Onze voorouders

Jacob van Lennep

Alwart

III

[Deel II]

Twee uren ongeveer had Alwart zonder verpoozing gereden, toen hij de eenzame woning, het doel zijner reis, voor zich rijzen zag.. Het was een vierkante toren van witten steen, die afgezonderd van elk ander menschelijk verblijf op een kleine verhevenheid of zoogenaamden vliedberg, in het maanlicht stond te prijken. De omtrek vertoonde niets anders dan een akelige eentoonigheid van drassig land, waardoor in de verte de Maas hare zilveren wateren zeewaarts zond: en de naakte muren van het afgelegen gebouw zouden geheel verlaten hebben geschenen, indien niet de tegenwoordigheid van een paar runddieren, die op een kampje weiland lagen uitgestrekt en het aanwezen van een kleinen moeshof met twee of drie vruchtboomen (een vreemd verschijnsel op het eiland) hadden te kennen gegeven, dat deze stille wijkplaats zelfs boven de gewone huizingen der Batavieren van de geriefelijkheden des levens voorzien was.

Alwart deed nu zijn paard langzamer voortstappen: toen hij den toren ongeveer een steenworp wege genaderd was, steeg hij af, liet het getrouwe dier in vrijheid grazen en trad te voet den vliedberg op. Dan, opeens stond hij stil: hij begon nu eerst te bedenken dat het nacht was, en dat wellicht zijn onverwachte komst de wichelares zou kunnen verstoren. – Hij vond zich echter spoedig weer gerustgesteld; want naderbijkomende zag hij de vrouw, die hij zocht, voor zich. Zij was nabij den ingang op een ruwen steen gezeten, gewikkeld in een witten sluier, die, om het hoofd bewonden, over de schouders in breede plooien neerviel en niets onbedekt liet dan het ontzagverwekkend gelaat, dat, van Alwart afgekeerd, naar den kant der Maas nederzag. Een vreemdeling zou deze witte gestalte, zooals haar thans de maan bescheen, voor een marmeren standbeeld hebben aangezien: te meer, daar zij onbeweeglijk bleef nederzitten, zonder dat zij zelfs de komst van Alwart scheen op te merken.

De Batavier bleef huiverend op eenigen afstand voor haar staan, zonder het te durven wagen, haar stille aandacht te verstoren. Na eenige oogenblikken, die hem eeuwig toeschenen, wendde zij, langzaam en zonder zich verrast te toonen over zijn verschijning, het hoofd naar hem om, en, hem met hare donker blauwe oogen aanstarende, zeide zij:

”Ik wist, dat gij komen zoudt, Alwart! en ik verbeidde u.”

”Zoo gij wist dat ik komen zou, gewijde Moeder!” zeide Alwart, ”kunt gij ook de reden bevroeden, die mij tot u gezonden heeft.”

”De hoofden der Batavieren zijn vergaderd,” zeide de wichelares, ”en Alwart komt aan Gauna vragen, hunne gemoederen tot den strijd te neigen.”

Alwart knikte toestemmend en vouwde smeekend de handen: de gewijde maagd vervolgde:

”De smeekingen der menschen stijgen op tot den wolkentroon des Alvaders. Gauna is slechts het werktuig in zijn handen en vervult de bevelen van den oppersten wil: zoolang die zich aan haar niet doet verstaan, is zij als de holle rietschalm, die geen geluid van zich geeft, dan wanneer ’s menschen adem hem bezielt.”

Alwart stond verslagen. Moest hij dan overal teleurstelling ontmoeten? ”Gauna!” zeide hji, na eenige oogenblikken zwijgens: ”Vergeef mij mijn vrijmoedigheid; maar is het niet de eeuwige wil der Goden, dat wij onze vervolgde broeders bijstaan en ons op onze vijanden wreken? En hebt gij het noodig, dat die Goden zich opnieuw verklaren, om uwe landgenooten aan te sporen, een zoo heiligen plicht te betrachten?”

