Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

De Hunenborg

II

[Deel I]

Wij moeten ons thans verplaatsen in de erve Scholte Linde, waar het huisgezin van Olberts de komst van onze jonge lieden verbeidde. Nabij het plaggevuur, waaruit de rook in dikke wolken door de breede schouwe naar boven steeg en in zijn dwarrelingen de zware hammen omgaf, die aldaar aan de dwarslatten of zoogenaamde wimme hingen, zat de eigenaar zelf en verdreef den tijd met het snijden van bungeltjes, of houten blokjes voor de ganzen. Tegenover hem sloeg Anna, zijn huisvrouw, de brijpap gade, die boven het vuur te koken hing; terwijl Else, de dienstmaagd, bij de houten tafel stond en het brood voor het avondeten sneed. Behalve deze drie, was het langwerpig woonvertrek nog met een vrij aanzienlijk getal levende wezens gestoffeerd; voor de moeder der huismoeder lag de kat zich bij den verwarmende gloed te koesteren: in den eenen hoek zag men kippen, in een anderen ganzen bij elkaar gedoken: achter een van borden gemaakte omheining lagen de varkens, boven welke het skelet van een paardekop hing, zijnde een onfeilbaar middel om die nuttige dieren vet te maken: en, wat verder, bevond zich de koe- en paardestal. Alleen de groote bulhond was in deze gezellige ark niet opgenomen, maar lag buiten, ten einde aldaar de erve tegen alle onwelkome bezoekers te bewaken.

”Barta blijft laat uit van avond,” zeide de huismoeder, na met behulp der ijzeren blaaspijp het vuur nog lustiger te hebben doen branden: ”waar mag de deerne verwijlen?”

”Zij zal met onzen Weender aan ’t kuieren zijn,’ zeide Olberts: ”het heugt mij best, Anna! dat wij in onzen jongen tijd ook gaarne laat op ’t pad bleven en er meer dan eens knorren van moeder over gehad hebben.”

”Ik weet het niet,” zeide Anna, het hoofd schuddende: ”zij gedraagt zich iet tegen den jongen als ik wenschen zou: ik vrees maar, dat zij geen genegenheid voor hem heeft.”

”Wel, waar zoudt ge dat aan gemerkt hebben? Zij is altijd vriendelijk en gedienstig jegens hem. Heeft zij niet gisteren nog een wollen hoos voor hem gestopt?”

”Kom! kom!” zeide Anna: ”daar hebt gij manlui geen verstand van. Ze is gedienstig, ja; maar daar blijft het bij. Ik zag veel liever dat zij nu en dan eens ruzie met hem had, ja, hem de huid vol schold, dan dat zij zich zoo gedraagt, als zij doet: al die vriendelijkheid is maar onverschilligheid, dat zeg ik!”

Op de anders stuursche tronie van Else de dienstmaagd had zich bij het hooren dezer samenspraak een glimlach vertoond: zij zelve had inzichten op Weender en zij benijdde Barta, die haar, niet in schoonheid alleen, maar in alle andere opzichten overtrof. Zij begreep dat de kans nu goed stond, om eenige vermoedes op te wekken, welke de genegenheid der oude lieden voor hun pleegdochter zouden kunnen doen verflauwen.

”Ik hoop,” zeide zij, ”dat het maar geen erger reden is, die onze Barta zoo laat op de heide doet rondslenteren.”

”Wat bedoelt gij, Else?” vroeg Anna: ”gij denkt toch niet, dat zij zich met andere vrijers ophoudt?”

Wel kom! wat vrijers zou ze hebben?” vroeg Olberts: ”daar was alleen die zwarte ruiter van den Hunenborg, die eens zoo onbeschaamd was haar bij mij ten huwelijk te vragen. Een blinde heiden! Alle heiligen verhoeden het!”

”Nu,” hernam Else: ”zij zou misschien zoo kwalijk niet bij hem voegen: ”ware hij het nog maar! ik zeg alsnog, meester! met Barta is het niet richtig.”

”Het is de nijd, die uit u spreekt,” zeide Olberts: ”ik heb dat almeer bespeurd.”

”Is het dan ook uit nijd, dat Alemans Geurt, telkens als zij hier op de schaft komt, voordat zij een brok nuttigt, haar schoteltje onder de tafel omkeert en er de helft uitsmijt.”

”Doet ze dat?” riep Anna, de handen samenslaande: ”is ons huis bekold en verhekst, dat ze zulke dingen doet?”

