Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

De Hunenborg

III

[Deel II]

Eenige weken waren voorbij gegaan. Van Barta had men niets vernomen: ’t geen, in de veronderstelling dat zij door den Booze was meegepakt, zeer natuurlijk was: en er waren omtrent haar dan ook geen nasporingen in ’t werk gesteld. Weender, die Barta recht lief had gehad, kon zich echter, ondanks de getuigenis zijner oogen, het gebeurde nauwelijks voorstellen en zich moeilijk troosten met het denkbeeld, dat zij toch vroeg of laat zou weggehaald zijn geweest, en dat het beter was, dat zulks nu geschied was, dan na hun huwelijk, wanneer hij zelf misschien mede behekst zoude geworden zijn. Else daarentegen was recht in haar schik, en vleide zich, dat, sedert Barta’s verwijdering, niets meer aan een huwelijk tusschen haar en Weender in den weg zoude staan: wel is waar, deze bleef zich nog even koel en overschillig jegens gedragen: maar dit zou, dacht zij, wel veranderen: en zij had een middeltje uitgedacht, dat hem ten haren opzichte wel tot betere gedachten zoude brengen.

Onder het lijfgoed van Barta, dat haar om te verbranden was gegeven, bevond zich ook een kleedje, hetwelk deze aanhad, toen zij door Olberts was gevonden: het was rood, van vreemden vorm en stoffage en met grillige figuren bewerkt, zoodat het mede gestrekt had om bij Anna somtijds kwade vermoedens aangaande de afkomst van Barta te doen ontstaan. Dit kleedje nu verbrandde Else niet, maar vouwde het op en bleef het bestendig bij zich dragen, in den zonderlingen doch niet ongemeenen waan, dat hierdoor de liefde, welke Weender aan Barta had toegedragen, op haar zou overgaan.

Wat de oude lieden betreft, hoewel zij, in zekeren opzicht gelukkig rekenden, dat zij van het bijzijn eener tooverkol ontslagen waren, toch misten zij gedurig de zorgen en de hulp van hun pleegdochter. De boter had den vorigen smaak niet meer, de wol werd minder fijn gesponnen, het vaatwerk was zoo netjes niet meer geboend: in ’t kort, niets gelukte zoo goed, als toen Barta er de hand aan had; want ofschoon Else vrij wel met het vee wist om te gaan, in al wat meer tot de huishouding betrekking had was zij ten eenenmale onbedreven.

”Helaas!” zeide Anna eens op een avond, toen zij den grooten voorraad wol beschouwde, die van het schapenscheren was te huis gebracht en in een hoek van de schuur nedergelegd: ”hoe komen wij er door, nu Barta er niet meer is om ons te helpen? Want allen kan ik het niet af, en Else verstaat zich maar half op het schoonmaken.”

”Willen wij Geurt of Jeune te hulp roepen?” vroeg Weender.

”Die hebben zelven genoeg te doen,” zeide Anna: ”en wij zullen in Gods naam maar moeten zien hoe wij er doorheen komen.”

De goede vrouw ging ter ruste, na, volgens hare gewoonte, ten einde alle boozen geesten van haar sponde te weren, de eene kous omgekeerd te hebben aangetrokken, en den onderrok binnenste buiten over het dek te hebben uitgespreid. Maar zelfs in den slaap vervolgde haar de gedachte aan het onderwerp, dat haar bezorgdheid wekte. Nu droomde zij, dat een geode huisgeest naast haar bed zat en de wol schoonmaakte. Den volgenden morgen, was haar eerste blik naar den wolstapel; maar och! zoo er al een geest aan bezig was geweest, het was ongetwijfeld geen goede, want de helft van den voorraad was verdwenen.

Dat was treurig en beangstigend tevens. Diefstallen, althans binnen de woningen, werden in die dagen onder de eenvoudige en onbedorven landlieden weinig gepleegd: en men was eer geneigd de Witte Wijven of Nachtmerriën van den roof te beschuldigen dan wezens van vleesch en bloed. Ook had de anders zoo waakzame bulhond niet eenmaal geblaft, zoomin als bij Barta’s schaking.

