Onze voorouders

Jacob van Lennep pagina

Alwart

IV

[Deel III]

Op den avond van dienzelfden dag richtte de onderbevelhebber Sulpicius Rufus zijn schreden naar de tent des veldheers: een der talrijke slaven, die hier den dienst waarnamen, meldde hem aan en kwam hem spoedig berichten, dat Cesar hem wachtte.

Hij vond den veldheer aan een kleine ronde tafel gezeten, bezig een paar regels te voegen aan de gedenkschriften, die voor hem lagen. Die regels vermeldden deze reis iets, dat in Cesars dagboek weinig voorkwam: een nederlaag.

”Ik vrees, te ongeleger tijd te komen,” zeide Sulpicius: ”na de vermoeienissen der vorige dagen zal Cesar naar rust verlangen.”

”Mijn rust is verwisseling van arbeid,” zeidde Cesar: ”en daarbij, het is niet, wanneer slechts een stroom ons afscheidt van een vijand, die ons gisteren nog zulk een duchtig bewijs zijner waakzaamheid gegeven heeft, dat ik aan rust kan denken. – Wat brengt gij voor goeds? Zullen wij morgen aanvallen en den dood van Piso wreken?”

Het leger zal na zulk een geweldigen marsch nog een dag noodig hebben om uit te rusten,” zeide sulpicius.

”En af te wachten, dat de vijand uit zijn land versterking ontvange?” vroeg Cesar, het hoofd schuddende: ”dan voorwaar zou het ons weinig baten, met een snelheid, waaraan de nazaat nauwelijks gelooven zal, een zoo verren toch door bosschen en moerassen te hebben afgelegd. Neen! de rust van één nacht moet den Romeinen genoeg zijn; morgen op de vijfde ure moet het sein des aanvals gegeven worden. Wij zijn hier op een goed strijdperk gekomen: rechts, links, vóór ons een rivier: wij moeten hier overwinnen of verdrinken.... Het eenige, dat ik nog verlangen zou, is dat onze ruiters zoo ervaren in ’t overzwemmen der stroomen als die Usipeten. Daarom had ik wel gewenscht, die Batavieren van het eiland vooraf tot bondgenooten te hebben.”

”Ik dacht,” zeide Sulpicius, ”dat die Bataafsche Sybil u reeds de toezegging gedaan had, dat gij op hunne hulp mocht rekenen.”

”Nog gisteren heeft zij mij door Erix van Bibrakte hare medewerking beloofd. – Maar waarschijnlijk zullen zij te laat komen; want de Batavieren, gelijk alle Germanen, laten doorgaans het oogenblik van handelen met talmende beraadslagingen verloopen....; doch daarvan gesproken: is de Batavier, die heden in ’t leger kwam, van het noodige verzorgd worden?”

”Het noodige is voor zulk een schepsel niet veel,” antwoordde Sulpicius: ”maar men heeft hem overvloedig te drinken gegeven en een paar Remen bij hem gezet, die hem het onwaardeerbaar voorrecht van het Romeinsche bondgenootschap afschetsen.”

”Het is wel! Morgen met het aanbreken van den dag moet hij, met geschenken beladen, naar zijn eiland worden teruggezonden. Het zou mij ontgaan, indien wij hem dan voor den avond niet met hulptroepen terugzagen.”

”Het is te hopen,” zeide Sulpicius: ”ofschoon ik niet weet of dat eiland ons van groote aanwinst zijn zou.”

”Het eiland niet in het minste,” zeide Cesar; ”maar de ruiters, die het bewonen, in ons leger, en de stroomen, die het omvloeien in ons bezit te hebben: dat ware ons een onbetaalbare aanwinst. – Maar nu voor heden genoeg.”

”Ik verlaat u,” zeide Sulpicius: ”te meer, daar ik het gezicht van Agenor ontdek, die, naar het mij voorkomt, van verlangen brandt om u te spreken.”

De persoon, dien hij bedoelde, een Griek, wiens antieke, welbesneden gelaatstrekken tot model voor een beeldhouwer zouden verstrekt hebben, maar wiens lichtgrauwe oogen een uitdrukking van lage onderdanigheid en listig bedrog hadden, die niet geschikt was den oplettende gelaatskenner in te nemen, had werkelijk zijn hoofd uit de gordijnen omgestoken, doch toen hij den gestrengen blik van Sulpicius ontmoette, het even snel weer teruggehaald. De edele patriciër begreep echter, dat hij nu te veel was en zeide den veldheer vaarwel.

