MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

VERTELLING VAN EEN HEER, DIE ZIJN KOFFER KWIJT WAS

 

Ofschoon mijn almanak Holland eigenlijk en voornamelijk bestemd is om Hollandsche toestanden, enz. te schilderen, zoo geloof ik niet, mij te groote afwijking van mijn programma schuldig te maken, wanneer ik de volgende bladzijden toewijde aan de beschrijving van den toestand van een Hollander: — en wel van eenen voor dien Hollander zeer onaangenamen toestand.
Ik voel mij daar te meer toe genoopt, omdat ik, toen het geval, dat het onderwerp mijns verhaals uitmaakt, plaats vond, innig medelijden gevoelde met gezegden Hollander: omdat ik dien persoon, omtrent wien het u, waarde lezer! vrijstaat volkomen onverschillig te zijn, van zooverre ik mij herinner, steeds groote genegenheid heb toegedragen; omdat ik hem, somtijds boven allen, doorgaans boven de meesten mijner natuurgenooten, liefheb, en hem, daarvan steeds blijken heb trachten te geven: al is het door mijne schuld, dat hij in den bedoelden, als in vele andere onaangename en pijnlijke toestanden, geraakt is: in ’t kort, omdat de Hollander niemand anders is dan .... uw onderdanige Dienaar.
Ik weet dat het van groote verwaandheid en eigendunk getuigt, dat het onbescheiden en onhoffelijk in mij is, u, waarde Lezer! over mijne eigene, en dat nog wel zeer onbeduidende avonturen te onderhouden; doch gij zult het mij voor deze reis vergeven: het is een vergrijp, waarvoor ik mij, hoeveel ik ook reeds geschreven heb, altijd heb gepoogd te wachten: en bovendien, de eenige zoetheid, die een ramp ons kan schenken, is gelegen in het recht van er over te klagen en er anderen mede te vervelen.
Gij moet dan weten, waarde lezer! dat ik op den 24sten Juli van dit jaar des morgens te zeven uren, Lane’s Private Hotel St.-Albans place St.-James’s te Londen verliet, om mij naar het station van den zuidwestelijken spoorweg te spoeden, en mij dan langs dezen naar de oude en alom bekende stad Salisbury te begeven. In deze stad zoude een groote en plechtige samenkomst van oudheidkundigen plaats hebben, en daar ik met sommigen dier Heeren briefwisseling gehouden had, was mij een uitnodiging tot bijwoning dier samenkomst toegezonden, en tevens een toegangskaart, aan de eene zijde voorzien met het opschrift: „Archaeological Institute of Great Britain and Ireland. — Annual meeting at Salisbury, July 24 to July 31 1849. Patron, the Lord Bishop of Salisbury, President, the Right Hon. Sidney Herbert M. P.”, benevens het zegel des genootschaps: aan de andere zijde eene afbeelding van the Poultrycross, een der merkwaardigste monumenten van Salisbury, en daaronder mijn naam en dien van den Secretaris. Op vertoon dier kaart kon ik aan het spoorwegbureau een briefje voor heen en terug bekomen, geldig voor de geheele week der samenkomst; terwijl een bijgevoegd gedrukt programma mij met de namen der leden bekend maakte en met de wijze, waarop de week zou besteed worden.
Aan den trein gekomen, vroeg mij de bediende, die mijn koffer van mijn rijtuig had afgelicht, naar de plaats mijner bestemming, bracht dien koffer binnen en zette hem voor mijne oogen op eene bank, waarboven met groote zwarte letteren geschilderd stond: SALISBURY.
Nu dacht ik: all right! en ging bedaard in een der wagens zitten; maar spoedig werd ik uit deze aangename gerustheid gestoord. Nauwelijks had zich de trein in beweging gesteld, of mijn oog viel op een groot bord, waarop ik in ’t voorbijrijden juist nog den tijd had de navolgende kommer-aanjagende waarschuwing te lezen:
„De Reizigers worden verzocht hunne bagage van behoorlijke adres te voorzien, en zich te overtuigen, dat die in den goederenwagon geplaatst worde.”
De waarschuwing kwam een weinig te laat. Noch aan het eerste noch aan het tweede gedeelte van het verzoek had ik voldaan, en ik was niet meer in de mogelijkheid van mijn verzuim te herstellen! — Met kwellende ontevredenheid op mij zelven over mijne achteloosheid, herinnerde ik mij, dat het op den zuidwestelijken spoorweg van Engeland niet is als op de spoorwegen van ’t Vasteland, waar men wel voor de bagage betaalt, maar deze daarentegen van een behoorlijk merk wordt voorzien, waarvan het tegenbewijs den reiziger wordt ter hand gesteld. — Aan den spoorweg, waarop ik mij nu bevond, is ieder gehouden zelf voor zijn goed te zorgen, en de Administratie stelt er zich niet voor verantwoordelijk.
Ik gevoelde mij alles behalve op mijn gemak, en zelfs de zekerheid, dat ik mijn koffer op de rechte bank had zien zetten, was niet in staat mij eenige gerustheid in te boezemen. Hoe licht toch had die koffer kunnen verzet worden, en dan was alle aanwijzing der bestemmingsplaats verloren. — Het vervolg deed zien, hoe gegrond deze veronderstelling was.
Ik wil hier de moraal, die men uit mijn opstel kan halen, maar terstond laten volgen: — ik mocht anders vergeten ze aan ’t slot te plaatsen. — Lieve lezer! zoo gij ooit op een Engelschen spoorweg reist, verzuim dan niet de boven aangehaalde waarschuwing op te volgen. Voorzie elk stuk goed, dat gij meeneemt, met een behoorlijk, duidelijk adres. Gij kunt te dien einde in alle boekwinkels daartoe bestemde papierstroken koopen, aan het boveneinde met een koperen ringetje voorzien, waardoor gij de koord haalt, die de strook aan uw koffer of doos bevestigt. — En nog zult gij wijzer doen, Lezer! uw koffer of doos, zoo die niet al te groot is, met u in den wagen te sleepen.
