Novellen

Jacob van Lenneppagina

Het godsoordeel

III Het kampgevecht

[Deel II De gebroken eieren]

Talrijk was de volksmenigte, welke op den volgenden morgen, met het aanbreken van den dag, naar ’s Gravenhage stroomde, en wel naar dat gedeelte van het vlek, ’t welk nog heden, naar zijn oude bestemming, den naam van Tornooiveld draagt. De storm had uitgewoed: de lucht was schoongewaaid en de morgenzon brak vroolijk uit de grauwe dampen door. De wegen echter waren, als zich denken laat, nog modderig en vol plassen, vooral in de nabijheid van de Hofplaats: zoodat menige poortersdochter uit Delft, en menige knappe boerenmaagd uit den omtrek, die zich op ’t kostelijks hadden uitgedost en dus algemeene opmerking gehoopt te trekken, niet dan deerlijk beslikt en beklonterd de plaats van haar bestemming bereikten. Evenals bij alle dergelijke gelegenheden, ontbrak het ook thans niet aan menige oneenigeheid en twist, wlke doorgaans niet eindigde dan nader er eenige koppen en neuzen aan bloed geslagen waren en eenige wambuizen en hozen gescheurd waren; want de dienaars van den Schout, die met hun staven rondliepen, en de staffieren van den Wapenkoning, die om de kampplaats op en neder reden, zorden wel, gelijk dat slag van lieden nog thans gewoon is te doen, van zich nimmer te vertoonen waar eenige ongenoegen ontstaan was, dan wanneer het buiten hun toedoen was gestild.

Behalve de bewoners van het vlek en van de omgelegen plaatsen, en de volgers van de Edele Heeren, die tot ’s Graven hofstoet behoorden, kon men, onder dien om de kampplaats vergaderden drom, menigen welgeboren man opmerken, die van verren afstand gekomen was om het belangrijke schouwspel te zien; menigen poorter en huisman uit meer verwijderde steden en dorpen, niet slechts van het Graafschap, maar zelfs van het Sticht, van de Veluwsche hoogten of van de Brabantsche heiden. Geestelijken in geen geringen getale, kramers, reizende kunstenaars en poetsenmakers, heidenen, waarzeggers en zoetelaars van beide geslachten, in één woord, menschen van allen slag, deels uit nieuwsgierigheid, deels uit zucht naar gewin daarheen gedreven. De toevloed om het strijdperk was dan ook weldra zóó aanzijnlijk, dat men er zich niet dan met levensgevaar een weg doorheen kon banen: en zij, die het geluk hadden gehad, een plaatsje te bekomen voor de ramen of op de daken der naastbijstaande gebouwen, alsmede de knapen, die uit de boomen, waarin zij geklauterd waren, het veld konden overzien, waren er zeker het beste aan toe. Langzamerhand begon zich ook de galerij, die aan de eene zijde van het kampperk was opgeslagen, met de meer aanzienlijke toeschouwers te vullen, en de namen der meest bekende Edelen en Ridders, die het voorrecht hadden aldaar met hun vrouwen of dochters plaatst te bekomen, liepen van mond tot mond, naarmate zij te voorschijn kwamen uit de dubbele rij van gewapende voetknechten, die, van het Hof des Graven af, tot aan de kampplaats toe, gesteld waren om hun den doortocht vrij te houden.

Deze galerij, sierlijk overdekt, smaakvool met vlaggen en festoenen versierd, en talrijke met kussens bekleede zitbanken bevattende, was op palen gebouwd, hoog genoeg om aan de daarachter staande scharen het vrije uitzicht niet te ontnemen op het perk, waarvan het de geheele noordelijke breedte, alzoo ruim tachtig passen besloeg. De lengte van het Krijt, gelijk men een kampplaats gewoonlijk noemde, was honderd twintig passen: het was in ’t vierkant met een lage omheining afgesloten, en had zijn uitgang ten zuiden, waar zich, op eenigen afstand, de galerij verhief, voor het Grafelijk gezin bestemd, welke kleiner dan de andere, doch met kostbaar tapijtwerk versierd was, en waarboven zich het Grafelijk wapenbord en ’s Graven banieren vertoonden. Onder dat getimmerte bevond zich de plaats voor den krijtwaarder, en, aan wederszijden, op gelijken afstand van de galerij en van het Krijt, stonden twee paviljoenen, voor de kampvechters bestemd, met hunne kleuren beschilderd, en elk met vier kleine torentjes prijkende, uit wier midden, boven de tent, ter rechterzijde de banderol wapperde van den Jonker Van de Merwede, als aanklager, boven die ter linker de banier van den Heer Van Walcourt.

