MR. J. VAN LENNEP (1802-1868)

EEN SCHAKING
IN DE ZEVENTIENDE EEUW.

VIJFDE HOOFDSTUK,


verhalende, hoe juffrouw Catharina van Orleans uit Den Haag ontvoerd werd, en andere wetenswaardige zaken meer.

Mortaigne en zijn medehelpers, twee aan twee, en op korte afstanden, achter elkander gaande, ten einde geen opschudding te verwekken, volgden nu Vollenhove, tot zij op de Plaats gekomen waren. Hier scherpte hij nogmaals aan elk hunner de rol in, die hij te spelen had, en klopte toen aan het „Wapen van Frankrijk” aan; terwijl de vier overigen zich aan weerszijden van de deur tegen den muur stelden. De dienstmaagd uit de herberg opende de deur; doch slechts op een kier, daar zij waarschijnlijk vreesde, een onbekende binnen te laten, nu alle manspersonen buitenshuis waren.
„Logeert juffrouw Orleans hier, vrijster?” vroeg Vollenhove.
„Ja wel,” antwoordde de meid: „maar ik denk, dat de juffrouw al naar bed zal zijn: moest UEd. haar spreken?”
„Ja gewis,” zeide Vollenhove: „ik ben de schipper op Zieriksee, en ik heb een brief voor de juffer, dien ik gelast ben, haar zelve ter hand te stellen.”
De meid hield den blaker, dien zij droeg, wat dichter bij Vollenhoves aangezicht, bezag hem van top tot teen, en toen, niets in zijn voorkomen vindende, dat in weerspraak was met zijn woorden, of haar eenig wantrouwen kon inboezemen, liet zij hem binnen, en zeide, dat zij de boodschap aan de juffer zou gaan doen. Zij zette haar blaker neder eer zij zich verwijderde, doch nauwelijks was zij de zijgang, die naar Catharina's kamer geleidde, ingegaan, of Vollenhove opende zoo zacht mogelijk de voordeur, en wenkte Mortaigne, die met Feyt en Gonser binnensloop; waarop Vollenhove het licht uitblies.
In één opzicht was de berekening van Mortaigne en Vollenhove mis geweest. Catharina was dien avond niet, gelijk zij meenden dat geschieden zou, thuis en met inpakken bezig gebleven. De juffer had reeds haar koffers gepakt, en den avond bij mevrouw Boreel doorgebracht, vanwaar zij, nu een halfuur geleden, gelijk wij gezien hebben, met haar kamenier was teruggekeerd. Zij had dus voor 't oogenblik niets anders te doen dan naar bed te gaan, en was reeds half ontkleed, toen de meid uit de herberg aan de deur tikte, en, nadat de kamenier geopend had, de haar gegeven boodschap overbracht.
„Ik kan nu niemand spreken,” zeide Catharina: „vraag hem, of hij u den brief niet kan geven, dien hij bij zich heeft, en de boodschap doen.”
„Hij zeit, hij moet de juffer zelve noodzakelijk spreken,” zeide de meid.
„Maar is dit nu een uur om bij de lieden te komen?” hernam Catharina, wrevelig: „Lotje! ga gij eens mede, en hoor wat de man te zeggen heeft.”
De kamenier voldeed aan den last van hare meesteres, en begaf zich met de dienstmaagd naar het voorhuis, waar Vollenhove haar tegentrad.
„Wat is dit?” zeide de meid: „het licht uit!”
„Het is met den tocht uitgewaaid,” zeide Vollenhove: „hier is uw blaker kind ! Welnu! kan ik de juffer te spreken krijgen?”
„De juffrouw vraagt, of gij mij de boodschap niet doen kunt,” zeide de kamenier.
„Onmogelijk,” zeide Vollenhove: „zie je, ik wil 't je wel vertellen; ik moet de juffer noodzakelijk spreken eer zij morgen van hier vertrekt: haar tante Van Citters is dood, en dat staat in den brief; maar nu is mij verzocht, zie je, haar dien persoonlijk te behandigen, en haar nog zoo 't een en ander te vertellen hoe zich dat heeft toegedragen, zie je.”
