MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

EEN SCHAKING
IN DE ZEVENTIENDE EEUW.


VIERDE HOOFDSTUK,


verhalende, hoe de volvoering van het door Vollenhove beraamde plan werd voorbereid.

Nadat het plan ter ontvoering van de rijke erfgename tusschen Mortaigne en zijn getrouwen handlanger nader was besproken en eerstgemelde daartoe vast besloten had, werden onmiddellijk door beiden alle maatregelen in 't werk gesteld, die het welslagen daarvan moesten voorbereiden. Ten einde voedsel te geven aan het praatje, dat Vollenhove aan Nicolaas verteld had, en daardoor de betrekkingen der juffer in slaap te wiegen, gaf Mortaigne aan wie 't hooren wou, bericht van zijn ophanden zijnde vertrek naar Hessenland, en van zijn aanstaande huwelijk aldaar, deelde onder zijn vrienden kleine snuisterijen uit en maakte zijn meubelen, en al wat ondersteld kon worden hem op de reis van last te zullen zijn, te gelde. Doch zoo de houding, welke hij aannam, geschikt was om aan Catharina van Orleans en die haar omringden alle vrees wat hem betrof te ontnemen, zij vergrootte daarentegen de vrees van zijn schuldeischers, die nu niet zonder reden begonnen te denken, dat het zijn oogmerk was, met de Noorderzon te vertrekken, zijn deur dagelijks afliepen en reeds met exploten en gijzeling dreigden. Hun aandrang om voldoening veroorzaakte geen kleine ongelegenheid aan Mortaigne, die bij de onderneming, welke hij voorhad, meer dan ooit contant geld behoefde en minder dan ooit genegen was een hunner te betalen. Hij hield dus de zaken slepende zoogoed hij kon, den een paaiende met goede woorden en beloften, den ander met een schuldbekentenis, over veertien dagen vervalbaar, en zich meestal ňf ziek houdende ňf niet thuis.
Vollenhove zat inmiddels niet stil, en verrichtte al wat noodig kon geacht worden om de onderneming te doen slagen. Hij oordeelde daarbij de medehulp van ten minste een viertal personen noodig te hebben, en wist zich in de eerste plaats te verzekeren van die des reeds genoemdem Spinel, aan wien hij eenig geld op hand gaf, met de last om zich gereed te houden op de eerste aanmaning. Voorts schreef hij een makelaar te Amsterdam, die een soort van verhuurkantoor van dienstboden hield, hem een jongeling over te zenden, die bij meester de betrekking van page zou kunnen vervullen. Gezegde makelaar voldeed aan dit verzoek, en weldra verscheen in Den Haag zekere Roelof Goldestede, een twintigjarige jongeling, kersvers uit Oldenburg naar Holland overgekomen om zijn fortuin te maken. Deze zich aan de woning van Mortaigne hebbende aangemeld, werd door Vollenhove ingekwartierd in de „Groene Wandeling”, met last om daar te vertoeven tot tijd en wijle dat men zijn diensten zou noodig hebben, en inmiddels goed te eten en te drinken. De onnoozele knaap wien zulk een onbekommerd leventje recht aanstond, wenschte zich zelven geluk met een dienst als welke hij bekomen had en achtte Holland het Luilekkerland, waar men hem als kind van verteld had, en waar het alleen van hem zou afhangen, de genoeglijkste dagen te slijten. Helaas, hoe bedrieglijk is de schijn! De arme Goldestede zou dit eerlang, gelijk wij nader zien zullen, tot zijn schade ondervinden.
Voorts nog besprak Vollenhove de diensten van zekeren Waal, Gonser genaamd, een verloopen geweermaker, wien Spinel hem had voorgesteld als iemand, die tot alles geschikt was en zich door niets liet afschrikken. Ook deze kreeg bevel, zich steeds tot des kamerdienaars beschikking te houden, en hem werd de taak opgedragen van de noodige karabijnen en pistolen voor zes personen te bezorgen. Het getal handlangers, dat hij begreep te behoeven, hiermede genoegzaam achtende, schafte zich Vollenhove de noodige rijpaarden voor hen aan. Wat een wagen betrof, hij kende den voerman, wien Mortaigne gewoon was te gebruiken, genoeg, om te weten, dat hij, mits men hem slechts goed betaalde, er zich zeer weinig over bekommeren zou, wat met en in zijn wagen verricht werd.