”Vergeet het niet,” riep deze hem toe: ”morgen met den voormiddag! en de kohorten van Piso moeten den eersten aanval doen om den dood huns aanvoerders en hun schande van gisteren te wreken.”

”Treed binnen, Agenor!” vervolgde Cesar na een oogenblik zwijgens.

De Griek stond over hem in de deemoedigste houding.

”Wat brengt gij?” vroeg de veldheer, spottende: ”hebt gij een nieuw plan van aanval gemaakt voor morgen? of hebt gij tijdingen van de volksstammen aan gene zijde des Rijns! Het moet iets gewichtigs zijn, dat nu na een zoo vermoeiende dag als die van heden op den avond voor een veldslag bij mij brengt.”

”Niet alzoo, edelmoedige Cesar! maar ik heb heden de gevangenen bezocht, welke bij die schermutseling van eergisteren op de Usipeten gemaakt zijn.”

”Ik weet.... een deel vrouwen en kinderen.... die zij in den steek lieten om Piso en zijn ruiters beter te omsingelen.... maar wat hadt gij daarmede te doen?”

”Alleen dit. – Gij hebt aan Publius Afranius last gegeven, hen naar het land der Condruzen terug te zenden: – en morgen zouden zij vertrekken; maar zoudt gij niet verlangen hen vooraf nog eens te zien?”

”Wat meent gij?”

”Er is ééne bij, die, werd zij een weinig naar behoren opgeknapt en aangekleed....”

”Dacht ik het niet?” zeide Cesar, lachende: ”het oogenblik is zeker welgekozen, om mij van schoone vrouwen aan het oor te komen malen.”

”Ook zoude ik die vrijheid bij geen ander veldheer durven gebruiken; niet ieder is in staat als Cesar om tevens te overpeinzen hoe hij op een vijandelijk leger en op een jonge schoone zal zegevieren.”

Men heeft meemalen aangemerkt, dat ook de voortreffelijkste lieden nog meer door de vleierij dan door den lof gestreeld worden. Dit bleek ook thans weder aan het voorbeeld van Cesar.

”Welnu,” zeide hij: ”ik wil uwe Germaansche schoone zien.”

”Zal ik haar herwaarts doen voeren?” haastte zich de Griek te vragen, met een blik, die zijn tevredenheid te kennen gaf.”

”Neen! – dat niet! – Men zegt, die Germaansche vrouwen zijn kuisch en weerbarstig: ik wil hier geen gerucht hebben. Breng haar in de tent van Ocellus: daar zal ik haar komen opzoeken.”

Een half uur later had Cesar, op ’t keurigst uitgedost, de armen en vingers met een keur van paarlen en edelgesteenten beladen, wier pracht niet zoozeer moest strekken om de oogen der schoone, die hij bezoeken wilde, te verblinden, als om aan eene den grooten man ingeboren ijdelheid te voldoen, zich naar de bestemde plaats begeven. Hij vond aan den ingang der tent Agenor, die hem een onmiskenbaar teeken gaf, dat zich de schoone reeds binnen bovond.

”Zij is mij zonder aarzelen gevolgd,” zeide hij zachtjes: ”ik geloof niet, dat de weerstand zoo groot zal wezen als gij vreesdet.”

Cesar gaf aan zijn slaven last zich te verwijderen en trad de tent binnen, voor welke de gedienstig Agenor als schildwacht bleef staan.