”Ik verschoon uw onbezonnen taal,” zeide Gauna: ”zij, die door droefheid buiten zich zelven, en zij, wier hersens door het gerstebier bedwelmd zijn, staan gelijk: zij spreken woorden der dwaasheid, die de wijze niet acht. De Goden hebben tot nog toe gezwegen: – de nacht der vervulling is nog niet daar.”

”Dan geef de Alvader aan mijn zwakke taal het vermogen om de harten mijner landgenooten te buigen,” zeide Alwart, en wilde zich verwijderen, toen hij in de verte een ruiter van den Maaskant in vollen draf zag aankomen. Zoo hij ooit de gedachte had durven voeden dat Gauna hem misleiden kon, zou hij hebben mogen gissen, dat niet hij, maar deze ruiter de persoon was, dien zij verwachtte en naar wiens komst zij reikhalzend uitzag.

”Alwart!” zeide de wichelares, die den aankomende ook bespeurd had: ”gij moet Gauna niet verlagen zonder hare gastvrijheid genoten te hebben. Begeef u in den toren: verversch u en rust uit van uwe vermoeienissen. Gij zult morgen uw krachten noodig hebben. Hier, Walla!”

Een jeugdige dienstmaagd vertoonde zich aan den ingang des torens. Op een wenk van Gauna nam zij Alwart bij de slip van zijn kleed en trok hem, half gewillig, half onwillig, naar binnen. In het heengaan echter sloeg Alwart nog een blik op den naderenden ruiter: hij meende in hem een reizenden koopman te herkennen, een geboren Galliër, met name Erix, een dier lieden, welke in die onbeschaafde tijden, met hun gewoon bedrijf dat van bode, van tolk, soms van verspieder vereenigden. Binnengetreden zijnde, werd Alwart door het meisje op een teug gerstebier onthaald en vervolgens achter een soort van beschot gebracht, waar een legerstede van gedroogd riet gespreid was. Hij wierp zich mismoedig daarop neder, en welhaast deed de vermoeienis hem, die sedert dagen geen rust genoten had, zijn grievende kwellingen in de armen des slaaps vergeten.

nauwelijks had hij een paar uren op die eenvoudige sponde doorgebracht, toen hij zich met drift aan den arm voelde trekken, en, ontwakende, het meisje weder voor zich zag staan, hem wenkende op te rijzen en haar te volgen. Alwart gehoorzaamde; het was reeds helder dag toen hij buiten de toren kwam; voor den ingang stond een wagen met twee ossen bespannen, waarin de wichelares was gezeten. Wat den koopman betrof, deze, zoo hij zich al had opgehouden, was weder vertrokken.

”Alwart!” zeide Gauna: ”de Goden hebben gesproken: ik begeef mij naar de volksvergadering.”

”De Alvader zij geprezen!” riep Alwart verheugd uit: ”en zullen uwe woorden van oorlog of van vrede klinken?”

”Dit zal van ééne zaak afhangen,” antwoordde Gauna: ”bestijg uw paard; begeef u naar den Maasoever en steek de rivier over: indien zij, die u aan de overzijde ontmoeten zullen, u gastvrij en wilwillend behandelen, dan is het een teeken dat de Goden onze ondernemingen begunstigen zullen, – in het tegenovergestelde geval ware het dwaasheid iets te wagen.”

”En,” vroeg Alwart verbaasd: ”wien zoude ik aan dien verlaten linkeroever vinden, tenzij het de roovers waren, die mij alles ontnamen wat mij dierbaar was? Indien daarvan de uitslag af moet hanken, kan ik reeds nu voorzien, dat mijn zielswensch nimmer vervuld zal worden.”

”De Goden hebben door mij tot u gesproken,” zeide Gauna, het hoofd met majesteit opheffende: ”het voegt den kortzichtigen mensch niet, hunne geboden te onderzoeken. Ga en gehoorzaam! Of – hebt gij den moed niet, de gevaren te tarten, aan dezen overtocht verbonden?”