Na het nemen dezer voorbereidende maatregelen, kwam het er alleen op aan, den tijd te bepalen, wanneer, en de wijze, waarop de ontvoering geschieden zou. Wat den tijd betrof, zoo oordeelden beiden, Mortaigne en Vollenhove, na rijp beraad, dat men de zaak zou volvoeren op den avond, voor dat Catharina naar Zeeland vertrekken moest. Wel was dit in zooverre veel gewaagd, omdat, ingeval de onderneming dien dag mislukte, er later geene gelegenheid zoude wezen om die, althans op de voorgenomen wijze, te hervatten; doch van den anderen kant wilde men afwachten, dat het donkere maan ware, ten einde de schaking zoo bedekt mogelijk geschiedde. Daarbij wist Vollenhove, die uit de gesprekken der gewone bezoekers van de „Groene Wandeling” alles vernam, wat in de hooge kringen van Den Haag voorviel, dat Catharina van Orleans bijna alle avonden op deze of gene partij verzegd was, bij welke gelegenheid zij dan altijd laat te huis kwam, en op een uur, waarop het niet meer mogelijk scheen, onder welk voorwendsel ook, toegang tot haar te verkrijgen; terwijl daarentegen de schrandere kamerdienaar niet zonder schijn van grond berekende, dat, ingeval zij in den morgen van den achttienden vroegtijdig op reis moest, zij den avond te voren wel op geen feest, maar op haar kamer en met inpakken zou doorbrengen.
Wat de wijze der ontvoering betrof, ook deze werd geregeld, en evenzeer de weg bepaald, langs welken men zich uit Holland verwijderen zou. Een zwarigheid van groot gewicht viel nog uit den weg te ruimen: namelijk, hoe men den waard en den knecht uit het „Wapen van Frankrijk,” gelijk mede den koetsier Nicolaas — die, hoewel overdag aan het huis van den Prins van Tarente bezig en zich in den vooravond in de „Groene Wandeling” ophoudende, echter tegen halfnegen doorgaans weer in de herberg was —, zou verwijderen. Nadat Mortaigne en zijn kamerdienaar hierover langen tijd beraadslaagd hadden, zonder eenig voldoend middel gevonden te hebben, kwamen zij tot het besluit, zich het hoofd daar, vooralsnog, niet langer mede te breken, maar den dag, ter uitvoering van het plan bestemd, af te wachten, en dan te handelen, gelijk het toeval of de omstandigheden zouden voorschrijven.
Die groote dag was eindelijk aangebroken, en niets door den onvermoeiden Vollenhove verzuimd geworden, wat tot het wel gelukken van den aanslag strekken kon. Overal scheen hij te gelijk aanwezig te zijn: in de kamer zijns meesters, om al wat deze het der moeite waardig achtte met zich te voeren, in verschillende, op tafels en stoelen gespreide mantelzakken, zoodanig te bergen, dat het de minst mogelijke ruimte besloeg: — op stal, om aan Feyt den lakei de noodige onderrichtingen te geven aangaande het verzorgen der paarden, en om toe te zien, dat niets aan zadels of tuigage ontbrak, dat op reis een springen van een buikriem, geen bersten van een teugel, oponthoud kon veroorzaken: — bij den voerman, om zich van de den deugdzaamheid zijns wagens te verzekeren, en hem nogmaals op het hart te drukken, de assen wel te smeren en alles goed na te kijken: — aan de plaatsen, waar zich de reeds te voren gewaarschuwde handlangers ophielden, om hun te herinneren, zich op hun tijd ter vereenigingsplaatse te bevinden: — in de winkels, om zich nog aan te schaffen wat noodig scheen, of om af te halen wat men vergeten had te bestellen. — in de „Groene Wandeling,” in de hoop van nog eenige nieuwtjes op te loopen, waarvan hij wellicht partij zou kunnen trekken: in 't kort, hij legde een ijver en bekwaamheid aan den dag, waarvan het alleen te bejammeren was, dat zij niet tot het doen slagen eener meer loffelijke onderneming werd aangewend