Wrevelig en bekommerd, had ik geen oogen voor het landschap, waarvan mij bovendien een gestadige motregen, de hooge aarden wallen, tusschen welke de trein meestentijds voortsnelde, en nu en dan eene lange, donkere tunnel beletteden veel te bespeuren. Na ruim derdehalf uur rijdens, kwamen wij aan het station van Bishopsstoke. Hier splitste zich de trein in drie of vier takken, en ik moest uitstijgen om in een der voor Salisbury bestemde wagens plaats te nemen. Ik spoedde mij naar den goederenwagen, waaruit men de voor Salisbury bestemde bagage ontlaadde. Ik keek, keek rechts, links, in den wagen, op den vloer .... alles vergeefs: wat ik zag of niet en zag, mijn koffer zag ik niet. Intusschen was de mot- in een slagregen verkeerd, en draafden en holden passagiers en bedienden om mij heen: genen om zich in de hen wachtenden rijtuigen of binnen het stationsgebouw te begeven, dezen om de goederen over te dragen, en de wagens te ontsluiten. „Moet mijn Heer naar Salisbury?” klonk het mij tegen: „haast u! haast u! want de trein vertrekt.” — „Maar mijn koffer!” schreeuwde ik van mijne zijde: „Mijn koffer is niet uit den wagen gekomen.” „O! all right! all right!” klonk het weer: en ziende, dat men de wagens overal dicht sloot en dat ik er niets bij winnen zou te Bishopsstoke te blijven, trad ik mede, nat, koud, verdrietig en nu dubbel bezorgd, een der wagens in.
Dat mijn luim er niet op verbeterd was, dat ik in de anderhalf uur, die wij nog ongeveer te rijden hadden, hoe langer hoe meer kriewelig en ongeduriger werd, zal ieder gaarne willen gelooven, al vloek ik er niet op. Intusschen, de mensch klemt zich aan eene stroowisch vast: en zoo poogde ik mij nu en dan nog te troosten met de hoop, dat de koffer, al had ik hem niet in den goederenwagen ziet zetten, er toch uit zou komen. — Maar ook dit uitzicht bleek ijdel te zijn. Wij kwamen te Salisbury: ik stapte den wagen uit, zag de wagens ontladen, mijn mede-passagiers een voor een met hunne koffers, doozen, valiezen, en matelzakken aftrekken, en bleef ten laatste alleen over, met de stellige zekerheid, dat ik van mijn koffer gescheiden was.
Nu wendde ik mij tot den stationschef, die mij beloofde, onmiddelijk naar het Waterloo-station te London te zullen schrijven. Ongelukkig bestaat er op deze vertakking nog geen telegraaf en kon hij zich dus niet dadelijk vergewissen of het verloren voorwerp te Londen was achtergebleven. ’s Mans verzekeringen, dat ik mijn koffer ’s avonds terug zou hebben, waren niet in staat mij volkomen gerust te stellen; doch wat zoude ik doen? — Geduld nemen was ’t enige dat er op zat, en zoo kuierde ik den straatweg op en naar de stad.
In het groote en voornamste logement: the White Hart gekomen, vernam ik daar van de kasteleins, dat er, ondanks de menigte kamers, die het hotel bevat, geene plaats voor mij overbleef, en zoo werd ik bij een in de nabuurschap wonende slachter gebiljetteerd. Hier werd mij, op de derde verdieping, een vertrekje aangewezen, zonder eenig uitzicht naar buiten, en dat zijn licht door de gang ontving, doch voor ’t overige zich onderscheidde door die netheid, welke de Engelsche woningen van binnen kenmerkt. Geen vuil, aan flardend hangend en overgeplakt behangsel: naakte, doch lichtgroen beschilderde wanden, een gladhouten tafel met een goeden toiletspiegel, waschkom en toebehooren, koperen pennen aan de deur om mijne kleeren aan te hangen, vier houten stoelen, en een dier ruime ledikanten, hoedanig men in Engeland alleen vindt, wel zonder gordijnen, doch met lakens, waaronder zes personen op hun gemak konden geborgen worden: ziedaar het ameublement. Wat de sieraden betrof, op den eenen hoek van den schoorsteen lag een bijbel, in zwartlederen band, en op den anderen hoek aan andere bijbel, volkomen aan den vorigen gelijk.
Nu trok ik mijn stofjas uit, en maakte mijn toilet, zoveel als iemand dat doen kan, die van de gebruikelijke hulpmiddelen daartoe verstoken is. Gelukkig lag er een stukje geurige zeep op de tafel, en daarnevens een borstel, zoodat ik mij wasschen, en het stof van mijn hoed en kleederen kon afschuieren. Van het overige, dat men bij een toilet onmisbaar acht, zou ik voor twintig jaren het gemis meer betreurd hebben dan nu: — ofschoon ik, in den grond beschouwd, er thans meer behoefte aan zou hebben dan toen. Hoe ouder men wordt, hoe meer men zorg voor zijn uiterlijk behoorde te hebben; want de natuurlijke bevalligheid der jeugd is niet meer daar om een weinig achteloosheid te doen vergeten.
Ik keerde weder naar „het Witte hart” want de maag begon hare eischen te doen gevoelen. Men bracht mij in een ontzaglijk lange zaal, waarin een onafzienbare tafel stond, zwoegende onder den last van een overvloedig getal schotels met hun ham, rundvleesch, kreeften, brood en andere voedingsmiddelen. Ongelukkig was ik de eenige, die er op dit oogenblik eenige eer aan deed. Terwijl ik mijn honger stilde, kwam een Heer binnen met een gebogen neus, een bruin gelaat, glanzend gitzwart haar en dito knevels en bakkebaarden, in ’t kort met een uiterlijk, dat men eerder aan een cavalerieofficier dan aan een oudheidkenner zou hebben toegeschreven. Zich op een canapé hebbende neergevleid, bewaarde hij een wijl het stilzwijgen, en toen, zijn horloge uithalende: — „Het zal geloof ik tijd zijn voor de Vergadering,” zeide hij, half in zich zelven, half met den blik vragend naar mij toegekeerd.
„Weet gij waar de plaats der samenkomst gelegen is?” vroeg ik, opstaande.
„Neen; maar wij zullen die wel vinden,” antwoordde hij, en wij rezen beiden op om ons naar de Assembly - Rooms te begeven, waar de Introductory - Meeting gehouden zou worden. De weg derwaarts was spoedig gevonden en tegen 12 uren ongeveer traden wij de vrij ruime, doch zich door niets buitengewoons kenmerkende Vergaderzaal binnen.