Alwart antwoordde niet: zijn oog vlamde van drift en verontwaardiging: hij floot: zijn paard, getrouw aan het gegeven sein, kwam dartelend naar hem toe gehuppeld; en met éénen sprong opstijgende, snelde hij den heuvel af naar den Maaskant toe.

Onder het heenrijden merkte Alwart op, aan de versche, in de klei geteekende sporen, dat de ruiter, die ’s nachts Gauna’s toren bezocht had, langs denzelfden weg, van waar hij kwam, was teruggekeerd: en hij besloot die voetstappen te volgen, daar het hem toch onverschillig zijn moest, waar hij de rivier overtrok. Het was ongeveer na een halfuur rijdens dat hij aan de boorden der Maas aankwam, die een tijdlang door een vrij dicht boschje van kreupelhout aan zijn oogen onttrokken waren geweest.

Ondanks hetgeen Gauna gezegd had, was het niet zonder eenige verbazing, dat hij den eersten blik, dien hij naar de overzijde wierp, aldaar den oever met een talrijke ruiterbende bedekt zag. Hij hield stand op dit gezicht en trachtte te ontdekken tot welken stam der Germanen die oorlogslieden behoorden, die hij zoo vlug zag heen en weder rennen. Maar niettegenstaande zijn gezicht buitengemeen scherp en de rivier te dezer plaatse niet breed was, kon hij zich die vraag niet beantwoorden. Het waren geene Usipeten, dit zag hij duidelijk; maar de kleeding der vreemdelingen was zelfs niet die welke de Germanen doorgaans onderscheidde. Het waren geene beestenvellen die om hunne leden sloten, noch ook die wollen of zijden kleederen, welke nu en dan door Gallische kooplieden werden aangebracht: het was een veel glansrijker stoffage, hier en daar met metaal overdekt, waar de zonnestralen schitterend op terugkaatsten. De hoofddeksels der ruiters hadden een hem onbekenden vorm en schenen van glad gepolijst ijzer of van een kostbaarder metaal vervaardigd. Ook de paarden waren van een fraaier ras, dan hij ooit had aanschouwd, en alle op gelijke wijze getoomd en opgetuigd. Terwijl hij in deze beschouwing verdiept was, wendde opeens de geheele bende den teugel en reed in goede orde oostwaarts op, den oever langs.

Slechts een klein getal was achtergebleven: en juist dezen waren niet omgeven van die blinkende rusting, welke hij bij de overigen had opgemerkt. Dezen droegen geene sporen noch schilden, maar alleen een kort zwaard aan de heup: en hunne kleeding was niet zeer verschillend van die der Glliërs.

Een hunner trok, door het spierwit ros, waarop hij gezeten was, en door zijn hooge gestalte, bijzonder de oplettendheid van Alwart. Hij scheen, van verre gezien, reeds bejaard; want zijn ongedekte kruin was kaal gelijk de steen der heiden; met opmerkzaamheid beschouwde deze ruiter een grooten witten lap, welken een voetknecht voor hem hield uitgespreid, en waarover een derde, mede te voet zijnde persoon, strepen en figuren scheen te trekken, terwijl hij nu de rivier, dan de boomen in den omtrek, dan weder den lap aanduidde: ’t geen aan Alwart deed gelooven, dat zij bezig waren met een bezwering of wichelarij. Behalve de drie bovengenoemde personen bestond het gezelschap uit een paar ruiters en een dienstknaap, die de paarden van hen, die afgestegen waren, bij den teugel hield.

