Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

De hunenborg

IV

[Deel III]

”Hij heeft Barta nog lief,” dacht Else met spijt, toen zij, evenals de oude lieden, het verhaal van Weenders wedervaren had vernomen: ”zoolang die deerne hem in ’t hart zit, is er voor mij niets te verwachten. Maar dat zal moeten veranderen: en, ben ik ten einde raad, dan zal de oude van de belt bij de Lake mij dien beter weten te verschaffen.”

Met die gedachte had Else zich op weg begeven en stond zij weldra aan den ingang van Liska’s verblijf, waar wij in het begin van ons verhaal kennis mede gemaakt hebben.

”Gij komt te goeder ure, dochter!” zeide de oude vrouw, toen Else voor haar stond: ”morgen ware het te laat geweest.”

”Hoe! gaat gij wegreizen, Anneke-Beppe?” vroeg Else.

”Mijn goede vrienden, de Madscharen moeten het land ruimen,” antwoordde de oude: ”en Liska verlaat hen niet in den nood: – maar dat is hetzelfde: Wat verlangt gij, dochterken?”

”Ik moet een middel hebben,” zeide deze: ”een tooverdrank, een bezwering, om ’t even wat, die maakt, dat Weender de witte Barta vergete en mij liefhebbe.”

”Hm! hm!” mompelde Liska: ”en denkt die onnoozele knaap nog altijd aan die deerne, die toch voor hem verloren is?”

”Meer dan ooit,” antwoordde Else: en zij verhaalde wat den vorigen nacht had plaats gehad.

”Ik begrijp het,” zeide Liska: ”het goede kind heeft zeker haar pleegouders voor het laatst willen vaarwelkussen. Ha! ha! ik moet lachten om de gedachte, hoe gij, dochterken, en de oude lieden zelven ons indertijd hebt in de hand gewerkt, met uwe meening, dat Barta behekst was. De eenoogige Doltschoff had voorwaar nooit beter van pas kunnen komen, met zijn boksvel en zijn horens.”

”Is het dan werkelijk Doltschoff, die Barta geroofd heeft?” vroeg Else.

”Wel zeker: en op mijn last; – echter niet voor hem zelven, maar voor mijn Arpad. De deerne was in den beginne kwalijk tevreden, toen zij op den Borg aankwam; maar toen zij hoorde, dat Arpad niets van den aanslag geweten had, en inzag, hoe men haar toch niet meer te huis ontvangen zoude, toen schikte zij zich in de omstandigheden. Ha! ha! en dat gij allen in de waan bleeft, dat de Witte Wijven u ’s nachts bezochten, en de wol voor u kemden, of u andere diensten bewezen, terwijl het niemand anders was dan Barta of Doltschoff, die, terwijl gij allen sliept, kwam binnensluipen; want het goede schaap bleef zich, wat Arpad ook zeide, dag en nacht voor haar pleegouders aftobben. – Maar dat is alles hetzelfde: gij wilt Weender tot man hebben, nietwaar?”

Else knikte toestemmend.

”Welnu! bezorg mij, zoo gij kunt, nog heden een paar vlokken van het haar van uw lief: en, zoo het mogelijk is, een kleedingstuk, dat Barta gedragen heeft.”

”O! beide draag ik reeds lang bij mij, of ’t wat baten wou,” zeide Else: en meteen overhandigde zij het kleedje, benevens een pakje, dat het haar bevatte, aan Liska.

”Ha! ha!” zeide deze, grinnikende: ”gij hebt voorwaar aanleg ook eens een Eunjer te worden. Nu geef maar hier. Maar wat is dat?” vroeg zij met een uitroep van verbazing, terwijl zij staroogde op het uitgerolde kleedje: ”en dit zegt gij, dat Barta gedragen heeft?”

”Zij droeg het, toen Olberts haar, nu negentien jaren geleden, aan den oever van den IJsel vond,” zeide Else.

”En de Vrijheer van Kleef is te Oldenzaal! – Voort! voort! naar hem of naar Olberts toe!” – riep de oude, terwijl zij, zoo ras haar stramme beenen het vergunden, over de heide voorthompelde, zonder te luisteren naar Else, die haar, schreiend en teleurgesteld, achternaliep.