De tijd was intusschen gekomen waarop hij een bepaald besluit te nemen had, op welke wijze hij trachtten zou de personen, die de volvoering der onderneming verhinderen konden, uit den weg te ruimen. Wat den knecht uit de herberg betrof, deze was, gelijk hij vernomen had, niet afkeerig van een slokje, en bezocht, wanneer bij een oogenblik vrij had, zekere tapperij op het Spui, waar ook Spinel en Gonser gewoon waren, hun meesten tijd door te brengen. Aan deze beiden werd alzoo door Vollenhove opgedragen, gemelden knecht in den achtermiddag daarheen te lokken, en te zorgen, dat hij de herberg ňf niet, ňf niet dan smoordronken, verliet: waarbij hij hun tevens op het hart drukte, zelven nuchteren te blijven: een aanbeveling, die eenigszins overtollig kon geacht worden, daar Spinel en Gonser beiden tot dat slag van lieden behoorden, die zich voortdurend in denzelfden toestand bevinden, en, gelijk zij nimmer nuchteren, ook tevens nimmer onbekwaam worden aangetroffen. Zij kweten zich naar eisch van de hun opgedragen taak, en toen zij, tegen zes uren, de kroeg verlieten, lag Stoffel uit het „Wapen van Frankrijk” zeer gerust onder de tafel te slapen, en had hun de tapper de heilige belofte gedaan, dat hij hem in de eerste drie uren niet in die zoete rust zou storen. — Zoo was dus reeds een der personen, die een spaak in 't wiel had kunnen steken, onschadelijk gemaakt: wij zullen zoo meteen zien, hoe Vollenhove het aanlegde om zich ook van de tegenwoordigheid der beide anderen te ontslaan.
Het was omstreeks zeven uren in den avond, dat de onderscheidene acteurs in het drama, dat gespeeld stond te worden, zich op de vereenigingsplaats bevonden, en wel in het wagenhuis van den voerman Tyssen, gelegen in de Nieuwstraat, en dus niet verre van de herberg het „Wapen van Frankrijk.” Schilderachtig was het schouwspel, hetwelk in de donkere ruimte die verschillende figuren opleverden, alleen beschenen door het flauwe en schemerende licht eener van den zolder afhangende lantaarn, en nu en dan verdwijnende in de schaduw, welke de in 't midden gereed staande wagen nederwierp. Dit rijtuig was van twee zitbanken voorzien; de achterste, met trijpen kussens bekleed, was door een houten schot afgescheiden van de voorste, die tot zetel des voermans diende, terwijl in de schulp een paar mantelzakken van Mortaigne reeds waren opgeladen. De paarden waren nog niet aangespannen, doch stonden, nevens de rijpaarden, in den belendenden stal.
Voor den wagen liep Mortaigne, in een dichten zwarten mantel gewikkeld, en het hoofd bedekt met een bruinen hoed, welks nedergeslagen randen zijn gelaatstrekken onzichtbaar maakten, in angstige verwachting op en neder, nog altijd vast besloten zijn opzet te volvoeren, doch bij het naderen van het beslissend oogenblik zich van de bezorgdheid over den ongewissen uitslag niet kunnende ontslaan. Bij een der portieren onthield zich Feyt, een stevige, kloekgespierde kerel, die thans den gevederden hoed met een bonten muts en den livreirok met een effen bruin kleed en een grauwe pij daaroverheen verwisseld had, en paste op de aan zijne zorg toevertrouwde vuurwapenen, die voorloopig in den wagen waren nedergelegd. Ter zijde tegen den muur zaten op een strooizak, in hun mantels gedoken, Spinel en Gonser: de eerste een mager, klein, schraal mannetje, traankleurig van gelaat, schrander van uitzicht, en wiens uiterlijke meer vlugheid aanduidde dan kracht, de ander, een korte, dikke, grof gebouwde vent, wiens doffe, loensche oogen, in kwabben neerhangende wangen en dikke met een zwaren knevel bedekte lippen een geheel vormden, dat weinig geschikt was om aan wie hem ontmoette een gunstige meening aangaande zijn karakter te doen opvatten: eindelijk midden in het wagenhuis stond Goldestede, die zich nauwelijks van zijn plaats dorst bewegen, en met een uitdrukking, waarin, domheid en eerbied gemengd schenen, op Mortaigne staarde, wien hij heden voor 't eerst zag en als zijn meester leerde kennen. Hij was nog geheel onkundig van hetgeen men voorhad en welke diensten men van hem vergen zoude; doch hij vond zich weinig op zijn gemak, en had een zeker onbestemd gevoel, dat de wittebroodsweken nu voor hem voorbij waren. — Wat den voerman en den stalknecht betrof, deze waren afwisselend in het wagenhuis en bij de paarden op stal, in afwachting dat er last zou gegeven worden om in te spannen.