„Bewaar ons!” zeide Lotje: „dat zal de juffrouw onverwachts op 't lijf vallen. En! ik zal haar zeggen, dat gij haar spreken moet. Ga gij weer naar de keuken, Bet! ik zal den man wel uitlaten”
„Goed!” zei Bet: en liep met haar blaker naar achteren, zoodat Mortaigne en zijn medestanders nu ook van die zijde geen belemmering meer te schromen hadden. Lotje, tot haar meesteres teruggekeerd, gaf aan deze te kennen, dat de schipper ongunstige tijdingen bracht, die wellicht een verandering in het reisplan van den volgenden morgen konden teweegbrengen: en dat haar in allen gevalle gebleken was, dat de boodschap, waar de man mede was belast, van dringenden aard was. Catharina, hierdoor overreed, liet zich inderhaast een doek en nachtgewaad omslaan, en gelastte toen, dat hij binnengeleid zou worden.
„Waar schuilje toch, man?” zeide Lotje, toen zij zich weder naar 't voorhuis had begeven; „'t is hier zoo donker, dat ik u niet zien kan.”
„Hier ben ik al, schatje!” antwoordde Vollenhove: „wel! wat zegt de juffrouw?”
„Zij zegt, dat ik u maar bij haar zou brengen,” hernam Lotje: „maar wat is dat? zijt gij niet alleen?”
„Dat is,” zeide Gonser, die haar op hetzelfde oogenblik een doek over 't hoofd wierp om haar 't schreeuwen te beletten en haar een mes op de keel zette, „dat, indien gij u in 't minste verroert, gij een kind des doods zijt.”
Intusschen liep Vollenhove, door Mortaigne en Feyt gevolgd, de zijgang in, tot voor de deur van Catharina's kamer.
„Kom binnen!” zeide deze, toen er getikt word; maar, toen er niemand kwam, en het geluid herhaald word, ging zij zelve naar de deur, die zij opende.
„Waar is de kamenier?” vroeg zij, een weinig verwonderd, aan den voor haar staanden Vollenhove, maar deze, terstond zijn arm om haar midden slaande, wierp haar aan Mortaigne toe, die, zijn mantel om haar gelaat wikkelend, haar opnam en, met behulp van Feyt, naar 't voorhuis droeg.
„Open de deur, mof!” riep Gonser — die, de tegenspartelende kamenier in zijn armen vasthoudende, zich nauwelijks verroeren kon — aan Goldestede toe, die versuft stond. Maar Vollenhove was reeds vooruitgevlogen en had de deur opengerukt, door welke Mortaigne en Feyt zich nu met hun buit verwijderden. — Dit alles had echter geen plaats zonder eenig rumoer te verwekken, op hetwelk de vrouw van Ruytenburgh met hare dochter en dienstmaagd kwamen aansnellen; de laatste met het wederom aangestoken licht in de hand.
„Wat gebeurt er?” vroegen de drie verschrikte vrouwen, als uit éénen mond.
„Pak aan!” zeide Gonser: en wierp Lotje met geweld van zich af: de arme kamenier stortte tusschen de vrouwen neer en de meid liet van ontsteltenis den blaker uit de hand vallen.”
„Scheer u weg!” zeide Gonser, terwijl hij den als versteend staanden Goldestede met zich de voordeur uitsleurde; „wilt gij hier blijven om gehangen te worden?”
En beiden, van de verwarring gebruik makende, namen de vlucht, de straat over en naar het rijtuig. Vollenhove was al de overigen vooruit gesneld en in den wagen gestegen; Mortaigne en Feyt kwamen achter hem aan, de arme juffer dragende, die zij aan Vollenhove overgaven.
„Mejuffer!” fluisterde deze haar in 't oor, met een wel beleefde, doch vastberaden uitdrukking van stem: „ik verzoek u geen gerucht te maken; want ik zoude genoodzaakt zijn, in mijn eigen belang u te dooden.”
't Zij, dat deze vermaning uitwerking had, 't zij, dat de ontsteltenis Catharina werkelijk belette eenig geluid te geven, zij liet zich zonder verder tegenspartelen naast Vollenhove nederzetten, die, zoo om haar tegen de nachtlucht te beveiligen, als opdat haar wit nachtgewaad de oogen der voorbijgangers niet trekken zou, haar zijn in den wagen achtergelaten mantel omsloeg en haar zijn hoed op het hoofd drukte. Volgens te voren gemaakte schikking steeg nu Gonser naast den voerman op, en gaf hem last weder de Nieuwstraat in te rijden.