In het midden van een rond paviljoen, waarvan de wanden met schitterend karmozijn waren behangen en de rondloopende zitbank met donzige kussens voorzien, terwijl de sierlijke reukvazen, op kunstig gewerkte drievoeten geplaatst, de lieflijkste geuren opzonden, en een albasten lamp, die van den koepel afhing, een zacht en gelijk schijnsel naar alle kanten heenzond, stond een jonge vrouw in de kalme en overschillige houding van iemand, wier rampen ten top gestegen zijn en die, geen hoop meer op aarde bezittende, op al het verdere is voorbereid. Hare kleedij, van een donkerblauwe kleur, deed nog sterker de blankheid uitkomen van een vel, zoo doorschijnend, dat men gewaand zou hebben, het bloed er achter te zien vloeien. Haren van een goudkleurig blond, zoo glad en schitterend het steenbleeke gelaat, waarvan echter iedere trek aantoonde, hoe bekoorlijk het wezen moest, wanneer die welgevormde lippen en poezele wangen met het rood der vreugde bezield waren. Wat de oogen betrof, zij blikten dof, onbeweeglijk voor zich neer en hieven zich niet eens van den grond toen de veldheer binnentrad.

”Vrouw!” zeide deze in de Germaansche taal, waarvan hij gedurende de laatste veldtochten met de hem eigene vlugheid de beginselen had aangeleerd: ”ik heb u van banden doen ontslaan.”

De Germaansche vrouw zag hem even aan met een kouden, onverschilligen blik en sloeg terstond de oogen weder neer.

”Het zijn geen vrouwen, jong en schoon gelijk gij, die de slavernij te vreezen hebben,” vervolgde hij, zich op de prachtige rustbank nederzettende: ”maar neem plaats, ik heb met u te spreken.”

”De slavin gaat niet zitten voor het aangezicht haars meesters,” zeide zij, altijd even onbeweeglijk blijvende.

”En met reden,” hernam hij: ”maar het is niet om u als slavin te behandelen, dat ik u hier heb doen roepen: het is om te zeggen, dat gij de vriendin, de gezellin van Cesar zult izjn: dat hij u weelde en rijkdom zal schenken, en ter vergelding van zijn bescherming en gunsten slechts een weinig liefde van u wacht.”

Zij zag hem slechts met een verachtende glimlach aan: ”de vrouwen van ons volk,” zeide zij, ”geven hare liefde slechs eenmaal weg.”

”Hoe nu!” vroeg hij: ”zoudt gij reeds verloofd zijn aan een dier Usipeten, die...”

Dier Usipeten!” herhaalde zij, haar handen als in verbazing opheffende: ”Freia behoede ons!”

”Welaan! – Indien gij niet verloofd zijt,” zeide hij, haar ontkennende beweging verkeerd opvattende: ”waarom zout gij dan weigeren de liefde te bekronen van hem, die u zoo van ganscher harte genegen is?”

”Ik ben gehuwd,” antwoordde zij, terwijl de verontwaardiging een oogenblik haar gelaat kleurde en haar oogen met een voorbijgaande flikkering versierde.

”En bemindet gij uw echtgenoot?” vroeg hij, oprijzende en haar bij de hand vaattende.

”Of ik hem beminde?” riep zij, met luider stemme en hare hand met schrik terugtrekkende. ”helaas! ik gaf mijn leven gewillig, om slechts te weten of hij behouden ware gebleven.”

Cesar zag haar deelnemend aan: gewoon, bij schoonen te slagen, zou hij zich geschaamd hebben, een andere overwinning te behalen, dan die, welke door vrouwelijke ijdelheid geschonken wordt: hij zag, dat het nu het oogenblik nog niet was, waarop hij een voordeeligen indruk maken kon; maar hij had meermalen weeklachten in zuchten en zuchten in liefdewoorden zien veranderen, wanneer hij tijd en aanhoudende drang hun invloed hadden uitgewerkt.

”Vergeef mij,” zeide hij: ”ik wilde u geen angst aanjagen. Zoo uw echtgenoot nog leeft en een losprijs voor u biedt, zult gij hem worden gegeven: – zoo niet – dan zal ik trachten uw lot zoo draaglijk te maken als in mijn vermogen is, en uw droefheid eerbiedigen.”

”Gij bedriegt mij niet?... gij zoudt mij aan mijn echtgenoot teruggeven?... riep de Germaansche vrouw in blijde verwachting.

”Cesar heeft nooit iemand bedrogen,” zeide de Romein, haar zijn hand toestekende, die zij in vervoering kuste.

Op ditzelfde oogenblik ontstond er een ongewoon gerucht buiten aan den ingang: en na een korte, maar driftige woordenwisseling viel Agenor, alsof hij door een blijde naar binnen geworpen was, voor de voeten van Cesar. Een Germaan volgde hem, de oogen fonkelende van woede.