Doch waar bevond zich inmiddels de onmisbare raddraaier der geheele zaak de, ijverige Vollenhove? Vergat hij de onderneming of liet hij zijn meester op het oogenblik der uitvoering in den steek? Verre van dien: — zoo hij afwezig was, was het enkel omdat hij aan niemand dan aan zich zelven de taak had willen toevertrouwen van het „Wapen van Frankrijk” op dien avond te bewaken. Nog was er, ofschoon de duisternis reeds lang gevallen was, geen licht op de kamer, door Catharina van Orleans bewoond: en hij wilde zich met eigen oogen van het oogenblik harer tehuiskomst verzekeren. Daarom wandelde bij, insgelijks in een dichten mantel gewikkeld, de Plaats op en neder, aandachtig stilstaande bij elk gerucht van een rijtuig of van naderende voetstappen, en de oogen bijna niet afhoudende van de deur der herberg. In onze dagen zoude zijn voortdurend heen en weder loopen in een kort bestek de aandacht der voorbijgangers, althans die der stille wacht, niet zijn ontsnapt; maar in die dagen was de straatverlichting nog een onbekende zaak, en bij een duisteren nacht was het bijna onmogelijk iemand te onderkennen, of zelfs te bespeuren, die zich voorzichtig onthouden bleef buiten den kring der flauwe lichtstralen, welke, hier een winkelkaars, ginds een voorhuislamp, wat verder de lantaren der Gevangenpoort over het straatplaveisel wierpen.
De klok der Groote Kerk had acht uren, halfnegen, negen uren geslagen, en nog kwam de juffer niet opdagen. Reeds begon Vollenhove ongeduldig te worden en te vreezen, dat zij bij kennissen opgehouden, zoo laat zoude thuis komen, dat de onderneming niet meer met kans op goeden uitslag zou kunnen beproefd worden. Terwijl hij, in zich zelven brommende, stond te overleggen, wat er in zoodanig geval zou moeten geschieden, voelde hij zich eensklaps van achteren aangevat. De onder den mantel verborgen hand aan een wel gescherpten dolk brengende, dien hij in geval van nood bij zich gestoken had, keerde hij zich haastig om, doch liet terstond het wapentuig weder in de scheede vallen toen hij in de voor hem staande gestalte die zijns meesters herkende.
„Hoe Jonker!” fluisterde Vollenhove: „UEd. hier? dat is tegen de afspraak.”
„Ik kon het daar in 't wagenhuis niet langer uithouden,” zeide Mortaigne: „het ongeduld heeft mij hierheen gedreven. — Is zij nog niet gekomen?”
„Ik wenschte, dat ik haar gezien had in plaats van u; — maar om 's hemels wil, keer terug,” zeide Vollenhove: „zoo die vijf kerels daar in het wagenhuis in gesprek raken over de zaak, is het tien tegen een, dat zij elkander beangstigen en ons in den steek laten.” „Bah!” zeide Mortaigne: „zij zullen ons niet in den steek laten, het is de Juffer, die ....”
„Stil!” viel Vollenhove haastig in, terwijl hij hem op zijde trok: „ik hoor voetstappen .... men komt dezen weg uit.... daar flonkert een licht. Victorie! zij zijn het.”
