Novellen

Jacob van Lenneppagina

Het Godsoordeel

II De gebroken eieren

[Deel I De vreemde ruiter]

”Dat was een ruwe kerel!” zeide Aris Pauwelszoon, op wiens gelaat, evenals op dat der overige gasten, een uitdrukking van kalmte en vergenoegen terugkeerde, welke daarvan was weggebleven, zoolang de ruiter zich in hun gezelschap bevonden had.

”Ja! ja!” voegde Krijn de barbier er bij: ”ik dacht niet, toen hij binnenkwam, dat alles nog zoo vreedzaam zou afloopen, en ik had er mij stellig op verwacht, dat deze of gene van ’t gezelschap mijn diensten zou hebben moeten inroepen.”

”Dus zijt gij eigenlijk teleurgesteld, dat elk er heelhuids is afgekomen?” zei spottende de oude notaris.

”Hm! de avond is nog niet ten ende,” hernam de barbier; ”de katten hebben in den afgeloopen nacht een rumoer in mijn tuin gemaakt of zij bezeten waren, en wanneer dat plaats heeft, ben ik altijd zeker, dat ik mij niet ter ruste begeef zonder een goeden lijder onder handen te krijgen. Echter zou het mij spijten, indien ik mij in de noodzakelijkheid bevond, mijn kunst aan iemand uit dit geacht gezelschap te wijden: en ik had mij veeleer gevleid, dat die vreemdeling onder mijn handen zou vallen, waartoe hij mij een uitmuntend geschikt voorwerp scheen,”

”Weg! weg!” zeide de waard, die al dien tijd in aandachtige beschouwing was achtergelaten: ”het zal best zijn, maar niet meer van dien zonderlingen vent te spreken, met wien ik niet zou durven beslissen of het richtig ware, al dan niet: en wat dit muntstuk betreft, ik zal mede niet laten onderzoeken, waar het geslagen zij; maar het, zodra ik hoogtijd houde, in de armbus werpen.” Dit gezegd hebbende, nam hij het geldstuk tusschen duim en wijsvinger op, met zooveel voorzichtigheid, als vreesde hij, zich te zullen branden, en leide het, na het in een lapje gewikkeld te hebben, in een afzonderlijke lade.

”Gij hebt wel gelijk, vriend Thomas!” zeide Aris Pauwelszoon: ”wij moeten ons over dien ruiter niet meer bekommeren, maar liever een roemer wijn drinken om elkander geluk te wenschen, dat wij van hem ontslagen zijn: en gij mocht ook wel van den gewonen regel afwijken, en wanneer gij weder wijn tapt, een vaatje verder gaan, en u in de soort vergissen.”

”O ho!” zeide Thomas, bij het heen- en wederschuiven van zijn kapje deze reis het harmonisch rammelen met zijn sleutelbos voegende: ”wat den regel betreft, dien ik in mijn tapperij the houden heb, en wat gelijk die bij verordeningen, privileges, inzettingen, edicten en publicatiën is ingesteld, zoo ken ik dien op mijn duimpje; maar wat den wijn aangaat, zoo ware het tegen allen regel gehandeld, indien ik het rechte vaatje voorbijging en u betere dranken tapte, dan u dienstig is en gij mij betaalt.”

”Ik kan buurman Aris geen ongelijk geven,” zeide Krijn: ”gij geeft den wijn waarlijk te duur, en zoudt aan klanten als ons wel eenige penningen minder voor het pint mogen rekenen.”

”Ik weet niet,” hernam Thomas lachende, ”wat gij meent, goede mannen! gij drinkt ten mijnent den besten, edelsten, krachtigsten wijn, dien gij op tien mijlen in den omtrek vinden kunt: en ik schenk u dien uit loutere vriendschap; want de enkele stuivers, die gij er voor betaalt, zijn wel niet anders te beschouwen dan als een vriendelijk fooitje voor de moeite van het tappen. Maar, zonder jokken, gij goede mannen schijnt te denken, dat de wijn ons tappers niets kost, en dat wij nog in ’t jaar zestig leven, toen men een gansche stoop wijn gaf voor een heel en gaaf hoenderei.”