„Maar,” zeide Tyssen, die nu eerst begon te begrijpen, dat het geen gewone schaking gold, gelijk hij eerst gedacht had, maar een gewelddadigen vrouwenroof, waarvoor hij als medeplichtige aansprakelijk zou gesteld worden: „indien ik nu niet verkies, u verder in dit feit behulpzaam te zijn.”
„Dan jaag ik u dezen kogel door 't hoofd, en men zelf de paarden,” zeide Gonser, hem te gelijk de tromp van zijn pistool voorhoudende.
Dit was, gelijk men in den stijl van den Hove gezegd zoude hebben, een peremtoir argument, waarvoor Tyssen onmiddellijk zwichtte; die dan ook, de zweep over de paarden leggende, de Nieuwstraat weder inreed, waar Mortaigne, Feyt en Goldestede insgelijks naar toe draafden, zoo vlug zij de beenen maar konden reppen.
„Rij maar voort,” riep Mortaigne den voerman toe: „wij zullen u wel inhalen.”
Binnen weinige oogenblikken was hij met zijn beide medehelpers aan het wagenhuis waar de staljongen nog altijd de gezadelde paarden vasthield. In een ommezien zat Mortaigne in den zadel, en hadden ook Feyt en Goldestede hun paarden bestegen. Maar nu schoot er nog een vierde rijdier over, 't welk voor Spinel was bestemd geweest.
„Blijf hier nog een halfuur wachten,” zeide Mortaigne tot den stalknecht, „en zoo de Heer, die dit paard berijden moest, dan niet is komen opdagen, breng het dan maar naar mijn stal terug. En nu voorwaarts.!” vervolgde hij, zich tot de anderen wendende: „ons leven hangt af van den spoed, dien wij maken.”
Meteen zijn paard de sporen gevende, holde hij, gevolgd door zijne handlangers, den wagen achterna, dien zij aan het Haarlemmer veer inhaalden. Nu ging het, de Prinsessegracht langs, het valbruggetje over en zoo den Bezuidenlhoutschen weg op.
Inmiddels was de arme Catharina weder eenigszins tot hare bezinning gekomen, en hoezeer nog onder den indruk van de bedreiging, door haren buurman geuit, begon zij te beseffen, dat het om haar persoon en niet om haar leven te doen kon zijn, en dat er voor haar geen uitzicht op verlossing bestond, indien zij de hulp niet inriep van wie er toevallig voorbij mocht gaan. Zij zette het dan ook uit al haar macht op een schreeuwen van „moord!” en „hulp!” zonder te letten op de herhaalde dreigementen van Vollenhove, die al meer en meer, nu zij niet door de daad gevolgd worden, haar indruk begonnen te verliezen. Weinig echter baatten de noodkreten, door de hulpelooze juffer geslaakt. Het was nu tien uren, een tijd, waarop in die dagen de openbare wegen zoomin als de straten meer bezocht waren, tenzij door nachtloopers, of door wie om noodzakelijke redenen uit zijn woning geroepen werd. De enkele voorbijgangers, die den wagen, toen die zich nog in de straten van Den Haag bevond, waren tegengekomen, hadden zich vergenoegd, met hem na te kijken: en twee of drie halfdronken lichtmissen, die, uit de „Groene Wandeling” naar stad keerende, het hulpgeschreeuw hoorden, waagden het niet, zich in een zaak te mengen, waar zij, te voet tegen gewapende ruiters, noodwendig zouden moeten te kort schieten. Dan toen men eindelijk de zooeven genoemde herberg voorbijreed, meende Catharina, toevallig dien weg uitziende, in de openstaande deur de gedaante van den getrouwen Nicolaas te zien; waarop zij onder luide aanroeping van zijn naam, zich uit het portier poogde te werpen.
„Mejuffer!” zeide Vollenhove, haar terugtrekkende: „ik heb in last u met alle beleefdheid te behandelen; maar zoo gij dus voortgaat met schreeuwen, zal ik mij tot mijn leedwezen genoodzaakt zien, u een doek om den mond te binden.”