”En waarom, als ik vragen mag,” vroeg Olberts, die minder dan zijn vrouw de kracht verstond van dergelijke voorbehoedsmiddelen, ”waarom keert zij haar schoteltje om en versmaadt de goede spijze?”

”Weet ge dat niet?” vroeg Anna: ”wanneer men in een huis komt, waar een tooverkol woont, dan onthoudt men zich, ergens van te proeven, of zoo men al proeft, men snijdt eerst een deel weg, tot een offer aan den euvelen geest.”

”En wie zou dan hier de tooverkol zijn?” vroeg Olberts, nog niet overtuigd.

”Hm!” mompelde Else: ”de menschen zeggen: Barta is als kind aan den weg gevonden, zonder dat iemand weet, wie haar ouders zijn.”

”Dat is zeker een sterk bewijs,” zeide Olberts.

”De hette van de zon noch het huiswerk hebben invloed op haar,” vervolgde Else: ”zij blijft altijd even wit en glad van vel.”

”Dat is waar, Barta is een mooie blanke deerne: is dat ook een bewijs?”

”Blank, krek of zij van de Witte Wijven afstamde,” ging Else voort: ”zij spint in éénen avond meer dan een andere in drie zou doen.”

”Zij is vlijtig: wat zou dat?”

”Er zijn lieden, die beweren, dat zij ’s avonds op de heide met den Vurigen Landmeter gesproken, ja hem de hand gegeven heeft, alsof het haar lief ware geweest.” – (De door Else bedoelde persoon was een landmeter, die, bij gelegenheid der afbakening van zekere Marken, zich had laten omkoopen, en, tot straf doorvoor, veroordeeld was, na zijn dood, de meting alle nachten te herdoen.)

”Bij O.L.V.!” riep Anna: ”Barta met den Vurigen Landmeter!”

”En wie heeft dat gezien?” vroeg Olberts, ongezind, zoo licht het ergste te denken.

”Wie? Wel de heele buurschap. – En dit is nog niet alles: maar gij kent die oude kol, die in de belt aan de Volter Lake woont, en hier eens de varkens onttooverd heeft. Welnu! met dat wijf, dat zeker met den Euvele in verbond staat, houdt Barta schier alle dagen morgenkout.”

De oude vrouw hief de oogen in stomme verbazing ten hemel, maakte het teeken des kruises en mompelde een stil gebed. Olberts zweeg, morrelde een tijdlang in ’t vuur, stond op en floot een deuntje: niet, dat hij geheel vrij was van het bijgeloof van zijn tijd: maar hij mistrouwde de betichting. De laster is intusschen aan de houtskool gelijk en maakt zwart waar hij niet brandt. Olberts besloot zijn pleegdochter nauwkeuriger gade te slaan, die niet lang daarna met Weender binnentrad.

”Welnu!” zeide Olberts tegen Else: ”gij ziet, dat zij toch bij elkander waren.”

De boosaardige dienstmaagd, overtuigd dat haar kwaadsprekendheid in elke omstandigheid voedsel zou kunnen vinden, wendde zich tot Weender en vroeg: ”Wel, waar hebt gij de dolende gevonden?”

De jongeling zag haar scherp aan, als wilde hij zeggen: ”het zijn uwe zaken niet.” Hij was echter te edelmoedig om iets te vertellen.

”’t Is mijne schuld,” zeide hij, ”zoo wij te laat te huis komen. Er was een schaap achtergebleven: en dat zijn wij gaan zoeken.”

”En hebt gij het teruggevonden?” vroeg Olberts.

”Ja!” antwoordde Weender, met een zijdelingschen blik op Barta: ”het verdoolde schaap is weer in de kooi.”

”Dat is gelukkig,” zeide Anna: ”want zoo een van die knapen uit den Hunenborg het gevonden hadde, ware het prijs geweest.”

”Kom! kom!” zeide Olberts: ”zoo die stelen wilden, dan konden zij evengoed de kooi zelve berooven.”

”Heden, wat ziet Barta rood!” zeide Else, Barta aanziende, die inderdaad een kleur als bloed had gekregen. Weender bespeurde zulks, en, hopende haar uit de verlegendheid te redden, praatte hij over het aangevangen onderwerp door. ”’t Is toch vreemd,” zeide hij, ”dat die blinde Heidenen hier zoo maar in ons midden geduld worden.”

”Och!” zeide Olberts: ”wij hebben er geringen last van. ’t Is nu net achttien jaar, dat die vreemde gasten zich hier op den Borg genesteld hebben.”

”’t Is langer, naar mij dunkt,” zeide Anna.