”Die uitdrukking heb ik meer gehoord,” zeide Aris Pauwelszoon: ”maar dat zal toch wel nooit gebeurd zijn.”

”Niet!” riep de oude notaris: ”wel zeker is het gebeurd, en het verhaal zou niet kwalijk voegen bij het onderwerp, dat wij zoo straks verhandelden. Kent gij, poorters van Delft, de geschiedenis van de gebroken hoendereieren niet?”

”Neen, inderdaad niet,” antwoordde Aris: en al de aanwezigen verklaarden insgelijks hun onbekendheid met het geval, terwijl zij den notaris dringen verzochten, het hun mede te deelen.

”Hm!” bromde Meester Jan: ”indien gij het niet weet, wil ik het u wel herhalen, en wel in dezelfde bewoordingen, en met gelijke sieraden, krullen en uitweidingen, als waarmede ik het den goeden Melis, des Graven klerk, menigmalen heb hooren voordragen.”

Dit gezegd hebbende, bracht hij zijn bierkan langzaam aan den mond, trok de wenkbrauwen ernstig samen, als poogde hij zich de zaak recht levendig voor den geest terug te roepen, hief toen de kan omhoog en liet het vocht bedaard naar binnen glijden. De gasten staken de hoofden vooruit en spitsten de ooren: de waard zelf zette zijn kapje recht en bleef, met de ellebogen op de tafel leunende, staan luisteren.

”Het was dan,” begon de notaris, ”op den vroegen ochtend van Sint-Markus den Evangelist, in ’t jaar onzes Heeren 1260, dat zich de landlieden uit Delfgouwe naar de stad begaven om aan de poorters den benoodigden leeftocht te brengen. Onder de overigen stapte ook een frische en kloeke boerin in haar zondagspak vooruit, die op elken groet van ”goeden morgen!” zeer bescheiden, ”en u van ’s gelijken!” antwoordde, en die, al mochten de lieden ook al iets buitengewoons aan haar bemerken, toch, wel beschouwd, een vroom en eerlijk wijf scheen.

”Deze boerin nu droeg een mand met fraaie hoendereieren, en als deze of van haar bekenden haar toevoegde: ”wel buurvrouw! watte kostelijke eieren heb je daar,” antwoordde zij op minzamen toen, en terwijl haar grauwe oogjes als sterretjes flonkerden; ”ei kom! mijne hen mag er geen mindere leggen voor de eerzame vrouw van den Schout, aan wie ik ze in de keuken breng.” En werkelijk, onze boerin ging met haar koopwaar, recht toe recht aan, naar het huis van den Schout.

”Zoodra zij daar de stoep was opgetreden, handelde zij gedwee en gehoorzaam naar het voorschrift, dat in het houtwerk van de lijst boven de deur kunstig uitgesneden te lezen stond:

Al. wie. hier. komt. moet. wel. besinne.
Met. vuile. voeten. komt. niemant. binne.

”Zoo liet zij haar muilen, waar nog eenige klonters aan kleefden van het morsige pad, dat zij langs gekomen was, op de vloermat staan, en werd toen door Femmeken, de oude dienstmaagd, naar de vrouw van den Schout geleid, die zich achter in de glanzende keuken bevond.

”Daar zag het er nu alles zoo kaarshelder en blinkend uit, dat het was om de oogen te verblinden: heerlijke koperen kannen en vaten, zoo glinsterend of ze Levert de wapensmid zelf geschuurd had, stonden tegen de wand te leunen; over den schoorsteen bevond zich een pronkkoffer van gebruineerd eikenhout, zoo glad gewreven, dat men er zich in spiegelen kon; en de vloer was, als een schaakbord, met witte en zwarte steenen belegd, waarover het fijnste zand in sierlijke slingers was heengestrooid. De Schoutsvrouw zat in een prachtigen leunstoel van noteboomenhout met ebbenhout ingelegd, en met groene fulpen kussens bekleed, die niet minder dan vijf voet Rijnlandsch in den omtrek hadden: zoo breed toch moesten zij wezen, daar de maat naar den omtrek der Schoutsvrouw genomen was.

