MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

EEN SCHAKING
IN DE ZEVENTIENDE EEUW.


DERDE HOOFDSTUK,


inhoudende, onder meer zaken, welke tot deze geschiedenis betrekking hebben, een hoogst belangrijk gesprek tussen Mortaigne en zijn kamerdienaar.

Het was op den vijfden Maart 1663, dat Mortaigne niet eenige officieren en andere vroolijke gasten in de herberg te Delft aan den disch zat, toen Vollenhove achter hem kwam en terstond fluisterend verzocht, onder het een of ander voorwendsel de kamer te verlaten, daar hij hem iets gewichtigs mede te deelen had.
„Wel!” ving Mortaigne aan, zoodra hij zich met hem in het naaste vertrek alleen bevond: „Wat hebt gij te vertellen, belangrijk genoeg om mij te storen in den nuttigen arbeid, waar ik mij mede Bezighield?”
„Zij is dáár!" antwoordde Vollenhove, den voorsten vinger der rechterhand uitstekende en er mede naar den vloer wijzende, alsof deze van kristal ware geweest en Mortaigne er 't een of 't ander hoogst merkwaardig voorwerp doorheen had kunnen zien.
„Wie is daar?” vroeg Mortaigne,
„Juffrouw Orleans," antwoordde Vollenhove, de lippen tot een nauwelijks hoorbaar gefluister vooruitstekende.
„Zijt gij daar zeker van? Hebt gij haar gezien?” vroeg Mortaigne met drift.
„Zij is daar in een dichten koetswagen,” antwoordde de kamerdienaar: „ik heb haar herkend, toen zij het hoofd en den arm aan het portier bracht om een glas water aan te nemen, dat de meid haar toereikte. Doch zoo UEd. haar zien en spreken wil, dient er geen tijd verloren te worden; want de wagen blijft hier stellig niet langer dan noodig is om de paarden te laten drinken.”
Mortaigne dacht een oogenblik na. „Wie is er bij haar?” vroeg hij toen snel.
„Nog een vrouwspersoon — haar kamenier, geloof ik,” zeide Vollenhove: „en voorts de koetsier van den Prins van Tarente.”
„Hm! zoo! — En zij zijn vermoedelijk op weg naar Den Haag?”
„Vermoedelijk,” herhaalde Vollenhove.
„Die koetsier kent u niet als mijn bediende?” vervolgde Mortaigne. Vollenhove schudde ontkennend het hoofd. „Uitnemend!” vervolgde Mortaigne: „Welnu! maak haastig dat gij te paard komt; volg den wagen, zie, waar de juffer afstapt, maak, dat gij te weten komt of zij in Den Haag denkt te blijven, en zorg, dat gij mij hedenavond bij mijn terugkomst alle noodige inlichtingen geven kunt.”
„Hedenavond!” herhaalde Vollenhove, meesmuilende, want hij wist bij ondervinding, dat, een maal, als dat, waaraan zijn meester thans deelnam, tot de zoodanige behoorde, die doorgaans tot aan den volgenden morgen gerekt werden.
„Gij hebt gelijk,” zeide Mortaigne, nadenkende: „luister! zoo gij het der zake dienstig acht, dan komt gij mij van avond hier nog bericht brengen: in geval gij oordeelt dat er geen haast bij 't werk is dan wacht gij mij af aan mijn logies. — En nu, verlies geen tijd, en vooral, verlies het rijtuig niet uit het oog.” „Daar is geen nood voor,” zeide Vollenhove, en begaf zich naar beneden, terwijl Mortaigne naar de eetzaal terugkeerde.

„Wel!” vroeg onze jonker, toen hij, den volgenden morgen, omstreeks zes uren, in Den Haag teruggekeerd, zich weder op zijn kamer bevond, en Vollenhove bezig was hem van zijn bestoven kleederen te ontlasten: „het schijnt dat uw tijding uitstel veelde, althans niet zoo gewichtig was, of zij kon tot hedenmorgen wachten.”