Een gedeelte van het gezelschap was reeds aanwezig en anderen, zoo Heeren als Dames, kwamen langzamerhand binnen. Ik liet mij door mijn geleider de Heeren Way en Hawkins wijzen. Met den eersten, een der Secretarissen van het Genootschap, was ik reeds door briefwisseling bekend; voor den anderen, een der hoofdambtenaren bij het British Museum, had ik een briefje van aanbeveling, ’t welk ik gelukkig niet in mijn koffer had weggesloten. Met beide Heeren kon ik slechts een paar woorden wisselen, daar de werkzaamheden der Vergadering weldra een aanvang namen. Het is in Engeland de gewoonte, de leiding van dergelijke bijeenkomsten althans gedeeltelijk, op te dragen niet aan een eigenlijke geleerde, maar aan iemand van hooge geboorte, die door zijn invloed en middelen de belangen des Genootschaps bevordert: en zoo was dan ook hier de Markies van Northampton, toen hij aan de deur van ’t lokaal uit zijn rijtuig stapte, door het Bestuur des Instituuts verzocht geworden de openingsrede te houden: een verzoek, waaraan door hem gereedelijk werd voldaan. Daar het nog voor den eten was, vertoonde zich elk der aanwezigen en négligé, en de Markies van Northampton zag er wel het genegligeerdste van allen uit. Alles aan zijn lijf had een vallend, loshangend voorkomen: zijn lichtgrauwe haren hingen sluik naar beneden: zijn halsboorden hingen slap over zijn das: de slippen van zijn das, doorkruist met een slap bungelend lorgnetband, hingen slap over zijn vest; zijn jabot en vest hingen hem als in een zak op de maag: zijn overjas (hij had geen rok aan) fladderde hem om ’t lijf, en van die jas fladderden hem lissen en koorden langs de borst en maag neer. In ’t kort, de man zou u volkomen het denkbeeld hebben gegeven van een wandelenden treurwilg, hadden niet de levendige uitdrukking zijner oogen en de spotachtige glimlach, die bestendig om zijn lippen zweefde, van een vernuftigen geest en een blijmoedige stemming getuigd. Zich voor den voorzittersstoel geplaatst hebbende, ving hij zijn openingsrede aan; doch al wederom was zijn taal in harmonie met zijn voorkomen: want de woorden vielen hem, rad en snel als de stroom van ’t molenrad, als vanzelve uit den mond. Zijn toespraak bracht menigen lach en nu dan uitbundig gejuich teweeg. De aanhef diene tot een staaltje:
„Dames en Heeren! Daar mijn waardige vriend, de Markies van Lansdowne, door hoogere plichten te Londen weerhouden, zich buiten de mogelijkheid heeft gezien deze bijeenkomst te openen, is mij de eervolle taak opgedragen geworden. Het is niet zonder schroom, dat ik mij daarvan kwijt, Dames en Heeren! .... of moet ik zeggen Heeren Dames? Dat is een moeilijk vraagpunt; — maar ik geloof toch dat ik beter zegge: Heeren en Dames; want aan den ouderdom komt de voorrang toe, en Dames worden nooit oud.”
Zijn taak volbracht hebbende, ruimde hij den zetel in aan den eigenlijke Voorzitter, the Right Hon., Sidney Herbert M.P. Deze leverde het volkomenste type van den Engelschen edelman. Hoezeer reeds werkzaam in de gewichtigsten betrekkingen, was hij nog in den bloei der jaren: rijzig en kloek was zijn gestalte: zijn gelaatstrekken schoon en regelmatig; doch het was niet die koude, doodsche regelmatigheid, die wij bij de massa der Engelschen bespeuren: het was de kracht van den Noorman, de verbeelding van den Brit en het denkvermogen van den Saks, die er vereenigd op te lezen waren. In eene rede, welke ruim een halfuur duurde en met ingespannen aandacht werd aangehoord, schetste hij aan zijn toehoorders het doel der Vereeniging af, schilderde vervolgens het nuttige, het gewichtige, ja het aanlokkende der archaeologische studiën, en betoogde ten slotte hoe Salisbury, om de oudheden, die de stad en hare omstreken bevatten, en om de groote mannen, die het had voortgebracht, boven andere plaatsen een geschikt vereenigingspunt was voor de minnaars en beoefenaars der oudheidkunde. Toen hij geëindigd had, werd het door hem gesprokene nader bevestigd en aangedrongen door den Bisschop van Oxford. — Gij moet u hier, waarde lezer! geen vader Gozewijn voorstellen in zijn pontificaal. Een Engelsche Bisschop is gekleed als onze predikanten: met dit onderscheid, dat hij een zijden voorschoot draagt, waarvan de eene slip is opgenomen en boven vastgehaakt, en geen steek draagt, maar een hoed met lagen bol en breede randen, aan weerszijden opgetoomd en met zwarte koorden voorzien. De Bisschop van Oxford is mede nog in de kracht zijns levens, doch vrij gezet, ’t geen aan zijn voorkomen meer deftigheid bijzet: zijn gelaat is breed en kleurloos, zijne wangen flets en gerimpeld, en zijn mond, wanneer hij spreekt, niet weinig scheef; — maar toch laat u de uitdrukking van het geheel de aangenaamste herinnering na; want hij heeft de schranderste en liefste oogen, die men zien kan, en wier wedergade men alleen in de diergaarde te Londen, en wel in ’t hoofd der giraffe, kan vinden; en daarbij een allerwelluidenste, het hart doordringende stem. Na hem sprak zijn ambtgenoot van Salisbury, een lang, mager en meer bejaard man, met een geweldig hoog, kaal en glinsterend voorhoofd, en vertelde ons, dat, dewijl de cholera zoo vreselijk in de stad heerschte, er te dezer gelegenheid geene uiterlijke feestvieringen zouden plaats hebben en hij ons ook niet, gelijk hij gehoopt en het programma vermeld had, aan zijn paleis zou kunnen ontvangen.