Maar nogmaals ging de nacht voorbij, en den volgende morgen was de smart in blijdschap veranderd; want voor de oogen der verbaasde vrouw lag de weggenomen voorraad op dezelfde plaats als te voren, maar geheel schoongemaakt; terwijl daarentegen het overschot, dat nog vuil was, was weggenomen; doch dat bevond zich den daaraanvolgende dag geheel bereid in de hoeve terug: en nu miste men weder een koperen ketel, die vier en twintig uren later geschuurd terug keerde: – en zoo duurde het voort. Wat oud was, wat herstelling noodig had, verdween des nachts en kwam na een tweetal dagen, met nieuwen luister weer te voorschijn. Viel er te spinnen, te stoppen of te haspelen, het was volbracht, zoodra men het slechts gewenscht had. Zeker was het deze of gene Elve, een Wit Wijf of andere goede geest, die, met het huisgezin begaan, het gemis van Barta wilde vergoeden. Men raakte ook zoodanig aan deze verborgen onzichtbare hulp gewend, men rekende er zoo stellig op, dat men eindigde, met al wat afgewerkt moest worden of herstelling vereischte, eenvoudig aan de deur te zetten, overtuigd, dat het den volgenden dag zou worden in orde gebracht.

Maanden verliepen: de winter was gekomen en had weder voor de lente plaats gemaakt: in de woning van Olberts was alles onveranderd gebleven, toen er in den omtrek een gebeurtenis plaats had, die niet weinig opschudding en stof tot onderhoud in den omtrek verschafte. Men vernam, dat Balderik van Kleef, Heer van Oldenzaal, aan ’t hoofd van een aantal gewapenden in laatstgenoemde plaats was aangekomen, en niet slechts zijne onderzaten aldaar had aangezegd om in de wapenen te komen, maar ook de Markerichters en Schouten uit den omtrek had laten uitnoodigen om een dagvaart te beschrijven, ten einde met vereende krachten de Madscharen, in den Hunenborg verschanst, goed- of kwaadschiks te noodzaken het land te ruimen. Een twist tusschen een paar Madscharen en eenige inwoners van Oldenzaal, waarbji een van de laatstgemelden zwaar gewond was geworden, had, naar men zeide, aanleiding tot dien stap van de zijde des Kleefschen Vrijheers gegeven. Reeds had zich een Heraut van zijnetwege en in naam des Keizers aan den Hunenborg vertoond en geëischt, dat men dien, op straf van ongenade, binnen drie dagen verlaten en over de grenzen trekken zou en intusschen alle wapenen komen afgeven. Het antwoord was ontwijkend en onvoldoende geweest en rondom in de Marken liep alles te wapen.

Twee dagen waren sedert die aanmaning verloopen, toen, in den derden nacht, opnieuw een zonderling voorval het huisgezin van Olberts in opschudding bracht. De beide oude lieden en Else lagen, elk aan zijn kant, in diepen slaap: maar Weender kon niettegenstaande hij mede de wapenoefening had bijgewoond en van het ongewone werk vermoeid was, den slaap niet vatten, en lag zich op zijn leger in den koestal te wentelen en om Barta te denken, die hij nog altijd beminde. Het maanlicht viel door een opening in het dak naar binnen en bescheen toevallig een hoop zwarte wol, welken Anna op de gewone plaats had nedergelegd, in de hoop dat het Witte Wijf, of wie de nachtelijke bezoeker dan ook wezen mocht, de moeite van het spinnen wel zou op zich willen nemen. Onwillekeurig bleven Weender oogen op die plek gevestigd: en langzamerhand bekroop en vermeesterde hem een onwederstaanbare nieuwsgierigheid om de geheime weldoenster van het huisgezin te leren kennen.. Wel had hij gehoord, dat de Witte Wijven, al waren zij soms een huis genegen, in toorn ontstaken tegen al wie haar bespieden dorst; maar de verzoeking was te sterk: en hij hoopte, dat zoo hij den dienstvaardigen geest al te zien kreeg, deze het zelf neit bemerken zou. Eindelijk, na lang toevens, nadat hij reeds begon te wanhopen of het Witte Wijf wel komen zou, werd zijn verlangen bevredigd.