Eindelijk, nadat de verwachting gedurende ettelijke uren gespannen was geweest, en toen de zon bereids haar hoogsten stand aan den Hemel begon te naderen, kondigde een luid klaroengeschal de komst der kampvechters aan. Eerst verschenen de Wapenkoningen van Henegouwen en Holland, vergezeld van hun Herauten en Staffieren: daarna de Maarschalk van Holland als Krijtwaarder met zijn medehelpers en dienaren; en vervolgens de beide kampers, te voet en ongewapend; want zij kwamen zooeven uit de kapel, waar zij behoorlijk gebiecht en gecommuniceerd hadden. Twee priesters gingen naast hen: terwijl hun raads- en taalmannen, hun bloedvrienden, schildknapen, pages en dienaars met hun wapenrustingen en strijdrossen den trein besloten. De beide partijen begaven zich met hun vrienden elk in de voor hen bestemde ten, terwijl de Krijtwaarder en de Wapenkoningen op de hun aangewezen plaatsen post vatteden. Niet lang duurde het, of een nieuw trompetgeschal verkondigde de komst des Graven, die nu met zijn gemalin en kinderen, en een schitterende hofstoet, onder het oorverdoovend gejuich der volksmenigte kwam aangereden en plaats nam op de voor hem bekende stellage.

Zoodra het hofgezin gezeten was, reed, op een teeken des Krijtwaarders, de Wapenkoning van Holland naar de poort van het kampperk, en riep daar met luider stemme, tot driewerf toe, Jonker Herbaren Van de Merwede, als klager, te voorschijn; terwijl de schelle klank der trompet achter elken roep klem bijzette aan zijn uitnoodiging.

Het voorhangsel der tent aan de rechterzijde werd hierop opengeschoven, en Herbaren Van de Merwede trad in volle wapenrusting voor den dag, doch zonder helm, en het hoofd slechts met een zijden kapje bedekt; met vlugheid besteeg hij den zwaren Frieschen klepper, die aan den ingang der tent gereedgehouden werd, en reed nu, van zijn vrienden en volgelingen vergezeld, naar de poort van het kampperk. Een luid gejuich en handgeklap verwelkomde zijn verschijning; want al had zijn goede houding, en de bevallige zwier niet den voordeeligesten indruk teweeggebracht, zijn hoedanigheid als Hollander, en als verdediger der eere eener Hollandsche vrouw, zou reeds genoeg zijn geweest, om hem de gunst der menigte te verwerven.

De Wapenkoning van Henegouwen vertoonde zich nu aan den ingang van het kamp, en riep, op gelijke wijze als zijn ambtgenoot had gedaan, Heer Otto Van Walcourt als verweerder op, die nu, evenzoo gekleed als zijn weerpartij, en op een fraai Andalusisch paard gezeten, met zijn gevolg voor den dag kwam. Doch een minder gunstig onthaal viel hem ten deel: en slechts enkele toeschouwers, getroffen door zijn forsche gestalte en echt ridderlijk voorkomen, verhieven hun stemmen om ook hem te begroeten. Zoodra hij zich nevens zijne tegenpartij aan den ingang der kampplaats bevond, reed de Maarschalk van Holland naar hen toe om de reden hunner komst te vernemen, en de Jonker Van de Merwede nam het woord op deze wijze:

