Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

De Hunenborg

I

Het was avond. De uitgestrekte heide, kort te voren nog door de laatste zonnestralen met een gloeiende bruinen tint gekleurd, vertoonde niets meer dan een vale, sombere oppervlakte. De rozevervige wolkjes, die hier en daar aan het zwerk dreven, trokken zich aan den westelijken gezichtseinder te zamen, als om der ondergaande zon tot rustbed en dekkleed te verstrekken. De wind was gaan liggen: een doodsche stilte heerschte langs de vlakte, alleen nu en dan gestoord door het dof gebulk eener koe, die later dan gewoonlijk naar stal gedreven werd, of door het verwijderd geblaf van een onrustigen hofhond. Hij, die op dat tijdstip een dier heuvels beklommen had, welke het bijgeloof als de woonplaatsen der nachtgeesten en Witte Wijven beschouwde, en die van daar den blik in het rond had laten gaan, zou allicht gewaand hebben, zich in een vergeten en onbewoonde streek te bevinden, had niet aan de eene zijde de kapel van Ootmarsum, wier dak zich even boven de hoogen onderscheiden liet, en aan de andere zijde de kerktoren van Oldenzaal, die uitstak boven het donkere bosch, de nabijheid van twee kerspelen verkondigd. De vlakte tusschen die beide plaatsen had voor ’t overige aan zijn beschouwing niet veel anders opgeleverd dan heide en moeras, slechts hier en daar afgebroken door kleine oneffenheden in den grond of door boschjes, achter welke de landweg, gelijk een witachtigen slang over de heide kronkelende zich nu en dan verloor.

Intusschen, indien hij den blik had geslagen naar de zoogenaamde Volter Broek, toen even moerassig als tegenwoordig, en wel naar dat gedeelte, waarmen een verhevenheid ontdekte, wier vorm het raadselachtig maakte, of zij een heuvel dan wel een buurschap of een vesting ware, dan had hij een ruiter kunnen in ’t oog krijgen, die op een vluggen draf over de vlakte kwam aangereden; en had hij dien bespeurd, hij ware wellicht op de vlucht getogen met de overtuiging, eene dier verschijningen te hebben gezien, welke toen (en zelfs nog in onze meer verlichte eeuw) onder de benamingen van: den wilden jager, het spokend veulen zonder kop, en dergelijken, bij de landlieden bekend waren. En waarlijk, het geheele voorkomen van ruiter en paard was wel geschikt om in het somber avonduur angst en huivering in het vreesachtig gemoed te verwekken. Het gifzwart paard, zooals het het voortsnelde, zonder dat het den grond scheen te raken, terwijl de breede staart als een zwart vendel achteraan golfde, had in gang en beweging iets, dat bestemd scheen om de gedachte aan het bovennatuurlijke levendig te houden: zijn berijder, geheel overdekt met een donkerkleurige mantel van vreemden vorm en snede, gebruikte zadel noch stijgbeugel, en zelfs scheen de teugel, dien hij in de hand hield, meer tot een nutteloos sieraad te strekken, dan werkelijk bestemd om van dienst te zijn.

Plotseling hield, midden op de heide, en dicht bij een lake of grenssteen, de vlugge klepper stand, als ware hij door het krachtige woord eens machtigen toovenaars zelf in steen veranderd geworden. De ruiter sprong af, liet zijn ros, blijkbaar met vol vertrouwen, aan zich zelf over, en begaf zich naar den kleinen ronden heuvel die voor hem lag.

Wat dreef hem naar deze eenzame plaats? Was het, om van die hoogte het zooëven door ons beschreven landschap te beschouwen? men zou het bijna geloofd hebben; want hij stond een oogenblik stil en zag opmerkzaam rond. Toen liep hij den heuvel, of de belt, gelijk men die in Overijssel noemt om, en plotseling verlichtte een lichtstraal zijn verheven gestalte.