Ook deze bedreiging was thans vruchteloos. Wanneer eens de zenuwen eener vrouw in een staat van spanning verkeeren als thans met Catharina van Orleans het geval was, dan is zij even onvatbaar voor vrees als voor redeneering, en zij ging dan ook op dezelfde wijze voort, zich met handen en voeten werende, en werks genoeg gevende aan Vollenbove, die, om de zaak zijns meesters niet geheel te bederven, geen onnoodig geweld tegen haar wilde plegen. Hij was nu echter minder bezorgd voor ontzet, sinds de stoet, het Huis ter Noot voorbijgereden zijnde, de nieuwe laan naar Voorburg was ingeslagen, waar men op dezen tijd van den nacht weinig kans had, iemand te ontmoeten: en hij troostte zich met de gedachte, dat een vrouw, ook al is zij met de krachtigste longen voorzien, niet altijd door kan schreeuwen; zoodat zij, te Voorburg gekomen, wel te vermoeid zou zijn om verder geluid te geven. Ook zij scheen eindelijk het vruchtelooze van haar kreten in te zien; zij zweeg stil, zakte in elkander, en borst toen uit in een hevigen tranenvloed, door luide snikken afgebroken. Vollenhove liet haar ongestoord aan haar aandoeningen den vrijen teugel vieren: en eerst toen zij eenigszins bedaard scheen, zeide hij, op den minzaamsten toon, dien hij maar bezigen kon:
„Wees gerust, waarde juffer! er is niemand, die eenig kwaad tegen u in den zin heeft. Wij allen, die hier om u zijn, hebben niets anders op 't oog dan uw toekomstig geluk te bevorderen.”
„Mijn geluk!” snikte Catharina: „wie bemoeit zich daarmede? Wie zijt gij toch? ik ken u niet: en door wiens toedoen geschiedt dit alles?”
„Wat mij betreft,” zeide Vollenhove: „ik ben niet meer dan de dienaar van uwen getrouwsten aanbidder: en deze wacht enkel uwe goedkeuring af, om zich aan uw voeten te werpen en u de verzekering zijner diepe hulde te geven.”
„Zijn hulde ...” herhaalde Catharina, „is dat de wijze waarop hij die aan den dag legt? — Maar luister,” hervatte zij, na een oogenblik zwijgens, terwijl zij eenigen moed vatte: „gij zijt zijn dienaar, zegt gij: ik weet niet, of uw heer vermogen bezit, en den schandelijksten dienst, welke gij hem bewijst, ruim vergelden kan. Maar ik ben rijk, en zoo gij mij de gelegenheid geeft om te ontkomen, dan zal ik u tien-, ja honderdmaal zooveel geven als uw heer u voor uw hulp heeft toegezegd.”
„Mejuffer!” zeide Vollenhove, met de grootste koelbloedigheid: „ik ben geen man van vermogen, maar een arme kamerdienaar, die de bevelen zijns meesters volgen moet: ik wil volgaarne bekennen, dat ik, zoo ik er voordeel in zag, en ook uit medelijden, u mijn dienst in dit geval niet weigeren zou: er bestaat maar eene, in uwe oogen misschien kleine, doch niet te min onoverkomelijke zwarigheid in de zaak: zij is daarin gelegen, dat uwe belofte, alleen, van geen het minste gewicht is.”
„Hoe!” zeide Catharina: „is mijn woord u niet genoeg? wel, bezorg mij papier, op de eerste plaats waar wij stil houden, en ik zal u een schriftelijke schuldbekentenis geven.”
„Die zou mij voor niets anders dan scheurpapier kunnen dienen,”
antwoordde Vollenhove, altijd even koel, „zoolang zij niet de medeteekening droeg van uw voogd.”
„O! mijn voogd zal u dankbaar zijn, indien gij mij aan hem terugbrengt,” zeide Catharina: „gewis, hij zal bevestigen wat ik u beloofd heb; hij zal ....”
„Mij aan de dienaars overleveren en op de Voorpoort doen zetten,” viel Vollenhove in: „of denkt UEd., dat ik den Raadsheer Rixen niet ken? De Justitie gaat bij hem en bij zijn heeren collega's voor alles: zou mij eenvoudig laten hangen, en al schonk hij mij vooraf hetgeen uwe goedheid mij beloofd had, het zoude mij weinig baten, wanneer het toch ten profijte van den Staat werd geconfiskeerd.”