„De tijding is gewichtig genoeg; de vraag is maar, of de jonker helder genoeg van hoofd is om er naar te luisteren,” zeide Vollenhove, met de vrijmoedigheid van een bediende, die in zijns meesters geheimen is ingewikkeld en zich onmisbaar kent.
„O!” hernam Mortaigne: „de gedachte aan Catharina's terugkomst had mij de zinnen zoo krachtig aangegrepen, dat de wijn er geen invloed op hebben kon: en bovendien, de rit huiswaarts op een koelen wintermorgen heeft alle kwade dampen doen vervliegen. Vertel maar gerust wat nieuws er is: ik ben gereed, met volle aandacht te luisteren.”
„Welnu,” zeide Vollenhove, terwijl hij zijns meesters rok toevouwde en over een stoel hing: „ik ben, ingevolge uw last, het voertuig, zoodra het Delft verliet, stapvoets achtervolgd, en heb het niet uit het oog verloren, tot het hier in Den Haag aankwam en stilstond voor de deur van Jan Van Ruytenburgh.”
„Wie is Jan Van Ruytenburgh?” vroeg Mortaigne.
„Kent UEd. Jan Van Ruytenburgh niet?” vroeg met eenige verwondering de kamerdienaar; terwijl hij het stof van Mortaignes lubben en met kant versierde das afblies en vervolgens deze gedeelten van 's jonkers opschik zorgvuldig wegborg in een bordpapieren doos: „den waard uit het „Wapen van Frankrijk,” op de Plaats, waar UEd. nog eens dat partijtje had met die Engelsche Heeren.”
„... Met wie ik lansquenet speelde, en die mij nog de helft van hetgeen ik hun afwon zijn schuldig gebleven,” viel Mortaigne in: „ja! ik herinner mij, waar het is; maar 's mans naam was mij ontschoten. Ga voort.”
„Welnu!” vervolgde Vollenhove, die thans, geknield, de strikken van zijns meesters broek en schoenen losmaakte: „ik wachtte, tot de juffer afgestapt en de wagen weggereden was, ging toen mijn paard op stal brengen, keerde onmiddellijk terug, en bleef op den hoek van de Gevangenpoort op de loer staan: — hier zijn uw kamermuilen. Ik zag, dat de vensters van de zijkamer, allernaast de deur, die openstonden toen het rijtuig stilhield, thans gesloten waren, waaruit ik de gevolgtrekking opmaakte, dat de juffer daar haar intrek genomen had.”
„Dat kon wezen,” zeide Mortaigne, terwijl hij zijn rechterbeen aan Vollenhove toestak, en zich de kous liet uittrekken. „Vervolgens, nadat ik een poos had gewacht, zag ik den Raadsheer Rixen, die waarschijnlijk van de aankomst zijner pupil verwittigd was geworden, van den Kneuterdijk afkomen en de herberg instappen.”
„Ik wenschte, dat hij zijn hals op den drempel gebroken had, de oude gek,” bromde Mortaigne.
„Ik begreep,” vervolgde Vollenhove, die, nu weder opgestaan zijnde, de gebloemde kamerjapon zijns meesters gereed hield, „dat ik niet veel meer te zien zou krijgen, en ik vreesde, zoo ik nog langer in de buurt bleef zwerven, achterdocht te verwekken. Ik begaf mij daarom naar de „Groene Wandeling.”
„De Groene Wandeling!” herhaalde Mortaigne, verbaasd den arm terughoudende, dien hij gereed stond in de mouw van zijn japon te steken: „waar drommel, vindt gij eene wandeling, die in ditseizoen groen is?”
„Met uw verlof,” zeide Vollenhove: „de Groene Wandeling is een zeer beklante en welbekende herberg bezuiden het Bosch.”
„Welbekend!” hernam Mortaigne: „'t is mogelijk; maar 't is voor 't eerst, dat ik ze hoor noemen.”