Terwijl Alwart hen aldus met nieuwsgierigheid gadesloeg, en nog in twijfel was of hij al of niet te dezer plaatse den stroom zou overtrekken, gebeurde er eits, hetwelk hem de geschikste aanleiding gaf, om met zijn overburen in kennis te geraken. Een windvlaag ontrukte onverwachts den vierkanten lap, waarvan ik gesproken heb, aan den man, die hem ophield, en voerde dien, eer deze het verhoeden kon, midden in den stroom. De verliezer, zeker veel waardij aan dit voorwerp hechtende, aarzelde niet het na te springen en zwemmende te volgen. Het gelukte hem, hoewel niet zonder eenige inspanning, de drijvende rol te achterhalen; maar toen hij, deze meester geworden zijnde, naar den oever wilde terugkeren, schenen zijn krachten tekort te schieten om zich tegen wiend en stroom op te werken, te meer, daar hij slechts eenen arm tot zijn dienst had, als houdende de andere hand den lap boven water. ’t Zij dat hij ’te hooge gedachten van zijn zwemkunst had gehad, ’t zij dat hem een kramp of ander toeval beving, hij zonk plotseling weg, onder het uiten van een angstig hulpgeschreeuw, en de witte lap dreef wederom alleen op de watervlakte rond.

Dadelijk op het hooren van dezen noodkreet hadden zich de vreemde ruiters met hun paarden in den vloed gestort, om zoo mogelijk hulp aan te brengen; maar ook op hetzelfde oogenblik had Alwart van zijn kant dezelfde beweging gedaan, en zijn klepper, voor wien het doorwaden der rivier een dagelijksch bedrijf was, had de plek, waar de onbekende gezonken was, reeds bereikt, toen de andere ruiters den oever nauw verlaten hadden. Daar gekomen sprong Alwart af, dook onder water en verscheen eenige oogenblikken daarna weder boven de oppervlakte, den geredden vreemdeling in den arm houdende, met wien hij de rivier verder overzwom, komende hij, zijn paard en de beide ruiters schier gelijktijdig aan land. Hij, die op het witte paard zat, was zoodra hij den man door Alwart gered zag, de rol nagezwommen, die hij weder medebracht en door een der anderen op het zand liet uitspreiden om te drogen, en met steenen bedekken om het opwaaien te beletten.

Alwart had inmiddels nog meer van nabij den man beschouwd, dien hij aan den dood onttrokken had, en was niet weinig verwonderd, toen hij aan den dood onttrokken had, en was niet weinig verwonderd, toen hij op het nog doodsbleeke gelaat de trekken van Erix den Galliër herkende. De overige vreemdelingen maakten zich van het verkleumde lichaam meester: men deed den koopman het ingezwolgen water loozen en plaatste hem op zijn paard; waarna twee der ruiters, zich aan weerszijden stellende en hem ondersteunende, zich met hem denzelfden weg op begaven, dien vroeger de benden genomen hadden.

Terwijl men hiermede bezig was, hadden de ruiter, die het witte paard bereed, en Alwart elkander met een oog van nieuwsgierigheid en belangstelling aangekeken. De indruk was aan beide zijden gunstig; maar bij Alwart ging die gepaard met een onwillekeurig gevoel van ontzag, waar hij zich geene reden van geven kon; want het was hem onbegrijpelijk, hoe dat glad en vol gelaat, die blozende kleur en vriendelijke mond, waarom geen haartje te vinden was, hem sterker troffen dan de vervaarlijke knevelbaarden en het ruige uitzicht der Germaanschen krijgslieden. Alwart zag nu ook, dat hij zich bedrogen had, toen hij van verre de kaalheid van dat breede voorhoofd voor een blijk van hooge jaren had gehouden: de ruiter was een man in de kracht van zijns levens, gezet van postuur, welgemaakt en gevuld van leden: ja zijn geheele uiterlijk zou eerder iemand hebben aangekondigd die een gemakkelijk, genoeglijk leven leidt dan een volger van den krijgsgod, zoo niet in de beide gitzwarte oogen een vuur geblonken had, zoo vlammend en verterend, dat Alwart als genoodzaakt werd de zijne neer te slaan: bij die beweging viel zijn blik op de pooten van het melkwitte paard, en nu ontdekte hij, dat de uiteinden daarvan niet met ronde hoeven voorzien, maar gespleten als eens menschens hand. Een kille huivering overviel hem, en hij waande dat hij zich in de tegenwoordigheid van een geheimzinnig, bovenaardsch wezen bevond.