„Neen! neen! ik zou voor u genade verwerven,” zeide Catharina: „men zou jegens u zoo streng niet handelen, wanneer gij uw vroeger vergrijp door uw latere daad uitwischtet. Ik smeek u, goede man! hoor naar mijn bede: en laat u vermurwen: mijn ontvoering zal toch reeds bekend zijn in Den Haag: en spoedig zal men u op de hielen zitten: — wanneer gij achterhaald wordt, dan zeker zult gij de straf niet ontgaan: terwijl, indien gij mij goedwillig helpt, gij veeleer kans hebt op belooning.”
Het is onzeker, in hoeverre de smeekgebeden of de redeneering der geroofde juffer zouden geëindigd hebben met eenigen indruk op het gemoed of op het verstand van Vollenhove te maken; — maar op dit oogenblik scheen het, alsof hetgeen Catharina hem voorspiegelde reeds vervuld scheen te worden: althans op eenigen afstand achter den wagen deed zich hoefgetrappel hooren.
„Men vervolgt ons, mijn Heer!” zeide Feyt tot Mortaigne.
„Nu reeds!” zeide Mortaigne: „laat ons dan harder aanrijden. Leg er de zweep over, Tyssen!”
„Hoe wil ik harder rijden dan ik doe,” vroeg de voerman: „UEd. begeert toch niet, dat de paarden neervallen eer wij nog te Voorburg zijn.”
Desniettemin sloeg hii er eens op; maar ook de persoon, die achter was, scheen harder aan te rijden: althans het vermeerderend geluid bewees, dat hij al dichter en dichter naderde en den stoet weldra zou inhalen.
„Bah!” zeide Mortaigne: „waarvoor zijn wij ook beschroomd? Het schijnt niet meer dan een eenig man te zijn, die ons vervolgt: en al waren er meer, wij zijn immers gewapend. Houdt uw karabijnen gereed, mannen: ik zal zelf eens gaan zien, wie de stoutheid heeft, ons te vervolgen.”
En tegelijk, zijn paard omzwenkende, nam hij een pistool in de hand en hield zich gereed, den naderenden ruiter, die vast begon „hei!” te roepen tegen te houden.
„Niet verder!” riep Mortaigne: „of ik schiet u overhoop.”
„Daar zoude Ued. verkeerd aan doen,” zeide Spinel; want niemand anders was de man, in wien men een vervolger had meenen te hooren.
„Spinel!” riep Mortaigne: „waar drommel waren mijn gedachten, dat ik u geheel vergeten had. Wees dubbel welkom! — ik vreesde reeds, dat gij geen gelegenheid zoudt hebben gehad om u weder bij ons te vervoegen.”
„'t Zou in allen gevalle de schuld van Vollenhove niet geweest zijn,” zeide Spinel: „na de fraaie commissie, welke hij mij had opgedragen. Doch dat daargelaten: ik heb er mij uitgedraaid, en het paard nog gelukkig gevonden. — Maar 'tzal niet lang duren of Den Haag is in rep en roer.”
„Denkt gij, dat men ons spoedig op de hielen zal wezen?” vroeg Mortaigne.
„Dat durf ik niet beslissen,” antwoordde Spinel: „maar toen ik den Kneuterdijk overkwam, zag ik reeds een hoop volks op de Plaats samengeschoold, en de wacht in 't geweer komende.”
„Tot hun dienst,” zeide Mortaigne: „zij zullen echter niet zoo spoedig te paard zitten om ons na te jagen: en dan zal het nog moeite genoeg kosten om ons spoor te vinden,.... maar daar begint het lieve leven in den wagen weder van voren af aan: ik wenschte mij zelven geluk, dat de juffer bedaard was geworden.”
Inderdaad, Catharina had, op het hooren der beweging, door het naderen van Spinel veroorzaakt, evenals Mortaigne zelf, een oogenblik in den waan verkeerd, dat er hulp voor haar kwam opdagen, en haar noodgeschrei weder aangevangen. Dan, weldra bespeurende dat zij zich bedrogen had, hield zij met roepen op en begon opnieuw te weenen. Dit duurde, totdat men Voorburg bereikte. Men trok het dorp, waar ieder reeds in diepe rust en geen mensch op straat te zien was, door, en zette, om de paarden niet te vermoeien, den tocht stapvoets voort. Mortaigne begreep, dat het nu tijd ware, zich te vertoonen, en, den voerman gelastende op te houden, steeg hij van 't paard, deed Vollenbove uitstappen en nam diens plaats in, terwijl de kamerdienaar zijns meesters ros besteeg.
