Novellen

Jacob van Lenneppagina

Het Godsoordeel

IV Het sterfbed

[Deel III Het kampgevecht]

De poort van Delft was nauwelijks ontsloten, toen Meester Jan de notaris, na zich door het gebruik van een kommetje warme melk een een snede roggebrood tegen den invloed der morgenlucht gewapend te hebben, zijn sorkoet aantrok van zwart wadmer, behoorlijk gevoerd met konijnevellen, die van Allerheiligsten tot Pinksteren naar binnen, en van Pinksteren tot Allerheiligsten naar buiten gedragen werden, en zich op weg begaf naar de herberg van onzen vriend Thomas, in de hoop dat de dienst van zijn ambtsbetrekking aldaar mocht worden ingeroepen. En werkelijk, toen hij aldaar kwam, vond hij den toestand des lijders eenigszins verbeterd, zoodat Krijn de barbier, die even voor hem was aangekomen, alle hoop gaf, dat de man weldra zijn spraakvermogen terug zou bekomen. Met het wederkeeren van het bewustzijn had zich echter bij den gewonde een ontzettende onrust geopenbaard: hij balde de vuisten, woelde en keerde zich telkens om, gaf zich zelven kinnebakslagen, knarste op de tanden, en trok allerlei vervaarlijke gezichten, die den waard en zijne bij het ziekbed geroepen vrouw en dochter, zoowel als den Priester, zeer beangst maakten, en hun allerlei slechte gedachten inboezemden aangaande den toestand van ’s mans ziel; hoewel Meester Krijn beweerde, dat die onrust en die pijnlijke trekken zich evengoed uit den slechten toestand van ’s mans lichaam lieten verklaren. Eindelijk echter, ’t zij ten gevolge der pogingen, door de natuur zelve in ’t werk gesteld, ’t zij door de uitwerking van een krachtigen drank, welken de barbier had voorgeschreven en bereid, de spraak keerde bij den onbekende terug, en het eerste gebruik, dat hij er van maakte, was om te vragen hoe laat het ware. OP het antwoord, dat het ruim drie uren voor noen was, vloekte hij als een bezetene – zoodat de Priester en de beide vrouwen zich kruisten en zegenden, en hun van afschrik de haren te berge rezen – en toen, zich tot den notaris wendende: ”Haast u naar Den Haag,” zeide hij: ”en zorg dat die vervloekte kamp geen plaats hebbe.”

”Mijn zoon!” zeide de Priester, wanende dat de lijder nog altijd onder den invloed eener ijlende koorts verkeerde: ”ik raad en vermaan u, thans alleen te denken aan de dinger, welke uwe eigene behoudenis betreffen, en u niet te bekommeren over het Godsoordeel in Den Haag, ’t welk u niet kan aangaan.”

”Mij niet aangaan!” herhaalde de ruiter, eerst den Priester en vervolgens de overigen met een verbaasden blik en open mond aanziende, als had de goede man de grootst mogelijke dwaasheid gezegd, en zich toen weder bezondigde door het onnut gebruik eener uitgezochte menigte van kettersche vloeken.

”Ik meen met u te mogen verschillen, Pater!” zeide de notaris: ”als hebbende ik reeds gisteren meenen op te merken, dat de omstandigheden, welke tot het Godsoordeel aanleiding hebben gegeven, dezen vreemdeling niet onbekend zijn; maar hij vergeve mij, indien ik hem onder ’t oog brenge, dat het alleen de Graaf is, of wel het terugtreden van eene der partijen, waardoor het kampgevecht kan worden voorkomen: en dat een bloot verzoek van mij of van elk ander in dit geval niets zoude uitwerken. Ja, al kwam Sint-Joris zelf tusschenbeide, de Graaf is een veel te groot liefhebber van tornooien en gevechten, om zich het genot van zulk een schouwspel als een kamp op leven en dood, te ontzeggen: en wat de partijen betreft, die Van Merwede zijn althans geen lieden om achteruit te treden.”