”De boerin reikte deemoedig haar mand met eieren aan de Schoutsvrouw, zich onderwijl beroemende, dat Koekelaar, haar beste hen, zich alle moeite gegeven had, om de eieren zoo goed mogelijk voor de eerzame vrouw van den Schout te leggen.

”De Schoutsvrouw nam met zeer veel minzaamheid het mandje uit de handen der boerin aan, en gaf het aan haar dienstmaagd Femmeken over: toen nu echter de boerin betaling voor haar eieren verlangde, geraakten beiden, de Schoutsvrouw en Femmeken, die de mand met eieren voor een heusche vereering hadden gehouden, in hevigen toorn: en het arme boerenwijf had moeite, de helft van den gewonen prijs voor haar eieren te bekomen.

”Femmeken had intusschen de eieren uit de mand genomen, en voor de breekbare koopwaar geen betere schuilplaats gevonden dan het groene fulpen kussen op den leunstoel der Schoutsvrouw, waaruit deze even te voren was opgerezen.

”naar den raad van Galenus, had de Schoutsvrouw, om de hevige gemoedsbewegingen, waaraan zij zich had over gegeven, een weinig neder te zetten, een paar teugjes goeden korenwijn gebruikt, en wilde nu weder wat rust nemen. Toen zij zich echter zachtkens in den leunstoel liet nederzakken, deed zulks aan de eieren, die op de peluw lagen, geen goed; maar integendeel braken zij allen, stuk voor stuk, en niet een enkel bleef heel.

”Verdrietig zeide nu de Schoutsvrouw: ”Zie! Waarom heb ik die schoone eieren gebroken, en mijn fulpen kussen, alsmede mijn kostelijke sergie japon bedorven?” Maar de schelmsche dienstmaagd meende, dat de eieren tusschen twee zoodanige kussens onbeschadigd hadden kunnen blijven liggen, tot aan den dag der vroolijke opstanding toe; maar dat gewis het boerenwijf van Delfgouwe een vermaledijde heks ware, die aan de lieden uiterlijk schoone eieren verkocht, welke later gebroken bevonden werden.

”De Schoutsvrouw liet niet na, het voorval aan haar man, bij zijn tehuiskomst, te verhalen. De Schepenen kwamen bij elkander, hoogst gebelgd, dat zich onder den rook der vrome stad een heks zou bevinden. Zij lieten de arme boerin, de eerste reis dat zij zich weder te Delft vertoonde, bij den kop vatten: men dwong haar al het geld, dat zij van den Schoutsvrouw ontvangen had, tot den laatsten penning terug te betalen: waarna zij naar stijle verhoord en veroordeeld werd om de waterproef door te staan. Daar brachten zij haar naar de stadsgracht, gevolgd door al de wijven uit de stad en den omtrek, die haar smadelijk uitjouwden, roepende: ”Ziedaar de heks uit Delfgouwe, die de eiermanden verkoopt, waarin de Satan zich nederzet en de eieren tot gruis maakt met zijn helsch....”

”Nu weet gij allen, waarin de waterproef bestaat, en hoe de heksen en andere wijven, die met den boozen vijand in verbond staan, onmogelijk kunnen zinken, maar als kurk boven drijven, daar den Satan zo onvermijdelijk met zijn helschen klauw boven water houdt. Toen nu de boerin door de beulsknechts van den stadswal in de gracht werd neder gelaten, spreidden zich haar rokken rondom op het water uit en bleef zij daarin recht overeind staan, tot groote ergernis en afschuw van de goede gemeente, die haar bitter uitschold en verwenschte. Maar ziet, daar begon het boerenwijf allengskens langzaam op en neder te plompen en dun en lang als een hoppesteng op te schieten, terwijl zij met de dorre armen nu her- dan derwaarts in de ronde schermaaide, en met een stem, die zoo krijschende en wanluidende was, dat men er den Satan niet in miskennen kon, luidskeels uitkraaide:

  ”Fij! boos dik wijf!
  Fij! slechte maagd!
  Worde u het lijf
  Van koortsen geplaagd,
  Van kwelling gejaagd,
  Van hartzeer geknaagd.
  Fij! Delftsch gespuis!