Ik zal hier de bewoordingen niet herhalen, waarmede Mortaigne na zich, zooveel de gelegenheid het toeliet, op de knieën te hebben neergeworpen, met gevouwen handen, zijn misdadig feit zocht te vergoelijken en Catharina's vergeving afsmeekte. Te minder behoef ik dit te doen, omdat de juffer toch geen acht scheen te slaan op zijn woorden, en hem met geen antwoord verwaardigde. Zij had zoodra hij zich naast haar geplaatst had, en zij bij 't herkennen zijner stem het reeds door haar opgevat vermoeden bevestigd vond, zich naar den hoek van den wagen gekeerd, het afgewende hoofd met de beide handen bedekkende, en niet aflatende van snikken en weenen. Het was niet dan nadat hij, gedurende een groot uur, zijn welsprekendheid had aangewend en nu bijkans was uitgepraat, dat zij, hoewel nog altijd dezelfde houding bewarende, in enkele, maar nog afgebroken woorden, haar toestand begon te beklagen, en vervolgens hem bittere verwijzingen te doen, welke hij van zijne zijde erkende verdiend te hebben, terwijl hij alles oprekening zijner liefde schoof, die hem tot een zoo wanhopige daad had aangezet. Intusschen was zijn taak, hoe bezwaarlijk nog altijd, lichter geworden sedert hij haar eenmaal aan 't spreken had gekregen, en al scheen hij vooralsnog weinig in haar goede gunst te vorderen, toch wist hij haar van lieverlede zooverre te brengen, dat zij meer bedaard naar hem luisterde en hun onderhoud een meer geregelden loop bekwam. Wellicht werkte hiertoe mede, wat zij, bij de overtuiging, dat zij vooralsnog in zijn macht was, zonder eenig uitzicht op dadelijke hulp, het nuttelooze van ijdele klachten begon in te zien en het verstandiger achtte, bedaard te blijven, in afwachting, dat zich een gelegenheid opdeed om haar uit de handen van den roover te bevrijden.
Vooralsnog scheen die gelegenheid zich niet aan te bieden. Wel hield men in den loop van dien nacht een paar reizen stil om de paarden te drenken of te voederen; doch het was aan afgelegen dorpsherbergen, waar niemand zich voordeed dan een slaperige stalknecht, na lang aankloppen uit zijn bedstede voor den dag gekomen: en zelfs met dezen kon Catharina niet spreken daar Mortaigne haar niet vroeg of zij uit wou stappen, en zij te trotsch of te voorzichtig was om daartoe verlof te vragen. Zoo trok men voort, Leiden links latende liggen, totdat men tegen het aanbreken der morgenschemering te Alfen aankwam, in welk dorp de wagen stilhield, en wel voor de herberg, aan den hoogen Rijndijk gelegen, en waar het Wapen van Utrecht uithing.
„Indien gij een halfuur uitrusten en u een weinig ververschen wilt,” zeide nu Mortaigne tegen Catharina: „zoo zal ik u daartoe gaarne de gelegenheid geven; doch op ééne voorwaarde.”
„En welke is die?” vroeg Catharina.
„Dat gij bij de waardin voor mijn vrouw doorgaat, en uw nood aan niemand klaagt.”
„Ik ben in uw macht,” zeide Catharina, „en heb dus geene andere keuze, dan mij aan uw voorwaarden te onderwerpen.”
„Welaan dan,” hernam Mortaigne: en, uit den wagen springende, bood hij Catharina eerst zijn hand aan om af te stijgen en vervolgens zijn arm om haar de herberg binnen te leiden. Hier worden zij door de dienstmaagd in een opkamertje geleid, waar spoedig de waardin, die haar bed verlaten had op het bericht van het aanzienlijk gezelschap, dat bij haar was afgestapt zich bij hen kwam vervoegen.
„Leg een paar takkenbosschen op den haard,” zeide Mortaigne: „het is een kwaad seizoen om bij nacht te reizen: en gij ziet hoe mijn vrouw van de koude bevangen is.”
En inderdaad, Catharina trilde en klappertandde, minder van de nachtkonde, dan van die huivering, welke een gevolg is van sterke aandoeningen.