Die straal kwam uit een gang voort, die van ruwe steenen opgemetseld was en binnen in de belt geleidde. Voorzeker had elk verdoolde wandelaar, die op zulk een uur deze geheimzinnige plek genaderd was, zich met schrik en overhaasting verwijderd, ten einde de Witte Wijven, welke naar de volksoverlevering, die belten bewoonden, niet in haar nachtgeheimnissen te storen: maar onze ruiter scheen boven een dergelijke vrees verheven te zijn. Hij deed een stap in het donker verwulf, boog zich toen voorover en riep overluid: Liska! Liska!

”Kom af!” riep een schrille, scherpe stem, die uit de diepte te voorschijn kwam: ”ik verwachtte u.”

De ruiter voldeed terstond aan deze uitnoodiging: hij werkte, niet zonder eenige moeite, zich verder door de lage en nauwe gang en stond weldra tegenover de eenzame bewoonster van dit zonderling verblijf.

De plaats, waarbinnen hij zich nu bevond, was een vierkant van baksteenen opgemetseld gewelf, dat alleen in het midden hoog genoeg was om hem te vergunnen recht overeind te staan. Een paar gebroken lampjes, eenige scherven van aarden potten, in een hoek bij elkander geveegd, maakten de oorspronkelijke bestemming tot grafkelder, alsook den tijd der stichting, eenigszins vermoedelijk. De vochtige wanden waren geheel naakt, en aan meubelen, zelfs aan de eenvoudigste, heerschte volslagen gebrek. Rechts van den ingang waren eenige plaggen samengebracht en met gedroogde heideplanten bedekt, om, naar verkiezing, tot zitplaats of legerstede te dienen; en op die armoedige sponde zat een magere, oude vrouw, in havelooze lompen gekleed: naast haar stond de lamp, die het verblijf verlichtte, en werd men een half gebroken drinkschaal gewaar met een stuk van het harde brood dat onder de Twentsche landlieden met den naam van weggen, en elders met dien van stoet of mikke bestempeld wordt.

”Welnu!” vroeg de ruiter, zoodra hij zich binnen bevond: ”hebt gij Barta gesproken?”

”Laat mij u beschouwen, Arpad!” zeide de oude vrouw, haar lamp oplichtende, zoodat de stralen haar bezoeker vlak in ’t aangezicht vielen: ”Gij zijt toch een kloek en schoon jongeling geworden,” vervolgde zij, hem met welgevallen aanstarende: ”neen voorwaar! uw vader heeft nooit zulk een voorkomen gehad.”

En inderdaad, Arpad, gelijk zij hem noemde, verdiende de lofspraak, hem door de partijdige oude gegeven. Hij had, bij het binnenkomen, den geitenharen mantel, die hem als een kap het hoofd en de lange, glanzende, zwarte haren bedekte, op de schouders terug laten vallen: zoodat zijn open gelaat en zijn forsche, echt mannelijke gestalte geheel zichtbaar geworden waren. Het wollen buis, dat hem om de leden sloot, de slechts tot even boven de knie reikende broek, en de bruine laarsjes, waarin de bloote beenen staken, hadden, hoe eenvoudig ook, iets uitheemsch en phantastisch; maar meer nog duidde de vorm van het vreede vooruitsteekende voorhoofd, van de kleine glinsterende oogen, van den enigszins platten neus en van de breede onderkaak aan, dat deze jongeling uit geen Saksische, noch Germaansche stam gesproten was. Hoewel men wellicht op onze beschrijving afgaande zou oordeelen, dat zijn gelaat geenszins die lijnen vertoonde, welke wij gewoon zijn als kenmerken der regelmatige schoonheid aan te nemen, bezat het echter een uitdrukking, waarin waardigheid zich met bevalligheid vereenigde: en zoowel de sprekende blik, die van onder de zwarte wenkbrauwen tot in het hart scheen door te dringen, als de glimlach, die om zijn lippen speelde, hadden iets onwederstaanbaars.

”Laat mijn voorkomen daar,” zeide de jongeling, de laatste woorden der oude Liska beantwoordende: ”en zeg mij: zal ik Barta zien, of moet ik ongetroosd vertrekken?”

”Lyder!” hernam Liska, den gang van haar denkbeelden volgende, ”gij verdiendet iets beters dan de dochter van een gemeenen boerenkinkel. Had niet uwe moeder Nadeschta den Khan der Avaren tot vader?”

