Onze voorouders

Jacob van Lennep

Alwart

II

[Deel I]

De Romeinsche adelaar, niet tevreden, in het Zuiden met onbepaalde macht te heerschen, had in het eind zijn vlucht ook Noordwaarts genomen. Reeds was in Gallië de inval van Brennus gewroken: een gedeelte van dat land tot wingewest des Romeinschen rijks verklaard: het overige cijnsbaar gemaakt en met inlegeringen in bedwang gehouden. Maar de zucht tot overheersching vas hiermede niet voldaan. Een inval der Helvetiërs in het land der Eduën had den Romeinen aanleiding gegeven tot een nieuwen krijg, die, oogenschijnglijk opgevoerd ter ondersteuning van bondgenooten, tot voornaamste doel had, het gebied van Rome ook naar dien kant uit te breiden. Aan Caius Julius Cesar was het belied van dien veldtocht opgedragen; en glansrijk vervulde hij een taak, waarvoor niemand meer dan hij berekend was. Niet slechts wierp hij de tallooze Helvetiërs over den Rijn terug; maar, zijn zegepralende weg vervolgende, viel hij de Belgen aan, die toen het noordelijke gedeelte van Gallië bewoonden en tegen hem waren opgestaan, en verdelgde of verdreef al de volksstammen onder hen, die zich niet in deemoed aan zijn gezag onderwierpen.

Geen wonder dat de roem van zijn groote daden en de schrik des Romeinschen naams zich hierdoor tot aan de verste uithoeken van Germanië verbreidden: geen wonder, dat hij reeds lang was doorgedrongen in het moerassig eiland, dat, tusschen Rijn en Maas gelegen, sedert ongeveer een eeuw door de Batavieren werd bewoond. Het was echter niet de vrees voor Cesars oppermacht, welke hun in deze oogenblikken de meeste zorg inboezemde. Nog waren de legioenen des Romeinschen veldheers ver verwijderd, en nog bestond er geene reden, te duchten, dat hij zich tegen hen vijandelijk betoonen ozu; de onrust, welke thans op het eiland heerschte, had een meer nabijgelegen oorzaak.

Zoo de Batavieren, gelijk ik zeide, oorspronkelijk aleen het naar hun naam genoemde eiland bewoonden, hun aantal was sedert eenige jaren zoodanig toegenomen, dat het schaars bebouwde land niet langer toereikende was om hun voedsel en inwoning te verschaffen. Ten Noorden, noch ten Oosten konden zij zich uitbreiden: daar woonden de Friezen, de Kauchen en andere hun vijandige volkeren, die zij niet machtig waren terug te drijven: ten Zuiden der Maas leefden de Menapiërs:- alleen aan de overzijde der Waal, ongeveer te dier plaatse waar thans Megen en Batenburg gelegen zijn, niet verre van de plek waar toen Waal en Maas samenvloeiden, lag een tot nog toe onbewoonde landstreek, en deze werd door een deel der Batavieren in bezit genomen.

Niet lang echter genoten zij de rust, die zij aldaar gezocht hadden. De Usipeten, een der machtigste volksstammen uit Germanië, kwamen, door zucht naar buit gedreven, den Rijn overtrekken, verdreven of versloegen dat gedeelte der Batavieren, hetwelke zich buiten het eiland had nedergezet, voerden hunne vrouwen en kinderen in gevangenschap mede, en trokken teon zuidelijker op, de Jugerners, de Eburonen en andere aldaar wonende volkeren voor zich uitdrijvende.

Onder die Bataafsche opperhoofden die voor de macht der Usipeten hadde moeten vluchten en in het eiland der Batavieren een schuilplaats vonden, was Alwart de moedigste, zoo niet de voornaamste. Langer dan eenig ander had hij den strijd tegen de ontelbare drommen des vijands volgehouden: en niet voordat al zijn volgers om hem heen gevallen waren, was hij de rivier overgezwommen, om zijn landgenooten op te zoeken en hen tot bijstand en wraakneming aan te sporen. Zijn komst en die der overige vluchtelingen verwekte geene kleine opschudding bij de Batavieren; en dadelijk werd er naar volksgebruik, een landdag bijeengeroepen om te raadplegen wat in deze omstandigheden te doen stond.