Ik kan niet zeggen, dat deze mededeling een aangename uitwerking op mij deed. Vooreerst was het eene min welkome tijding voor iemand, die gedeeltelijk door choleravrees uit Amsterdam gejaagd was, te vernemen, dat hij hier van Charybdis in Scylla was vervallen; ten andere herinnerde ik mij het afzeggen van de partij bij den Bischop het gemis van mijn koffer, ’t welk ik begon te vergeten; want in dien koffer bevonden zich mijn beste kleren, mijne decoraties en wat ik zoo verder had ingepakt om mij bij die gelegenheid eens op zijn Zondagsch te vertoonen. Van dat oogenblik was alle belangstelling in het verhandelde bij mij geweken, te meer, daar het voor de vuist spreken gedaan was, en men tot het lezen van geschreven vertoogen overging. Eerst stond een oud heer op, met grijs haar, een grooten bril en een neus en kin, die te samen de gedaante van een nijptang vormden. Hij plaatste gezegden bril, neus en kin achter, of liever in zijn handschrift en begon met een flauwe, piepende stem eene verhandeling voor te dragen, waar ik niets van verstond, en, vrees ik, de meesten mijner medetoehoorders ook niet. Het moet echter zeer mooi en belangrijk zijn geweest, en hij werd er heel feestelijk voor bedankt. Toen volgde een oud, kort, ineengedrongen ventje in ’t zwart, met een dik hoofdje, lange witte haren, en bolle, over zijn das nederhangende wangen, die een verschrikkelijk vervelende necrologie voordreunde van allerlei geleerde mediocriteiten, die te Salisbury gewoond hadden en dáár ook beroemd waren geweest. Men kan begrijpen hoe een dergelijk vertoog geschikt was om de dames te amuseeren. Eene der dochters van den Markies van Northampton, eene alleliefste brunet, die in mijn buurt zat, kon dan ook, telkens als het kleine ventje met zijn schelle stemmetje een nieuwe periode begon, zich nauwelijks bedwingen om van lachen uit te proesten en wist niet waarheen zich te wenden om zich goed te houden. Ik heb haar later niet teruggezien; misschien had papa haar verboden zich weder op een dergelijke bijeenkomst te vertoonen, zoolang zij haar fatsoen niet beter wist te bewaren.
Alle dingen op aarde nemen een eind, en zoo ook het vertoog van ons mannetje en de voorbereidende samenkomst. De toehoorders verlieten de zaal en ik stond wederom alleen op straat. Het weer was fraai geworden: ik ging de heerlijke Domkerk — na die van York de schoonste van Engeland — beschouwen en wandelde de stad eens rond, die weinig merkwaardigs oplevert. Vrij breede straten, met zeer lage huizen, voor welke en goot loopt, half beek, half riool, wier invloed wellicht onder de hoofdoorzaken gerekend mocht worden van de verwoestingen, door de cholera onder de inwoners van Salisbury aangericht.
Te drie uren stromden al de leden des Genootschaps en al wie met een toegangskaartje voorzien was, naar het Raadhuis, waar hun een collation wachtte, aangeboden door den Mayor en den Gemeenteraad. In het voorportaal werden hoeden en parapluies afgegeven; doch de stadsbode en zijn dochter, dit werk niet gewend zijnde, hadden verzuimd de nummers der kaartjes, die er aan werden vastgehecht, behoorlijk naar de rij af gereed te houden: zoodat, wanneer de vader 90 aan een hoed vasthechtte, de dochter genoodzaakt was uit een dubbel honderdtal dooreen geschudde kaartjes nummer 90 op te zoeken om tot contramerk te dienen. men kan zich voorstellen, dat dit niet weinig gedrang veroorzaakte. Eindelijk echter was ieder tegen behoorlijk tegenbewijs van zijne eigendommen verlost en wandelden wij de groote zaal binnen, waar twee wel aangerechte tafels, van welke de eene een uitsprong in ’t midden had in de gedaante van een hoefijzer, ons verbeidden. Ik had een hupsch jongmens tot buurman, Morgan genaamd, met wien ik in een aangenaam onderhoud zat, en de in overvloed geschonken port en champagne deden voor mij, voor een wijl, mijn koffer vergeten. De Mayor der stad, een driekleurig Heer met een bluwen rok, wit vest en rood haar, die aan den disch voorzat, en zeide, dat hij, om alles wat naar feestelijkheid zweemen zou, te ontgaan, slechts één toost in zou stellen, namelijk: Wij. Een weinig later stond een ander Heer en vroeg, of men tenminste niet de gezondheid zou drinken van den Mayor en den Gemeenteraad, om hen voor hun heusch onthaal te bedanken. Terstond rees een derde en wel een geestelijk Heer op, die nabij den Mayor zat, en zeide, dat, indien er toosten veroorloofd waren geweest, hij niet verzuimd zou hebben te doen, wat nu de eerste spreker deed, en sprak nu een kwartier om te betoogen dat er niet gesproken moest worden: waarop de Mayor vergunning gaf, dat men zijne gezondheid zou drinken, mits zonder toejuichingen.
Zodra was niet de maaltijd afgeloopen, of ik liep naar het station; maar hier was nog geen tijding van mijn koffer gekomen. Mistroostig keerde ik terug en bevond mij te 8 uren weder in de Assembly - Rooms, waar de Deken van Hereford, een deftig en doorkundig man, een belangrijk en met teekeningen opgehelderd vertoog hield over eenige opgravingen, in naburige grafheuvels gedaan.
Te 10 uren vereenigden zich de meeste leden en bezoekers in de herberg rondom de theetafel: ik maakte hier kennis met den Deken van Hereford en met den Heer Hawkins, dien ik ’s morgens slechts van terloops gesproken had. De laatste heeft een fraai, deftig voorkomen, doch een bestendigen trek van spotternij op zijn gelaat, die niet verminderde toen ik hem mijn ongeval vertelde. „Maar gij hadt uw koffer met een goed adres moeten voorzien,” zeide hij: — en dat was al de troost, welken ik dien avond van de gasten verkreeg.