Spoedig werd er vuur aangelegd, en liet Mortaigne voor Catharina wat warme melk en brood brengen, terwijl hij zelf een flesch Rijnwijn dronk. Nauwelijks echter hadden zij eenige oogenblikken zich bij den haard gewarmd, toen Vollenhove aanklopte, en verklaarde, dat hij zijn Heer noodzakelijk alleen moest spreken.
„Wat is er aan de hand?” vroeg Mortaigne, wrevelig de wenkbrauwen samentrekkende, en onwillig om Catharina met de waardin alleen te laten: doch het gelaat van Vollenhove stond zoo ernstig, dat hij begreep, aan zijn verzoek te moeten voldoen.
„Ik moet even met dezen man spreken,” zeide hij tegen Catharina: „gij gedenkt aan hetgeen gij beloofd hebt.” Met deze woorden verliet hij het vertrek.
„Wel! wat is er?” vroeg hij aan Vollenhove, zoodra hij zich met dezen alleen bevond.
„Anders niet,” zeide deze, „dan dat de voerman met wagen en paarden den stal is binnengereden, en verklaard heeft, u niet verder willen brengen.”
„Niet te willen!” herhaalde Mortaigne, zich op de lippen bijtende: „dan moet hij er toe gedwongen worden.”
„Dat ging goed,” zeide Vollenhove, „zoolang hij in den wagen zat en onder het bedwang van Gonsers pistool. Maar nu hij zich vrij in den stal bevindt, met den stalknecht in de nabijheid, spreekt hij bout, en zegt, dat hij terug wil.”
„Maar mij dunkt, wij zijn talrijk genoeg, om hem te dwingen,” zeide Mortaigne.
„UEd. zal toch hier geen geweld willen gebruiken, of vuurwapenen bezigen,” zeide Vollenhove, het hoofd schuddende: „nu wij in een sterk bewoond dorp zijn. De boeren gaan reeds aan 't werk: de smid hiernevens stookt zijn vuur reeds aan: en in geval van twist zouden wij de minsten zijn. Ik zie er niets anders op dan dat wij Tyssen zijn geld geven en naar een andere gelegenheid omzien om de juffer verder te brengen.”
„En hebt gij die reeds gevonden?” vroeg Mortaigne.
„Er staat hier een rolwagentje in 't wagenhuis,” zeide Vollenhove: „dat wel niet fraai is, maar toch zou kunnen dienen, en zoo wij er een paar stevige paarden voorspanden, waren wij klaar.”
„'t Is wel!” hervatte Mortaigne: „beschik alles gelijk gij dit best oordeelt: ik ga weder binnen; want ik durf de juffer niet langer alleen met de waardin vertrouwen.”
Met deze woorden keerde Mortaigne terug; maar het bleek, dat beide vrouwen reeds te lang te zamen had gelaten; want toen hij de hand aan de kruk van de deur sloeg en die poogde te openen, bevond hij, dat de grendel er van binnen was opgeschoven.
Catharina had namelijk, zoodra zij van zijne tegenwoordigheid ontslagen was, haar toestand aan de waardin blootgelegd, de bescherming van deze ingeroepen en de deur gegrendeld.
„Maak open!” riep Mortaigne, terwijl hij met hevigheid op de deur bonsde: „maak open of ik trap de deur in.” — Maar hij kreeg geen antwoord en de deur bood wederstand aan al zijn pogingen. In woede liep hij naar beneden, en gelastte Feyt en Goldestede hem onmiddelijk met hun karabijnen naar boven te volgen.
„Vrouw!” schreeuwde hij toen uit al zijn macht: „ik waarschuw u voor 't laatst, open de deur, of ik laat die openschieten.”
„Om 's hemels wil, brave vrouw!” smeekte Catharina, zich voor de waardin, die reeds aarzelde, op de knieën werpende: „geef hem toch geen gehoor: hij zoekt u maar beangst te maken.”
„Hoe is 't?” riep Mortaigne van buiten: „zal ik geweld moeten gebruiken, om mijn vrouw hier uit te halen? — Hier mannen! bonst eens met de kolven uwer karabijnen tegen de deur, opdat zij zich overtuigen, dat het mij ernst is.”
Feyt en Goldestede gehoorzaamden, en de verschrikte waardin, vreezende dat Mortaignes bedreigingen ten uitvoer zouden gelegd worden, ontscheurde zich aan Catharina, die haar vasthield, en ontgrendelde de deur.