Het was in een gewijde bosschage, aan den oever der Linge, dat deze bijeenkomst zou plaats hebben: – ik zeg: in een gewijde bosschage; want niemand stelle zich hier een achtbaar en eeuwenheugend woud voor oogen. De meer noordelijk gelegen gewesten, welke wij nu Holland, het Sticht, de Veluwe, Friesland of Overijsel noemen, waren toen met bosschen overdekt; maar het zoogezegde eiland kon uit den aard der zake geen zware boomen dragen, op een grond, waar jaarlijks de gezwollen rivieren overheen stroomden. Het heilige oord, waar zich thans de Bataafsche krijgers heen begaven, was met laag en knoestig wilgenhout begroeid, waartusschen een vrij grasperk gelegen was, ruim genoeg om tot weide te strekken aan een zestal witte paarden, die, nooit tot eenigen menschelijken arbeid gebruikt, bij de offerplechtigheden en wichelarijen geacht werden den wil des Alvaders te verkondigen.

Het vlakke en moerassige eiland zou, op tijden als deze, door een heldere zomeravondzon verlicht, een vrij zonderling schouwspel hebben opgeleverd aan hem, die er van de hoogten der Veluwe op neder had gezien. Men stelle zich een effen, groene vlakte voor, waarvan de eenvormigheid niet werd afgebroken dan door enkele zilveren strepen, gevormd door de plassen of slijkpoelen, waar zij hier en daar den glanzenden hemel terugspiegelden, en door de hutten der inwoners, die zich op hare houten palen, bij groepen, doch elke woning afzonderlijk gebouwd, vrij hoog boven de oppervlakte verhieven. Slechts hij zou zich thans van de zonderling bouworde en samenstelling dier woningen een denkbeeld kunnen maken, die aan de oevers der Delaware de koloniën der bevers had gezien; ja het ontbreekt niet aan zoodanigen, die beweren, dat bevers de eerste bewoners van ons Vaderland waren en den Batavieren tot leermeesters in het bouwen verstrekt hebben.

Over die grasrijke oppervlakte nu had de ploeg nog nooit een voren gesneden; want de Batavieren, gelijk alle Germaansche volkeren, onvermoeid, wanneer het op strijden aankwam, waren traag in vrede en van den arbeid afkeerig. De kudden van groot en klein vee, die de woningen omgaven, en de visch uit de waterstroomen, verschaften hun een dagelijksch voedsel; maar dat bij den ontzettende aanwas der bevolking, waarvan ik vroeger gewaagd heb, althans bij wintertijd, reeds niet meer toereikende was in aller behoeften te voorzien.

Uit die hooge huizingen zag men de breedgeschouderde bewoners langs de enge ladder afdalen, gewapend met het bontgeverfde schild, de korte spies en het wapentuig, waaraan de Latijnsche benaming van framee is gegeven, doch hetwel inderdaad niet meer was dan een zoogenaamde priem of mes, waarmede zij hun vijand van dichtbij, gelijk nog op sommige plaatsen bij de landlieden gebruikelijk is, geduchte sneden wisten te geven en van verre met een juisten worp te verwonden. Na een minzaam, doch alles behalve roerend afscheid van hun talrijk huisgezin te hebben genomen, begaven zij zich naar een soort van verzamelplaats, waar zij zich stelden onder de bevelen van hem, wien zij zich tot opperhoofd gekozen hadden en wien zij bereid waren te volgen, waarheen hij hen verkoos te leiden.

