Novellen

Jacob van Lenneppagina

Het Godsoordeel

I De vreemde ruiter

”Hei, heisa, daarbinnen!”

Zoo klonk een rauwe, doordringende stem, tusschen het gegier van den wind en het gekletter der regenvlagen door, voor de deur van de herberg ”De Witte Os”, buiten de poorten de Sint-Japikspoort te Delft, binnen welke eenige eerzame poorters uit de stad, rondom en onder de hooge schouwe, hun pintje slappen Rijnwijn of hun kan gerstebier, onder een aangenamen kout zaten te nuttigen.

Met meer vlugheid dan men van den korten, dik gebuikten man zoude verwacht hebben, haastte zich Thomas Pietersen, onder welken naam de waard in gezegden Witten Os bij vriend en vijand bekend stond, naar de deur, voor welke een lam en onbeslagen paard, zooeven te voren had stilgehouden, terwijl de daarbij behorende ruiter, van koude en nattigheid verkleumd, in den zadel zat te bibberen en met ongeduld zijn geroep bleef herhalen.

”Breng het beest op stal en laat het goed gevoederd worden,” zeide de reiziger, den teugel aan den waard toewerpende: ”ik moet zoo aanstonds weer verder.” En meteen liet hij brommende en vloekende zich van ’t paard glijden, terwijl hij het regewater, dat mantel en buis doordrongen had, van zich afschudde, en zoo heftig met de natte laarzen op het pad vóór de herberg stampte, dat de looden vensterruiten er van dreunden.

”Hei! hei!” zeide de waard, die, na het paard aan den stalknecht overgegeven te hebben, weder was binnengetreden, terwijl hij zich het kapje, dat zijn grijsgrauwe kruin bedekte, met de linkerhand over ’t hoofd heen en wederschoof: daar kondig ik u een gast aan, die het voorkomen heeft, als ware hij een van Guy van Vlaanderens gezellen, die hier in ’t jaar drie zulk een onnut alarm maakten. Zijn paard is het vildersmes niet waard; maar hij zelf schijnt een kloeke, lustige kerel te zijn, als gij zoo aanstonds zult kunnen zien; want hij heeft reeds hemel en aarde vervloekt en den Booze overgegeven, alleen uithoofde men in den regen onvermijdelijk nat wordt.”

De deur ging wederom open, en de vreemdeling, die zich met zooveel gedruisch had aangemeld, trad binnen. Hij was breed geschouderd en bijna zes voet hoog: en daar een breede donkerkleurige kaproen hem het hoofd niet alleen bedkete, maar ook in natte plooien hem voor het aangezicht hing, en zijn gestalte, voor ’t overige, in een zwarten wollen mantel gewikkeld was, moest men wel afwachten, wat soort van wezen uit die onkenbare mummie zouden ontzwachteld worden.

”Vervloekt, vermaledijd land!” sprak de reiziger, zich meer of min van den Vlaamschen tongval uitdrukkende: ”dat is niet de minste straf voor mijne overtredingen, dat ik gedwongen ben, mij hierheen te begeven. Midden in het beste jaargetijde komt mij daar zulk een hagelsch onweer opzetten, dat men geen droge plek aan ’t lijf des behoudt en zijn beste kleren te schande maakt. Kap en mantel zijn des Satans en met mijn sorkoet zal ’t niet beter gesteld zijn.”

Dit zeggende rukte hij zich de kaproen van ’t hoofd en smeet die met zoveel woestheid van zich af, dat de dikke droppelen over de tafel vlogen, waar de gasten omheen zaten. Toen wierp hij den mantel neder, en men aanschouwde de magere gestalte van den ruiter, door een sorkoet bedekt, waarvan de oorspronkelijke kleur geheel onkenbaar geworden was.