De ruiter scheen den indruk te bemerken, dien hij verwekt had: hij glimlachte en zijn fonkelende oogen namen een zoo welwillende uitdrukking aan, dat Alwart zich gerustgesteld gevoelde.

Tot nog toe had geen van beiden een woord gesproken; maar de blikken en gebaren des vreemdelings, zich op den geredden Galliër wendende, gaven Alwart te kennen, dat men hem dank wist voor zijn tijdige hulpbetooning. Toen echter de Galliër uit het gezicht was, scheen de aandacht des ruiters zich wederom te vestigen op den witten lap, die over het zand lag uitgespreid, en waarvan Alwart niet twijfelde of er was eenige heiligheid aan verknocht: het was, voor zooverre hij zien kon, een linnen doek, beplakt met een harde, hem onbekende zelfstandigheid, waarop onderscheiden gedaanten, als slangen, boomen en pijlen waren afgebeeld.

Op eenmaal zag de vreemdeling Alwart wederom aan en vroeg hem met een welluidende stem, in gebroken Germaansch:

”Zijt gij een Batavier?”

Alwart knikte toestemmend.

”Hoevele passen zijn er van hier tot aan den Rijn, wanneer men het eiland dwars oversteekt?”

Alwart haalde de schouders op: ’t zij, dat hij deze vraag niet begreep, ’t zij dat hij over de zaak nooit had nagedacht.

De vreemdeling streek zich met de hand over de kin en scheen te overpeinzen, hoe hij zijn vragen duidelijk genoeg zou inrichten: na eenige ogenblikken begon hij opnieuw:

”Is de Rijn even breed als de Maas?”

Alwart schudde het hoofd.

”Waar loopt de Rijn in zee?”

Alwart strekte den arm uit en verspreidde de vingers, als willende hij te kennen geven, dat de rivier onderscheidene uitwateringen had.

De onbekende knikte goedkeurend met het hoofd, steeg af, en op de rol wijzende, vroeg hij aan een der beide nog achtergeblevenen dienaars een dun rietstokje, dat deze in de hand hield, en volgde met de punt daarvan de slangvormige figuur, die op het doek was afgeteekend: ”dit is de Maas,” zeide hij, ”en dit,” vervolgde hij, een tweede dergelijk figuur aantoonende, ”dit is de Rijn.”

Hoewel de Batavieren nog weinig kennis droegen van de kunsten en wetenschappen der meer beschaafde natiën, waren zij echter niet zoo geheel van alle narichten verstoken, of Alwart had wel eens hooren verhalen, hoe men in Gallië en elders gewoon was den grond te meten en landkaarten te maken. Hij begreep, dat hij zoodanig een kaart voor zich had en gevoelde zich nu beter in staat, om de vragen te begrijpen en te beantwoorden, welke hem de vreemdeling deed, betreffende den loop der rivieren, die hij voor zich had, en den aard der gronden, daartusschen gelegen. Wat hem echter meest bevreemde was de juistheid der narichten, welke de ander omtrent die onderwerpen reeds had ingewonnen.

Dan opeens kwam hem een niet ongewettigd vermoeden voor den geest: ”wat mag het doel zijn van al die ondervragingen? Is deze ruiter ook een verspieder, afgezonden door dezen of genen Vorst, die het eiland bemachtigen wil en zich dus zoekt bekend te maken met de beste wijze van er te landen?”