Reeds waren er drie dagen verlopen sedert den dag, waarop het houden der volksvergadering bepaald was: reeds was Alwart drie dagen achtereen de heilige bosschage met branden ongeduld op en neder geloopen en had hij de aankomenden vermaand, gesmeekt en bezworen om toch een aanvang met de beraadslagingen te maken: – en nog was het aantal dera krijgshoofden, volgens de uitspraak der Priesters, niet toereikend om met vrucht iets te kunnen beslissen. De reden, dat men zoo traaglijk aan het opontbod voldeed, was hierin gelegen: de aanzienlijken verschenen niet gaarne ter dagvaart dan vergezeld van een stoet van krijgslieden, evenredig aan den roem door hen verworven, en begaven zich dus niet op weg, dan wanneer zich een genoegzaam aantal volgers bij hen had aangesloten en zij zich konden voorstellen althans met geen minderen aanhang dan andere opperhoofden voor den dag te zullen komen. Leenmanschap of dienstbaarheid bestond nog niet: de Batavieren voegden zich vrijwillig en ongedwongen bij hem, wiens beleid en moed zij meest waardeerden; en, daar zij vaak van aanvoerder verwisselden, stelde ieder opperhoofd zijn afreis zoolang uit, tot hij geene hoop had eenen volger meer te zullen erlangen.

Er was echter een onder hen, wiens achterblijven aan een dusdanige oorzaak niet kon worden toegeschreven. Het was niet de vrees om met een te klein gevolg te verschijnen, die Warman kon terughouden; want geen der Bataafsche edelen had zich zulk een roem verworven: en meer dan duizend in ’t veld geharde strijders verzelden hem, zoo vaak hij ter dagvaart verscheen; neen – maar, reeds van huis vertrokken en de gewijde plaats der samenkomst tot op één uur afstands genaderd, had hij de zijnen in stilte verlaten en was op zijn brieschende klepper een zijweg ingeslagen, die naar de boorden der Maas bracht: men veronderstelde, dat hij de waarzegster Gauna, die aldaar haar eenzaam verblijf hield, voor den aanvang der beraadslagingen wenschte te spreken om met haar te overleggen, hoe er in dit tijdsgewricht gehandeld moest worden.

Wat hiervan wezen mocht, op den volgenden dag was hij met de zijnen ter bestemder plaatse verschenen, en het besluit werd eindelijk gevormd, om, zich zonder aan de verdere achterblijvers te storen, een aanvang met het raadplegen te maken.

De omstuimige en van getergd ongeduld blakende ziel van Alwart kwam tot rust, toen hij om zich heen die krijgshaftige opperhoofden zich op de zodenbanken zag nedervlijen, en, het hoofd op den arm steunende, afwachten wat men ter goed- of afkeuring zou voordragen; terwijl de strijdbare mannen en jongelingen, die hen vergezeld hadden, zich over de vlakte en buiten de gewijden kring verspreidden; want ofschoon elke Batavier op de volksvergaderingen zijn stem mocht uitbrengen, werd echter het vraagstuk, dat behandeld moest worden, vooraf in een bijeenkomst der voornaamsten overwogen en meestal beslist, zoodat de latere voordracht aan het volk, dat aan het besliste het zegel van zijn goedkeuring hechtte, meer een zaak van blooten vorm was.

Nadat de Priesters van hunne meer verhoogde zitplaats stilte geboden hadden, trad Alwart in het midden van den kring, en, de zware stem verheffende, zoodat die door al de aanwezigen vernomen kon worden, meldde hij hun in krachtige woorden de redenen der bijeenroeping. Hij schilderde met levendige kleuren den onverwachten inval der Usipeten af: de slachting, die zij hadden aangericht onder zijn landgenooten, mede Batavieren, zoowel als zij die hem onringden: het wegvoeren van weerlooze vrouwen en kinderen: den wanhopigen strijd, dien hij tot het uiterste had volgehouden;; en hoe hij, daar al de zijnen hem ontvallen waren, als door een wonderwerk aan het moordstaal ontkomen was. ”En het is tegen die onmenschelijke horden,” dus eindigde zijn toespraak, ”dat ik, Batavieren! uwen arm kom inroepen. Mijne wraak is de uwe geworden; want wij zijn broeders van één geslacht; en wat heden mijn lot is kan morgen het uwe worden. Te wapen dan, Batavieren! Den strijdzang aangeheven! de eerlooze rooverbenden achtervolgd en hun den pas gewonnen buit ontjaagd. Ducht niet voor hun aantal; want al zijn ze talrijker dan wij, ons heir zal aangroeien eer wij hen bereiken: een macht van bondgenooten, de Menapiërs, de Ambivariten, de Kondruzen en Eburonen, al wie door hun rooverijen gekweld wordt, zal opstaan en onze zijden sterken. Te wapen dan! en hen over dien Rijn teruggedrongen, dien zij ter kwader ure en zonder oorlogsverklaring zijn overgetrokken, om aan ons, terwijl in argelooze rust nederlagen, hun driesten overmoed te koelen.”