En, zijn meester naar de overzijde der straat voerende, bleef hij met ingehouden adem en gespannen verwachting op het steegje turen, waaruit de naderende personen kwamen opdagen. Vooruit ging Nicolaas, met een knuppel in de eene hand en een lantaarn in de andere: hem volgden twee vrouwen, die gearmd liepen, ofschoon reeds dadelijk het onderscheid in rang zich openbaarde door dat die aan de rechterhand een taffen falie, en de andere een lakenschen regenmantel droeg. De trein werd gesloten door een lakei in de livrei van Boreel, met een rapier op zijde en een fakkel in de hand. — Ofschoon de gelaatstrekken der vrouwen bijna geheel oversluierd waren, toch herkende Mortaigne terstond de gestalte en den loop van Catharina. Zij had den avond doorgebracht bij haar moei, mevrouw Boreel, en keerde nu, gelijk men ziet onder goed geleide, huiswaarts.
Voorzichtig trok Vollenhove zijn meester nog meer achterwaarts, totdat zij op den Kneuterdijk en achter het hoekhuis stonden, waar zij zich buiten den dubbelen lichtcirkel bevonden, dien de flambouw en de lantaarn op de straat wierpen. Van daar om den hoek kijkende, zagen zij, hoe het gezelschap voor de herberg stilhield. Nicolaas klopte aan en het was Jan Van Ruytenburgh zelf, die kwam openen. De beide vrouwen gingen binnen, door Nicolaas gevolgd, en de lakei keerde weder gelijk hij gekomen was.
„Eindelijk!” zeide Vollenhove, diep ademhalende: „nu geen tijd meer verloren!”
„Maar hoe verwijderen wij den waard en dien verbruiden koetsier?” vroeg Mortaigne.
„Laat mij daarvoor zorgen,” antwoordde Vollenhove: „ik blijf hier: keer, zoo 't u gelieft, naar den stal terug: — laat Tyssen inspannen; en zend mij Spinel hier en Feyt .... of neen: men mocht Feyt kennen: zond mij dien grasmof; — maar spoedig, wat ik u bidden mag, ik zal hen op deze stoep inwachten: — en laat Spinel zijn mantel afleggen.”
Mortaigne voldeed zonder tegenspreken aan dat verzoek, en het leed niet lang, of de beide personen, waar Vollenhove om gevraagd had, stonden voor hem.
„Goldestede!” zeide de kamerdienaar, zich eerst tot den jongeling wendende: „nu komt het er op aan, te toonen, dat gij de knappe borst zijt, waar ik u van den aanvang af voor gehouden heb: gij ziet dat huis daar, waar dat licht brandt?”
„Jao freilich!” zeide Goldestede.
„Welnu! gij gaat er heen, klopt aan en vraagt naar Nicolaas, des Prinsen van Tarente koetsier.”
„Jao,” zeide de knaap en wilde heengaan.
„Een oogenblik!” hernam Vollenhove hem vasthoudende: „wat zult gij hem zeggen?”
„Jao, dat's waorhaftig waor ook,” zeide Goldestede, zich achter het oor krabbende: „ich solde hum sagen, das Monsir Vollenhaove hier staot und hum spreken wol.”
„Nu, dat is nogal zoo dom niet,” zeide Vollenhove: „maar dat is nu juist niet, wat ik verlang, dat gij zeggen zult: integendeel, zoo gij een woord van mij of van den Jonker spreekt, schiet ik u overhoop, zoo waar ik hier sta.”
„Alle koete keisten! ....” riep de verschrikte Duitscher, terugtredende.
„Nu, wees maar niet benauwd: 't is enkel kortswijl,” zeide Vollenhove: „hoor, gij kent Nicolaas, nietwaar, gij hebt hem dikwijls in de „Groene Wandeling” gezien?”
„Der herr mit die tikke pakkepaorden,” zeide Goldestede: „und den hoed mit de goldene tressen?”
„Dezelfde; welnu! als hij voorkomt, dan zegt gij hem, dat zijn vrouw is overgekomen en aan de „Groene Wandeling” is afgestapt: en dat zij hem onmiddellijk verlangt te zien.”