Wat zijn gelaat betrof, dit was zoo buitengewoon leelijk, dat men bijna zou vermoed hebben of de vreemdeling ook een momaangezicht droeg; echter was het mogelijk, dat de slagschaduw in de spaarzaam verlichte gelagkamer, alsmede de uitwerkselen van wind en regen, de wezenstrekken, op zulk een afzichtelijke wijze, uit hun gewone plooi gebracht hadden. Voorts gaven koude en verkleumdheid een groote mate van gedwongenheid aan zijn bewegingen; zoodat het niet te onderscheiden was, of hij voor een reeds afgeleefden grijsaard, dan wel voor een man in de kracht zijns levens te houden ware.

”Geef mij wat warms te drinken,” zeide hij, zich tot den waard keerende; en zorg niet te talmen; want ik heb haast om verder te komen. En gij,” vervolgde hij tegen de poorters: ”zijt zoo goed, mij een weinig meer plaats bij ’t vuur te maken; want ik heb geen drogen draad aan ’t lijf; en uw bierbuiken zullen reeds genoegzaam geroosterd zijn.”

De naastzittenden haastten zich te voldoen aan deze uitnoodiging, welke, hoewel de woorden, waarin zij vervat was, niet onvriendelijk waren, door den barschen toon, waarop zij werden uitgesproken, en den dreigende blik, waarmede zij vergezeld ging, allen schijn had van een bevel. De ruiter staapte door, tot voor de vuurplaat, waar hij zich een poos bleef ronddraaien en wenden, totdat de gloed der vlammen zich aan al de deelen zijns grofs gebouwden lichaams had laten gevoelen en zijn kleederen van alle zijden dampten als een keet; terwijl hij de bewegingen, welke hij maakte, met een gestadig stampen en proesten vergezeld deed gaan, zoodat het den aanwezigen onmogelijk ware geweest, een verstaanbaar gesprek met elkander te voeren, ook al hadden zij niet sedert de komst des vreemdelings allen trek tot gezellig onderhoud bij zich voelen verdwijnen.

Het algemeen stilzwijgen werd het eerst door den waard verbroken, toen hij, den ruiter naderende, hem met de eene hand een beker warmen gekruiden wijn aanbood, terwijl hij met de andere zijn kapje naar voren schoof. ”Waarlijk!” zeide hij: ”het is boos weer. En moet uw Edelheid nog naar ’s-Gravenhage rijden?”

”Daar denk ik te komen,” antwoordde de ruiter, ”indien ik namelijk niet onderweg door de Satansche regenvlagen van den heirweg afgespoeld worde, of in uw vervloekte moerassen versmore.” – Dit gezegd hebbende, bracht hij den beker aan den mond, en nam een haastigen teug.

”Waarlijk!” hervatte de waard: ”ik moet uw Edelheid, die hier een vreemdeling schijnt, ernstig en in gemoede afraden, uw weg dus bij duisteren avond te vervolgen: te meer, daar er in Den Haag toch geen plaats is voor u, noch voor uw paard zal te bekomen zijn, al wildet gij die met goud bedekken; – terwijl gij, hier den nacht doorbrengende, van de vermoeienis uitrusten en morgenochtend met frissche krachten uw weg kunt vervolgen: ja nog tijdig genoeg in Den Haag aankomende, om bij het Godsoordeel tegenwoordig te zijn.”

”De Satan hale het Godsoordeel!” zeide de vreemdeling; en zijn gelaat nam een zoo grimmige uitdrukking aan, dat de waard reeds berouw begon te krijgen over de op zich zelve zeer onschuldige woorden, die hij gebezigd had. Maar langzamerhand keerde het gelaat des ruiters weder in zijn plooi: hij vestigde de oogen, die tot nog toe wild en onbestemd hadden rondgeblikt, ernstig en somber op den grond, loosde een diepen zucht, trok de voeten bij elkander, bleef een wijl stokstijf op de plaats staan, en scheen in mijmeringen verdiept. Opeens was het, als schaamde hij zich zijner vroeger aan den dag gelegde woestheid, ja zelfs de wijze, waarop hij aan de overige gasten belet had, den gloed van het vuur te genieten: met gebukten hoofde begaf hij zich ter zijde, plaatste zich op een bankje, dat een weinig achterwaarts neven de schouw stond, zette zijn beker naast zich op den grond neder, en bleef, met den rug tegen den muur geleund en de armen over elkander geslagen, zitten. De gasten merkten niet zonder bevreemding zijn zonderlinge gedragingen op, en zagen elkander steelsgewijze aan met blikken, welke te kennen gaven, dat zij den vreemdeling voor niet recht zuiver in ’t hoofd hielden; echter duurde het nog een wijl, eer zij moeds genoeg terugkregen, om het afgebroken gesprek te hervatten.