„Wat beteekent dit?” vroeg Mortaigne, binnentredende: „en waarom wordt de man buitengesloten, wanneer zijn vrouw zich binnen bevindt?”
„Uw vrouw!” herhaalde Catharina, zich zoover mogelijk van hem verwijderende: „gij weet zeer wel, dat gij mij niet dan door geweld in uw macht gekregen hebt.”
„Wat heeft zij u verteld?” vroeg Mortaigne aan de waardin: „praatjes; zeker, dat zij tegen haar wil door mij ontvoerd is, en dergelijke meer. Deze lieden en zij die beneden staan, kunnen getuigen, dat wij reeds een jaar getrouwd zijn. Maar somwijlen vergeet zij het.” Hier zag hij de waardin aan en wees op zijn voorhoofd, terwijl hij deze gebaarde met een bedenkelijk schouderophalen vergezeld liet gaan.
„Arme juffer!” zeide de waardin, een medelijdenden blik op Catharina werpende: „zoo jong nog, en ....”
„Wat zoekt die man u diets te maken?” riep Catharina, met hevigheid vooruittredende: „dat ik niet wel bij 't hoofd ben? O! in den naam van al wat u lief is, goede vrouw, sla geen geloof aan zijn logens. Op wie beroept hij zich? op zijn medeplichtingen, die even slecht zijn als hij! O God! is er dan niemand, die mij arme verlatene bijstaat. Laat den Schout ontbieden, vrouw! en laat hij onderzoeken, wat er van de waarheid zij. Ik wil de ergste straf ondergaan, indien ik u bedrieg.”
„Maar mij dunkt, mijn Heer!” zeide de waardin: „dat hetgeen zij vraagt niet onbillijk is, en ik zoude toch wel willen verzekerd zijn, dat gij haar wettige man zijt.”
„Ga het dan maar nazien in de trouwregisters van de Groote Kerk in Den Haag,” zeide Mortaigne: „wat zou uw Schout hier doen? Denkt gij, dat ik met mijn trouwbewijs in den zak reis, of dat ik tijd heb, om hier te wachten, tot de man uit zijn slaap gewekt zij en de zaak onderzocht hebbe? — Hoe is het? Is die rolwagen haast klaar? Ga het eens onderzoeken,” vervolgde hij tegen Goldestede: „en zeg, dat men zich haaste! en gij,” fluisterde hij Feyt in 't oor, terwijl hij een zijdelingschen blik op de dienstmaagd sloeg, die op het gerucht was komen toeloopen:„zorg, dat niemand het huis verlate.”
Beiden gingen zich van hun taak kwijten. Goldestede liep naar den stal, waar men bezig was met den rolwagen in te spannen: en Feyt plaatste zich voor de deur, gereed den uitgang aan een iegelijk te betwisten.
Intusschen bewaarden de vier personen, die boven gebleven waren, een diep stilzwijgen: Mortaigne liep, met de armen over elkander gekruist, de kamer op en neder; terwijl hij zich somwijlen een glas wijn inschonk en dit haastig ledigde: Catharina was in een stoel nedergezonken en zat stil te schreien: de waardin keek beurtelings beiden aan, als onzeker wat te doen: en de meid, die volstrekt niets van de zaak begreep, bleef met open mond in de deur staan. Dit stomme tooneel duurde zoolang, tot Vollenhove het bericht kwam brengen, dat alles gereed was tot het vertrek.
„Gedraag u verstandig,” zeide toen Mortaigne halfluid tegen Catharina, terwijl hij haar zijn arm aanbood: „laat u goedwillig door mij leiden en dwing mij niet te doen wat mij later berouwen zou.” — En met deze woorden, haar half door overreding, half met geweld oprichtende, wierp hij een dukaat op tafel, en voerde hij haar naar beneden, in stomme verbazing nageoogd door de waardin.
„Wat is er toch aan de hand met die lui?” vroeg de meid.
„Och Stijntje!” zeide de waardin: „het is maar best, dit niet te onderzoeken. Ik bid God, dat hier geen boos opzet achter steke; maar ik heb nooit gezien, dat er goed van kwam, wanneer men zich met de zaken van groote heeren inliet.”
En tevens stak zij, met een diepen zucht, het goudstuk op.

Ingezonden door Alidus Bakker.