De ingang van de woning bestond, gelijk ook heden nog in de schuren daar te lande, uit twee groote deuren, elke wederom in een boven- en onderdeur verdeeld, dus eigenlijk uit vier deuren, die zich in ’t midden vereenigden tegen een beweegbaren stijl, of zoogenaamden stipel, die weggenomen werd, zoo dikwerf er wagens moesten worden binnengereden.

Een dier onderdeuren werd zachtjes opengedaan; een witte gedaante sloop naar binnen, gleed langzaam de woning door, verwijlde een oogenblik bij de bedstede, waarin de oude lieden sliepen, boog zich over hen heen, drukte beiden een zachten, maar toch hoorbaren kus op het voorhoofd, en keerde toen op dezelfde wijze terug; – maar in ’t heengaan viel een straal der maan haar op ’t gelaat: en met den uitroep: ”Barta!” sprong Weender zijn slaapstede uit, en de verschijning, die reeds buiten was, achterna. Nauwelijks echter bevond hij zich in de open lucht, of hij zag zich den weg versperren door een gewapenden, forsch gebouwden kerel, die hem, zonder een woord te spreken, maar met zeer begrijpelijke, dreigende gebaren, te kennen gaf, dat hij weder terug moest. De goede Weender, wapenloos en buiten macht tot tegenweer, gehoorzaamde aan den ontvangen wenk. Hij kwam weder binnen, en bevond, dat niemand van het huisgezin door het voorgevallene gewekt was. Nu schaamde hij zich zijner kleinhartigheid; hij haalde een paard uit den stal, greep een spies van den wand, en opende de deur met het voornemen, om het mocht kosten wat het wilde, de geheimenis te doorgronden. Zooals hij buiten gekomen was, zag hij bij den helderen maneschijn den onbekende te paard, met Barta achter hem gezeten, van verre over de vlakte rijden. Nu maakte hij den bulhond los, die voor zijn hok lag te slapen, besteeg het paard en rende, wat hij rennen kon, de vluchtelingen achterna.

”Vooruit, Schalk!” schreeuwde hij tegen den hond: ”haal hen in, bijt gindsche knol de beenen stuk: zorg, dat zij niet ontkomen.”

De hond liep werkelijk vooruit en was spoedig den vluchtelingen op zijde; maar verre van, gelijk Weender gehoopt had, pogingen aan te wenden om hen tegen te houden, draafd het dier vroolijk naast hen voort.

”Bij Sint-Maarten!” riep Weender uit, zich zelf voor ’t hoofd slaande, toen hij de goede verstandhouding bemerkte, welke er tusschen hen, die hij vervolgde, en den hond scheen te bestaan, en daarbij gewaarwerd dat eerstgemelden hun weg naar den Hunenberg namen: ”hoe kwam ik zoo ezelachtig dom? Het is Doltschoff de Madschaar, dezelfde die ons den hond verkocht heeft. Maar hoe komt Barta op zulk een goede voet met dien leelijjken eenoog. Voort! voort! bles! dat moeten wij onderzoeken.”

En zijn paard op alle denkbare wijzen met woorden, schoppen en slagen aandrijvende, zette hij de vervolging voort; maar de anderen waren hem te ver vooruit, de binnenste poort van den Hunenborg had zich reeds achter hen gesloten, toen hij zich voor de buitenste vertoonde.