  Bij kris en kras
  Nu krijgt gij ras
  Uw loon weer thuis.
Hier baat geen schreiers;
  Schenkt uit uw wijn.
Nu zullen de eiers
  Eerst duur gaan zijn.”

”Toen zij dit lied gezongen, of liever uitgegild had, viel zij plotseling op eene zijde neer, en eer de beulsknechts nog den tijd gehad hadden om van hun schrik te bekomen wegens die onheilspellende voorzegging, en haar weder op te halen met behulp van de touwen, was zij kopjeonder gedoken en gezonken. Toen men haar nu eenige oogenblikken later aan wal trok, was er geen spoor van leven meer in haar te vinden.”

”Dus was zij toch eigenlijk geen heks,” zeide de altijd voorbarig oordeelende Aris Pauwelszoon: ”want dan had zij niet kunnen verdrinken.”

”Ei! hoor mij die gevolgtrekking eens aan,” zeide Meester Jan, terwijl hij op een recht zonderlinge wijze meesmuilde: ”alsof zij niet den Boozen Vijand werks genoeg had gegeven: zoodat hem geen tijd meer bleef zich verder om haar te bekommeren. Neen, integendeel, gij zult zelf beslissen, hoe hij paste, haar ten dienste ten staan door haar vervloeking te vervullen. In al de vrouwen van Delftsland voer, door zijn toedoen, een onweerstaanbare trek om in eiermanden te gaan zitten en de daarin aanwezige koopwaar te verpletteren; zoodat iemand, die een goede struif begeerde, ze wel tegen goud had mogen opwegen.

”Wat nu echter betreft de spreekwijzen, dat men een gansche stoop wijn voor een ei gaf, die is op deze wijze ontstaan: – Een voornaam Ridder, die toen Kastelein van Delft was, wilde aan die helsche liefhebberij van eieren vernielen, een einde maken,e n liet daarom bij trompetgeschal en trommelslag afkondigen, dat hij aan zoodanige vrouw als hem eieren bracht, voor elk ei, dat onbeschadigd in zijne handen kwam, een stoop goeden wijn zou vereeren.

”Onder vele andere vrouwen, aan wie de poging om heur lust tegen te gaan schandelijk mislukt was, meldde zich eindelijk de vrouw aan van een zijner boeren, een vroom en werkzaam wijf, dat op den dag der waterproef, de zoogenaamde heks mede zeer vervolgd en uitgejouwd had, en stelde haren heer een mand met de best bewaarde eieren ter hand.

””Het verwondert mij,” zeide de Ridder met veel minzaamheid, ”dat gij niet voorlang gekomen zijt, goede vrouw! gij toch zijt zoo vroom en godvreezend, dat gij van betooveringen en booze lusten niets weten moet. Wijn is immers zoo goed als eieren.””

”Dit zeggende, wilde de Ridder de mand tot zich nemen; maar ziet, daar rukte hem de vrouw de mand met onstuimigheid uit de hand en ging er met het grootste welbehagen in zitten, zoodat al de eieren beschadigd werden.

”Toen zij weder opstond, was de arme vrouw bloedrood van schaamte en weende bitter.

””Ei! zeide de Ridder, op een opgeruimden toon, ”wees toch tevreden, Grietje! het komt slechts op nog eene poging aan. Misschien weerstaat gij den Booze.”

”Vrouw Margriet liet zich dat geen tweemalen zeggen; maar was, acht dagen daarna, met het laatste schok eieren, dat haar kippenhok had opgeleverd, weder bij hem. Wel was haar wil vast en goed, maar zoodra zij met de eieren in de kamer van den Heer Kastelein stond, daar was het, of alles met haar in de rondte draaide. Gretig zag zij de mand aan, met de gedachte, hoe prettig zij in de eieren zitten zou; en zij kreeg hoe langer hoe meer, tot haar niet geringe smart, de overtuiging, dat haar poging heden nog minder dan de vorige reize gelukken zou.