”Maar hier zijn geen Khans noch Avaren op honder uren afstands te vinden,” zeide Arpad, half wrevelig, half lachende, en, gelooft gij, Liska! dat een der Twenter of Friesche Edelen, zijn dochter aan een armen banneling, als ik ben, zou ten huwelijk geven? – Nog eens! martel mij niet langer: hebt gij uw zending volbracht?”

Zou de zoon van Waidewuthis een wensch kunnen uiten, waaraan door Liska niet voldaan werd? Ja! Ik heb haar gezien, en zij heeft mij beloofd hier te zullen komen, eer de maan gerezen is.”

”In waarheid?” riep de jongeling met blijdschap uit: ”en door wat wondertaal hebt gij haar kunnen overreden; daar al mijn smeekingen tot nog toe vruchteloos gebleven zijn en zij de stem der liefde wederstaan heeft, om slechts die van den kinderplicht te hooren?”

”O!” zeide Liska: ”wij oude vrouwen verstaan ons daarop, de jonge deernen te belezen. Is er wel eene in den omtrek, die weerbarstig blijven zou als Anneke-Beppe spreekt? maar bovendien er was een reden die misschien nog meer uitwerking op Barta deed, dan al mijn praten. De oude Olberts heeft zelf in uw voordeel gewerkt. Hij heeft bij Barta ernstig aangedrongen, dat zij zijn zoon, den rooden Weender, tot man zou nemen, en de angst daarvoor heeft haar tot een stap doen besluiten, waardoor zij anders zoo licht niet ware te brengen geweest.”

”Weender;” herhaalde Arpad, verwonderd: ”de leer der Christenen verbiedt immers het huwelijk tusschen broeder en zuster?”

”Barta is de dochter van Olberts niet,” hernam Liska: ”was u zulks onbekend? – zij is een vondeling, door hem aangenomen en verpleegd: dit weet een iegelijk hier in de buurt. Ja! het doet mij leed genoeg, dat gij u op zoo een deerne hebt verslingerd, die niet eenmaal in staat is, haar ouders te noemen.”

”Spreek zoo niet, Liska!” zeide Arpad: ”wordt niet Barta overal geroemde en geprezen, als de schoonste en aanminnigste maagd, die in de marke, ja in geheel Twente te vinden is. Ik heb haar lief, en wat verscheelt mij haar afkomst? of wat voegt het mij, trotsch te wezen op de macht en den adel mijner voorvaderen? Mij, die slechts over een versmolten bende gebied, en hier ternauwernood geduld wordt? – Neen, wat gij mij verhaalt, is mij des te liever; want is Olberts Barta’s vader niet, dan heeft hij ook geen macht over haar, en het zal mij lichter vallen, haar te overreden. – Dan stil! – mij dunkt, ik hoor haar komen.”

Beiden zwegen en luisterden met ingespannen aandacht naar den luchtigen stap, die het mos der heide deed kraken, en naar het schuren der kleederen tegen de steenen van de gang. Weldra stond Barta voor hen. Schroomvallig sloeg zij de oogen op Arpad, en toen Liska aanziende, zeide zij op een toon van verwijt:

”Gij hebt mij niet gezegd, dat hij hier ook zou komen?”

”Doet het u leed, mij te zien?” vroeg Arpad, haar met een smeekende blik aanziende.

”Och! dat weet gij beter,” hernam zij, zuchtende: ”maar het ware voor u en voor mij gelukkiger geweest, zoo wij elkander nooit ontmoet hadden; want gij weet toch, Arpad! dat het tusschen ons beiden nooit tot een huwelijk komen kan.”

”En waarom niet?” vroeg de jongeling met eenige drift.

”Heeft, nu zes maanden geleden, toen gij bij mijn vader aanzoek deedt om mijn hand, hij u die niet geweigerd, en zelfs uitdrukkingen gebezigd....”