Nooit had hij die geheimzinnige verschansing zoo van nabij gezien. De Hunenborg bestond uit een mengelmoes van lage gebouwen, welker daken slechts even boven den sterken ringmuur uitstaken, die bovendien verdedigd werd door een breede gracht, die in den winter vol water stond en in den zomer een ondoorwaadbaar moeras vertoonde. De eenige toegang tot den Borg was langs een smalle kaai, die op de binnenpoort toeliep, en welke in het midden verdedigd werd door een zoogenaamd vechthuisje, met een kleiner poortje voorzien, slechts even wijd genoeg om aan eenen ruiter tevens den doortocht te vergunnen. Voor dit poortje nu stond Weender te vloeken, terwijl hij in dolle spijt met het hout van zijn spies op de getraliede deur sloeg, en met luider stem: ”Barta! Barta!” riep.

Het scheen echter, dat men zijn geroep van binnen niet geheel onbeantwoord wilde laten. Hoewel na geruime tijd toevens, werd eindelijk de binnenpoort ontsloten. Een Madschaar, jonger en edeler van gestalte dan Doltschoff, reed op een gitzwart ros naar buiten en hield, aan de andere zijde van het poortje, tegenover Weender stand.

”Wat wilt gij?” vroeg de Madschaar, in wien wij Arpad herkennen.

”Wat ik wil?” antwoordde de boerenknaap: ”Barta wil ik, die met euvele en schendige kunstenarijen uit het huis van haar ouders is ontvoerd.”

”Ontvoerd!” herhaalde Arpad: ”ja, toen zij op het punt stond van naakt en hulpeloos te worden uitgedreven. – Maar keer terug knaap! want Barta is mijn gade: en niemand, wie hij zij, heeft het recht haar mij te ontnemen.”

”De uwe! Barta de uwe!” riep Weender, bevende van droefheid en toorn.

”Zoo is het,” hernam Arpad: ”vrijwillig heeft zij mij haar hand geschonken. Onderwerp u aan het noodlot, goede Weender! Ik weet, gij hebt haar ook liefgehad: gij alleen zijt haar blijven verdedigen, toen ieder haar schuldig hield: en daarvoor dank ik u. Daarom, laat er geen vijandschap tusschen ons, onderwerp u aan hetgeen niet meer hersteld of veranderd worden kan, en neem de hand aan, die u welwillend wordt aangeboden.”

Dit zeggende stak Arpad hem de ontbloote rechterhand doe de traliën toe. Weender, ’t zij door spijt en wraakzucht vervoerd, ’t zij misschien huiverig om den Heiden de hand te reiken, leide, in de plaats van deze, de punt zijner spiets in de handpalm van Arpad.

”Dat is een harde hand!” riep de Madschaar, en niet zonder recht vertoornd over deze bejegening, boog hij met zijn sterke vingeren de punt van het ijzer krom, terwijl hij met de slinke beweging maakte van de deur te openen. Weender, door dit kracht-bewijs van den Madschaar ontsteld, zag de gevolgen zijner dwaasheid in; en zich niet tegen hem bestand achtende, wendde hij den teugel en toog met snelheid op de vlucht. Arpad had intusschen de deur geopende en volgde hem met gevelde lans over de vlakte achterna. Het was een rennen op leven en dood: in twee minuten was de afstand, die den Hunenborg van Scholte Linde scheidde, afgelegd: en ongetwijfeld had Arpad den vluchteling achterhaald, zoo het paard van dezen niet te veel vooruit ware geweest en den stal geroken had. Met dat al, toen Weender aan de hoeve keam, was zijn vervolger zoo kort achter hem, dat hij den tijd niet had om de dubbele deur te ontsluiten, maar, ten einde den op hem gemunten steek te ontwijken, zich van het paard en over de onderdeur naar binnen liet vallen, terwijl delans van Arpad naast hem den deurstipel trof, met zulk een kracht, dat het ijzer in het hout bleef vast zitten. Arpad deed geen moeite om het er uit te halen; maar, zich wellicht over zijn drift schamende, wendde hij zijn paard en keerde op een bedaarden stap naar den Hunenborg terug.



[Deel IV] [Jacob van Lennep pagina

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.