdragen.

De Groot was intusschen op reis gegaan, had zijn volmachten ontvangen en 10 millioen benevens de Generaliteitslanden den Koning aangeboden. Had Lodewijk dit aanbod aanvaard, de vernedering van den Nederlandschen Staat ware voltooid geweest. Doch hij wilde te veel hebben en bekwam daardoor — niets. Hij liet door Louvois zijn eisch ontvouwen, die op niet minder dan het volgende nederkwam: 1°. Al wat de Staat bezat buiten de zeven Gewesten: 2°. Delfzijl met 20 van de naaste kerspelen: 3°. het Graafschap en de Stad Meurs voor den Bisschop van Keulen: 4°. Grol, Breêvoort, Lichtevoort en Borculo: 5°. al wat tusschen den Rijn, de Lek en de Spaansche Nederlanden gelegen was: 6°. vrijheid van gaan en keeren, zonder onderzocht te worden of eenige rechten te betalen: 7°. intrekking van de plakkaten op den koophandel dezerzijds, zonder dat zulks van de Fransche zijde wederkeerig geschiedde, met andere voor onzen handel bezwarende bepalingen: 8°. verleenen van ettelijke voorrechten aan de Katholieken: 9°. vereffening der geschillen met Denemarken: 10°. ongeveer 16 millioen voor de oorlogskosten: 11°. een jaarlijksch gezantschap om den Koning te bedanken, dat hij het Land aan de Staten voor de tweede reis terugegeven had, onder aanbieding van een gedenkpenning, waarop de aanleiding tot die dankbetuiging gemeld stond. — Er was echter bij die eischen, hoe hard ook, een bijvoeging, wel geschikt om ingang te vinden bij velen der Hollandsche Regenten, te weten, dat Z.M. handelde met die Gewesten, welke hem ’t gevorderde geld betalen zouden, en dat hij aan deze de overwonnen Gewesten en de regering daarover zou overlaten.

Met deze voorwaarden keerde De Groot naar Den Haag en deed er op 1 Juli verslag bij de Staten van Holland. Gij zoudt wellicht meenen, na hetgeen ik u van den geest dier Vergadering gezegd heb, dat men zich nu haastte, de voorwaarden, hoe onredelijk ook, aan te nemen, of er althans dadelijk over te handelen; te meer, daar De Groot aan Louvois beloofd had, binnen vijf dagen bij hem terug te zijn: doch verre van dien: dezelfde Vergadering, die zes dagen te voren nauwelijks wilde toelaten, dat de Amsterdamsche Gedeputeerden naar huis gingen om last te halen, maakte er zich thans een bezwaar van om te stemmen, zonder bevorens de meening harer Principalen verstaan te hebben: en stelde tot zolang de beraadslaging uit.

Wat was de reden van die handelwijze? — In tijden van krijg en burgertwist geldt één dag meer dan drie maanden in vredestijd: en er was in dien vierdehalven dag dat De Groot afwezig was geweest, al vrij wat voorgevallen. Wel was nog steeds schrik en bezorgdheid op het gelaat der meeste Leden te lezen: maar het was thans minder de nadering der Fransche legerscharen, welke die teweegbracht; een andere, meer nabij gelegen oorzaak had er aanleiding toe gegeven.

De voorspoed der Fransche wapenen, dien de burgerij aan verraad van Regenten zoowel als van Bevelhebbers toeschreef, de zending van De Groot, wien men wantrouwde, het kleinmoedig besluit, door de Staten genomen, het doodvonnis, op 29 Juni voltrokken aan Van de Graef, wien velen als een martelaar aanmerkten, en de algemeene wrevel tegen de Staatsgezinde partij, hadden bijna gelijktijdig in al de steden van Holland de burgerij tegen de Overheden in ’t geweer gebracht. Te Dordrecht, te Rotterdam, te Delft, te Gouda, te Leiden, te Haarlem, ja schier overal, waren de Gilden en Schutterijen op de been en in de wapenen gekomen, en hadden zij luide van de Regering de vernietiging geëscht van dat Eeuwig Edict, waarbij vijf jaar te voren verklaard was, dat het Stadhouder- Kapitein- Generaalschap voor altijd van elkander zouden gescheiden blijven: — en hadden bij die vernietiging de verheffing van Willem III tot de waardigheid zijner voorvaderen gevorderd. In Amsterdam alleen was, al hadden er eenige oploopen van weinig beteekenis plaats gehad, de rust niet verstoord geworden.