Toen Alwart zijn rede geëindigd had, ontstond er een levendig gemompel van goedkeuring bij de meeste der aanwezigen, welke goedkeuring zij nog luider te kennen gaven, door naar ’s lands wijze met de speer te schudden, of die tegen de schilden te laten weerklinken. Maar wederom geboden de Priesters stilte, en nu trad Erner, een der oudste en meest geëerbidigde gezagvoerders, in den kring. De blos der vreugde, welke de ontvangen toejuiching op het gelaat van Alwart had doen ontstaan, maakte plaats voor een uitdrukking van bezorgdheid, en kommervol hield hij, terwijl hij plaats nam, de oogen op den grijzen Erner gevestigd; want hij meende op diens gefronseld voorhofd en in diens spijtigen glimlach te lezen dat de raad door hem te geven, niet met zijn wenschen overeenkomstig zou zijn.

Hij bedroog zich niet. Erner begon met de rampen, welke Alwart getroffen hadden, te beklagen: hij betreurde dubbel, dat de Batavieren op het eiland niet van den inval der Usipeten waren onderricht geweest, dan toen het te laat was om ter hulp te snellen; – maar hij achtte het een dwaasheid zich thans op weg te begeven en een vijand na te jagen, die reeds te ver was weggetrokken om achterhaald te kunnen worden. Bovendien: welken uitslag kom men zich van zulk een tocht beloven? Het zou een verzoeking der Goden zijn, zulk een talrijke natie als die der Usipeten, en welke gedurig door nieuwe bondgenooten van de overzijde des Rijns gesterkt werd, met een kleine macht te willen aanvallen, zonder andere hulp dan die van de volkeren, welke Alwart had opgenoemd, en die meest allen reeds verdreven of vernield waren: – en trok de geheele strijdbare manschap der Batavieren tegen hen uit, wie zou dan het van tegenweer beroofde eiland beschermen? De Kauchen, de Friezen en andere kwalijkgezinde naburen zouden een zoo schoone kans niet laten voorbijgaan, en, al kwam de Batavier zegepralend weer, hij zou naar alle waarschijnlijkheid zijn vee en huisraad weggeroofd, wellicht zijn woonstede door anderen bezet vinden. Deze bedenkingen waren het, welke hem verhinderden zijn stem tot een krijgstocht te geven.

De rede van Erner werd niet, zooals die van zijn voorganger, met speerklank toegejuicht; maar een toestemmend knikken, een bedrukt voor zich heen zien, gaf te kennen, dat men het gewicht zijner redeneering gevoelde, en dat de voorgestelde tocht meer zwarigheden inhad dan men oorspronkelijk wel gedacht had.

Nu trad Warman op, de machtige krijger, van wien wij reeds gesproken hebben: en de oogen van Alwart tintelden opnieuw van hoop; want het was niet Warman, de gevreesde, die tot een laaghartig stilzitten zou manen. De taal des krijgshoofd beantwoordde echter niet aan de verwachting, die Alwart had opgevat. Wel schetste hij de noodzakelijkheid, om aan de Usipeten hun strooptochten af te leeren; maar hij gaf tevens toe, dat de bezwaren van Erner gegrond waren en men den vaderlijken bodem niet van krijgsvolk ontblooten kon. Hij raadde daarom aan, nog eenige nachten te toeven. De Usipeten, zeidde hij, hadden volkeren aangevallen, die in bondgenootschap leefden met die machtige Romeinen, van wier veldheer, Cesar, men zoovele wonderen verhaalde. Het was te wachten, dat deze niet straffeloos zulk een beleediging zou dulden. Kwam het eenmaal zooverre dat de Romeinen de Usipeten tegentrokken, dan ware de gelegenheid geboren, met eerstgemelden een verbond aan te gaan, en door hen bijgestaan, den gemeenschappelijken vijand te verdelgen. ”Wellicht,” zeide hij tenslotte, ”zal die tijd niet ver meer af zijn: reeds hebben reizende kooplieden uit het land der Ubiërs gekomen, de tijding aangebracht, dat de keurbenden uit Gallië opbreken; en misschien is Cesar, wiens tochten de vlucht des arends in snelheid evenaren, reeds op het ogenblik, dat ik tot u spreek, de Usipeten te gemoet getrokken.”