”Wat beduidt dit?” vroeg Cesar, terugtredende en een der vergulde drievoeten aangrijpende om zich te verdedigen tegen den aanval, dien hij verwachtte. Maar het kwam tot geen gevecht. De jonge vrouw had zich omgewend: en met den uitgegilden kreet van ”Alwart!” viel zij in de armen des Bataviers. Doch tevens waren er eenige slaven toegeschoten, die hunne zwaarden boven het paar verhieven.

”Laat af!” zeide Cesar: – ”en men verklare mij, wat dit tooneel te beduiden heeft.”

”Ik heb geen schuld, machtige Cesar!” zeide Agenor, voor zijn voeten kruipende: ”die wilde Germaan heeft met geweld de tent binnen willen dringen; en toen ik hem tegenhield, mij in de borst gegrepen en omvergeworpen.”

”Maar hoe komt die Usipeet uit de lucht gevallen?” vroeg Cesar, een stap voorwaarts doende.

De veldheer en de Germaan zagen elkander in ’t gezicht en beiden bleven verbaasd staan. Cesar had Alwart, den Batavier, en deze zijn geleider van dien morgen herkend.

”Gij hebt mij dan bedrogen,” zeide Cesar, na een poos zwijgen tegen Alwart: ”gij zijt werkelijk een Usipeet?”

”Hij!” riep Alwarts gade uit: hij is een Batavier, en edeler dan hij leeft er gaan aan den Maaskant.”

”Maar hoe is het dan mogelijk,” vervolgde Cesar, zich tot haar wendende, ”dat wij u in het leger der Usipeten gevonden hebben?”

”Wij waren door de Usipeten in gevangenschap medegevoerd, en vielen met hunne vrachtwagens in uwe handen?”

”En gij?” vervolgde Cesar tot Alwart: ”hoe wist gij dau uwe gade in deze tent was?”

Ik bevond mij hedenavond voor de tent, waar gij mij had laten brengen, toen ik den knaap voorbij zag gaan, dien ik hedenmorgen uit den stroom redden. Hij scheen mij te willen ontwijken; maar ik kende hem: hij is een Gallische koopman, met name Erix: ik volgde hem, doch raakte verdwaald in dezen doolhof van tenten: hier langs komende, hoorde ik den stem mijner vrouw, en toen die roodrok mij den ingang wilde beletten, wierp ik hem ondersteboven. – Waar kan ik thans Cesar vinden? ik bezit niets meer, maar mijn vrienden zullen gaarne van het hunne geven om een losprijs bijeen te zamelen.”

”Dit behoeft niet,” zeide Cesar: ”ook zonder losprijs is uwe gade vrij. Gij kunt haar met u voeren; en neem meteen de verzekering mede, dat op morgen de hoon, u door de Usipeten aangedaan, door Cesar zal gewroken worden.”

”Is het mogelijk?.... mijn gade vrij!” riep Alwart, schier buiten zich zelven van dankbare verrukking: ”en wie zijt gij, die mij daarvan de verzekering geeft? o! zeg mij uw naam: opdat ik dien eenmaal aan mijn kinderen leere.”

”Mijn naam? – Gij hebt dien reeds genoemd: ik zelf ben die cesar, naar wien gij vraagt.”

Alwart wierp zich voor hem op de knieën. De veldheer naderde de bekoorlijke vrouw, die, verrukt en toch enigszins beschaamd en verlegen, voor hem stond, en vatte haar bij de hand:

”Vaarwel!” zeide hij, ”zoo gij later nog eens aan Cesar denkt, het zal hoop ik met welgevallen zijn.”

De bleeke wangen der schoone werden deze reis met een hoog rood overdekt: en te gelijk glimlachende en schreiende sloeg zij de oogen neder.

”Cesar!” riep Alwart opspringende: ”ik verlaat u! maar bij Wodan! – Eer de avond opnieuw is gevallen, zult gij van Alwart hooren.”

Met deze woorden, zijn vrouw omvattende, snelde hij de tent uit: en zijn paard gevonden hebbende, nam hij, zonder zich verder op te houden, met haar den weg naar het eiland der Batavieren.



[Deel V] [Jacob van Lennep pagina

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.