”....Die ik reeds vergeten had, omdat ik meende, dat zij van uw vader kwamen; maar die ik op elken ander bloedig wreken zoude, en die gij mij niet herinneren moest, nu ik weet, dat hij slechts een aangematigd gezag over u uitoefent. Maar thans, beter ingelicht, is het niet meer van zijn uitspraak, het is van de uwe alleen, dat ik mijn geluk of ongeluk laat afhangen.”

”Ik begrijp u niet,” zeide Barta: ”hoe nu! gij zoudt denken, dat ik ontslagen was van gehoorzaamheid aan mijn ouders, omdat ik hun alles, behalve het leven verplicht ben?”

”Gij zult dus hun wil doen, en dien Weender huwen?”

”Helaas!” zeide Barta, terwijl zij de vriendelijke oogen nedersloeg, en een diepe zucht getuigenis gaf, hoe weinig haar dit vooruitzicht aanstond.

”Het is dan,” vervolgde de jongeling, met spijt, ”omdat die lompe Olberts u eenige jaren den kost heeft gegeven, dat hij het recht waant te hebben, over u te beschikken en u weg te geven aan dien boerenknaap, dien....”

”En wie,” vroeg Barta, ”zou hem dat recht kunnen betwisten? Ware ik, zonder hem, niet onder den blooten hemel van koude en honger omgekomen? Heeft hij, heeft de goede Anna, mij niet jaren achtereen gevoed, gekleed, verzorgd, zoo trouwhartig als men geen eigen kind behandelt? En zou ik hen nu verlaten, nu zij oud worden en het meest mijn hulp behoeven?” Neen, Arpad! dat kan, dat mag ik niet.”

”Waarlijk!” zeide Arpad met een somberen blik: ”gij deedt beter ronduit te zeggen, dat gij dien Weender liefhebt en dat gij omtrent mij onverschillig zijt geworden, sedert gij vernomen hebt, dat men hem tot uw man bestemt.”

”Arpad!” riep zij op een verwijtende toon.

”En inderdaad, gij hebt gelijk,” vervolgde hij: ”wat toch kan ik u aanbieden? Het is immer beter de vrouw van een welgestelden boer, de toekomstige meesteres te zijn van Scholte Linde, dan de deelgenoot van tobben en zwoegen eens verachten ballings.”

”Arpad! gij zijt onrechtvaardig,” zeide Barta: ”gij weet, dat ik u liefheb, meer dan ik kan uitdrukken, meer dan ik moest.”

”Gij zegt dat gij mij liefhebt, en gij zult in de kapel van Ootmarsum aan een ander uw liefde gaan beloven; en te gelijk jegens hem en mij meineendig zijn.”

Ik zal hem gehoorzaamheid en trouw beloven,” zei Barta; ”en die gelofte zal ik houden.”

”Nu oude!” zeide arp op een bitteren toon tegen Liska: ”gij hoort haar: is dit de fraaie uitslag, die mij uw woorden voorspelden?”

”Ik heb u slechts beloofd te zorgen, dat zij hier ware,” zeide Liska: ”en zij is hier.”

”Beschuldig Anneke-Beppe niet,” zeide Barta, de oude vrouw met die gemeenzame benaming aansprekende, die in onze gewone taal bestemoer zoude beteekenen: ”toen ik beloofde, hier te zullen komen, was het met het stellig oogmerk, om met haar te overleggen, hoe ik best de hand van Weender zou weigeren, zonder mijn ouders te bedroeven. Maar ik voelde toch, dat ik kwaad deed, en toen ben ik naar de kapel gegaan, waar de vrome Vader Albrand....”

”Gevloekte paap!” riep Arpad, met den voet stampende: ”en hij heeft u zeker herhaald, dat ik een heiden ben, en u met het eeuwige vuur bedreigd, en....”

”Arpad! Arpad!” smeekte het meisje, hem met natgeschreide oogen en gevouwen handen aanziende: ”waarom zijt gij een heiden? waarom laat gij u niet doopen?”

”Barta!” riep Arpad, zonder op deze vraag te antwoorden: ”gij hebt dan mijn ongeluk besloten?”