Intusschen was het opnieuw vrij ontstuimig weer geworden; de regen kletterde tegen de ramen en de donder deed zich bijwijlen in de verte hooren. „Waarlijk,” zeide ik, toen ik huiswaarts keeren zou, tegen den Heer met de zwarte knevels en bakkebaarden, mijn eerste kennis te Salisbury; „niet alleen dat mijn koffer zoek is, maar nu vrees ik, dat mijn nachtverblijf ook zoek zal wezen. Hoe ik het althans in zoo donker een nacht terugvind, weet ik niet.”
Ik had deze woorden bloot schertsende gezegd: en toch had het weinig gescheeld, of zij waren bewaarheid geworden. Op straat was het stikdonker: beneden schenen evenmin gaslichten, als sterren aan de lucht, en alle winkels waren lang gesloten: de regen werd als met emmers vol uit de wolken neergegoten: van tijd tot tijd stortte deze of gene dakgoot een stroom waters op mijn parapluie of ook wel op mijn schouder uit: en ik waadde tot de enkels door de plassen: — alles zeer verkwikkend voor iemand, die weet, dat hij thuis geen droog goed vindt.
De weg naar mijn slager was niet lang, en weldra stond ik voor zijn winkel; maar o wonder! de huisdeur was verdwenen. Hoe ik keek en zocht, nergens een deur of spoor van een deur: nergens zelfs een bel of klopper: het geheele voorhuis was achter een luik verborgen.
Na een poos vrij mal te hebben staan kijken, belde ik bij den rechter-buurman, een kruidenier aan. Hier was een deur, die ook openging: twee jonge meisjes vertoonden zich in ’t voorhuis. „Hoe komt men bij den slager binnen?” vroeg ik. „Aan de andere zijde!” was het antwoord — en meteen ging de deur weder dicht.
„Aan de andere zijde! Hm! ja! dan moet ik bij den kapper wezen,” dacht ik, en belde aan bij den buurman ter linkerzijde. Doch de jonge deernen van den kruidenier schenen zelven begrepen te hebben, dat hare verklaring mij niet genoegzaam op ’t spoor zou brengen: zij deden de huisdeur weder open, kwamen, elk met een parapluie gewapend, mij ter hulp, gingen mij vooruit door een donker gangetje, dat nog voorbij den kapper gelegen was, en geleidden mij zoo, achter het huis van dezen om, op de binnenplaats en tot in de woning van mijn huisbaas. Bibberend van koude trad ik naar mijn eenzame kamer, smeet mij de natte kleeren van ’t lijf, sloeg mij, in stede van nachtdas, een gelukkig medegebrachten comforter om den hals, kroop in de veeren, rekende de schade uit, die ik zou lijden, indien mijn eigendom eens niet te recht kwam, sliep in — en droomde van vermiste en terechtgebrachte koffers.
Den volgenden morgen was mijn eerste werk weder naar het station te gaan; doch helaas! steeds met even ongunstigen uitslag. Na het ontbijt deed ik een wandeling met den Heer Morgan, en bij gelegenheid, dat wij elkander vroegen waar wij thuis lagen, ontdekten wij, dat wij beiden in dezelfde woning, bij Tugwell den slachter, in kwartier lagen. „Dat komt goed,” zeide ik: „de knecht in ’t hotel schrijft al mijn vertering op onder de naam van „de Heer, die bij Tugwell thuis ligt.” Daar hij u waarschijnlijk onder dezelfde benaming kent, heb ik altijd deze toevlucht, om, indien mijn koffer niet te recht komt, stil het pad op te gaan en u voor de rekening te laten zitten.”
Tegen elf uren ongeveer kwamen zoodanige leden en bezoekers, als zich den dag te voren daartoe aangemeld en achtehalve shilling (f 4.50) betaald hadden, voor het Raadhuis, om van daar gezamenlijk de merkwaardigheden der vlakten van Wiltshire te gaan bezoeken. Het was koddig, de verzameling van rijtuigen te zien, die men overal in en buiten de stad had opgeschommeld, om er de oudheidminnaars mede te vervoeren. Afgedankte postkoetsen, landauwers, vigilantes, sjeezen en tilbury’s, men had er van alle soort. De plaatsen, welke de medereizenden in die rijtuigen bekleeden zouden, werden voor de eerstkomenden door hun vrije keuze, voor de anderen door toeval geregeld. Ik had mij, daar ik, als Bias, al het mijne bij mij droeg, en mij aan den regen niet wilde blootstellen, dadelijk van een hoekje verzekerd in eene vrij gemakkelijke vigilante, en weldra waren ook de drie overige plaatsen bezet, terwijl een vijfde passagier zich naast den koetsier plaatste. Het leed niet lang, of al de rijtuigen waren volgeladen en reden in processie de stad uit.
„Ik zal u hier, waarde lezer! noch eene uitgebreide beschrijving van den weg, die wij aflegden, noch een omstandig verslag geven van de gesprekken, tusschen mijn reisgezelschap en mij gevoerd. Van den weg zal ik alleen zeggen, dat hij vrij eentonig was, als meest over schrale, slechts hier en daar bebouwde vlakten loopende; en wat mijne tochtgenooten betreft, niet één was er onder hen, die de anderen kende, en vooral begreep geen van drieën, wie ik was, of waar ik van daan kwam. Zooveel bespeurden zij echter, aan eenige scherts, welke ik mij nu en dan veroorloofde aangaande sommige nasporingen, die gedaan waren of zouden worden, dat ik geen oudheidkundige van de echte soort was.