De Afgevardigden der Staten-vergadering bevonden zich nu in een moeilijke stelling. De Regeeringen, welker lasthebbers zij waren, hadden aan ’t volk moeten beloven, de verheffing van den Prins tot Stadhouder bij de Staten te bevorderen, doch de Afgevaardigden zelven hadden den eed gedaan op ’t Eeuwig Edict, en geen hunner wist alzoo, hoe met een voorstel voor den dag te komen, ’t welk eigenlijk een eedbreuk behelsde. Immers men had toen, zoals thans, geen Grondwet met een artikel er in, ’t welk de middelen aan de hand doet, hoe men veranderingen in de Staatswet kan voorslaan. Intusschen moest er iets gedaan worden, en nu was de Pensionaris van Leiden, Burgerdijk, in de avondzitting van 30 Juni, schoorvoetende met de vraag voor den dag gekomen, of men aan eenige Leden geen vrijheid behoorde te geven, om iets voor te slaan, daar zij begrepen, dat ’s Lands welvaart aan hing, al ware ’t ook, dat het voorslaan daarvan streed met eenige edictale wetten of vastgestelde besluiten. — Ieder wist, waar de vraag op zag: en ieder antwoordde: ja; doch, ofschoon het verlof gegeven was, niemand was er, die den moed gevoelde, om er gebruik van te maken. Met dat al, zoozeer hield de zaak de gemoederen bezig, dat, toen De Groot den volgenden dag verslag deed van zijn zending, men gelijk ik zeide, de beslissing der levensvraag, welke hij stelde, terugschoof tot een meer gelegen tijdstip. Maar een dag later, of liever in den nacht van 2 en 3 Juli, kwam Pesser, van Rotterdam, op de zaak terug, en zeide, dat hij vanwege zijne Stad iets had voor te dragen, waar ’s lands welzijn aan hing, en ’t welk nochtans de eer, het geweten en de uitdrukkelijke Staatsbesluiten verboden voor te dragen, ten ware hiertoe bijzonder verlof gegeven werd. Sommige leden merkten hierop aan, dat men geen raadsels spreken en zich duidelijk verklaren moest; doch Leiden zeide rondweg, dat men zeer wel begrijpen kon, waar Rotterdam op doelde, namelijk op de vernietiging van ’t Edict. Nu was het hooge woord er uit; men veinsde niet langer, en na eenig beraad werd eenparig tot die vernietiging besloten: waarna Amsterdam voorsloeg, den Prins tot Stadhouder aan te stellen. Leiden maakte nog zwarigheid, hiertoe te besluiten, zonder voorkennis der overige Provinciën: doch de Amsterdamsche Burgemeester Andries De Graeff merkte aan, dat verder uitstel slechts dienen zou om ’t volk nog meer te verbitteren, en dat de zaak niet ten halve gedaan moest worden: waarop dus den 3den Juli ’s morgens te 4 uren, Willem III tot Stadhouder, Kapitein- en Admiraal-Generaal van Holland werd verklaard, waarvan hem de tijding door elf Afgevaardigden in het leger te Bodengrave gebracht werd.