„Wanneer ik zeg, welbekend,” vervolgde de kamerdienaar, met een buiging, „dan bedoel ik, onder lieden van mijn slag; want zeker is de plaats minder geschikt voor heeren van des jonkers qualiteit.”
„Dat wil ik gaarne gelooven,” zeide Mortaigne: „maar is dat alles? want dat gij u daar in de herberg aan den noodigen brandewijn te goed zult gedaan hebben, geloof ik gaarne, zonder dat ik het u hoor vertellen: en de praatjes, die gij daar gehouden moogt hebben, zijn mij vrij onverschillig.”
„Ziedaar juist waarin UEd., 't zij met verlof gezegd, zich machtig bedriegt,” hernam Vollenhove: „ik geloof daarentegen, dat wie de verborgenheden der Haagsche wereld, zoo groot als klein, wenscht te kennen, er meer zal hooren op éénen avond in de „Groene Wandeling” doorgebracht, dan wanneer hij zes weken de hofcirkels bezocht had.”
„'t Kan zijn,” zeide Mortaigne, geeuwende: „en wat is het dan, dat gij er vernomen hebt?”
„Ziedaar,” hernam de kamerdienaar, „wat ik u wilde gaan vertellen. Ik had nog geen halfuur gezeten en pas mijn eerste pijp uitgerookt....” „Gij weet, dat ik u verzocht heb, die vuile gewoonte te laten varen,” zeide Mortaigne, ”en dat ik geen tabakslucht verdragen kan.”
„UEd. heeft er immers nooit hinder van gehad,” zeide Vollenhove, zich op de lippen bijtende van spijt dat hij zijn gewone voorzichtheid uit het oog verloren en zich versproken had, „ik rook zeer zelden en trek altijd een anderen rok aan als ik te huis kom; terwijl ik do noodige voorbehoedmiddelen neem, dat de lucht u niet hindere.”
„Aha ja!” zeide Mortaigne: „nu begrijp ik, hoe mijn muskusdoos en mijn fleschjes met eau de senteur zoo spoedig leeg raken. Maar daarover nader bij een andere gelegenheid. Wat hebt gij in die tapperij vernomen?”
„Als ik u zeide,” ging Vollenhove voort, terwijl hij zijns meesters ringen in een parelmoeren met goud ingelegde doos wegsloot, „ik had nog geen halfuur gezeten, toen ik.... wie denkt UEd., dat ik zag binnenstappen?”
„Waarschijnlijk niet den Prins, noch Meester Jan De Witt, noch den Ambassadeur d'Estrades,” antwoordde Mortaigne, wrevelig: „zit ik hier om raadseltjes te raden, en ken ik het gespuis, dat tapperijen bezoekt?”
„Zeker niet den Prins,” zeide Vollenhove, met een glimlach; „maar toch iemand, die tot den stoet van een Prins behoort.... Nicolaas, den koetsier van den Prins van Tarente.”
„Inderdaad!” riep Mortaigne: „dat was voorwaar een gelukkig toeval!”
„Het zoude, 't zij met verlof gezegd, een zeer ongelukkig toeval hebben kunnen zijn,” hernam Vollenhove: „want in de herberg of de tapperij, gelijk UEd. ze gelieft te noemen, waren ten minste zes of zeven koetsiers of kamerdiemaars van aanzienlijke luiden, die mij als uw dienaar kennen.”
„Welnu?”
„Is het UEd. dan ontschoten,” vervolgde de kamerdienaar, „dat ik mij in Den Bosch bij Nicolaas onder een verkeerden naam heb bekend gemaakt? En was het niet te voorzien, dat, zoodra hij vernam wie ik was, hij tegen mij op zijne hoede zijn zou, en zoo gesloten, dat er niets meer uit te krijgen zou wezen?”
„En hoe hebt gij het aangelegd, om dit te voorkomen?” vroeg Mortaigne.