”En de Heer Van Walcourt nog minder,” voegde de waard er bij: ”immers hij zag er uit of hij liever de geheele wereld bevechten, dan met éénen man vrde houden wilde.”

”En niettemin,” zeide de gewonde, zich langzaam en pijnlijk op zijn elleboog opheffende: ”indien de Heer Van Walcourt wist wat ik hem zeggen kan, hij zou zijn arm liever zien verdorren dan er lans of zwaard mede aanvatten in deze zaak.”

”Waarlijk!” zeide de notaris: ”nu! zoo gij ons omstandig kunt opgeven, wat redenen zich tegen den kamp verzetten, dan zullen wij zien wat wij doen kunnen.”

Deze belofte scheen den ruiter eenige gerustheid in te boezemen: hij wendde echter een angstigen blik naar het venster, als om te oordeelen hoe hoog de zon stond, en hoeveel tijd hem zou overblijven om zijn verhaal te doen. Toen, als om zich voor te bereiden en krachten tot spreken te bekomen, nam hij den nevens hem staanden beker, en dronk een stevige teug van het daarin vervatte vocht, trachtte de gemakkelijkste houding vaan te nemen, welke hem zijn jammerlijke toestand vergunde, en begon toen op deze wijze:

”Ik ben een booze misdadiger, Priester! en de oorzaak van den onschuldigen dood eener Edele vrouw. Maar ik heb berouw over hetgeen ik bedreven heb, en ik was op weg om nieuwe moorden te verhoeden, toen mij die Satansche knol zoo jammerlijk het onderst boven wierp. – Luistert! – Ik ben Burckhardt, de slotvoogd van het kasteel van Walcourt.”

”Gij?” riepen allen verbaasd.

”Ik behoef hier niet te verhalen, wat gisteravond reeds gezegd is en de oogenblikken zijn kostbaar,” hernam hij op eenen meer bedaarden toon, en terwijl zijn gelaat geen sporen zien liet van de wildheid, welke nog kort te voren daarop zichtbaar geweest was. ”Tot op den tijd, dat Heer Otto, nu vier jaren geleden, zijn jonge vrouw op het slot bracht, was ik hem altijd een trouw dienaar geweest: en ik ware het wellicht gebleven, zonder zijn onachtzaam gedrag jegens de bekoorlijke Emma. Maar hij kende hare waarde niet, en bracht zijn tijd aan het hof of in den krijg door, terwijl hij zijn beminnelijke vrouw eenzaam en verlaten haar dagen op het kasteel liet slijten. Met den adel uit den omtrek had zij geen omgang: ik was dus bijna de éénige welgeboren man, dien zij zag. Ik gevoelde innig medelijden met haar, die, zoo jongeling en schoon, gedwongen was op een zoo treurige wijze haar leven door te brengen. Mijn medelijden groeide onmerkbaar tot liefde aan en eindelijk tot een hartstocht, dien ik niet in staat was te bedwingen. Ik waande, dat ook zij mij niet ongenegen was; maar het was slechts een dwaze inbeelding van mij, en wat ik voor genegenheid hield, was niet meer dan de uitwerking van haar welwillenden en minzamen aard. Toen ik, mij zelven geen meester meer, haar mijn geheim ontdekte, en mijn hoop te kennen gaf, wees zij mij met verachting af: ja, zij bedreigde mij, indien ik zulke gesprekken hernieuwde, zulks aan haar man te zullen openbaren. Van dat oogenblik voer de booze Satan in mij: gekrenkte eigenliefde, woede en wraakzucht woelden door mijn aderen, en maakten mij het leven tot een hel. Terwijl mijn verhitte verbeelding duizend plannen vormde en weder verwierp, om ’t zij mijn liefde, ’t zij mijn spijt te voldoen, viel een nieuwe gebeurtenis voor, welke bij de driften, die mij bestormden, nog die der ijverzucht voegde.