Ten gevolge van dit tusschenbedrijf was het eerst op Maandag 4 juli, dat de voorwaarden, door De Groot medegebracht, ter vergadering van Holland zouden in overweging worden genomen. De staat van zaken was nu wel veranderd, voor zoveel het binnenlands bestuur betrof; doch daarom nog niet de inzichten der Leden. Velen hunner begrepen, dat thans, door de aanstelling des Prinsen, genoeg gedaan was om het volk tevreden te stellen: dat men vooreerst geen oproer meer te vreezen had: en dat, nu die zorg voorbij was, men weer met bedaardheid overleggen kon, hoe men den Franschen Koning genoegen zou geven.
Wij verplaatsen ons opnieuw in de vergaderzaal. Nog zijn al de Leden niet bij elkander; maar wederom een aantal om Burgerdijk bijeen, die met een bedenkelijk gelaat te kennen geeft, dat Leiden althans de voorstellen, door Lodewijk gedaan, hoe hard ook, niet geheel onaannemelijk acht.
„Niet onaannemelijk!” herhaalt Hop, met verontwaardiging: „en wat zou er dan, zoo wij die voorstellen aannamen, aan onze vernedering ontbreken? Welke laagheid ware grooter, dan aldus te zwichten, zonder eene poging tot afweer te hebben beproefd?”
„Ik weet niet,” antwoordde Burgerdijk geraakt, „dat Leiden de beschuldiging van laagheid ooit verdiend heeft.”
„Ten tijde van ’t beleg althans niet,” zeide Boschveld: „ sed tempora mutantur.
„Leiden is nog hetzelfde als voor 100 jaren,” hernam Burgerdijk; „maar wat zal een afbreken der onderhandeling baten, dan dat onze geheele ondergang er door verhaast wordt? — Wat eens door de Franschen genomen is, zal toch niet te herwinnen zijn.”
„Alsof dit de eerste reize ware, dat de krijgskans keerde,” zeide Hop: „Oostenrijk en Brandenburg wapenen zich tot onzen bijstand: en Montrey zit in de Spaansche Nederlanden ook niet stil.”
„Een troostrijk uitzicht,” zeide Van Espenblad, „dat Oostenrijk en Brandenburg ons wreken zullen wij overheerd zijn.”
„Wij behoeven ons niet te laten overheeren,” hernam Hop: „zoo wij slechts onze vesten met moed en trouw verdedigen en de legers van Lodewijk een tijdlang ophouden, kan de hulp der bondgenooten niet achterblijven.”
„Bovendien,” zeide Boschveld: „indien de Staten nu lafhartig zwichten, dan was het ook de moeite niet waardig geweest, den Prins tot Stadhouder aan te stellen.”
„Maar ik zie niet in,” zeide Van Espenblad, „welke verandering die aanstelling in onzen toestand gebracht heeft. Wij hebben er, ja, het dom gepeupel mee gepaaid, dat nu „Oranje boven” roept, met vlaggetjes loopt en zich in de drinkhuizen bezuipt; maar hebben wij er een penning meer door in de kas gekregen, om matrozen of soldaten, kruit en krijgsbehoeften te betalen? of zijn de steden er beter door verdedigd, de posten beter beschermd?”
„Niets in onzen toestand veranderd, zegt gij?” vroeg Hop met verbazing: „onze stoffelijke hulpmiddelen mogen voor ’t oogenblik niet verbeterd zijn; maar des te meer onze zedelijke kracht. Die verheffing des Prinsen heeft eenheid en vertrouwen gebracht, waar verdeeldheid en wantrouwen bestonden.”
„Eenheid en vertrouwen? ’k Mag het lijden,” hernam Van Espenblad: „maar ik twijfel, of die alleen genoegzaam zullen zijn om de Fransche wapenen te keeren.”
„Niet overal zegevieren de wapenen,” hernam Hop: „zie slechts wat voor acht dagen gebeurd is. Nauw had drie dagen de Oranjevlag te Veere gewaaid, en op hetzelfde oogenblik, dat hier beraadslaagd werd, tot welken prijs men het Vaderland verkoopen zou, weerstond en versloeg te Aardenburg een hoopje van 450 burgers en een twintigtal soldaten een overmacht van 9000 Franschen. Schande genoeg voor ons, Regenten, dus door onze onderdanen beschaamd gemaakt te worden.”
„Zeer mogelijk,” zeide Van der Tocht, van Gouda: „maar onze burgers hebben nooit het geweer gevoerd en begeeren niet de gruwelen van Naarden en Haarlem uit den Spaanschen tijd hernieuwd te zien. Gouda ligt voor den eersten aanval bloot, en de Goejanverwellensluis noch de Nieuwerbrugge zijn te verdedigen.”
„Het verheugt mij, u de verzekering te kunnen geven van het tegendeel,” zeide Van Beuningen, die op dat oogenblik, met een vrijwat meer opgeruimd gezicht dan negen dagen vroeger, in den kring trad; „hier is een brief van uw eigen stad- en ambtgenoot Van Beverningk, uit ’s Prinsen hoofdkwartier geschreven, en waarin hij mij bericht, dat de Prins en de Graaf van Hoorne zeer wel kans zien, beide posten te bewaren, mits zij slechts van volk worden voorzien.”
„Juist, daar zit de kneep,” zeide Van Espenblad: „waar halen wij volk vandaan?”
„Heb daar geen zorg voor,” zeide Hop: „Amsterdam heeft nog wakkere zonen genoeg.”