De eerste, die daartoe aanleiding gaf, was de eerzame poorter en medebroeder van het verversgilde, Aris Pauwelszoon, die, zijn derden beker Rijnwijn ledigende, den waard op de navolgende wijze aansprak:

”Dat zal morgen een leventje in Den Haag geven; geen oud wijf zal aan ’t spinnewiel blijven; en gij zult gerust uw deur kunnen sluiten; want eer ’t avond is, zult gij van bezoekers geen last hebben.”

”Denkt gij er dan ook heen te gaan, vriend Aris?” vroeg de waard, zijn kapje naar het linkeroor brengende.

”Dat zou ik hopen,” antwoordde Aris: ”ik wilde wel eens weten, wie te huis zou blijven, tenzij hem jicht of flerecijn, of anders, gelijk u, zijn beroep er toe dwingt: zulk een feest komt ook nauwelijks eens in de tien jaren voor.”

”Zotternijen!” mompelde de notaris Jan Harmenszoon, een schraal oud mannetje, met een ingevallen, taankleurig gezicht, ’t welk veel van een natten handschoen had, en die, in den hoek der schouwe gezeten, geen wijn dronk, schoon hij dien misschien beter dan een der aanwezigen had kunnen betalen, maar zich vergenoegde met nu en dan een kleie teug dun bier te nemen uit een nevens hem staande kruik. ”ik wilde wel eens weten, wat vreemds en merkwaardigs er in steken mag, twee grillige narren te zien, die als een paar kemphanen vechten, en elkander om hals zoeken te brengen om een kwaad wijfs wille.”

”Met uw verlof, Meester Jan!” hernam Aris: ”dat het een kwaad wijf is geweest, ziedaar juist de vraag, welke nog dient uitgemaakt te worden; en daartoe moet het Godsoordeel strekken.”

”Hm!” zeide de waard, zijn kapje weder naar het rechteroor brengende: ”of zij veel deugde of niet wil ik niet beslissen; maar ik zou, wat mij betreft, morgen ongaarne in de schoenen van den Jonker van de Merwede steken: althans naar hetgeen ik vernomen heb van den stegereepsknecht des Heeren van Walcourt, toen deze onder ’t doortrekken, bij mij het middagmaal heeft genomen. Een een zonderlinge geschiedenis is het ook: ofschoon ik geloof, dat de knaap mij wel de waarheid, maar niet de geheele waarheid heeft verteld: – nu! wat niet gezegd wordt laat zich raden, en een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg.”

”Eilieve! verhaal ons eens, wat gij van de zaak weet, vriend Thomas!” zeide Aris: ”wij hebben toch den tijd; de stadspoort zal vooreerst niet gesloten worden: wij zitten hier warm en goed bij elkander: en de regen klettert frisch tegen de dakpannen.”

”Ja! ja! zeide de waar, de hand van ’t achterhoofd naar voren en boven de oogen brengende, gelijk iemand doet, die zich tegen het sterke daglicht wil beschutten, en tevens opziende, als wilde hij, door de zoldering heen, naar den regen kijken: ”gelukkig, dat al wat heden valt, morgen niet vallen kan: anders liepen onze kampvechters vrij wat kans om in de plassen te verdrinken, eer zij elkander aan ’t lijf kwamen; – maar wat de geschiedenis betreft; die komt hier op neder. – Gij hebt allen Heer Willem van Teylingen gekend, die in zijn leven in hooge eere was bij Graaf Floris, wiens ziel bij God is?”

”En die zijn weldoener verraderlijk hielp van kant maken,” voegde Meester Jan er bij.