”Neen wijf!” zeide Olberts: ”net achttien jaar; want het was slechts een maand voordat ik Barta vond: en wij plachten haar ouderdom naar ’t jaar van denslag bij Sondershausen te berekenen, toen wij onder onzen goeden Keizer Hendrik die Hunnen zoo geducht op het lijf zaten.”

”Eilieve, Vader!” zeide Barta: ”vertel ons nog iets van dien slag: ik hoor dat zoo gaarne.”

”Met genoegen!” zeide Olberts, en hij begon een langwijlig verhaal, waarvan wij hier slechts zooveel zullen geven, als tot opheldering onzer geschiedenis noodig is.

Men weet, dat in de negende en in de eerste helft der tiende eeuw., Duitschland geteisterd werd door een Aziatischen volksstam, die onder den naam van Madscharen zich bijna even geducht maakte als vroeger onder Etzel de Hunen waren geweest. Tot in Saksen toe waren deze vreemdelingen doorgedrongen, en het ontzag, dat men voor hen koesterde, was zoo groot, dat zelfs de Duitsche Keizers hun strooptochten door het betalen eener schatting zochten af te koopen. Het was voor den voortreffelijken Hendrik den Voogelaar bewaard gebleven, het Rijk van die plaag en de Kroon van die schande te zuiveren. In twee geduchte veldslagen, waarvan de eene bij Sondershausen in het Zwartburgsche, de andere onder de muren van Merseburg geleverd werd, bracht hij hun een zoo volkomen nederlaag toe, dat meer dan honderdduizend op het slagveld vielen. De uit den slag van Sondershausen overgebleven Madscharen verstrooiden zich wijd en zijd: duizenden hunner vonden in Rijn of Wezer den dood, of kwamen van honger en gebrek of door de handen der Westfaalsche landlieden om. Enkelen ontvloden de slachting op Gelderschen of Overijselschen bodem, en zoo had zich ook een krijgshoop nabij Ootmarsum in de Volter Broek gered en in een oude Romeinschen schans gevestigd, welke sedert dien tijd, door de inboorlingen, die aan alle vreemde volkeren den schriknaam van Hunne of Hunen gaven, de Hunenborg werd genoemd. Achttien jaren hadden nu deze vluchtelingen hun verblijf op dien Borg gehouden en in vrij goede eengsgezindheid met de landlieden geleefd, met wie zij ruilhandel dreven, ten wier behoeve zij arbeid verrichten of paarden en honden bekwaam maakten: gelijk dan ook de groote bulhond, die de erve van Olberts bewaakte, hem door een ouden Madschaar was verkocht. Voor ’t overige had men weinig omgang met dezen Heidenen, tegen welke de Priesters dan ook waarschuwden; terwijl sedert eenigen tijd onder de landlieden werd gemompeld, dat er van hooger hand maatregelen stonden genomen te worden, om den Twentschen bodem geheel te zuiveren van deze vreemde gasten, voor wie men altijd min of meer beducht bleef.

Olberts had met vertellen gedaan. Het avondeten was afgeloopen en het huisgezin had zich ter ruste begeven. Alleen de oude Anna kon den slaap niet vatten: de indruk, welken de woorden van Else op haar bijgeloovigen geest hadden teweeggebracht, was te levendig, en, het mocht kosten wat het wilde, zij moest met zekerheid weten of Barta al dan niet betooverd was. Eindelijk, na lang peinzens, meende zij een onfeilbaar middel gevonden te hebben, om zich van de waarheid te overtuigen. Was Barta een tooverkol, dan zou zij de proef van het wijwater niet kunnen doorstaan: – en deze kon genomen worden, zonder dat iemand het bespeurde. Voorzichtig rees Anna op, ontstak de lamp, vulde een aarden kommetje met het gewijde water, dat in de spinde bewaard werd, en naderde toen, met behoedzamen tred, de krebbe, waar Barta in sliep. Het meisje lag, naar het bleek, in onrustige droomen: haar oogen waren gezwollen, als waare zij weenende ingeslapen, en het zweet bedauwde haar gelaat. Nadat Anna haar een poos had aangestaard, ontdekte zij aan den hals van Barta een koord, welke zij nooit tevoren had bespeurd. Voorzichtige zette zij de lamp en het kommetje op den rand der krebbe neder, haalde de koord zachtjes naar zich toe en zag, dat daaraan een glinsterend juweel hing, met vreemde, waarschijnlijk tooverkarakters beschreven. Toen nam zij een mes in de bevende hand, sneed de koord door en maakte zich meesteres van den talisman; – maar hoe stil zij hierbij ook te werk ging, Barta ontwaakte met een gil, richtte zich op, en sloeg, in de beweging die zij deed, het kommetje van den rand der krebbe af, zoodat het op den vloer aan scherven viel en het water vespild werd. Het geschreeuw, dat nu ook Anna aanhief, deed de overige huisgenooten ontwaken, die een voor een toeschietende, de oude vrouw in hevige drift ontstoken en Barta in tranen vonden.