”Nu wilde echter het toeval, dat op hetzelfde oogenblik haar buurvrouw, met welke zij in bestendig onmin en krakeel leefde, evenzeer met een mand binnentrad om dezelfde poging te beproeven. Daar werd nu vrouw Margriet woedend bij zich zelve over het denkbeeld, dat zij voor haar ergste vijandin met schade en schande zou staan en haar oogen flikkerden van gramschap. Ook het gelaat van haar buurwijf ontstak als een gloeiende kolenhaard, en het kwam zóó verre, dat beiden met tien uitgestrekte klauwen op elkander teotraden, zoodat zij op twee wilde dieren geleken, die elkander dreigen aan te vallen. Juist op dat oogenblik kwam de Edele Heer binnen, waarop beiden naar hem toetraden, en hem heur manden overreikten. Maar zooras hij er naar greep, rukte hem vrouw Margriet de hare uit de hand, en dook neder. Met een heftigen, wilden uitroep, had het buurwijf ook haar mand teruggetrokken, en zette zich alsnu met ware verrukking daarin neder. In het gelach, dat zij hierop deed hooren, piepte de Booze Vijand den boventoon, en jubelde over de helsche eierstruiven, die hem ten deel vielen.

”Vrouw Margriet had zich intusschen langzaam van den grond opgeheven, en reikte den Ridder, met een beleefde nijging, het mandje over, met zestig goede en gave eieren gevuld. Zij had gelukkig haar lust overwonnen en haar buurvrouw door den schijn bedrogen: en zoo mag men wel zeggen, dat wijvenwrok alle heksenkunst te boven gaat.

”De Edele Ridder betaalde naar zijn belofte een stoop wijn voor elk der zestig eieren: en zoo kwam het, dat men nu nog zegt: in dien tijd gaf men een gansche stoop wijn voor een enkel gaaf ei.”

”Dat is een zeer merkwaardige geschiedenis,” zeide Aris Pauwelszoon: ”doch het komt mij inderdaad vreemd voor, dat geen van ons allen, poorters en poorterszonen van Delft, daar ooit van hebben hooren spreken.”

”Misschien is het daaraan toe te schrijven,” zeide Meester Jan, ”dat onze moeders en grootmoeders ongaarne van het geval wilden hooren, als hare kunne weinig tot eere strekkende: en ik beken, dat het mij zelf uit het hoofd gegaan was, en ik daar niet aan gedacht zou hebben, indein mij de uitdrukking, door onzen vriend Thomas gebezigd, er niet aan herinnerd had. Gij hebt er uit kunnen leeren,” vervolgde hij met een schalkschen lach, ”wat de gevolgen van een Godsoordeel kunnen zijn, en dat het somtijds beter is de zaken maar blauw blauw te laten, dan alles te willen onderzoeken.”

”Gij meent dus,” vroeg Aris Pauwelszoon: ”dat de Graaf den tweekamp, die morgen plaats zal hebben, niet had moeten toestaan.”

”Hm! hm!” zeide de notaris: ”wanneer twee hanen willen vechten, is het moeilijk hen van elkander te houden; – maar ik voor mij acht het altijd een hachelijke zaak, wanneer de deugd eener vrouw door de kracht van een lansstoot of de scherpte van een zwaard moet bewezen worden.”

De aanwezigen zagen elkander meesmuilende aan; doch niemand dorst eenige aanmerking op het gezegde van den notaris te maken, wien echter de meesten bij zich zelven oordeelden, dat lichtvaardig genoeg over de kracht der Godsoordeelen dacht.

Eer iemand weder het woord had opgevat, daar deed een hard en herhaald kloppen op de voordeur, en een verward geroep van onderscheidene stemmen de gasten verbaasd omzien, ja sommigen van hun zitplaatsen afspringen.

”Wat is daar?” vroeg Aris: ”er moet iets zijn voorgevallen. Vreedzame bezoekers kondigen zich niet op zulk een geruchtmakende wijze aan.”