Nadat wij eene kleine twee uren gereden, en dat zich in het dorp Amesbury menschen en paarden ververscht hadden, kwamen wij op eene uitgestrekte, ja schier onafzienbare heide, en kregen de grafheuvels in ’t gezicht, waarvan de beschouwing een der oogmerken was van onzen tocht. Deze grafheuvels, waarvan er hier op niet grooten afstand van elkander wel een honderdtal aanwezig zijn, zijn van den tijd der oude Britten herkomstig en in vele daarvan zijn belangrijke voorwerpen uit vroegere dagen gevonden. Nu waren de Dekens van Westminster en van Hereford, de eerste voorzitter, de tweede een der ondervoorzitters van de sectie der oude en middeleeuwsche antiquiteiten, reeds in den vroege morgen vooruitgereden om een paar grafheuvels (barrows, gelijk men die daar ter plaatse noemt) op te laten graven en ons te vergasten op de curiosa, die zij er meenden uit te delven. Weldra kwamen wij ter plaatse waar zij met hun arbeiders bezig waren, en waaromheen reeds een aantal lieden uit den omtrek, van elken stand, kunne en ouderdom vergaderd waren. De rijtuigen hielden stil en wij stapten allen uit. Het weer was nu bij uitstek schoon geworden, en het was een fraai schouwspel, dat de vlakte opleverde. Nooit had zij wellicht sedert de tijden, dat hier, gelijk men beweerde, een Britsch dorp had gelegen, zulk een talrijk, en vooral zulk een aanzienlijk gezelschap bijeengezien, welk gezelschap nog bestendig bleef aangroeien. Nu eens waren het elegante equipages, dan weder Heeren en Dames te paard, die dwars over de heide kwamen aangereden, hier boeren en boerinnen op hunne karretjes, ginds herders en soldaten uit den omtrek. Dat alles woelde en zwermde dooreen, en vooral om en op de grafheuvels krioelde het als een mierennest. Jammer maar, dat de gedane nasporingen tot geen beteren uitslag leidden. In den eenen grafheuvel vond men niets: uit den anderen kwam, juist toen ik hem naderde, een kakebeen te voorschijn, een vondst, die de harten met hoop vervulde.
„Dat ’s van een hond,” zei ik, toen ik het van nabij beschouwde.
„Juist!” antwoordde een der oudheidkenners: „het was de gewoonte bij de Britten, den getrouwen jachthond aan de voeten zijns meesters te begraven.”
„Wel mogelijk,” zeide ik: „maar er loopen hier nogal herdershonden ook in de buurt.”
„Gij zijt een booze scepticus,” was het antwoord.
Of nu de voormalige eigenaar van gezegd kakebeen met dezen of genen Britschen vorst uit de derde eeuw achter de hinden, dan wel met een Engelschen herder uit onzen tijd achter de schapen geloopen heeft, is een vraagpunt, dat in ’t duister is gebleven; want men vond wijders niets in dezen grafheuvel.
Ja, men vond toch iets:
Men vond een looden plaat, waarop geschreven stond, dat deze zelfde heuvel in den jare 1804 — reeds uitgegraven was geworden!
De Dekens en hunne medeleden keken op hun neus, en binnen weinige minuten was de geheele trein weder op weg en naar Amesbury terug.
Vandaar trok hij, nog gestadig als een sneeuwval aangroeiende, naar het beroemdste en grootste gedenkteeken der Keltische bouwkunst, dat Groot-Brittanië, ja dat wellicht Europa oplevert. Nauwelijks hadden wij een kwartier zuidwaarts van het dorp gereden, of wij zagen voor ons het reusachtige Stonehenge.
Wie Stonehenge niet gezien of er nooit van gehoord heeft, wete, dat het een monument is, uit ruwe reusachtige steenklompen samengesteld, die twee aan twee, en telkens met een deksteen boven de twee, in twee cirkels, den eenen binnen den anderen, geplaatst zijn. Binnen de middelsten cirkel ligt een zware steenklomp, die waarschijnlijk tot altaar diende. Enkele steenen zijn omgevallen; doch over ’t geheel is het gedenkteeken nog in vrij goeden staat. Tot welk einde het gediend hebbe, zal ik niet beslissen; zekere geleerde, wiens naam mij ontschoten is, had, in een betoog, dat den vorige avond in de Assembly - Rooms gelezen was, beweerd, dat de bouwmeester van Stonehenge den ring van Saturnus (!) had willen afbeelden. Om deze vreemde stelling te bewijzen, had zich de man genoodzaakt gezien het bewijs te leveren, dat de oude Britten telescopen hadden bezeten, zonder welke zij moeilijk dien ring hadden kunnen gewaarworden: — en dat dit bewijs niet overtuigend geleverd werd, zal ik wel niet behoeven te zeggen.
Weldra stonden wij allen binnen den omtrek van den cirkel opeengedrongen: op het altaar zelf, de Deken van Westminster, Dr.Buckland, een kloeke, gezette, levendige grijsaard, met een hamer in de rechter, een kaart van den omtrek in de linkerhand, gereed om eene toespraak aan de vergadering te houden. Achter en nevens hem stonden of zaten de Deken van Hereford, de Bisschop van Oxford, met stevels aan de voeten en een karwats, in de plaats van een herdesstaf, in de hand, de Heer Sidney Herbert en verscheidene andere mannen van naam in het vak der oudheidkunde. Vóór hem, in de binnenste rij, eene talrijke schaar van aanzienlijke Ladies en bevallige amazonen; en daarom heen de talrijke menigte. Doch aller oogen waren op Dr.Buckland gevestigd, met gespannen verwachting naar hetgeen hij zou mededeelen. Die verwachting werd door den vernuftigen Deken niet teleurgesteld. Eerst kwam een allegeestigste inleiding, waarin hij de onderscheidene meeningen aangaande de oorspronkelijke bestemming van Stonehenge doorliep, en onder anderen, tot groot vermaak der toehoorders, den schoolmeester van Amesbury, die beweerd had, dat het gedenkstuk door Kaïn gesticht was, op de kluchtigste wijze aan de kaak stelde en hem stellig voor altijd zijn krediet bij zijne scholieren benam. Toen gaf hij op vrij aannemelijke gronden te kennen, dat, naar zijn gevoelen, Stonehenge een zonnetempel geweest was, en wel die, waarvan Tacitus gewag maakt. Het was jammer, zeide hij, dat de steenen op sommige plaatsen waren omgerold; doch de vorderingen, die de werktuigkunde gemaakt had, zou het wel niet moeilijk zijn die op te richten, en nu wendde hij zich tot de voor hem staande Lady Antrobus, echtgenoote van Sir Edmond Antrobus, Bart., aan wien de grond, waarop Stonehenge zich bevindt, in eigendom toebehoort, met de vraag, of zij dergelijke herstelling van het gedenkteeken zou vergunnen. Sir Edmund, het woord voor zijn vrouw opnemende, gaf de verlangde toestemming, en nu werden door den Bisschop van Oxford, den Deken van Hereford en den Heer Sidney Herbert nog eenige vertoogen gehouden, betreffende het op den dag verrichte, bij het houden waarvan de altaarsteen hun bestendig tot katheder diende.