„Ik zag terstond in,” antwoordde Vollenhove, „dat alleen onbeschaamdheid mij uit de verlegenheid redden zou. Ik stapte terstond naar Nicolaas toe, schudde hem de hand, heette hem welkom in 't vorstelijk 's-Gravenhage en verzocht vergunning om hem te trakteeren, 't welk hij mij gereedelijk toestond. Hij begon als ik wel verwacht had, mij te vragen, wat ik in Den Haag deed, en of ik al geslaagd was in het vinden van een dienst; maar gelukkig drongen zich de aanwezigen met zulk een verwelkoming en drukte om hem heen, allen te gelijk pratende en schreeuwende, dat geen van hen de vraag verstond: terwijl ik mij vergenoegde met hem te zeggen, dat ik hem mijn wedervaren wel eens nader vertellen zou. Toen gingen wij aanzitten. Iedereen vroeg aan Nicolaas, hoe hij zoo op een bof uit de lucht was komen vallen: en nu vernam ik, dat, ten gevolge van zijns meesters vertrek naar 't leger, de Prinses herwaarts zou overkomen, dat hij vooruit was gezonden om kwartier te maken, en dat juffrouw Catharina medegekomen was, die, volgens beschikking van haar voogd, bij Jan Van Ruytenburgh haar intrek houden zou tot den achttionden, wanneer zij met haar oom Boreel naar Middelburg zou vertrekken.”
„Naar Middelburg!” herhaalde Mortaigne: „en reeds binnen veertien dagen! — Die meid wil mij, geloof ik, het geheele land laten rondreizen. — Ziedaar inderdaad groot nieuws. — En zijt gij nog niets meer te weten gekomen?”
„Niets belangrijks voor 't oogenblik,” antwoordde Vollenhove.
„En zou die Nicolaas van niemand gehoord hebben, dat gij in mijn dienst zijt,” vroeg Mortaigne.
„Voorzeker,” antwoordde, Vollenhove: „hij heeft het uit mijn eigen mond vernomen.”
„Zijt gij razend?” vroeg Mortaigne.
„Nog niet, 't zij met verlof gezegd,” antwoordde Vollenhove: „maar ik begreep, dat hij het toch t' avond of morgen hooren zou, en daarom achtte ik het maar veiliger, hem, toen wij te zamen naar huis gingen, te vertellen, dat ik onlangs een dienst en wel bij u, gevonden had. Ik zag wel, dat hij op dit bericht wat zuinig keek; maar nu zal hij niet zoo licht anderen naar mij vragen en daardoor te weten komen, dat ik reeds sedert jaren uw getrouwe dienaar ben. Ik vroeg hem met een onnoozel gezicht, of hij u kende, en deelde hem toen in vertrouwen mede, dat gij op uw vertrek stondt naar Hessenland, waar gij een aanstelling bij de ruiterij gekregen hadt en tevens, dat uw huwelijk met een adelijke jonkvrouw aldaar bepaald was. Hij heeft dit alles voor zoete koek opgegeten, en ik ben overtuigd, dat bij hem althans alle bezorgdheid ten uwen opzichte geweken is.”
„Wij willen 't hopen,” zeide Mortaigne: „maar.... den achttienden vertrekt zij naar Middelburg, gelijk gij zegt, en wij hebben vandaag den zesden!.... hoe duivel maken wij tot, om ....” en hier verzonk hij in gepeins.
„Ja Jonker!” hernam Vollenhove: „wij zullen het ijzer dienen te smeden als het heet is.”
„Dat zal meer dan ooit noodig zijn,” zeide Mortaigne, somber voor zich ziende: „ziedaar reeds over 't jaar, dat ik mijn tijd, mijn moeite en mijn geld onnut heb verspild: dat kan zoo niet blijven duren: mijn schuldeischers willen niet langer met ijdele beloften gepaaid zijn en worden al meer en meer onbeschaamd in hunne vorderingen:.... er moet op de eene of andere wijze een eind aan de zaak komen.”