”En ik denk hen ook niet binnen te laten,” zeide de waard, wiens kapje weder in beweging raakte: ”indien zij van meening zijn onze stille genoegens te komen vergallen.”

Maar luider en luider werd het gebons herhaald, en een stem liet zich hooren, die op beklaaglijken tton uitriep: ”maakt toch open, vrome lieden! wij brengen u een armen gewonde.”

”Een gewonde!” riep Krijn de barbier: ”heb ik het u niet gezegd, vrienden! dat er t’ avond nog wat voor mij te doen zoude vallen?” en meteen liep hij haastig naar de deur en hielp en den waard die te ontsluiten. Terstond zag men een viertal boerenknapen binnentreden, die een vijfden persoon op hen samengestrengelde armen naar binnen droegen en door een bij de meesten welbekenden priester uit het nabijgelegen Karthuizerklooster vergezeld werden. Maar hoe versteld stond het gansche gezelschap, toen het in dezen schijnbaar zieltogenden lijder, ondanks het bloed en slijk, dat zijn gelaat bedekte, den ruiter herkende, die kort te voren de herberg verlaten had. Op de vragen van den notaris, die als ambtenaar de voornaamste persoon was onder de aanwezigen, verhaalden de knapen, dat zij naar de stas gaande, waren voorbijgereden door den ruiter: dat zijn paard, waarschijnlijk verschrikt door een licht, dat in een nabijstaande hoeve werd opgestoken, een zijsprong gedaan, hem afgesmeten, en een eind weegs had voortgesleept: dat zij hem waren te hulp gekomen, en vruchteloos gepoogd hadden hem weder bij te brengen, totdat eindelijk de priester, die juist voorbijkwam, hun geraden had, den lijder naar ”De Witte Os” te vervoeren, waar zeker nog wel hulp zoude te bekomen zijn.

De gewonde vreemdeling werd op de tafel nedergelegd en door den barbier onderzocht. Zijn hoofd en aangezicht waren vol wonden, veroorzaakt door het schaven en schuren over de steenen: ook het lichaam was bedekt met kneuzingen, en het eene been door den val gebroken. Dit alles was op zich zelf niet doodelijk; maar de voortdurende wezenloosheid, waarin de lijder bleef verkeeren, deed aan inwendige beleedigingen denken. Meester Krijn wiesch de wonden met water en zout en leide er het noodige verband op: langzamerhand keerde nu het gevoel in den gewonde, gelijk uit zijne ademhaling, een een nu en dan geloosden zucht te bemerken was: maar hij hield nog altoos de oogen gesloten, en gaf noch door teekenen noch door woorden eenig bewijs van bewustzijn. Langzamerhand waren de klanten van Thomas de herberg uitgeslopen: sommigen, omdat zij, den volgenden morgen vroeg naar Den Haag wenschende te gaan, gaarne bijtijds te huis en in bed wilden wezen: anderen, omdat zij behoedzame en vreesachtige lieden waren, vijanden van al wat naar een gerechtelijk onderzoek zweemde, die het den priester en den knapen reeds euvel afnamen, dat zij den armen ruiter niet op straat hadden laten liggen, en er voor bedankten zelven de kans te loopen van als getuigen in de zaak te moeten optreden: anderen eindelijk, omdat zij begrepen, dat het nu voor dezen avond met allen gezelligen kout gedaan was: zoodat ten laatste niemand achterbleef dan de goede priester, de notaris en meester Krijn. De beide laatsten verwijderden zich insgelijks, toen zij bemerkten dat zij voor ’t oogenblik gemist konden worden; doch Thomas moest hun op zijn woord beloven, dat hij hen zou laten roepen, zoodra de lijder weder genoeg bij zijn besef teruggekeerd zoude zijn, om het zetten van zijn been door te staan, en zijn uitersten wil te maken. Men bracht nu een bed voor den lijder in gereedheid, en de priester plaatste zich daarnevens, ten einde hem bij het minste teeken van bewustzijn, met geestelijk hulp nabij te kunnen wezen.



[Deel III Het kampgevecht] [Jacob van Lennep pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.