Weder in onze rijtuigen gestapt, reden wij den weg naar Amesbury terug; doch in plaats van dien tot in het dorp te vervolgen, sloeg onze geheele processie onverwachts, linksaf, het park in van Sir Edmund. een fraaie, door een dicht begroeid bosch kronkelende laan bracht ons op het hoogste punt dier vorstelijke bezitting. Hier stegen wij af en begaven ons langs een glooiend oploopend grasperk naar twee groote tenten, onder welke vijf lange tafels waren aangerecht, beladen met keur van spijzen en van ooft. een geheel onverhoopte en niet minder welkome verrassing! — Onder die tenten nam nu het geheele gezelschap, wel 300 personen sterk, door elkander plaats, en weldra toonden de Oudheidkenners, door met graagte op de voor hen staande schotels aan te vallen, dat zij, om het verledene, het tegenwoordige niet geheel wilden verwaarloozen. Mij althans was de taak opgelegd, eene voor mij staande reusachtige vleeschpastei voor te dienen, en zoo aanhoudend waren de aanzoeken om er een deel van te bekomen, dat in weinige minuten de schotel zoogoed als ledig was. Ook de wijn ontbrak niet, en talrijke manden, in mijn nabijheid op het gras staande, getuigden, dat er vooreerst geen vrees voor gebrek aan lafenis behoefde gevoed te worden. In ’t kort, het was een feestelijk onthaal, bij ’t welk de bruiloft van Kamacho slechts kinderspel was, en hoedanig alleen in Engeland door een particulier aan zulk een schare van door het toeval verzamelde, en hem grootendeels onbekende gasten gegeven wordt.
Na den afloop van het collation vormde zich een gezelschap in verscheidene groepen. Mij in de nabuurschap van Lady Antrobus bevindende, hoorde ik, dat zij zich in volkomen zuiver Fransch onderhield met zekeren pére Martin, een Fransch geestelijke, die mede van de partij was, en met den zwart geknevelden en gebaarden Heer, van wien ik reeds meer gesproken heb.
„Stel mij nu ook voor aan onze Gastvrouw,” fluisterde ik dezen laatsten in: „dan heeft zij Frankrijk en Holland bij elkander.”
„Met genoegen,” antwoordde hij: „maar,” voegde hij er bij, zich bezinnende: „maar uw naam is mij ontschoten.”
„Dat kan niet wezen,” hernam ik lachende: „want ik heb u dien nog nooit gezegd.”
Nu! ik gaf mijn naam op en werd in behoorlijken vorm voorgesteld aan Lady Antrobus, die mij ontving met al de minzaamheid, welke ik van eene vrouw van hare geboorte en beschaving verwachtte, en mij onder andere verhaalde, dat zij een dochter in Holland had wonen, die met den Heer Elliot, Secretaris van ’t gezantschap, gehuwd was. Holland en zijne bewoners waren haar dus zoo vreemd en onbekend niet, als ik eerst zou vermoed hebben.
Al pratende waren wij langzamerhand den rand genaderd van den heuvel, waarop zich het tusschen hoog geboomte besloten grasperk bevond. Aan onze voeten kronkelde de Avon, een kleine rivier, door het park, om wat verder een bruisende waterval te vormen. Vóór ons lag een uitgestrekte vlakte met fijn gras begroeid, en waarover hier en ginds de heerlijkste boomen verspreid waren. Op den achtergrond vertoonde zich het heerenhuis, een ruim en deftig gebouw, welks prachtig voorportaal met eene zware zuilenrij pronkte: en daaromheen was de gezichtseinder door donker geboomte afgesloten. Rechts en links was de heuvel met dennen beplant, tusschen welke sommige leden van ons gezelschap vermaak schepten op en neder te klauteren; bij gelegenheid waarvan ik nog het geluk had, aan een aardige jonge Lady het zijden schoentje terug te bezorgen, dat zij, als een tweede Asschepoester, in den door den regen doorweekten grond had laten steken.
Na ons ruim een uur verlustigd te hebben in de aanschouwing der natuurschoonheden, ons hier zoo ruimschoots aangeboden, zochten wij onze rijtuigen weder op en werd de terugtocht naar Salisbury hervat. Nog eenmaal echter zakten wij zijwaarts af, om Old Sarum te bezichtigen, of liever de hoogte, waarop die voormalige Britsche vesting, die later tot de rotten boroughs behoorde, gestaan heeft. Van Old Sarum, dat aan Dalisbury het aanschijn schonk, is niets meer overig dan een enkele muurklomp, nauwelijks groot genoeg om door een vluchtigen bezoeker te worden opgemerkt.
Tegen 7 uren waren wij te Salisbury terug: de aangename afleiding, welke dit uitstapje aan mijn gedachten gegeven had, was voorbij, en mijn brein begon zich opnieuw uitsluitend met mijn koffer bezig te houden. Nauwelijks het rijtuig ontstegen, snelde ik opnieuw naar het station; — Helaas! de chef had naar Londen geschreven en tot eenig antwoord bekomen, dat de koffer niet aan het Waterloo-station was.
Benauwd, bekommerd en verlegen keerde ik huiswaarts, met een gezicht van een el lang, en terwijl mij het huilen nader dan het lachen stond. ’t Was niet slechts het gemis mijner kleeren, dat ik betreurde: hoezeer mijn boordje mooi slap begon te hangen en mijn vest zijn witheid begon te verliezen; maar in dien koffer zat mijn reiskasset, en in die kasset mijn geld, ja, wat nog erger was, mijn papieren, voor anderen zonder, voor mij zelven van hooge waardij: en dan nog eenige boeken, onder anderen het werk van Prof. Jansen over de Drentsche Oudheden, ’t welk ik met opzet en als een geschenk voor het Genootschap had medegebracht. Juist nu, na Stonehenge en de grafheuvels van Wiltshire gezien te hebben, gevoelde ik mij in staat om, met behulp van gezegd werk, eene voorlezing tot het Genootschap te houden, waarbij de vorm, de bouw, het steen en de waarschijnlijke bestemming onzer Drentsche gedenkteekenen met die van Cromlechs in Engeland zouden worden vergeleken: en nu juist miste ik dat boek, en dientengevolge niet slechts de noodige wetenschap, maar ook allen lust en opgewektheid tot zoodanige een arbeid. — Ik ging weder naar de avondzitting, die nu in de zaal van ’t Raadhuis gehouden werd; doch ik was niet in een stemming om bijzondere oplettendheid te wijden aan de geleerdheid, die aldaar werd uitgekraamd, en zelfs zijn mij de namen ontgaan van hen, die toen gesproken hebben. De vragen, die zoo dáár, als na den afloop der zitting, in de herberg tot mij gericht werden, of ik mijn koffer terug had, beantwoordde ik met zulk een treurig hoofdschudden, dat ook zij, die vroeger met mij geschertst hadden, mij thans oprecht begonnen te beklagen. Ik was recht overspannen toen ik naar bed ging, en nog verwondert het mij, dat ik zoo dadelijk de weldadige vertroosting van den slaap genoot; doch het ging met mij als met de kinderen, die nooit spoediger inslapen, dan wanneer zij over ’t een of ander recht bedroefd zijn.
