Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

Alwart

VI

[Deel V]

Lange jaren nadat deze gebeurtenissen hadden plaats gehad, trad een hoofdman der Keizerlijke lijfwacht eene der tavernen binnen, welke zich, aan den oever des Tibers, in de voorstad van Rome bevonden. Zijn uiterlijk duidde een krijgsman aan, die menigen veldtocht had doorstaan en aan menig krijgsgevaar ontkomen was. Zijn gelaatstrekken waren door den invloed der lucht verschroeid, en aangezicht en hals met breede litteekenen voorzien. Met een norsch gelaat en zonder iemand der aanwezigen te groeten, vlijde hij zich op een zetel neer en eischte een kan landwijn.

”Ik ben bereid u te dienen, o allervoortreffelijkste Hopman!” zeide de waard, een bejaarde, sluwe Griek, terwijl hij zijn reeds door gewoonte en ouderdom gekromden rug een nog dieper buiging deed maken: ”maar het is geene gemeene landwijn, dien ik eenen hoofdman van de alleruitmuntendste Keizerlijke lijfwacht zoude durven voorzetten. Gun mij het genoegen en proef van mijn ouden Falernum, dien ik zoogoed heb als Mecenas dien schenken kan, wanneer hij die fijne wijnkenners, Varius en Horatius bij zich genoodigd heeft.”

”Schenk uwen Falernum aan hen die hem betalen kunnen,” zeide de Hopman, op een verdrietigen toon: ”het is niet met de ellendige soldij van een lijfwacht, dat men de wijn kan drinken, die op de tafels der rijken schuimt.”

”Het is waar,” zeide de Griek, het hoofd schuddende; men heeft u, Pretorianen, niet naar verdienste beloond; doch gij zijt toch bij plunderingen genoeg aanwezig geweest, om wat voor den ouden dag te hebben overgegaard.”

”Overgaren!” herhaalde een oud, maar nog wakker kereltje, dat in een hoek van het vertrek te drinken zat, en naar de stalen en monsters te oordeelen, die voor hem uitgespreid lagen, een koopman in wollen stoffen scheen: ”Overgaren! daar weten de Bataafsche kohorten ook veel van! ’t Geen zij heden winnen gaat morgen met den teerling weder heen.”

En ware het nog maar geld alleen, dat ons ontbrak,” zeide de lijfwacht, zonder zich aan die aanmerking te storen: ”men zou zich nog kunnen troosten met het denkbeeld dat Janus niet altijd gesloten zal blijven; maar neen! – ook de eer die ons toekomt, wil men ons niet gunnen; verbeeld u, dat Cesar Augustus, ondanks al onze voorstellen, volstandig blijft weigeren, aan onze Hoplieden het voorrecht te schenken, den wingerdstok te voeren, die toch in alle legioenen door den Centurio gedragen wordt.

”’t Is maar al te waar,” zeide de waard met een zucht: ”ondank is des werelds loon. Ik had ook weinig gedacht, na zoovele jaren de vertrouwde vriend van den grooten Caius Cesar te zijn geweest en hem zoovele diensten bewezen te hebben, dat ik op mijn ouden dag nauwelijks genoeg zoude hebben overgehouden om een kroeg op te zetten.”

”Zijt gij een vriend van Cesar” geweest?” vroeg de lijfwacht, met belangstelling: ”en welke diensten hebt gij hem bewezen?”

Hier begon de koopman te lachen, en beide sprekers met een spotachtigen blik aanziende: ”gij kunt daarvan niet onkundig zijn,” zeide hij tegen den krijgsman, ”want zoo mijn oogen mij niet bedriegen, zijt gij kennissen van jaren herwaarts, en heeft onze goede waard Agenor eens leelijk van u om zijn ooren gehad voor een dier diensten, welke hij ten gevalle van den grooten Caius Cesar waarnam.”

”Hoe!” riep de waard, die werkelijk niemand anders was dan de vuige slaaf, van wien wij vroeger hebben gesproken: ”heb ik waarlijk het geluk, mijn woning vereerd te zien met de tegenwoordigheid van den dapperen Alwart, dien beroemden Hoofdman der Batavieren. Voorwaar! deze dag met met een witten steen gemerkt worden.”