„Hoe doodjammer,” zeide Vollenhove, het hoofd schuddende, „dat UEd. laatstleden zomer de gelegenheid niet te baat genomen heeft, toen zij zich voordeed. De schuit lag klaar, het hek van het landhuis stond den ganschen dag open: wij hadden de juffer op haar morgenwandelingen bespied: en het had toen geringe moeite gekost, om haar te ontvoeren.”
„Gij hebt gelijk, Vollenhove!” zeide Mortaigne: „maar toen hoopte ik nog altijd, dat zij goedwillig aan mijn aanzoeken gehoor zou geven. — Thans, vrees ik, is de kans vekeken.”
„Verkeken! En waarom?” vroeg Vollenhove.
„Gij kunt er toch niet aan denken,” zeide Mortaigne, „om haar midden uit Den Haag, onder het oog der Landsregeering, bewaakt door haar vrienden en betrekkingen, tegen haar wil te schaken?”
„O! er zijn wel grooter kunststukken verricht,” zeide Vollenhove: „met een weinig moed en de hulp van eenige wakkere gezellen zou dat nog zoo bezwaarlijk niet vallen. Ik zou zelfs durven beweren, dat juist de schijnbare onmogelijkheid der zaak haar uitvooring moet in de hand werken. Wie op reis gaat en eenzame plaatsen moet doortrekken, hoedt zich voor roovers en neemt er zijn maatregelen tegen; maar hier, in een bevolkte en druk bezochte stad, is niemand op iets dergelijks verdacht en worden juist daarom er geen voorzorgen tegen genomen.”
„Zoudt gij inderdaad de zaak voor uitvoerbaar houden?” vroeg Mortaigne.
„Wij voeren de juffer weg," vervolgde Vollenhove: „wij brengen haar hoe eer hoe beter over de grenzen, en keeren niet terug dan nadat de familie haar toestemming tot een huwelijk gegeven heeft, en wat zou die in zulk een omstandigheid beter kunnen doen?”
„Maar kent gij lieden, die ons zouden kunnen bijstaan en van wie gij weet, dat zij ons niet zullen verraden?” vroeg Mortaigne.
„Laat dat maar aan mij over,” antwoordde Vollenhove: „daar is vooreerst uw lakei, Feit, die, vooral als hij wat brandewijn in heeft, voor dood noch duivel vervaard is: dan ken ik een zekeren Spinel, die niets liever verlangt, dan een buitenlandsch reisje in goed gezelschap te doen, als bevreesd zijnde, zoo hij lang hier blijft, met de Justitie in geschil te raken, 't geen hij verstandiger acht intijds te ontwijken: — de overigen zal ik wel opsporen: — en voorts, daar het niet noodig zal zijn, hun, voor het laatste oogenblik, mede te deelen, waar het eigenlijk op gemunt is, zoo loopen wij geen gevaar, dat zij iets zullen verklappen.”
„Ik geloof waarachtig, dat er niets anders op zit,” zeide Mortaigne, na nog een wijl te hebben nagedacht: „het is mijn eenige redmiddel voor 't oogenblik. Bovendien, ik heb gezworen, dat zij de mijne wezen zou, en wie het einde wil ......”
„Moet ook de middelen willen,” zeide Vollenhove. „Heeft UEd. nog iets te belasten?”
„Ik dank u,” antwoordde Mortaigne: „ik begin te voelen, dat ik vermoeid ben, en gij zult mede naar rust verlangen. Misschien is het ook beter, dat wij ons op de zaak eens beslapen.”
„Ongetwijfeld,” hernam Vollenhove, terwijl hij de gordijnen van zijns meesters ledikant opensloeg en de beddepan door de lakens liet op en neder gaan: „mits wij er maar niet op inslapen.”
En geen tien minuten na dit gesprek sliepen beiden, Heer en knecht elk op zijn bijzonder leger uitgestrekt, den diepen slaap des rechtvaardigen.

Ingezonden door Alidus Bakker.