„Seine Frau!” herhaalde Goldestede: „aber ich weiss nichts von seine Frau.”
„Dan behoort gij het te weten,” voegde hem Vollenhove toe, altijd op den meest bedaarden toon: „hoor eens, knaapje! ik heb u dit maar te zeggen: daar is een kroon voor u te verdienen, indien gij uw boodschap goed verricht, en stokslagen zoo gij een dommen streek begaat. Ik herhaal u, gij zegt aan Nicolaas, dat zijn vrouw aan de „Groene Wandeling” is afgestapt, dat zij hem verlangt te spreken, en dat zij u verzocht heeft, hem te gaan roepen. Zeg mij nu de boodschap na.”
„Aber ich ep die Frau nicht kezien of kesproken,” zeide Goldestede.
„Ik herlhaal u, dat er dit niets toe doet,” hernam Vollenhove, „zeg mij de boodschap na.”
Goldestede deed zulks: doch het was eerst nadat Vollenhove hem die nog eenige reizen had voorgezegd, dat de knaap zijn les behoorlijk van buiten kende.
„Nu gaat het,” zeide de kamerdienaar, met moeite zijn ongeduld verbergende: „indien Nicolaas u altemet mocht vragen, hoe zijn vrouw gekomen is, dan antwoordt gij: „met de schuit van Leiden:” — en vraagt hij u, hoe zij er wel uit ziet, dan zegt gij: „een schoone knappe vrouw,” dat streelt een man altijd, wanneer men zijn vrouw knap noemt,” voegde hij er bij, zich lachende tot Spinel wendende.
„Met die schuit fon Layen.... een scheune gnappe Frau ....” herhaalde Goldestede: „kans koet: ich wol's sagen.”
„En dan,” hernam Vollenhove, „wanneer gij uw boodschap verricht hebt, en Nicolaas beloofd heeft te zullen komen, dan keert gij terstond terug en haast u weder naar den stal van Tyssen. Ga nu uw gang.”
„Nu! als dat ezelsveulen zich wel van zijn taak kwijt, zal 't mij verwonderen,” zeide Spinel.
„Wij hebben geen keus,” zeide Vollenbove: „en men moet een weinig aan 't goed geluk overlaten, — doch stil! — daar klopt hij aan: aha! — Ruytenburgh doet open!”
„Maar heeft die koetsier werkelijk een vrouw?” vroeg Spinel.
„Althans naar zijn eigen zeggen,” antwoordde Vollenhove: „hij heeft er mij tot vervelens toe over aan 't oor geleld, en hoe zij niet mede naar Den Bosch had kunnen gaan, maar daarom bij haar familie in Gelderland was gaan wonen, en hoe hij haar geschreven had om over te komen, en hoe hij haar wachtte. — Maar daar is hij met een blaker in de hand: — doe nu uw boodschap goed, mofje! zie! — hoe vreemd kijkt de vent op.... waarachtig, ik geloof, dat hij de pil doorslikt: hij keert terug in de gang: maak dat gij weg komt, knaap!”
En, als had hij hem kunnen hooren, draaide Goldestede op zijn hakken om en liep, zoo hard hij loopen kon, hem voorbij en de Nieuwstraat in.
„Nu geef ik hem vijf minuten om zijn mantel om te slaan, zijn lantaarn op te steken, en aan de juffers te zeggen, dat hij uitgaat,” zeide Vollenhove: ”maar dan moet hij ook op weg zijn.”
De vijf minuten waren nog niet verstreken, of zij zagen de deur der herberg opengaan, en iemand, doch zonder lantaarn, naar buiten gaan en met een zwaren stap, de Gevangenpoort voorbij, het Groene Zootje langs, den Vijverberg opwandelen.
„Die zal ons vooreerst niet hinderen,” zeide Vollenhove: ”nu moet gij ons van den waard ontslaan, Spinel!”
„Zeer goed, en op wat wijze?”
„Door hem te vertellen, dat zijn knecht als drenkeling uit het Spui is opgevischt, en dat hij verzocht wordt zich onmiddellijk naar de tapperij te begeven in de „Groene Druif,” waar de knaap is nedergelegd.”
