MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

EEN SCHAKING
IN DE ZEVENTIENDE EEUW.


EERSTE HOOFDSTUK,

waarbij de bekendheid des lezers met de Griekse mythologie en onze Nederlandsche folianten wordt op den toets gesteld.

Hoewel over 't algemeen heden ten dage de lezers van werken van smaak, zelfs zij die een beschaafde opvoeding hebben genoten, niet zoo volkomen meer thuis zijn in de klassieke oudheid en fabelkunde, als zij dit voor veertig jaren zouden geweest zijn, zoo onderstel ik echter, dat ook de minst geleerde onder hen zich nog wel herinneren zal, hoe de val van Troje, en de dood van zooveel duizend helden, om niet eens van de gesneuvelde, verbrande of verdronken krijgsknechten, zeelieden, vrouwen en kinderen te gewagen — aan geene andere oorzaak zijn toe te schrijven geweest dan aan den roof der schoone prinses Helena door den wulpschen saletjonker Paris. In verzen, welke ik hier niet zal herhalen, eensdeels omdat ik geen schijn van geleerdheid wil aannemen, anderdeels omdat het onbeleefd is, tot zijn lezers, en tot vooral zijn lezeressen, een taal te spreken, die zij waarschijnlijk niet machtig zijn, en ten derde nog omdat zij de ooren van sommigen onder hen, die ze verstaan, zouden kwetsen, zegt Horatius, dat voor den tijd van Helena meer dan eene coquette aanleiding tot een bloedigen oorlog had gegeven en al mocht men twijfelen aan de echtheid van de voorbeelden, die hij, tot staving van zijn gezegde, uit het mythologische tijdperk bijbrengt, zoo kunnen wij niet anders dan hem gelijk geven, wanneer wij b.v. slechts denken aan de slachting der Sichemieten, ten gevolge der ontvoering van Jakobs dochter Dina, aan die der Filistijnen door Simson, omdat zijn huisvrouw hem ontrouw geworden was, en aan die der kinderen Benjamins, om hetgeen zij gedaan hadden aan het bijwijf des Leviets.
Maar, om niet langer in zulke oude tijden rond te dwalen, zoo wil ik mijnen lezers eens gevraagd hebben, of ook zij zelfs, die de geschiedenis van den Trojaanschen oorlog op hunne duimpje kennen, wel weten, dat, nog geen tweehonderd jaar geleden, in ons beschaafd Nederland, een maagdenroof bijkans aanleiding zoude gegeven hebben, dat een aanzienlijk Duitsch Vorst het graafschap, 't welk hij hier te lande bezat, althans een voornaam deel der heerlijke rechten, welke hij uitoefende, ontnomen, en dat de vrije Rijksstad Bremen in een oorlog met onze Republiek ware gewikkeld geworden? En echter is het feit boven alle bedenking waar. Wie er aan twijfelt, heeft slechts het Vijfde Deel van Aitzema's „Saken van Staet en Oorlogh” op te slaan, en hij zal op bladzijde 144 en volgende het verhaal van het gebeurde vinden, met de officiëele bescheiden gestaafd. Alleen zal hij daar ter plaatse vruchteloos naar den naam der geroofde Helena zoeken, dien Aitzema, waarschijnlijk omdat zij, toen hij schreef, nog in leven was, uit ridderlijke kieschheid (of uit diplomatische achterhoudendheid, dit wil ik niet beslissen), achter de letters N.N. verbergt. Ik was daarom een tijdlang van mening, dat de schrijver, die zich opgewekt gevoelen mocht, om het door Aitzema verhaalde avontuur in het kleed van een historischen roman te steken, een naam uit de lucht zou hebben moeten grijpen om er zijn heldin mede aan te duiden; doch ik ontdekte eerlang, dat hiertoe geene noodzakelijkheid bestond. Evenals in de gezuiverde uitgaven der Latijnschen dichters de onkiesche en aanstotelijke plaatsen uit het lichaam zelf van het werk zijn geweerd, doch doorgaans afzonderlijk daarachter bij elkander gedrukt staan — waarschijnlijk opdat de onschuldige leerling ze des te gemakkelijker zoude kunnen vinden en tot zijn nut bestudeeren — zoo ook komt die naam, waarvan wij thans spreken, wel in den tekst van Aitzema's werk, gelijk ik zeide, bloot als N.N. voor, maar is hij daarentegen voluit geschreven in den bladwijzer.
Ik zou hier kunnen eindigen, en mij vergenoegende met des lezers opmerkzaamheid op het bedoelde voorval te hebben gevestigd, hem, voor zooverre hij zich aangespoord gevoelde om meer daarvan te weten, naar den goeden Aitzema te verwijzen, die het gebeurde op de hem eigen naïeve wijze vertelt; maar ik ken den algemeenen afschrik, dien men in onze eeuw van duodecimo's en luchtige literatuur tegen lijvige folianten koestert. Wel moge, naarmate gezegde folianten vrij wat meer gezonde taal bevatten en vrij wat minder de oogen, den smaak en het hart bederven, dan de hedendaagsche romannetjes in klein formaat, waarvan papier, letter en inhoud doorgaans onderling wedijveren in ondeugdzaamheid, wel moge, zeg ik, naar die mate ook de afschrik te verkeerder zijn: maar nademaal ik toch geen kans zie, hem weg te cijferen, zoo is het mij niet ondienstig toegeschenen, het relaas van Aitzema over te nemen, en, zonder aan den inhoud iets wezenlijks af te nemen of er meer bij te voegen dan wat tot opheldering der zaken of tot het in 't licht stellen der karakters noodig scheen, minder versierende dan — zoo mogelijk — versierende, de gebeurtenis aan de lezers van het Tijdschrift Nederland te vertellen.


Ingezonden door Alidus Bakker.