De Vrouwe Van Walcourt was vroom en liefdadig: zij deelde mild haar gaven en aalmoezen onder de behoeftigen uit, bezocht en verpleegde zelve de kranken en ouden van dagen, en spijsde de nooddruftigen. Dagelijks ging zij soms geheel alleen het dorp rond, ja, zij schroomde niet, zich naar de meest afgezonderde stulpen te begeven; want wie zou die vroome engel beleedigd hebben, haar, die door allen geliefd en geëerd werd. Eens, dat ik van de jacht terugkwam, ontdekte ik haar van verre, wandelende en zich vertrouwelijk onderhoudende met een pelgrim, dien ik nooit van te voren in dezen omtrek gezien had, en wiens houding en gang alles behalve een grijsaard aankondigden. Onopgemerkt volgde ik hen, totdat zij in de nabijheid van het dorp gekomen waren. Hier bleven zij staan: en stelt u mijne woede voor, toen ik den vreemdeling de Vrouwe Van Walcourt in zijn armen zag drukken, en met een vurigen kus afscheid van haar nemen zag; waarna hij van haar scheidde en een pad insloeg, dat boschwaarts voerde, terwijl zij haar weg naar het slot vervolgde. Ik bleef een geruimen tijd als in den grond genageld staan: mijn liefde was op eens in haat verkeerd, en van dat oogenblik af stond het besluit bij mij vast om mij fel te wreken op haar, die eenen andere de liefde schonk, welke zij mij ontzegd had. Ik ging dag aan dag haar gangen na, en verkreeg de overtuiging, dat zij bijna dagelijks geheime bijeenkomsten met den onbekende had, en dat deze zich op eenigen afstand van het slot in de hut eens kolenbranders ophield.

”Weinige dagen na mijn ontdekking, kwam de Heer Van Walcourt, alsof zijn kwade Engel hem gedreven had, onverwachts op het slot terug. Ik ontdekte hem wat er gebeurd was: hij liet nasporingen doen – en wij betrapten de beide jonge gelieven in een boschje, op het oogenblik, dat zij een teeder afscheid van elkander namen. De onbekende verwijderde zich zonder ons gezien te hebben: en terwijl Heer Otto zijn echtgenoot naderde en zijn dolk boven haar ophief, snelde ik, niet minder woedend dan mijn Heer, het boschpad op en den gehaten vreemdeling na. Het pad voerde langs eenige leemputten: daar haalde ik hem in: en zonder hem den tijd te geven zich te weer te stellen, joeg ik hem het zwaard door het lijf. Hij viel en zag mij aan: ”Wat heb ik u gedaan,” vroeg hij met een flauwe stem: ”dat gij mij dus behandelt?” – ”Wat gij gedaan hebt?” zeide ik: ”hebt gij de Vrouwe Van Walcourt niet bemind?” – Daarop wierp hij mij een blik toe, zoo weemoedig, dat ik hem nooit heb kunnen vergeten: ja, ’t is mij, of ik hem nog in dit oogenblik op mij gevestigd zie: ”ongelukkige!” zeide hij: ”Ik ben haar broeder, haar verbannen broeder – wien zij in ’t geheim met haar weldaden ondersteunde.... ik zal die niet meer behoeven.” Met deze woorden sloot hij de oogen en was dood. Radeloos bleef ik turen op die bleeke gelaatstrekken, wier gelijkenis met die van Emma onmiskenbaar was, en nu kwam het mij opeens voor den geest, hoe ik wel meer gehoord had, dat zij een broeder had, die haar vader in zijn ballingschap had moeten volgen, en na diens dood vergeefs gepoogd had, de vrijheid weder te erlangen om in zijn vaderland terug te keeren; want de Heer Van Walcourt, in stede van zijn voorspraak te zijn, had hem bestendig tegengewekt, uit vrees, dat Teylingen, indien hij ooit terugkeerde, de goederen mocht opvorderen welke Walcourt door zijn huwelijk met Emma had verkregen.