”Heer Maarschalk! gij ziet hier Herbaren Van de Merwede, die zich voor u vertoont, gewapend en te paard, gelijk het eenen Edelman betaamt, om te strijden tegen Otto Van Walcourt en zijn woord goed te maken, waarmede hij gezegd heeft, dat gemelde Otto Van Walcourt zijn wettige vrouw Emma Van Teylingen, lafhartig en zonder reden heeft vermoord. En ik neem hiervan tot getuigen onzen Heer en Verlosser, onze Lieve Vrouw en mijn Heer Sint-Joris, den Goeden Ridder; en verschijn hier om mijn plicht te doen, eischende dat gij mij zult geven mijn deel van het krijt, van den wind, van de zon, en van al wat noodig, oorbaar en betamelijk is in zulk een geval. En als dit geschied is, zal ik mijn plicht doen, met behulp van onzen Heer, onze Lieve Vrouwe en mijn Heer Sint-Joris, als gezegd is, en ik eisch den kamp als mij is toegestaan:

”Item, dat indien mijn tegenpartij wapenen droeg, door ongeoorloofde kunst gemaakt met behulp van bezwering, tooverij, of aanroeping van den Boozen Vijand, mijn goed recht als aanklager daardoor niet zal verminderd worden; maar dat mijn weerpartij in dat geval als bedrieger en eerlooze zal gestraft worden:

”Item, dat zoo het mij niet gelukt voor zonsondergang mijn weerpartij te overwinnen, gelijk ik met Godes bijstand hoop te doen, mij daartoe een andere dag zal worden verstrekt:

”Item, dat het mij vergund zal worden, brood, wijn en vleesch met mij te nemen voor éénen dag en alle andere noodwendige behoeften, zoo voor mij als voor mijn ros, en daarvan gebruik te maken, zooveel vereischt wordt, voor éénen dag.”

Hier eindigde de Jonker zijne toespraak en nam Otto Van Walcourt het woord, de aanklacht als valsch en logenachtig wedersprekende, en overigens nagenoeg hetzelfde formulier bezigende: waarna beiden naar hunne tenten terugkeerden. Straks geschiedde er eene tweede oproeping; de kampvechters verschenen opnieuw, doch deze rijze met den helm op ’t hoofd, en, na het teeken des kruises gemaakt te hebben, vervoegden zij zich voor het getimmerte, waarin de Graaf zich bevond. – Daar gelastte hun de Maarschalk, dat zij hun vizieren zouden oplichten, waarna beiden uit handen hunner taalmannen de perkamenten rolle aannamen, in welk hunne grieven waren vervat, en ze met uitgestrekten arm den Grave vertoonden, terwijl Jonker Herbaren, eerst sprekende, zeide:

”Zeer Edele en machtige Graaf! ik ben Herbaren Van de Merwede, die voor u, als voor mijnen rechten Heer verschenen ben, op den dag en de ure, waarop gij mij hebt gedagvaard om mijn plicht te doen jegens Otto Van Walcourt! en ik neem God tot getuige, die mij altijd een helper wezen zal.”

Gelijke uitdrukkingen bezigde de verweerder, waarna beiden hunne rollen der Maarschalk overreikten.

Toen reden zij opnieuw naar hunne tenten: een prachtig gestoelte werd aangebracht en voor ’s Graven stellage geplaatst: men leide daarop een crucifix benevens de Heilige Evangeliën, en een Priester plaatste zich daarnevens. Toen dat gereed was, keerde de aanklager terug, te voet en met opgeslagen helmvizier: waarop hem de Priester met deze woorden toesprak:

”Jonker Herbaren Van de Merwede, die hier als klager optreedt! gij ziet hier de ware afbeelding van onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus, die heeft willen sterven en zijn dierbaar lichaam den dood overgeven ter onzer behoudenis. Alzoo roep Hem aan en neem oorlof, dat Hij u op dezen dag helpe, zoo gij goed recht hebt; want hij is de Opperste Rechter. En denk over den eed, dien gij zult doen: of anders ware uw eer, uw ziel en gij zelf in gevaar.”

Na deze toespraak van den Priester, nam de Krijtwaarder den klager bij de geschoeide handen, leide de rechter op het kruis en de linker op de Evangeliën, vroeg hem of hij goed recht hadde, dan of hij van meening was een valschen eed te doen, en gelastte hem toen de volgende woorden hem na te zeggen:

”Ik klager, zwere op dit afbeeldsel der passie van onzen Heer en Zaligmaker Jezus Christus en op de Heilige Evangeliën, en krachtens mijn geloof als Christen in het Heilig Doopsel, dat ik ontvangen heb, dat mijn twist goed en billijk is, en dat ik met volle recht Otto Van Walcourt van moord beticht heb:; en dat hij een kwade zaak heeft, en het onrecht voorstaat: en dit zal ik hem bewijzen door mijn lijf tegen ’t zijne, met behulp van God, onze Lieve Vrouw en mijn Heer Sint-Joris den goeden Ridder.”

