Onze voorouders

Jacob van Lennep

Alwart

I

Er is wellicht geene volksgeschiedenis, welke haren beoefenaar meer moeilijkheden oplevert, dan die van ons oude vaderland. Behalve dat de overleveringen en gedenkstukken schaarsch zijn, en wij de berichten hoofdzakelijk moeten ontleenen aan uitheemsche, en dus aan bevooroordeelde en slechts ten deele onderrichte schrijvers, staat een nauwkeurige kennis dier vroegere gebeurtenissen nog deze lastige bijzonderheid in den weg, dat de bodem zelf, waarop zij hebben plaatsgehad, met zijn bewoners, ja nog meer dan deze, van gedaante en gesteldheid bij herhaling is veranderd, zoodat noch de de Batavier van Cesars tijd zich in de Betuwe van Karel den Grooten, noch de Fries, die in het Kreiler-bosch ter jacht ging, zich op de geopende Zuiderzee, noch de Zeeuw, die in des Zesden Willems dagen naar Dordrecht ter markt voer, zich bij den Biesch-bosch onder Willems dochter zou herkend hebben. Voor den geschiedschrijver, die Úf de daden der oude HelvetiŽrs Úf de oorlogen der CaledoniŽrs wil te boek stellen, bestaan deze moeilijkheden iet; want al mocht men twijfelen aan de wijze, hoe de gebeurtenissen zijn voorgevallen die hij te vermelden heeft, de plaats waar zij zijn voorgevallen, kan aan geen twijfel onderhevig zijn; en nog spiegelen zich de met eeuwig ijs bedekte kruinen der Alpen in het meer Leman, als toen Walter Scott, op inwoners en gebouwen na, het Schotland van Bruce en Wallace. Maar hoe geheel anders bij ons! Geen land kan beter dan het onze worden vergeleken bij een schouwtooneel, waarop niet alleen nieuwe personages te voorschijn treden en nieuwe decoratiŽn elkander verwisselen, maar waarop ook de vloer gedurig wegslijt en vernieuwd wordt. Ė Elders licht de aardrijkskunde de geschiedenis voor, en men kan den weg, dien een leger langs trok, de hoogte, waar een versterking gebouwd werd, het bosch, waarin men een bijeenkomst hield, zonder moeite aanwijzen, omdat men dien weg, die hoogte, dat bosch nog heden terugvindt; Ė hier integendeel moet men de plaatselijke gesteldheid uit de gebrekkige geschiedenis opmaken: of liever, men moet zich met gissingen vergenoegen: want, hoe meer men zich in onderzoekingen en nasporingen verdiept, hoe meer men zich overtuigt van de onmogelijkheid, om van ťťne dier steden en burchten en vastigheden, van wier aanwezen in ons vaderland de Romeinsche schrijvers gewag maken, de ligging bepaaldelijk aan te wijzen: ít zij aan den mond van dien sinds verzanden stroom: ít zij op die sedert door dde zee overspoelde vlakte: ít zij aan den ingang van dit overstoven bosch: ít zij langs dien sedert in ít moeras bedolven heirweg: ít zij nabij dit sinds aan de golven ontwoekerde land.

Met dat al, zoo het gemis aan zekere berichten omtrent de oude geschiedenis van ons land te betreuren valt, het verlies is, mijns bedunkens, nog grooter voor den Ingenieur dan voor den historieschrijver. Voor den eerste zou de juiste kennis der wisselingen van onzen bodem onschatbaar wezen; voor den laatste is zij meer een zaak van liefhebberij. De eerste is den arts gelijk, voor wien het van het uiterste belang is, de physische gesteldheid te kennen des lijders, wien hij behandelen moet, en de aanleidende oorzaak zijner kwaal op te sporen; de tweede is als de portretschilder, die uit nieuwsgierigheid wellicht mag vragen, vanwaar dat litteeken op het voorhoofd der zaak genoeg aan zijn roeping voldoet, door beide getrouwelijk op zijn schilderij terug te geven.

En inderdaad, hoe verder wij teruggaan, hoe minder die oude geschiedenis van ons land oplevert, hetwelk de moeite van het onderzoek beloont. De Batavieren althans, om van de eerste inwoners te beginnen, hebben, ja, hun naam vermaard gemaakt, meer wellicht dan eenige Germaansche stam; maar den roem, door hen behaald, hebben zij zich buiten hun vaderland verworven: ja zelfs, toen hun naam aan de oevers van Maas en Waal in vergetelheid geraakt was, blonk hij nog in vollen luister aan het voorhof der Cesars, en was nog meermalen de staf dier Cesars in hunne handen een speeltuig, waarmede zijn hunne gunstelingen beschonken.

Op welke wijze zijn zij aan die betrekking met de Romeinen geraakt, welke hun al zoo spoedig zulk een invloed verschafte? Deze vraag stelde ik onlangs mijzelven voor, uit loutere nieuwsgierigheid, gelijk de schilder, van wien ik zooeven sprak. Ik onderzocht, en vond slechts weinig zekers; maar gelijk schilders en dichters doen, ik vulde het onzekere aan. Het gevolg van dat onderzoek vindt de welwillende lezer in de navolgende bladzijden vermeld.



[Deel II] [Jacob van Lenneppagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.