„Nu! dat is maar een halve logen,” zeide Spinel, „en die mijn geweten niet bezwaren zal. Ik heb er de lieden wel erger te verzwolgen gegeven.”
Met deze woorden stapte hij naar de herberg en klopte aan. Weldra kwam de waard, mooi knorrig over het wegblijven van zijn knecht, te voorschijn, en hoorde met niet weinig ontsteltenis de tijding, die Spinel hem bracht. Intusschen, 't zij, dat hij wantrouwig van natuur was, 't zij, dat het uitzicht van Spinel hem niet aanstond, hij vertrouwde zijn bericht maar half.
„'t ls wel!”" zeide hij, na zich een poos bedacht te hebben: „ik zal met u gaan.”
Dit maakte de rekening niet van Spinel; doch te recht begreep deze, dat, indien hij weglliep, Ruytenburgh de zaak als een foppage beschouwen, en zijn woning niet verlaten zou. Hij verklaarde zich dus bereid, hem te wachten; en de waard, even naar binnen geloopen zijnde om zijn vrouw van de zaak te verwittigen, keerde weldra terug met zijn muts op, en een ouden hartsvanger in de hand.
„Komaan,” zeide hij tegen Spinel: „het is zoo donker niet, of wij zullen onzen weg wel vinden: een lantaarn zoude ons maar belemmeren, geef mij uw arm, en en route, als de Fransoos zegt.”
Niet weinig keek Vollenhove op zijn neus, toen hij kort daarop, bij het licht van de lantaarn, die in de Gevangenpoort hing, twee lieden in plaats van één daaronder door zag gaan, die zich op het Buitenhof in de duisternis verloren.
„Nu!" zeide hij bij zich zelven, na een wijl te hebben nagedacht: „in allen gevalle is de baan schoongemaakt, en Spinel moet zelf maar toezien, hoe hij zich den kerel van den hals schuift. — Wij kunnen niet wachten op zijn terugkomst.”
Werkelijk was Spinel, aan den arm van den zwaargebouwden Ruytenburgh, die een hoofd grooter was dan hij, en hem kennelijk niet scheen te vertrouwen, weinig op zijn gemak. Wel dacht hij een oogenblik, toen zij zich te zamen midden op het Buitenhof bevonden, zijn mes uit te halen en zich door een wel toegebrachten stoot van zijn makker te ontslaan; maar ongelukkig, of liever zeer gelukkig, was zijn rechterarm als in een schroef in den linkerarm van den waard vastgekneld, en vreesde hij, dat een stoot, met den linkerarm toegebracht, minder zeker zoude treffen, in welk geval hij het ergste te duchten had. Hij begreep dienvolgens, van den nood een deugd te moeten maken, en goedwillig voort te gaan; terwijl hij ondertusschen de vragen van Ruytenburgh zonder aarzelen beantwoordde, en hem een roman voordischte van de wijze, waarop de arme knecht gvonden was, zijn verhaal besluitende, met te kennen te geven, dat hij voor zijn moeite een goede fooi verwachtte.
Eindelijk stonden zij voor de „Groene Druif” op het Spui, en nu hoopte Spinel, dat Ruytenburgh hem los zou laten; maar nogmaals had hij, in den striksten zin, buiten den waard gerekend; want deze, met de rechterhand de deur openstootende, trok met den linkerarm Spigel naar binnen.
„Eéne zaak is gelukkig,” dacht Spinel: „hij zal voor 't minst zijn knecht als een drenkeling vinden; en nat, zoo niet van water, dan althans van brandewijn. Indien nu die ezel van een tapper mijn teekens maar begrijpen wil, dan is er nog niets verbeurd.”
Doch in plaats van bij zjn binnentreden den knecht nog onder de tafel te vinden, waar hij hem gelaten had, was het eerst wat hij zag de arme Stoffel, doodsbleek en met een verwilderd gelaat, midden in de tapperij staande, en zich willende ontworstelen aan den tapper, die hem zocht vast te houden.