Na deze woorden te hebben nagezegd, vertrok de klager, en werd de verweerder gehaald, en op gelijke wijze beëdigd, die vervolgens insgelijks naar zijn tent terugkeerde.

Toen ging de eene helft der staffieren rechts en de andere links, en kwamen zij met beide partijen terug, die nu, naast elkander gaande, tot voor het gestoelte geleid werden en aldaar nederknielden. Toen trok hun de Krijtwaarder de handschoenen van de rechterhand, stak die aan de beide armen van het kruis, en weer herinnerde hun de Priester het lijden onzes Heeren, het verderf dat degene, die onrecht had, aan lijf en ziel zou ondergaan, de gewichtige eeden, die zij hadden afgelegd en nog zouden afleggen, en het Oordeel van God, die de goede zaak beschermt en voorstaat: hem die onrecht had wijders vermanende, zich liever aan de genade des Graven te onderwerpen, dan zich bloot te stellen aan den toorn Gods en aan de macht des Boozen Vijands.

Toen vroeg de Maarschalk aan den klager: ”Gij klager, wilt gij zweren?”

Deze zulks bevestigend antwoord hebbende, zwoer als volgt:

”Ik klager zweer op deze ware afbeelding der passie enz., bij den waren God en de vreugde van het Paradijs, bij mijn eer, bij mijn leven, bij mijn ziel, dat mijn twist enz.” als boven gezegd is.

”Voorts zweer ik, dat noch ik, noch mijn ros eenige woorden, steenen, kruiden, betooveringen, bezweringen, of aanroepingen des Boozen Vijands bij ons dragen of ons daarvan bedienen: dat ik alleen steun en vertrouw op God en op mijn goed recht, op mijn arm, op mijn paard en op mijn wapenen. En ter bevestiging kus ik dit ware kruis en de Heilige Evangeliën.”

Nadat ook de Heer Van Walcourt gelijke eed had afgelegd, deed hun de Maarschalk elkander de rechterhand geven, en gelastte den klager zijn tegenpartij op de navolgende wijze aan te spreken:

”Gij Otto Van Walcourt, wien ik bij de rechterhand houde: bij de eeden, die ik heb afgelegd, de zaak, waarvoor ik u geroepen heb, is waar: zoodat ik goede en gerechte oorzaak heb om u uit te dagen en op dezen dag te bestrijden. En gij hebt een slechte zaak en geen oorzaak om u te verweren en tegen mij te kampen. En gij weet dit, en ik roep God en mijn Heer Sint-Joris den goeden Ridder tot getuigen, dat gij een valsche verrader en meineedige zijt.”

De verweerder zeide een gelijk formulier op: en beiden keerden naar hunne tenten terug, terwijl de Priester zich met het kruis en de Evangeliën verwijderde. Toen gebood de Wapenkoning van Holland stilte op de navolgende wijze:

”Hoort! hoort! hoort! Ridders! Edelen! Schildknapen! en goede mannen! wat onze Heer Graaf u gelast en bebiedt op straffe van lijf en goed!

”Dat niemand uwer gewapend zij, noch degen, knijf of eenige ander wapentuig bij zich drage, dan alleen de wachters aan het krijt, en zij, die verlof hebben van onzen Graaf.

”Item gelast onze Heer Graaf, dat niemand gedurende den kamp te paard gezeten zij, op straffe, zoo hij een welgeboren man is, van zijn paard, en zoo hij een dienstman is, van zijn oor te verliezen; en zij, die den kampvechters geleide doen, zullen aan den ingang van het krijt van hunne paarden afstijgen, en ze wegzenden.

”Item verbiedt onze Heer Graaf dat iemand, van welken staat ook, binnen het krijt kome, dan alleen zij, die daartoe gemachtigd zijn, en zulks op straffe van lijf en goed, voor wie daartegen handelt.