”Waren wellicht die kooplieden te voren door Warman afgezonden?” vroeg de grijze Erner, met een navorschende blik: ”afgezonden, om aan dien Cesar de vrijheid van zijn land voor goud en zilver te verkoopen? Wij weten wat den Galliërs die verbonden met de Romeinen kosten. Liever nog dan met hen vereenigde ik mij met de Usipeten. Dezen voor ’t minst zijn Germanen zooals wij.”

”En zijn zij dan onverwinlijk, die Romeinen?” vroeg de oude Batavier, terwijl een jeugdig vuur in de diepe oogkassen flonkerde: ”is hun vleesch van staal: zijn onze frameën stroohalmen? Zooeven raadde ik een dwazen krijgstocht af; maar de oude Erner zou de eerste zijn om de strijdknots te zwaaien, indien zich immer een zoon van Rome op onze velden vertoonen dorst. – Maar sedert wanneer geeft Warman, de voorheen zoo beroemden krijger, lessen van onderwerping?”

”Erner!” riep Warman: ”weerhield mij de eerbied niet voor uw besneeuwde kruin, gij zoudt mij niet ongestraft betichten van voornemens, die mijn boezem even onwaardig zijn als zij verre buiten mijn meening liggen. Ik verlang zoomin als gij den Romein hier als meester te zien heerschen; hoor mji aan, grijsaard! en laat geen ijdele toorn u het helder brein verblinden. Het is juist om het geweld van dien stortvloed, die, geduchter dan de Usipeten, zich over de wereld uitspreidt, van onze grenzen te keeren, het is om een mogelijke nederlaag te voorkomen, dat ik de vriendschap en bescherming der Romeinen ons verzekeren wil. Luister! en uwe ervarenis zal mij gelijk geven. – maar gij, Alwart! verwijder u voor een tijd uit onzen kring: het is niet in uw bijzijn dat wij uw voorstel kunnen overwegen.”

”Mijn voorstel!” zeide Alwart met bitterheid: ”gij hebt het reeds uit het oog verloren: en in de plaats van mijner wraak te gedenken, bekommert gij u over die Romeinen, die nog verre af zijn, en over hunne onzekere voornemens. Bij den machtigen Wodan! Zoo gij, als ik, de uwen had zien vallen en een beminde vrouw in slavernij wegvoeren, gij zoudt zoo bezadigd niet spreken. Maar niet heden keer ik weder; op morgen nacht, wanneer het gansche volk zal gehoord worden, dan zal ik opnieuw mijn stem en wellicht met luider weerklank doen hooren!”

Met deze woorden verwijderde zich Alwart; en buiten de heilige bosschage gekomen, sprong hij op zijn vurigen klepper, die hem aldaar stond te wachten. Zijn bloed kookte, en hij gevoelde behoefte om de onrust, die hem bezielde, door een sterke beweging te doen bedaren. Daar kwam hem opeens als een lichtstraal het denkbeeld voor den geest: ”naar Gauna! naar de wichelares! zij alleen heeft invloed genoeg, om die onwillige opperhoofden tot vrede of krijg te doen besluiten. Naar Gauna! zij moet mijne smeekingen hooren.” – En met onstuimige vaart snelde zijn paard over de vlakte voort.



[Deel III] [Jacob van Lenneppagina

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.