„Gij ziet het, monsieur Spinel!” zeide de tapper, zoodra hij dezen zag binnenkomen: „hij wil maar volstrekt niet naar goeden raad luisteren, en zich ondanks mijne vermaningen op straat begeven.”
„Hoe onvoorzichtig!” zeide Spinel: „Sinjeur Ruytenburgh! gij hebt zeker invloed op den knaap! beduid hem toch, dat hij rust noodig heeft.”
„Maar wat drommel! is bij dan weer levend geworden? Ik dacht dat hij als een lijk was opgehaald.”
„Ja! wel was hij een lijk,” zeide Spinel, „toen ik hem straks verliet; nietwaar Meeuwis?”
„Een lijk .... ja, maar ....” antwoordde de tapper, die niets van de uitdrukking, door Ruytenburgh gebezigd, begreep.
„Hoe dat zij,” zeide Spinel: „ik ben maar blijde, dat ik den armen kwant weer zooverre hersteld zie. Doch doe mij nu 't genoegen, Sinjeur Ruytenburgh! en laat mijn arm vrij, dien gij met uw krachtigen elleboog paars en lam geknepen hebt. Die arme Stoffel zal uw ondersteuning meer behoeven, dan ik.”
Waarschijnlijk was Ruytenburgh ook van die meening; hij liet Spinel los, en trad op zijn knecht toe, die hem, met het verwezen gezicht, den open mond en de domme uitdrukking eens dronkaards, bleef aanstaren.
„Wat hamer is dat?” riep Ruytenburgh: „de kerel is niet verzopen, maar bezopen. Wat heeft mij die man dan voorgereuteld?”
En meteen wendde hij zich om: maar het was alleen om de voordeur te zien dichtgaan, door welke Spinel, gebruik makende van het oogenblik, dat hij zijn vrijheid terugkreeg, zich onmiddellijk verwijderd had.
Wij zullen den waard van het „Wapen van Frankrijk” in de tapperij de oplossing, van hetgeen hem nog een raadsel was, laten zoeken, en inmiddels naar het wagenhuis van Tyssen terugkeeren.
Daar was alles in gereedheid gebracht: de voorman had den wagen ingespannen en naar buiten gehaald; de rijpaarden waren gezadeld, en Mortaigne, die reeds van Goldestede vernomen had, dat Nicolaas verwijderd was, stond nu in gespannen verwachting de komst van Vollenhove te verbeiden. Niet lang duurde het, of ook deze verscheen.
„De kust is vrij,” riep hij: „en de kapers kunnen zich vertoonen. — En nu, handen aan 't werk. Waar is uw jongen, vriend Tyssen?”
„Binnen,” antwoordde de voerman: „hij houdt de paarden vast.”
„Best! laat gij ze vasthouden tot wij terugkomen. En gij, rijd terstond naar den hoek van den Kneuterdijk en de Plaats, keer daar om en blijf staan, tot wij u noodig hebben.”
De voerman steeg op, en maakte zich gereed om te doen als hem gezegd was.
„Wacht even,” zeide Vollenhove, en, zijn hoed en mantel in den wagen werpende, stond hij voor 't oog der aanwezigen in een duffelsch buis, geruiten bonten halsdoek, vest met knoopjes, wijde broek en wollen kousen: zoodat hij volkomen het uiterlijke had van een beurtman of schipper: — hij voltooide zijn vermomming, door uit den wagen een ronde haren muts te nemen, die hij zich op 't hoofd drukte.
„En nu,” zeide hij tegen Mortaigne: „ik zal, volgens afspraak, naar binnen gaan; UEd. en Feyt zullen volgen: Gonser de dienstmaagd voor zijn rekening nemen, en deze wakkere borst,” (hier sloeg Goldestede op den schouder) „zal onzen aftocht dekken.”
„En Spinel?” vroeg Mortaigne: „waar is hij gebleven?”
„Hij liet den waard de stad rondkuieren,” antwoordde Vollenbove: „en zal zich wel weder bij ons vervoegen als 't noodig is: in allen gevalle kunnen wij niet op hem wachten. En nu, voorwaarts, mannen!”

Ingezonden door Alidus Bakker.