”Eindelijk kon ik den aanblik van het doode lichaam niet langer verdragen: ik wierp het in eende der kuilen, en vluchtte ver vandaar naar mijn naastbestaanden in Vlaanderen. Daar vernam ik den dood der Vrouwe Van Walcourt: deze tijding deed mij in een volslagen krankzinnigheid vervallen, van welke in nauwelijks begon te herstellen, toen de mare van het Godsoordeel, dat in Den Haag gehouden zou worden, tot mij kwam. Dadelijk besloot ik, mij op reis te begeven, om dat gevecht te voorkomen: en zonder mijn ongeval van gisteravond, ware ik tijdig genoeg in Den Haag geweest. Daarom, haast u, goede lieden! haast u naar Den Haag, en meldt den Grave, wat gij van mij gehoord hebt, opdat ik gerust moge sterven.”

”Voorwaar!” zeide de notaris: ”dat is een gansche geschiedenis, die gij ons daar verteld hebt; en ik hoop, dat gij zult in ’t leven blijven om er de waarheid van te bevestigen; daar wij anders licht kans zouden hebben om als logenachtige getuigen te worden behandeld.”

”Ja, gaat en haast u, goede lieden!” zeide de Priester: ”en gij, mijn zoon! overleg bij u zelven, welke zonden u gemoed nog mochten bezwaren, opdat gij de vrijspraak daarvan door mijnen mond erlangen moogt.”

Maar de helderheid van geest en de bedaardheid, welke men bij Burckhardt gedurende zijn verhaal had opgemerkt, waren wederom geweken en hadden plaats gemaakt voor diezelfde woeste oploopendheid, welke hem den vorigen avond eigen scheen. Zijn gelaatstrekken hernamen hun afzichtelijke uitdrukking: met woedende blikken wendde hij zich tot den notaris, en voer in de heftigsten bewoordingen en met de gruwzaamste vloeken tegen hem uit, hem zijn traagheid verwijtende, in het volbrengen der hem opgedragen zending. Meester Jan haalde de schouders op, en, den waard ter zijde trekkende, vroeg hij dezen of er nog een vervoermiddel te bekomen zou wezen, waarmede men enigszins spoedig Den Haag zou kunnen bereiken.

”Bij Sint-Japik!” zeide de waard, zijn kapje verlegen heen- en wederschuivende: ”daar zal wel geen kans meer op zijn: of ik moest den ouden os voor de mestkar zetten, ’t geen echter niet veel gauwer zou doen vorderen, dan of wij te voet gingen; want alle paarden uit de buurt zijn in beslag genomen, om de menschen naar het Godsoordeel te brengen. Maar wij hebben beide nog goede beenen: en als wij wat aanstappen, zullen wij er nog wel bijtijds kunnen komen. Ik vlei mij toch, dat wij wel eenige vergoeding voor de moeite zullen erlangen.”

”Hm! Hm!” zeide de notaris, met den zonderlingen lach, die hem eigen was; ”dat zal nog te bezien staan: – maar in allen gevalle, wij moeten doen wat wij kunnen. Maak u dus terstond vaardig, en wij gaan op weg.”

De goede Thomas was dadelijk gereed, en, zonder zich te storen aan de klaagliederen zijner vrouw en dochter, die iet bijster in hun schik waren, dat hij ze alleen liet met een stervende, om misschien in Den Haag stank voor dank te bekomen, trok hij zijn beste overkleed aan, zette zijn zondagsche kaproen op ’t hoofd, en begaf zich met den notaris op weg, zonder dat hun vertrek de opmerkzaamheid scheen te trekken van Burckhardt, wien zij nog van den weg bestendig zijn vloeken en verwenschingen hoorden uitbraken.



[Deel V Het godsoordeel] [Jacob van Lennep pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.