Novellen

Jacob van Lenneppagina

Het godsoordeel

V Het godsoordeel

[Deel IV Het sterfbed]

De afstand tusschen Delft en Den Haag was in die dagen voor voetgangers niet grooter noch kleiner dan heden, en hing machtig veel af van de meerdere of mindere snelheid, waarmede men voortwandelde. Nu behoorden noch de notaris noch Thomas, in weerwil wat hetgeen deze omtrent de deugd hunner beenen gezegd had, tot de hardloopers, daar de jaren van den eerstgemelde en de zwaarlijvigheid van den goeden waard hen verhinderden een meer dan zeer gewonen stap te houden. Er waren alzoo reeds bijna anderhalf uur verloopen, toen zij het Grafelijk Hof in ’t gezicht kregen: te gelijk trof het klaroengeschal hun ooren, en kondigde hun aan, dat de voorbereidende ceremoniën reeds een aanvang hadden genomen. ”Daar beginnen zij al,” zeide de waard: ”wij zullen ons dienen te haasten.”

”Hm! hm!” antwoordde de notaris, terwijl hij een oogenblik stilstond om op adem te komen: ”dat gaat zoo spoedig niet in zijn werk. Eerst moeten zij nog beëdigd worden – en al die formulieren en plechtigheden zullen hen nog wel een goed halfuur ophouden. Kluchtig genoeg! daar zweren nu beiden, dat zij een goede zaak voorhebben: en geen van beide weet het fijne van de mis. – Mits wij nu slechts bij den Graaf worden toegelaten.”

Zij vervolgden hun weg, en niet lang duurde het, of zij zagen het vlek, en weldra de opeengepakte en bij elkander nederzittende scharen, voor zich. Het bleek hun echter spoedig, dat elke poging om door die dichte massa’s te dringen, vruchteloos beproefd zou worden: en reeds kwamen er dienaars op hen af, met de bedreiging, dat ingeval zij niet spoedig op hun achterdeelen gingen zitten, het slecht met hen zou afloopen.

”Wij moeten den Graaf spreken,” riepen onze vermoeide wandelaars, terwijl zich de notaris het zweet van het voorhoofd veegd en de waard zijn kaproen rechtzette.

”Den stokbewaarder zult gij spreken, indien gij niet spoedig zitten gaat of u van hier pakt,” zeide de dienaar, zijn roede opheffende, en hen daarmede dreigende, zoodat zij van schrik terugdeinsden. Maar op dat oogenblik kwam Aris Pauwelszoon, die in de achterste rij der toekijkers gezeten, en de stem zijner vrienden gehoord had, naar hen toegeschoten.

”Wie drommel verwachtte u hier,” zeide hij, zich met hen op eenigen afstand verwijderende; ”komt gij nu nog met hoop om iets te zien? en ik, die hier al voor vier uren ben aangekomen, heb nog niets anders in het oog kunnen krijgen dan de pluimen der Wapenkoningen.”

”Wij moeten den Graaf spreken,” zeide Meester Jan, terwijl hij hem in weinige woorden op de hoogte van de zaak bracht.

”Moeilijk genoeg,” zeide Aris: ”maar toch niet onmogelijk: wij moeten naar het Hof gaan, en ons daar aanmelden. Laat men ons in, dan kunnen wij tusschen de wachters een vrijen doortocht vinden naar ’s Graven stellage.”

Die raad werd goedgekeurd en door onze drie vrienden onmiddelijk in ’t werk gesteld. Juist zooals zij zich aan de Hofpoort aanmeldden, kwam hun iemand in het zweets zijns aanschijns achterop geloopen, dien zij voor Krijn den barbier herkenden.

”Onze maar is dood,” zeide deze, zoodra hij bij hen stond: ”hij heeft mij om mijn loon gebracht, en de Priester is onverrichter zake kunnen aftrekken.”

”Erg genoeg!” zeide de notaris: ”indien men ons thans slechts geloof wil geven; – maar ’t ga hoe ’t ga, wij zijn te ver gekomen om terug te keeren.”

Meteen meldden zij zich bij den dorpelwachter aan: en hoewel deze in den beginne eenige zwarigheid maakte, dorst hij, toen zij hem verklaarden, dat zij den Graaf ophelderingen brachten aangaande den twist, waarover de kamp was aangelegd, hun den doorgang niet weigeren. Hij gaf hen aan een hofbediende over, die hen nu, door de dubbele rij van wapenknechten heen, naar het Tornooiveld geleidde. Eindelijk kregen zij de kampplaats in het gezicht, en Thomas herkende den Heer Van Walcourt, die over ’s Graven stellage, in de trotsche houding eens overwinnaars, zijn paard, hetwelk hij weder bestegen had, op en neder deed huppelen; terwijl de Herauten het lijk van de Jonker Van de Merwede bij de beenen over de omheining uit het Krijt sleepten: en de staffieren het stuksgewijze van zijn wapenrusting ontdeden, waarvan zij de brokken verachtelijk rechts en links achter zich heen smeten: en de Wapenkoningen de kampplaats op en neder draafden, al roepende met luider stemme: ”Dit is het Godsoordeel!”

”En daar valt geen beroep van,” zeide de notaris tegen zijn gezellen: ”wij kunnen weder naar Delft keeren.”



[Jacob van Lennep pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (jcdverha@xs4all.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.