„En Hoorn zal niet achterblijven,” voegde de Pensionaris dier stad er bij: „wij zijn gemachtigd, burgers en boeren aan te bieden tot versterking der posten: en zullen desnoods met vrouwen en kinderen onze havens gesloten houden.”
„Twijfelt gij aan de gezindheid onzer burgers?” voegde een dikke Afgevaardigde van Purmerend er bij: „zij zouden liever hun eigen Regenten doodslaan, dan dat men hun belette uit te trekken om de Franschen te kloppen.”
„Dat alles klinkt fraai,” zeide Van Espenblad, een snuifje nemende, hoewel deze reis uit een porseleinen doos: „maar laat ons spreken als lieden van bedaarden zin en niet als Don Quichotten. Wij moeten toch eindigen met te zwichten, en zijn op den duur met al ons grootspreken niet tegen Frankrijk en Engeland bestand.”
„En dus wilt gij beiden tevreden stellen?” vroeg Van Beuningen: „dan zal er zeker niet veel overschieten.”
„En daarom raad ik, dat wij ons met Frankrijk verdragen,” vervolgde Van Espenblad: „gelooft mij, Lodewijk XIV is grootmoediger dan Karel: en sluiten wij vrede met hem, dan hebben wij Engeland niet te vreezen.”
„Wat mij betreft,” zeide Boschveld: „ik verdroeg mij liever met Engeland dan met Frankrijk.”
„Ten minste zijn de vorderingen van Engeland minder zwarend,” zeide Van Beuningen.
„Minder bezwarend!” riep Van Espenblad.
„Wel ja!” hernam Van Beuningen: „wat begeert het? opdracht van ’t Stadhouderschap aan den Prins. — Dit is geschied.”
„Erkentenis van zijn heerschappij over de zee,” zeide Van Espenblad.
„Die kunnen wij erkennen, en daarom evengoed varen,” hernam Van Beuningen.
„Overal strijken van de vlag.”
„Waarom zouden wij ons schamen, beleefder te zijn dan zij?”
„ 5.000.000 pond Sterling voor de vrije vischerij.”
„Wij zullen, hun ten spijt, overal visschen, zoolang De Ruyter in zee blijft,” zeide Van Beuningen.
„Vlissingen, Den Briel en Sluis tot pand.”
„Dat is altijd nog minder dan de Generaliteitslanden. — Maar, tusschen twee haakjes, mijne Heeren! hebt gij gehoord, dat een klerk van d’Estrades, die zich nog hier ophield, hedenmiddag achteraf is gebracht? Men zegt, dat hij brieven bij zich had, waarbij luiden van aanzien sterk gecompromitteerd zijn?”
„Inderdaad?” vroeg Van der Tocht: „en noemt men niemand?”
„Ja, dezen en genen: maar, om ons gesprek te hervatten, mijn Heer Van Espenblad .... ja, waar is de man nu?”
„Ik weet niet, maar het schijnt of uw mededeeling hem minder welkom was; althans hij is plotseling verdwenen,” zeide Hop.
„Nu! dan is mijn doel gelukt,” zeide Van Beuningen, lachende, „want die gansche vertelling was slechts een verdichtsel, om hem van hier te krijgen. Ik praat gaarne vrijuit, maar niet voor hen, die alles terstond aan den vijand overbrengen. — Voor u, mijne Heeren! heb ik geen geheimen. Ik weet niet, of het u bekend is, dat de Hertog van Buckingham en de Graaf van Arlington hier zijn?”
„Inderdaad!” riep Burgerdijk: „maar dan wordt onze toestand nog hachelijker: — tenzij gij kans ziet om Engeland en Frankrijk beide tevreden te stellen.”
„Wij moeten noch den een noch den ander zijn zin geven,” zeide Van Beuningen. „Ik behoef u, mijn waarde Burgerdijk! niet te vragen, of gij Fedrus gelezen hebt?”
„Welnu?”
„Gij kent zijn fabel van die dieven, die om een ezel vochten?”
„En gij meent ....”
„Ik meen, dat, hoe buitensporiger de eischen zijn, hoe minder kans er is dat zij zullen ingewilligd worden. Dat monsterlijk bondgenootschap van Engeland en Frankrijk kan niet lang meer stand houden. Ik kom zooeven van de Engelsche Afgevaardigden, en reeds is het mij gebleken, dat Mylord van Buckenham misnoegd is op Lodewijk, die buiten Engeland om wil sluiten: en Lodewijk zal evenmin gedoogen, dat Engeland hier te lande eene enkele stad bekome. laten de Engelsche Gevolmachtigden naar Zeist tot den Koning gaan: en ik sta u borg, dat zij reeds den eersten dag met hem twisten. De hertog heeft mij zelf verklaard, de vorderingen van Frankrijk onaannemelijk te achten; ja zelfs was hij van meening, dat de Heer De Groot meer aangeboden had, dan de nood vereischte.”
„Maar,” zeide De Groot, die, kort te voren genaderd, een wijl ongemerkt had staan toeluisteren: „welke boodschap begrijpt gij dan, dat ik aan den Koning van Frankrijk zou moeten overbrengen?”
„Gij moet geheel geen boodschap overbrengen, mijn waarde Heer!” antwoordde Van Beuningen, met een glimlach van medelijden: „ik beklaag u, maar gij zult onpasselijk worden, de jicht krijgen, een erfenis gaan halen, u door de Rotterdamsche Burgers in bewaring laten nemen, of elke andere uitvlucht kiezen, die u goeddunkt. — Ik zie geen ander middel om u de onaangenaamheid te besparen van een slecht figuur te maken bij Louvois en Pompone.”