Hij hield dus eensklaps op met het geven van inlichtingen: en op zijn beurt ondervragende: ”Vriend!” zeide hij: ”ik heb u geantwoord; maar nu wil ik ook weten wie gij zijt. – Gij draag de kleeding van een Galliër; maar uwe oogen zijn iet die van den Keltischen stam.”

De vreemdelin glimlachte: ”Gij hebt gelijk,” zeide hij: ”ik behoor niet tot het volk, dat gij daar noemdet: zoo gij mijn stam nader begeert te kennen, hebt gij mij slechts te volgen en ik zweer u, bij de Goden die gij eert, dat gij u de moeite niet beklagen zult.”

Dit ontwijkende antwoord voldeed Alwart niet: ja, hij begon zijn nieuwe kennis nog meer te wantrouwen, en zich met gezwindheid te paard werpende:

”Gij zijt toch geen bondgenoot der Usipeten?” zeide hij.

”Neen, bij Hercules! dat ben ik niet.” antwoordde de onbekende, ingsgelijks zijn ros bestijgende: ”en het is tot hunne vijanden, dat ik u geleiden wil.

”In dat geval volg ik u,” hervatte Alwart: ”doch op deze voorwaarde, dat ik morgen mij met den dag weder naar het eiland spoeden kan, waar mijn tegenwoordigheid vereischt wordt.”

De ruiter knikte toestemmend en richtte in een vreemde taal eenige woorden tot zijn metgezellen. De nu gedroogde landkaart werd opgerold en men begaf zich op weg, den linkeroever tegen den stroom op volgende. Na een eindsweegs te hebben afgelegd, wendde de vreemdeling den teugel meer landwaarts in, om een pad te volgen, dat om en door een bosch slingerde, met eiken en beuken begroeid. Langzamerhand kwamen van alle zijden ruiters aanrijden, die, zonder eenige woorden met onze reizigers te wisselen, zich bij hen aansloten en hun allengs een vrij aanzienlijke achterhoede vormden; zoodat Alwart wel bespeurde, dat, indien hij eerst vrijwillig was medegegaan, het thans voor hem te laat zoude wezen om terug te keeren.

Intusschen hernieuwde de vreemdeling zijn vragen betreffende het eiland der Batavieren, en vroeg, wat het alzoo aan zijn bewoners opbracht.

”Het is een land.” antwoordde Alwart, behoedzaam, ”waar voor een invallenden vijand niets te halen is dan slagen en koude. Ternauwernood levert het genoeg op, om zijn bewoners te kleeden en te voeden.”

”Indien dit zoo is,” hervatte zijn geleider, ”dan weet ik niet waarom uwe jongelingen zich niet een gelegenheid zoeken om zich elders spijs en kleeding aan te schaffen. De wereld is nog groot en rijk genoeg om den ondernemende op te leveren wat hem ontbreekt. Zoo gij u aan de Romeinen wildet verbinden, zouden zij u, in de gelegenheid stellen, buit en roof te zamelen naar uws harten lust.”

”Wij zijn altijd vrij geweest en willen geen Romeinen dienen,” zeide Alwart met trotschheid.

”Het is veiliger,” zeide zijn reisgezel, ”vrijwillig dan door dwang de bescherming te verzoeken van een volk, dat de onderworpenen spaart, maar de hoovaardigen uitroeit.”

”De Romeinen zijn nog verre af.” hernam Alwart, lachende: ”en eer zij tot ons komen, zouden zij zich door de Usipeten moeten heenslaan, die, gelijk ik tot mijn ramp geleerd heb, overvloedig zijn als de bloemen der heide.”

”Pas op!” zeide de vreemdeling: de Romeinen zouden eerder op uw eiland zijn dan gij vermoedt.”

”Al vonden zij geen vijand,” hernam Alwart, ”zoo zouden zij toch nog eenige dagreizen noodig hebben, eer zij zich uit het land der Bellovaken herwaarts konden begeven.”