””Dat zeg ik niet,” hernam Thomas: ”want het voegt geen man van mijn beroep, die van alle menschen leven moet, zich over iemand uit te laten, althans niet over lieden van gewicht; – doch zooveel is zeker, dat hij er den naam van gehad heeft, en er het land voor heeft moeten ruimen, terwijl zijn erf en goed verbeurd verklaard werden.”

”Bij Sint-Andries! dat is zoo oud als de weg van Kralingen,” zeide de haastige Aris; ”en zoo gij ons niets nieuwers te vertellen hebt....”

”Bedaard! bedaard! Vriendlief!” hervatte de waard: ”al wat een end hebben zal, moet noodzakelijk eerst een begin hebben: en wie een deur wil openen, dient eerst den sleutel machtig te zijn. – Zooals ik u zeide, Willem van Teylingen moest dan het land uit, en zijn zonen met hem: alleen aan zijn dochterken werd het vergund hier te blijven, ’t welk door zijn zuster, Vrouw Katrijn, als kind werd aangenomen. Deze Katrijn nu.....”

”Wel, wie heeft Katrijn van Teylingen niet gekend!” viel Aris in: ”eerst Vrouwe van Voorne, naderhand het lief van den Graaf, en vervolgens weder de wettige vrouw van Wolfert van Borselen, dien onze wakkere poorters hebben helpen om hals brengen....”

”Stil! stil! het is beter daar niet over te spreken,” zeide de voorzichtige waard, zijn hoofddeksel met een angstige beweging naar het rechteroor schuivende: ”de oude Wolfert is lang dood; maar het zou toch niemand geraden zijn, zich te beroemen, een hand in den moord te hebben gehad. Nu! dat daargelaten! – De kleine Emma van Teylingen groeide als een kool en bleef bij haar moei inwonen, ook nadat deze weduwe geworden was. Spoedig kwamen er vrijers voor haar opdagen, en wel van de Edelsten van den lande; want de juffer was lief en aardig, en men wist, dat zij geen kluinen stuiver erven zou; immers, schoon haar vaders goederen verbeurd waren verklaard, de meeste heerlijkheden bij Teylingen behoorende, waren indertijd door Graaf Jan den Eersten aan Vrouwe Katrijn geschonken worden, en zouden, naar alle schijn, na haar dood op nichtje Emma vervallen. Maar wie kwam of niet, Vrouw Katrijn sloeg allen af. Meer dan een beweert, dat zij haar huik naar den wind wist te hangen: althans zooveel is zeker, dat zij, in spijt van den vijandschap, die tusschen haar tweeden man en den Graaf van Henegouwen geheerscht heeft, al spoedig koek en ei met dezen werd, toen hij als Jan de Tweede hier regeeren kwam, en van hem nieuwe gunsten bij de oude verwierf. Het eind van de zaak was: Jufferken Emma moest een Henegouwer tot man hebben; en zoo werd het, na den dood van Graaf Jan, tusschen Vrouw Katrijn en Graaf Willem beklonken, dat nichtje met Heer Otto van Walcourt zou trouwen.”

”Mij heuft, dat ik daar indertijd van gehoord heb,” zeide Krijn de barbier; ”er werd toen vrij wat over gesproken, dat die Henegouwer zulk een aardig bruidje van voor den neus onzer Hollandsche Jonkers wegkaapte; en men beweerde, dat, onder anderen, Herbaren Van de Merwede er niet weinig verdriet van had.”