En gelijk hij gezegd had, zoo gebeurde het ook. In de vergadering van dien dag besloot men, het gevoelen des Prinsen in te winnen op het antwoord, aan Frankrijk te geven: en toen deze, als te denken was, de eischen des Konings voor onaannemelijk verklaarde, keurden de Staten, op voorstel van Van Beuningen, goed, de handeling met Frankrijk over te laten aan den prins en aan de Engelsche Gevolmachtigden: De Groot werd eershalve verzocht, weder naar den Koning te keeren; doch ’t was te voren afgesproken dat hij zich verontschuldigen zou: en hij bleef thuis.
Wat verder geschiedde is ieder bekend. De kans om verder door te dringen scheen voor de Franschen voorbij. Veerkracht had bij de onzen moedeloosheid, eendracht tweespalt en wantrouwen vervangen. Holland werd door overstrooming gedekt: de arbeid tot verdediging der steden werd begonnen of met verdubbelde ijver voltooid. Amsterdam in geduchten staat van tegenweer gesteld, een onwinbare reuzenburg in ’t midden van de wateren: — en geene vijf maanden waren verloopen, of de krijg was door den moedigen Oranje op vijandelijke bodem overgebracht.

Hier besluiten wij ons overzicht: maar het betaamt ons, de toepassing, welke men hier en daar wellicht heeft zien doorschemeren, nog met een enkel woord aan ’t licht te stellen.
Wanneer wij het gebeurde nagaan, dan moeten wij ongetwijfeld erkennen, dat aan de Amsterdamsche Regenten de eer toekomt, van den Staat te hebben behouden; doch zij hadden meer bereikt dan dit eene doel; zij hadden ook hun invloed en hun overwicht gered, die gevaar liepen en welke de andere Regenten verwerkt hadden.
Ik wil, met dit te zeggen, niets aan hun vaderlandsliefde te kort doen, ofschoon men ook die uitdrukking niet moet opnemen in den zin, dien wij er thans aan hechten; want in die dagen, toen niet slechts elke Provincie, maar iedere Stad een Souvereiniteit op zich zelve was, was die liefde voor het Vaderland noodwendig tot engeren kring beperkt dan heden, nu men zich vrij onverschillig van de eene stad naar de andere verplaatst. Wat hiervan zij, zij beminden het land, de stad, van hun geboorte af en zochten daarvan, op een schoone, op een edele wijze, de eer en het welzijn te handhaven. Doch tevens moesten zij den wensch blijven voeden, dat de politieke partij, welke zij voorstonden, niet geheel ten gronde ging. En dit was niet slechts verschoonbaar, maar ook natuurlijk. Ieder staatsman, ook hij, die zijn vaderland op de meest belangelooze wijze liefheeft, verbindt noodzakelijk het welzijn van dat vaderland aan het zegevieren der beginselen, welke hij voorstaat; en die hij zelfs niet kan verzaken zonder op te houden een eerlijk man te zijn; doch daarentegen begaat die staatsman een misslag, die, tegen den drang der omstandigheden aan, zijn politiek wil doen zegevieren. Èn Oldenbarneveldt èn De Witt hier te lande, èn Jacobus II in Engeland èn Karel X in Frankrijk zijn gevallen, omdat zij hun stelsel wilden doorzetten op het oogenblik, dat zij de macht misten om den tegenstand te fnuiken: en het is juist in een op zijn tijd toegeven aan den wensch der meerderheid, of liever in het voorkomen van dien wensch, dat de groote kunst des staatsmans gelegen is.