”Neen,” zeide Barta: ”gij zult niet ongelukkig zijn; want dat is men niet, wanneer men wel handelt. Gij zult mij pogen te vergeten: gij zult dit oord verlagen, waar niets dan verdriet voor u is weggelegd: gij zult in verre landen naam maken: – en mij eenmaal misschien met blijdschap dank weten, dat ik een betrekking heb afgebroken, die niets dan leed voorspelde. – En nu, vaarwel! – Men zal mij aan de erve reeds wachten! – Voor het laatst, Arpad! vaarwel!”

En, opeens, als wilde zij door een overhaaste daad alle poging om haar te weerhouden voorkomen, snelde zij het verblijf van Liska uit.

Roerloos bleef Arpad eenige ogenblikken staan. Toen wrong hij als wanhopend de handen samen, liet het hoofd op de borst zakken, en zeide op een weeklagende toon:

”Liska! Liska! Zij verlaat mij: ik zal het besterven.”

De droefheid had den krachtvollen jongeling in een zwak en hulpeloos kind herschapen, en als zoodanign sprak Liska hem toe:

”Kind!” zeide zei: ”zij was in uw macht! en gij liet haar gaan.”

”Helaas!” zeide Arpad: :alles zou ik wagen, behalve alleen, haar misnoegen op te wekken. – Maar gij hebt haar gehoord: het is over: zoolang zij naar den raad des Priesters luistert, is niets meer voor mij te hopen.”

”Hoor eens!” zeide de oude: ”alles is nog niet hopeloos. – Keer naar den burcht terug: want gij zijt, schande genoeg voor den zoon van uw vader, noch in staat tot handelen, noch om goeden raad in te nemen. Maar zend mij Doltschoff: en wij zullen overleggen, wat wij voor u doen kunnen.”

Eenige oogenblikken later had de jongeling het verblijf van Liska vaarwelgezegd en draafde hij op zijn vurig ros, dat den omtrek der belt niet verlaten had en straks, op ’s meesters bekende stem, weder tot hem was gesneld, de vlakte door. Wij willen liever ba opzoeken, die langzaam en weenende haar weg naar de hoeve van Olberts vervolgde. Nauwelijk was zij aan de bosschage gekomen, dat zij door moest trekken om het doel van haar wandeling te bereiken, of zij hoorde zachtjes haar naam uitspreken, als wilde men haar behoeden tegegn den schrik eener onverwachte ontmoeting, en een stevige boerenknaap kwam van onder de donkere schaduw der boomen voor den dag treden.

”Zijt gij eindelijk daar?” zeide hij: ”ik ben ongerust over u geweest. Is dat een uur voor een jonge deerne, om alleen over de heide te dolen?”

”Weender!” riep het jonge meisje, verrast: ”zijt gij het? zoekt gij mij?”

”En wie anders zoude ik zoeken?” vroeg de jonge boer, terwijl hij zijn koeze (of knuppel) over den schouder leide en haar met ruwe hartelijkheid onder den arm nam: ”Gij trilt waarachtig van de koude. Waar hebt gij toch gezeten?”

”De zwartbonte koe was niet op stal gekomen,” antwoordde Barta, stotterende: ”en die was ik gaan zoeken.”

”Wel, dat was het werk van Else, en het uwe niet,” zeide Weender: ”en bovendien: al de beesten zijn al over een uur te huis: waar bekommert gij u al niet over? gij wist immers waar ik aan ’t werk was en hadt mij kunnen roepen om met u te gaan: daar kon niemand iets tegen zeggen: want het is nu toch eenmaal bepaald, dat wij man en vrouw worden.”

Een onwillekeurige huivering doorliep de leden van Barta bij het hooren dezer taal. Weender voelde haar arm op den zijnen trillen; maar hij schreef zulks niet aan de ware oorzaak toe.

”’t Is toch,” zeide hij, ”als de oude Julfus zegt: dat denkbeeld van trouwen veroorzaakt toch altijd zekere ontroering bij de jonge deernen! Maar komaan! laat ons aanstappen; want gij weet, Vader is kwalijk tevreden, wanneer wij na onzen tijd te huis komen.”



[Deel II] [Jacob van Lennep pagina

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.