Naar aanleiding eener afspraak, met eenige vrienden te Londen gemaakt, was mijn afreize reeds bevorens op den volgenden dag bepaald: zonder versche plunje kon ik niet wel langer te Salisbury blijven: en ik achtte het bovendien zaak, zelf naar het Waterloo-station te gaan en mijn koffer op te sporen. Zodra ik dus was opgestaan, haastte ik mij, mij naar de herberg te begeven en gaf den Heer Hawkins, dien ik aan de ontbijttafel ontmoette, kennis van mijn besluit om met den trein van éénen te vertrekken.
„Gij wilt ons dus reeds verlaten?” zeidde hij.
„Ja! maar daar is een maar.”
„En welke?”
„Ik moet om een reispenning bedelen. leen mij twee souvereins.”
„Zult gij daar genoeg aan hebben?” vroeg hij lachende, terwijl hij de twee goudstukken mij ter hand stelde.
„Ik denk van ja,” antwoordde ik en ging naar beneden. Toevallig sloeg ik een blik naar een donkere zijgang naast het voorportaal. — Was het een droom? — een zinsverbijstering? — een begoocheling? — neen .... ’t was .... mijn koffer.
Waar was hij geweest? waar had hij gezworven? had hij half Engeland op den spoorwagen omgereisd, of was hij als een verschoveling op het Waterloo-station blijven staan? ik vroeg het hem niet, ik onderzocht het niet, en ik weet het tot heden niet.
„Kom aan mijn kloppend hart!”
riep ik in vervoering uit, pakte hem op, droeg hem het spreekkamertje binnen, ontsloot hem, haalde er een schoon boordje, een schoonen zakdoek, een handvol souvereins en de Oudheden van Drente uit, en snelde weder naar boven.
Juist aan de deur ontmoette ik den Heer Hawkins, wien ik in zegepraal zijn twee goudstukken toestak.
„Is het verloren schaap inderdaad te recht? Ik wensch u geluk,” zeide hij, het goud bergende: „ik heb in lang geen geld met zooveel genoegen ontvangen.”
Nu had ik spoedig een kring om mij heen: de Heer met zijn zwarte knevels, de jonge Morgan, en een dozijn anderen kwamen nevens mij zitten om de uitlegging te hooren der platen, die bij het werk van den Heer Jansen zijn gevoegd, en waarmede ik mijne vertellingen over de Cromlechs en grafheuvels van Drente ophelderde.
Ik voelde mij nu volkomen opgewekt om desnoods twee uren lang te redeneeren, en dewijl ik eerst te één uur op den trein behoefde te zijn, en er te 11 uren weder eene samenkomst was op het Raadhuis, begaf ik mij derwaarts, wachtte de komst des Algemeenen Voorzitters af, en vroeg dezen of het mij vergund zoude zijn, mede een vertoog te houden.
„Spreek daarover met het Comité,” antwoordde de Heer Sidney Herbert: „ik laat de beschikking over dat alles liever aan die Heeren. Gij zult den Heer Way waarschijnlijk wel boven vinden.”
Ik boog en ging zitten; want er was reeds een Heer voor een zwart bord verschenen, dat met architectonische teekeningen behangen was, en waarover hij nu begon te redeneeren. Toen het naar 12 uren liep, sloop ik de zaal uit, naar de bovenkamer, waar het Comité voor de werkzaamheden zat, en stelde den Heer Way de medegebrachte boeken ter hand.
„Het spijt mij, dat ik juist nu vertrekken moet,” zeide ik: „ik had gaarne het een en ander aan het Genootschap medegedeeld, naar aanleiding van dit werk en van wat ik gisteren gezien heb.”
„Gij moet te minste tot morgen blijven,” zeide hij: „de Heer Sidney Herbert verlangt zeer, uw kennis te maken: morgen ontvangt hij ons op het huis te Wilton: het geheele kasteel, de kostbare boekerij, het Park, de tuinen, alles zal voor ons openstaan.”
„Het doet mij inderdaad leed,” hernam ik, „mij de genoegens te moeten ontzeggen, die gij mij zoo aanlokkelijk afschildert, en die ik thans met een opgeruimden geest zou kunnen smaken; maar de oogenblikken zijn voor mij geteld en ik moet van hier.”
Het volgende uur zag mij, met mijn koffer, dien ik deze reis niet uit het oog verloor, en waarin ik de door den Heer way mij geschonken werken des Genootschaps had weggesloten, op den spoorweg naar Londen.
Van achteren gevoelde ik wel eenig leedwezen, Salisbury te verlaten op het oogenblik, dat ik met de belangrijkste Leden des Genootschaps kennis begon te maken, en nu ik, door geen zorg langer gekweld, ongetwijfeld meer genoegen zou gesmaakt hebben dan tot die tijd mijn deel was geweest. Niet weinig werd dat leedwezen vermeerderd, toen ik, een paar dagen later, in de nieuwspapieren de beschrijving las van de luisterrijke ontvangst, die de bezoekers op Wilton genoten hadden.
Maar voor hen was mijn vertrek geen ongeluk. Zij werden er door verlost van de redevoering, waarmede ik hen bedreigd had.

 


Ingezonden door Aldius Bakker op 19 July 2001