”Item gelast onze Heer Graaf, dat niemand, wie hij zij, gedurende den kamp, of spreke, of hoeste, of nieze, of spuwe of gebaren make, op straffe van lijf en goed.”

Een ieder haaste zich aan de uitnoodiging te voldoen: zij, die met de regelen van het kamprecht bekend waren, hadden de voorzorg gebruikt om mantels of schapevachten met zich te brengen, welke zij nu op den grond uitspreidden om tot zitplaatsen te strekken. Zij, die den gegeven last niet voorzien hadden, of die geen mantel of schapevacht rijk waren, zochten zooveel mogelijk een droge plaats te vinden, waar zij zich mochten nedervlijen, zonder dat de zindelijkheid hunner hozen of der rokken hunner vrouwen een al te groot gevaar liep.

De Wapenkoningen vervoegden zich voor ’s Graven stellage, en van den Graaf het teeken ontvangen hebbende, dat de kamp beginnen mocht, reden zij, midden in het krijt, en riepen tot driemalen: ”Doet uw plicht!” – De kampvechters traden daarop buiten hunne tenten, welke dadelijk opgerold, en buiten het perk geworpen werden: terwijl op hetzelfde oogenblik al de paarden van hen, die de kampvechters vergezeld hadden, door de dienaars werden weggebracht.

Toen riep de Maarschalk, die zich onder ’s Graven stellage bevond, tot driemalen: ”Laissez aller! laissez aller!” en smeet daarna zijn handschoen uit de hand: beide de kampvechters stegen te paard en reden het krijt binnen; waar zij aan de beide tegenovergestelde zijden post vatteden: hun raadslieden plaatsten bij hen een kruik wijn en een brood met een dwaal, en begaven zich toen haastiglijk van daar.

Nu klonken de trompetten, de beide strijders reden met gevelde lans op elkander in, en het was een oogenblik van angstige verwachting. Reeds de eerste schok bewees, dat men iet vergeefs goede verwachtingen van beider kracht en kloekheid gevormd had. Beider lansen vlogen aan splinters: de wapenrok van Otto Van Walcourt, die den stoot van zijn tegenpartij op de linkerborst ontvangen had, werd opengereten en eene der platen van het harnas raakte los: maar hij zelf bleef niettemin recht op in den zadel zitten, terwijl de stoot van zijne lans den Jonker Van de Merwede een stijgbeugel had doen verliezen: zoodat, althans wat de eer betrof, de uitslag van dit samentreffen aan beide zijden gelijkstond.