”Wat is er nu weer?” vroeg Olberts, ontevreden in zijn nachtrust gestoord te worden.

”Ei, zie dat Belialskind!” zeide Anna: ”Else had geen ongelijk, haar niet te vertrouwen. Zij smijt het wijwater om en draagt een steen met runen om den hals.”

Allen traden toe en beschouwden het versiersel. Het was een amethist met een keurig bewerkten rand van goud; maar de letters die er op gegriffeld waren, konden in de oogen der eenvoudige landlieden wel niet anders dan tooverkarakters wezen.

”Hoe komt gij daaraan?” vroeg Olberts. – Barta zweeg.

”Dat is wis een minnepand van haar vriend den Landmeter.,” zeide Else: ”wees toch voorzichtig, moeder Anna, het mocht u een rond gat door de hand branden: men heeft dat meer zien gebeuren.”

”Antwoord! hoe komt gij aan dat versiersel?” zeide Olberts, dreigende de hand opheffende: maar Barta gaf geen antwoord dan met tranen.

”Loop den Priester halen, Weender!” zeide Anna: ”dit behoort tot zijn vak.”

”Maar Moeder!” zeide Weender: ”wat heeft het arme schepsel toch gedaan? Zij zal het hier of daar gevonden hebben.”

”Wat gevonden!” riep Olberts: ”en waarom bekent zij het dan niet?”

”Ik slaap geen nacht langer met haar onder één dak,” zeide Else: ”zij mocht ons allen beheksen.”

”Noch ik! noch ik!” riepen de beide oude lieden: en diezelfde menschen, die Barta als kind ingenomen, verpleegd en lief hadden gehad, stonden nu gereed om, door bijgeloof verblind, haar, in ’t holle van den nacht, onmeedoogend ter deure uit te zetten. Dan, terwijl zij, door Else aangehitst, haar schudden en mishandelden, en Weender vergeefs haar zocht voor te spreken, daar deed opeens een vreemd gerucht zich hooren, en wees Else, met een rauwe gil, naar den verst afgelegen hoek van het vertrek. Daar stond een reusachtige gedaante, met ruig bewassen leden, fonkelende oogen, hoornen op het hoofd, en ik alle opzichten gelijk aan de beeltenis, onder welke de booze geest in de middeleeuwen werd afgebeeld.

”Daar is de Euvele zelf!” riep Olberts, terwijl allen, met doodelijke schrik, van Barta terugweken, die bewusteloos nederstortte. De gedaante trad nader, tilde haar op en verwijderde zich met zijn last door de buitendeur, zonder dat iemand er aan dacht, dit bedrijf te verhinderen. Toen echter wilde Weender hem nasnellen; maar de beide vrouwen hielden hem met angstgeschrei terug. Eindelijk rukte hij zich los, greep een bijl van den wand en snelde naar buiten. Maar hij zag niets, dan den bulhond, die gerust voor zijn hok lag en slechts even den breeden kop oplichtte, als om hem te kennen te geven, dat hij hem gezien had; Weender stond als verbijsterd; hij luisterde: en nu meende hij hoefgetrappel te hooren, dat zich langzaam verwijderde. Huiverend keerde hij in de woning terug, en vond de huisgenooten geknield en biddende. Anna stond echter dadelijk op, toen zij hem terugzag.

”Weender!” zeide zij: ”welke waagstukken zijn dat? – Wildet gij den boozen Vijand vervolgen? – En wat hebt gij gezien?”

”Niets!” antwoordde Weender, rillende. ”Het was een nachtgeest; want zelfs de hond heeft hem niet gemerkt.”

”Zeker is hij met haar in zwaveldamp weggezonken,” zeide Else: ”vrouw! smijt dat ding toch weg: het is stellig een handgift van den Euvele geweest; want nauwelijks was zij het kwijt van haar hals, of hij is haar komen halen.”

”Wij zullen het den Priester brengen,” zeide Olberts: ”Barta! Barta! wie had dat geloofd! zij, zoo goed, zoo werkzaam, zoo zedig! Else! gij moet alles verbranden, wat haar heeft toebehoord.”



[Deel III] [Jacob van Lennep pagina

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.