”Dat is hetgeen men toen zie,” hernam de waard: ”en het zou mij niet verwonderen ook. Wat den Heer van Walcourt betreft, ik weet niet of gij hem gezien hebt, toen hij hier doortrok: een forschen, flinken kerel, die er uitziet, of hij er twee zou staan in ’t veld, en die er drie staat, zoo ik zijn stegereepsknecht gelooven mag, maar die de vier knuisten al een goed eind achter den rug heeft, en een uitzicht, streng en barsch genoeg om de kinderen naar bed te jagen, en alles behalve geschikt om een jonge vrouw te bekoren. Wat daarvan zijn moge, hij trouwde Emma Van Teylingen en nam haar met zich mee naar het land van Henegouwen, waar het arme schepsel niemand kende. Daar voerde hij haar naar zijn slot, waar zij ook geen vroolijk leven had, gelijk de stegereepsknecht zelf bekennen moest; want behalve de uilen en kraaien, die om het slot vlogen, en de domme boeren uit den omtrek, kreeg zij er niemand te zien, en haar man was meestentijds ten oorlog of ten Hove. Zoo mocht zij nu een drietal jaren doorgaans geheel eenzaam en verlaten hebben doorgebracht, toen de Heer Van Walcourt onverwachts op het slot terugkeerde. Met vriendelijk blikken en heuschen groet kwam zij hem verwelkomen; maar na den noen riep hij zijn slotvoogd Burckhardt tot zich, en bleef een geruimen tijd met dezen in zijn binnenvertrek opgesloten. Wat de man hem vertelde, is nooit iemand ter oore gekomen, maar zooveel is zeker, dat des Heeren Otto’s wenkbrauwen, die nooit heel vriendelijk staan, nog zwarter en donkerder stonden dan gewoonlijk.”

”Wat hij hem vertelde....” bromde opeens de vreemde ruiter, met een schorre, onaangename stem: ”hm! eenvoudig genoeg! hij vertelde hem, dat de schoone Vrouwe hem ontrouw was, en dagelijks met een jongen lichtmis geheime bijeenkomsten hield.... en de Heer Van Walcourt geloofde het.... ha! ha! ha!”

Al de aanwezigen wendden met verbazing de oogen naar den spreker, wiens tegenwoordigheid zij bijna vergeten hadden: en geen hunner kon de huivering bedwingen, welke hem bekroop, toen de vreemdeling deze woorden, die hij, als in zich zelven en zonder op te zien, gesproken had, met een wanluidend gelach besloot.

”Uw Edelheid schijnt meer van de zaak te weten,” zeide de waard, zich met schrik de muts tot in den nek strijkende, zoodat de weinige hem overgebleven haren borstelden als die eener kat: ”en zoo uw Edelheid het geval verhalen wil....”

De ruiter zag op, als iemand, die uit een slaap ontwaakt; toen vertrok zich zijn gelaat tot een zonderlingen glimlach, en den waard aanziende: ”ga voort!” zeide hij: ”ik ben zeer nieuwsgierig wat die stegereepsknecht u verder verhaald heeft.”

”Uw Edelheid zal het mij ten goede houden,” hernam de waard, wiens hand en kapje in bestendige beweging waren: ”indien ik mij misschien onverstandig en onbetamelijk uitlaat over aanzienlijke lieden; maar ik zeg slechts over, wat ik van den stegereepsknecht gehoord heb, en zoo ik verkeerd zeg, zal uw Edelheid mij wel terecht wijzen. Zooals ik dan verhaalde: wat er tusschen den Heer Van Walcourt en zijn slotvoogd verhandeld is, is niemand ter oore gekomen; maar het zal vermoedelijk iets geweest zijn van zoodanigen aard als deze Heer veronderstelt: immers Dodo, de stegereepsknecht, werd heimelijk naar het dorp gezonden om onderzoek te doen, of zich geen vreemdeling aldaar in de nabijheid ophield. De knaap was er spoedig genoeg achter: voor eenige weken was een onbekende ruiter in het dorp gekomen, van slechts één dienaar vergezeld, dien hij echter spoedig weder met de paarden had weggezonden. Hij had zich, sedert, bij dag meestal schuilgehouden; doch men had hem ’s avonds meermalen ontmoet in de richting van het slot: en en zelfs waren er, die beweerden, hem met een vrouw te hebben zien op en neder gaan, die in haar uiterlijk volkomen geleek op Vrouwe Van Walcourt. – Toen Heer Otto deze berichten vernam, liet hij uiterlijk niets blijken en betoonde zich jegens zijn vrouw noch vriendelijker, noch stuurser dan gewoonlijk: den volgenden dag echer gaf hij haar te kennen, dat hij weder ten hove terugkeerde: en werkelijk verliet hij met zijn knapen het kasteel. Aan de eerste herberg in een nabijgelegen dorp hield hij op, en vertoefde aldaar de komst van den slotvoogd, die hem in dne namiddag kwam opzoeken. Nadat hij opnieuw met dezen een langdurig onderhoud had gehad, liet hij Dodo roepen en keerde met dezen en Burckhardt, doch thans te voet en met behoedzaamheid, naar den kant van het slot terug, de overigen met de paarden aan de herberg achterlatende. Omtrent een boogscheuts weegs het slot genaderd zijnde, begaf zich heer Otto met zijn slotvoogd in een boschje, dat zich aldaar bevond, den stegereepsknecht aan den ingang achterlatende. Wat nu de Heer Van Walcourt in het boschje zag, weet niemand.”