Alwart (want hij was het) draaide zich om, zonder acht te slaan op de buigingen van den Griek, en het woord tot den koopman richtende: – ”En gij,” vroeg hij, ”gij die ons beiden kent, wie zijt gij? uwe trekken komen mij niet onbekend voor; maar waar en wanneer ik u gezien heb, is mij ontgaan.”

Ik besef, wakkere Alwart,” antwoordde de koopman, ”dat mijn naam uit uw geheugen gewischt is; maar de tijd is niet in staat geweest aan Erix van Bibrakte het gelaat te doen vergeten van hem, die eenmaal zijn leven redde.”

”Erix van Bibrakte!” herhaalde Alwart, verbaasd: ”Inderdaad! nu herken ik u. Wel man! het verheugt mij u te zien: dikwijls heb ik gewenscht u te ontmoeten en eens van u oplossing te vernemen van zaken, die mij altijd duister en onbegrijpelijk zijn voorgekomen.”

”Ik gis wat gij bedoelt,” zeide Erix: ”en ik zie geene zwarigheid, na zulk een lang tijdsverloop, om u die oplossing te geven. Gij wenscht zeker te weten, hoe het eigenlijjk is toegegaan met het verbond tusschen Cesar en de Batavieren.”

”Juist zoo,” antwoordde Alwart; ”ik heb altijd vermoed, dat gij daar uw rol in gespeeld hebt, en ik zou er op durven zweren, dat gij die zaak tusschen hem en Gauna bestoken hebt.”

Gij oordeelt recht,” zeide de Galliër: ”door mijne betrekkingen met onderscheidene lieden van invloed in Gallië en Germanië was ik meermalen in staat geweest Cesar van dienst te zijn en, onder het voorwendsel van mijn waren te venten, voor hem berichten in te winnen of boodschappen over te brengen. Zoo zond hij mij onder anderen ook bedektelijk naar Gauna, wier invloed op haar landgenooten hem bekend was, ten einde haar over te halen in zijn belang werkzaam te zijn. Deze taak was mij des te lichter, daar ik sedert lang het vertrouwen des waarzegster genoot. Ik vond haar wel voorbereid; want de voorslag van Cesar kwam haar juist te stade om een plan, dat zij met uw landgenoot Warman overlegd had, te bewerkstelligen. Beiden hadden namelijk begrepen, dat de bevolking van het eiland te groot was geworden in vergelijking der opbrengsten daarvan, en wenschten sedert lang naar een gelegenheid om het getal der inwoners te doen verminderen door een gedeelte der jongelingschap buitenlands te zenden. Zij besloten dus het daarheen te wenden, dat men Cesar met hulpbenden bijstond, mits deze zich verbond, de Batavieren niet als een cijnsbaar volk, maar als bondgenooten te behandelen. De inval der Usipeten en uwe komst op den landdag werkten hun doel in de hand.”

”Goed!” zeide Alwart! ”maar waarom zond Gauna mij Cesar te gemoet?”

”Om een zeer eenvoudigen reden. Zij wilde op den landdag te nadering van het Romeinschen leger bijwijze van profetie verhalen, alsof haar de Goden die verkondigd hadden: en daar zij kon veronderstellen, dat gij mij herkend hadt toen ik bij haar kwam, had zij reden te duchten, dat gij hare goddelijke ingeving op een zeer menschelijke wijze zoudt verklaren en haar roem als waarzegster bij het volk bederven. Zij stuurde u daarom van de hand; maar Cesar was te voren door mij van uwe komst verwittigd: en de goede behandeling, die hij u ondervinden deed, strekte om u, en door u de Batavieren, in zijn belang te winnen.”

”Dus bespeur ik,” merkte Alwart op, ”dat mijn landgenooten en ik het speeltuig van een reizenden koopman en een slim wijf zijn geweest.”

Zooals gij wel zegt; – maar laat u dit niet hinderen. De menschen over het algemeen zien slechts de oppervlakte der dingen; maar zoo men al de kleine verborgene roersels kende, die de meeste gebeurtenissen bestuurd hebben, dan zou men er toe moeten komen om alle geschiedboeken op het vuur te werpen, en de geschiedenis vannieuws af te schrijven.”

”Dat zou toch jammer zijn,” zeide Alwart, na zich een wijl bedacht te hebben: ”want alles wel beschouwt, is het beter dat men sommige dingen niet weet.”



[Jacob van Lennep pagina]  

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.