Van Beuningen nu, wien ik gerust meen te kunnen beschouwen als den vertegenwoordiger der Amsterdamsche Vroedschap van dat tijdvak, behoorde, volgens zijn politieke denkwijze, tot de zoodanigen, die zich vroeger als de ijverigste aanhangers van de Anti-Stadhouder partij en van het bondgenootschap met Frankrijk hadden getoond. Doch, hoezeer langen tijd ééne lijn volgende met De Witt, thans had hij, beter dan deze voor ’t overige zoo schrandere staatsman, ingezien, wat voor ’t oogenblik het ware belang van den Staat, ja, dat hunner eigen partij, vorderde. Het was hem klaar geworden, dat de opdracht van het Stadhouderschap aan den Prins, tegen welke hij vroeger geijverd had, thans door den volkswil aan den Regenten stond te worden opgedrongen, dat onderhandelingen met Frankrijk alleen geschikt was oproer te verwekken, en dat oproer wellicht een omwenteling ten gevolge kon hebben, welke aan het gezag der Stedelijke Aristocratie den genadeslag zou toebrengen. Hij begreep daarom, dat het belang der Regenten medebracht, intijds het vastgehouden stelsel te laten varen, en schijnbaar een deel van hun macht af te staan, om die bij geschikter omstandigheden te herwinnen, en in allen gevalle vrijwillig en uit eigen beweging te doen, wat anders met geweld zou gevorderd worden. Hij scheidde daarom, met de Amsterdamsche Regeering, zich af van de partij van De Witt, die nog weifelde, en de uitkomst bekroonde zijne wijze staatkunde. Amsterdam erkende dankbaar, dat zijn Regenten den wensch der Burgerij waren vooruitgeloopen, en bleef rustig, terwijl elders tooneelen van wanorde en moedwil plaats vonden.

Holland werd gered; en terwijl, twee maanden na het hier verhaalde, overal elders de Staatsgezinde Regenten van hun posten verlaten werden, zag Van Beuningen zich door den Prins, die niet vergeten had, hoe hij de man was geweest, die de opdracht van het Stadhouderschap had voorgesteld, zag Van Beuningen, zeg ik, zich in het Burgemeesterschap bevestigd.

Maar, al had men nu een Stadhouder, de Amsterdamsche Regent was toch der zaak, welke hij voorstond, in ’t hart getrouw gebleven; en krachtiger dan immer stak, toen de vrees voor vijand en volksbewegingen geweken was, zijne partij het hoofd weder op. De moordlust der Haagsche burgers had, toen zij zich in het bloed der De Witte koelde, slechts nutteloos onze geschiedenis met een onteerende bladzijde bezoedeld. Zij hadden personen, geen partij gedood.