Hun loop volbracht hebbende, maakten beide kampioenen, in stede van nieuwe lansen te nemen, hun strijdaksten los, die aan den zadelknop hingen, hieven die met beide handen boven ’t hoofd en hernieuwden den aanval. De paarden, door stem en sporen aangezet, renden met zulk een geweld op elkander toe, dat men zou gevraagd hebben, of zij niet even fel op elkander gebeten waren als hun berijders. Beider met ijzer beslagen koppen ontmoetten elkander en zóó hevig was de schok, dat beide te gelijk op het strijdperk nederstortten: maar onder den val had Jonker Herbaren zijne tegenpartij een slag toegebracht, die, ware hij op Otto’s hoofd nedergekomen, den strijd reeds toen geëindigd had. Gelukkig voor den Heer Van Walcourt deed het onvoorziene struikelen der beide paarden de strijdakst afdwalen, zoodat zij slechts zijn rechterdij trof, en eer Herbaren het zware wapen weder had kunnen opheffen, had hem Walcourt met het zijne een zijdelingsche slag op den linkerarm toegebracht: die er voor een wijl alle kracht en buiging aan ontnam. Niet zonder moeite gelukte het beiden, hun rossen op de been te krijgen; en nu hernieuwden zij hun slagen met zooveel kracht en zoo snel achter elkander, dat helmen en kurassen al spoedig vol builen en blutsen waren. Na alzoo een geruimen tijd met gelijk voordeel aan weerskanten gestreden te hebben, besloten zij met onderling goedvinden een oogenblik rust te nemen en den strijd te voet te hervatten. Zij stegen van hun rossen, dronken een teug uit de wijnkruik, en toonden zich toen weder vaardig om den strijd te hernieuwen. Maar ieder der kampvechters had nu gelegenheid gehad om op te merken, dat zijn tegenpartij niet te verachten was, en dat er meer dan gewone bedrevenheid vereischt werd om den kamp met een gunstigen uitslag bekroond te zien: en, met niet minder inwendige woede, maar uiterlijk met bedaardheid, plaatsten zij zich voor elkander: ja, het was of elk hunner schroomde, zijn krachten door nuttelooze aanvallen te verspillen, en liever wilde afwachten, dat zijn vijand de zijne had uitgeput. Herbaren, jeugdiger en driftiger dan Walcourt, bracht den eersten slag toe, die echter door dezen op zijn akst werd opgevangen: en nu zetteden beiden den kamp voort, elkander beurtelings naderende, ontwijkende, aanvallende, afwerende, somtijds treffende, somtijds missende, en alle kunstgrepen bezigende, geschikt om een weerpartijder te misleiden, te verrassen of van zijn stuk te brengen. Het gevecht werd hierdoor te belangrijker voor de toeschouwers, die nu te beter in staat waren elke beweging, wending, stoot of slag op te merken en te beoordeelen. Het door den Wapenkoning gedane verbod om te spreken, zou thans onnoodig hebben geschenen, want zulk een ingespannen aandacht vestigde men op den strijd, dat men schier vreesde adem te halen. Beide kampers bleken thans aan elkander gewaagd te zijn: want zoo de Heer Van Walcourt zwaarder van lichaamsbouw, krachtiger van arm en rijper aan ondervinding was, Herbaren had voor zich zijne jeugd en vlugheid, en was sneller, beide in ’t aanvallen en ontwijken. Weldra echter werd het duidelijk, dat Walcourt het er op bleef toeleggen, zijn eigen krachten te sparen en die van zijn vijand af te matten; hij vergenoegde zich met de hem toegebrachte slagen af te weren en deed zelfs geene dan schijnbare aanvallen. Reeds begonnen de menigvuldige vrienden en begunstigers van Herbaren, met heimelijken angst de nadeelige gevolgen vooruit te zien, welke deze handelwijze van Walcourt voor zijn tegenpartij moest hebben; zij bespeurden duidelijk, hoe de jongeling ongeduldig wed over Otto’s onverzettelijke bedaardheid, hoe hij daardoor menige voordeelige kans voorbij liet gaan, hoe zijn slagen langzamerhand minder zeker werden, en hoe hij zich aftobde en vermoeide, terwijl Walcourt als een paal op zijn plaats bleef staan – ja, in weerwil van dat harnas, dat den jongeling dekte, konden zij zijn borst zien zwoegen. Eindelijk begon ook Walcourt te berlangen, dat er een eind aan de zaak kwame: en op een oogenblik dat niemand, en Herbaren ’t allerminst, er op verdacht was, bracht hij dezen een zoo geweldigen slag op het voorhoofd toe, dat het helmvizier naar binnen werd teruggebogen, en een zware bloedgulp over ’t kinstuk stroomde, aan ieder bewijzende, hoe wis de slag getroffen had. De jongeling deinsde achterover, en, eer hij zich had kunnen herstellen, ontving hij een tweeden slag op den rechterschouder, zoodat zijn arm machteloos nederviel: en de vingers zich openende, de strijdakst lieten glippen. Vergeefs poogde hij nog met de linkerhand zijn wapen op te vatten: een nacht was over zijn oogen gekomen: hij wankelde, duizelde en stortte geheel bedelmt ter aarde. Met een blijden, maar vervaarlijken kreet wierp Walcourt de akst van zich af, die hem zoo wel gediend had, trok zijn knijf, en trad tot Herbaren toe, om hem dien door het hart te stooten.

Maar, hoe hachelijk de toestand van den armen Jonker ook wezen moge, de loop van ons verhaal eischt, dat wij ons thans weder begeven naar ”De Witte Os,” bij den gewonden ruiter, dien wij in niet min gevaarlijke omstandigheden hebben achtergelaten.



[Deel IV Het sterfbed] [Jacob van Lennep pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.