”Gij bedriegt u,” zeide de onbekende, hem van den heuvel, dien zij opgereden waren, voor zich uit in de vlakte wijzende: ”daar zijn zij.”

Alwart zag vol verbazing naar beneden. Van de hoogte, waarom zij zich bevonden, ontdekte men de plek, waar Maas en Waal in dien tijd samenvloeiden: vóór hem, aan den linkeroever der rivier, strekte zich, zoover het oog reiken kon, een legerkamp uit, waarin duizenden van krijgslieden rondkrioelden, en hetwelk duizenden van arbeiders bezig waren van aarden wallen en verschansingen te voorzien. Het was de legerplaats der Romeinen. – Aan de overzijde, op de landpunt, waar beide rivieren samenvloeiden, aan de uiterste grens der streek, waar Alwart gewoond had, zag men een ander kamp, in het rond gebouwd. Het was dat der Usipeten.

”Hoe!” riep Alwart verbaasd tot zijn geleider: ”gij zijt een Romein, gij?”

”Gij ziet,” hernam deze: ”dat wij gelijken tred met de Usipeten gehouden hebben. En thans, zoo het u lust, wraak te nemen over hen die u beleedigden, de gelegenheid is schooner dan u ooit kan worden aangeboden. – Maar ik veronderstel, dat sommigen uwer landgenooten zich wel bij u zullen willen voegen.”

Alwart zweeg: zijn oog brandde van verrukking op de gedachte van zijn geleden smaad op de Usipeten te wreken; maar na het gebeurde op den landdag, kon hij er niet voor instaan, dat zijn landgenooten er over zouden denken als hij. Intusschen waren zij de hoogte afgesneld en het legerkamp binnengereden. Niet weinig stond Alwart verbaasd over het nieuwe schouwspel, dat zich hier aan hem voordeed. De heide, die hij vroeger ledig en onbewoond gekend had, was als in een volkrijke stad herschapen, slechts met deze bijzonderheid, dat hier tenten de plaats van gebouwen bekleedden. Wel is waar, heat grootste gedeelte diergenen, welke voorbij en om hem over die tallooze straten en pleinen kruisten, waren ruiters of soldaten; maar men zag er ook kooplieden, onderscheiden in dos en gelaatskleur, die met den legerknecht handel dreven; arbeidslieden, bezig aan het vervaardigen van werktuigen, wier strekking onzen Batavier vaak onbekend was, zoetelaarsters, smaakvol opgesierd, die purperen dranken of gouden vruchten of frissche bloemen te koop boden, en wier door de zon verbrande, maar toch vroolijk gezichtjes bevallig afstaken tegen de ruige gelaatsstrekken van Cesars veteranen. En dan welk een verschil in bewapening, in kleeding, in landaard. Men zag er den Italiaan met het schrander en listig gelaat: den bruinen, deftigen Iberiër: den Kelt, met de blonde haren: den Numidiër, met het tijgervel omhangen, en den zwarten Ethiopischen slaaf. ”O!” dacht Alwart: ”indien deze allen den grooten Cesar onderdanig zijn, dan voorwaar zou het ook den Batavier niet tot schande strekken, hem in ’t veld te volgen.”

”Hier moet ik u verlaten,” zeide hem opeens zijn geleider, toen zij voor een ruime, vrij aanzienlijke tent gekomen waren: ”rust hier uit: – morgen kunt gij tot de uwen keeren en hun boodschappen wat gij gezien hebt.”

Na het uiten dezer woorden, die hij met een minzamen groet vergezeld deed gaan, verwijderde hij zich, terwijl eenigen der ruiters afstegen en Alwart wenkten hun voorbeeld te volgen. Zij geleidden hem binnen de tent, voor welke zij zich bevonden, en noodigden hem, met alle blijken van welwillendheid, uit, deel te nemen aan den maaltijd, die er door vlugge slaven werd opgebracht.



[Deel IV] [Jacob van Lenneppagina

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.