Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

Alwart

V

[Deel IV]

Vreeselijk zowel als onverwacht was op den volgende dag de aanval, door de Romeinschen legerbenden op het kamp der Usipeten gedaan, die hun vijand nog vermoeid van zijn overhaasten tocht waanden en afgeschrikt door verlies, dat zij hem hadden toegebracht. Dan, hoezeer verrast, de Germanen werden niet door schrik bevangen: en even fel als de aanval was, zoo geducht was ook de tegenweer; terwijl bij de Usipeten het aantal, de gewoonte om op een grond als deze te strijden, en vooral de voortreffelijkheid hunner ruiterij het gemis vergoedden aan krijgskunst en orde, hoedanigheden, waardoor zich het Romeinschen leger onderscheidde. Lang bleef de kans nog onzeker, toen zich tegen het vallen van den avond de rechtervleugel der Usipeten onverhoeds van ter zijde zag aangetast door een verschen ruiterdrom, die, uit het eiland der Batavieren aangerukt, met den onverwinnelijken Warman en den van wraakzucht schuimende Alwart aan het hoofd, de reeds vermoeide strijders met onwederstaanbare kracht op het lijf viel en alles wat zich voordeed nedervelde of verstuiven deed. Van dat oogenblik af was de slag ten voordeel der Romeinen beslist: het was geen strijd meer: het was een bloedige moord: en van de duizenden en tienduizenden, die den Rijn waren overgetrokken om buit en roof te garen, keerde nauwelijks één terug om de tijding dier vreeselijke nederlaag aan de Germanen te doen verstaan.

Weinige dagen daarna waren de Batavieren opnieuw in het heilige bosschage vergaderd, waar hen Alwart, toen hij met zijn gade uit de legerplaats van Cesar terugkwam, had bijeengevonden, door de taal van Gauna reeds overgehaald om den Romeinen hulp te bieden. De waarzegster was weder op haar wagen gezeten en de priesters deden op de altaren de gaven rooken, die zij den Goden van Germanië toewijdden. Aan de eene zijde waren Warman, de grijze Erner en de overige krijgshoofden der Batavieren gezeten; aan de andere stond een talrijke ruiterbende geschaard, over wel het bevel aan Alwart en anderen, die als hij in den laatsten strijd hadden uitgeblonken, was toevertrouwd. Meer achterwaarts bevonden zich de vrouwen, en de moeders dier krijgshaftige jongelingen, gekomen om hun het laatste vaarwel toe te roepen; – want het verbond met de Romeinen was gesloten; en een der voorwaarden hiervan was, dat de Batavieren hunne bondgenooten met hulpbenden zouden bijstaan.

De voorteekenen waren gunstig geweest, en het oogenblik, waarop die wakkere bende den ouderlijken grond zoude verlaten, was aanwezig. Nu rees Warman op en maande hen in een treffende toespraak aan om zich, in de nieuwe loopbaan, die voor hen ontsloten werd, den Bataafsche naam waardig te gedragen. Een algemeene toejuiching volgde zijn woorden; alleen de oude Erner schudde bedenkelijk het hoofd.

”Geve de Alvader,” zeide hij, ”dat wij in hen, die wij thans als onze bondgenooten beschouwen, niet eenmaals onze meesters moeten eeren.”

Dat zal nimmer gebeuren,” riep Gauna uit, terwijl zij in haar wagen opsteeg: ”Hoort, Batavieren! wat u de oppermachtige Goden door mijne mond doen verstaan. Die benden, die thans en in volgende jaren den Romein met de kracht van hun arm zullen sterken, mogen in schijn hem dienen, gelijk de trouwe hond zijn meester dient; in waarheid zullen de zonen van het Zuiden zich door hunner invloed laten besturen: en de tijd zal eenmaal komen, dat de opperheerschappijk der wereld een deel zal worden van hem, wien de kinderen van het eiland met hunne gunst en bescherming verwaardigen.”

Hier zweeg zij: een luid gejuich begroette hare woorden: en de gewapende bende, zich op het sein van Alwart in beweging gezet hebbende, trok langszaam voorbij en nam haar weg naar het oord, waar de Romeinschen veldheer haar aankomst verbeidde.



[Deel VI] [Jacob van Lennep pagina

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.