”Wat hij zag?” zeide de vreemdeling, verwilderd opziende: ”een schouwspel om hem razend te maken: hij zag de schoone Emaa, die een onbekenden knaap op de teederste wijze aan haar hart drukte.”

”Dat laat zich veronderstellen,” hernam de waard: ”ofschoon de stegereepsknecht het niet gezien heeft en er dus niet op zweren kan; maar zooveel is zeker, dat hij, na eenige oogenblikken toevens, zijn Heer weder uit het boschje zag te voorschijn komen, het doode lichaam zijner vrouw op den arm dragende.”

”Sint-Japik beware ons!” zeide de verver: ”hij had haar dus vermoord?”

”Dat vroeg hem de stegereepsknecht niet, gelijk gij denken kunt,” zeide de waard: ”maar dood was zij, en twee dagen later werd zij plechtig ter aarde besteld. Doch dat er in het dorp, en naderhand in den omtrek, vrij wat over het plotseling overlijden der Vrouwe Van Walcourt gemompeld werd is zeker. Eerlang breidde het gerucht zich verder uit, en eerst aan het Henegouwsche Hof, vervolgens hier in Holland, werd van het geval gesproken, en het vermoeden, dat de Heer Van Walcourt zijn echtgenoote vermoord zou hebben, won al meer en meer veld. Eindelijk staken de verwanten der overledene de hoogden bij elkander: en Herbaren van de Merwede, die de naaste bloedmaag was, trad openlijk als beschuldiger van Heer Otto op. Deze ontkende het hem ten laste gelegde feit niet, doch beweerde tevens, dat hij recht gedaan had, zijn vrouw om hals te brengen, daar zij zich aan echtbreuk had schuldig gemaakt. De bewijzen, welke hij hiervoor aanvoerde, werden niet voldingend bevonden om de overtuiging des Rechters te bevestigen. Het éénige wat den Heer Van Walcourt overbleef, was, dat hij voorstelde, zijn woord goed te maken met den degen. De jonker Van de Merwede nam de uitdaging aan: en zoo moet nu morgen het Godsoordeel uitmaken, of de arme vrouw schuldig was of niet.”

”En de knaap, met wien zij betrapt werd, en de slotvoogd...?” vroeg Aris Pauwelszoon.

”Van beiden heeft niemand ooit iets vernomen,” antwoordde de waard: ”ofschoon Heer Otto een goeden prijs heeft uitgeloofd aan al, wie hem eenig naricht van een van beiden zoude brengen.”

”En hij zal er niet lang op wachten, bij de hoornen van Satan!” riep de ruiter, opspringende, met zulk een vervaarlijken stem, dat Aris Pauwelszoon zijn roemer van schrik weer neerzette, en dat het kapje van Thomas aan ’s mans bevende hand ontviel. – ”Kom! het is mijn tijd,” vervolgde hij: ”mijn paard zal nu wel gevoederd zijn.” – Dit gezegd hebbende, wierp hij een stuk geld op de tafel, en stapte zonder iemand te groeten, de herberg uit. Weinige oogenblikken daarna hoorde men den hoefslag van zijn paard, dat door de modder voorbijklotste.



[Deel II De gebroken eieren] [Jacob van Lennep pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.