Terwijl het hier verhaalde onderhoud plaats had, was de erve Scholte Linde met een aanzienlijk bezoek vereerd geworden. De Vrijheer van Kleef, door een los gerucht van het voorval met Weender onderricht, was in persoon naar de hoeve gereden, om zich op de plaats van het gebeurde te vergewissen. Met eerbiedigheid werd hij door de oude lieden ontvangen: men verhaalde hem het voorval, en men toonde hem de lans, die nog in den stipel bleef steken.

”Ziedaar een nieuw staaltje van den moedwil dier ruwe gaten!” zeide Balderik: ”maar reken er op: hoe het met de overigen afloope, die knaap zal gestraft worden.”

”Veroorloof mij te zeggen, edele Heer!” zeide Weender, die op dit pas terugkwam, ”dat de moedwil eigenlijk aan mijn zijde was: ik heb den man getergd, toen hij mij goedwillig de hand bood: ik heb Doltschoff zooeven op de heide gesproken, die mij den hond kwam terugbrengen: en ik weet nu, hoe wij allen Barta hebben onrecht gedaan.” – En hierop deelde hij ongeveer dezelfde omstandigheden mede, welke Liska aan Else had verteld.

”En nu ziet gij, vader!” zeide hij ten slotte, ”wat Barta voor ons is blijven doen, met vergunning van haar man; en waarlijk, hij heeft niets gedaan, waarvoor hij straf verdienen zoude.”

”Gij zijt een brave borst,” zeide de Vrijheer, ”dat gij aldus uw medeminnaar voorspreekt; maar zoo ik mij niet bedrieg, is het die diezelfde Arpad, die een mijner Oldenzalers gewond heeft: en een maagdenroof, als die hier gepleegd is, kan niet oogluikend worden geduld. Intusschen, zonder behoorlijk onderzoek zal hij niet gevonnist worden.”

Pas had hij deze woorden geuit, of de deur ging open. Een vrouw, in een dichten mantel gehuld, trad binnen en wierp zich voor de voeten der oude lieden.

”Barta!” riepen beiden uit: en de oude vrouw viel haar schreiend om den hals.

”Vader! moeder!” riep zij: ”gij weet alles, Arpad heeft mij vergund u voor ’t laatste vaarwel te komen zeggen; maar hij heeft meer dan dat gedaan.... ik heb hem zoolang gebeden.... hij wil zich bekeeren, en, nog voor wij van hier gaan, ons huwelijk door de Kerk doen wettigen. Wilt gij over hem als doopheffers staan? O! slaat mijn bede niet af. Doet het, om die van mijn onschuldig kind.”

”Barta!” zeide Olberts, op een half gestrengen, half vriendelijken toon, ”het is mij lief u te zien, en de goede voornemens van dien Madschaar te vernemen. Maar omtrent hem kan ik niets bepalen: wend u tot den Vrijheer van Kleef.”

De jonge vrouw keerde bij deze vermaning de oogen naar Balderik op wien zij tot dien tijd geen acht had geslagen: en eerbiedig boog zij het hoofd voor den edelen Ridder. Want hoewel krijgsvermoeienissen en harteleed diepe groeven op zijn gelaat hadden achtergelaten en zijn haar vóór den tijd doen vergrijzen, toch lag er over geheel zijn wezen een utidrukking van majesteit verspreid, waar het schier onmogelijk was, weerstand te bieden. Ook hij beschouwde Barta niet slechts met dat welgevallen, hetgeen jeugd en schoonheid altijd inboezemen, maar hij gevoelde op haar gezicht een ontroering, waarvan hij zich geen verklaring wist te geven. Die zachte en welluidende stem, waarmede zij hem nu bescherming voor haren Arpad verzocht, die heldere blik, die tot in zijn ziel doordrong, die wijze zelve, waarop zij haar kind op den arm hield en het hem scheen aan te bevelen, alles wekte bij hem gewaarwordingen op, die aan vroegere dagen van geluk en zegen herinnerden. Hij luisterde nog, toen zij met spreken gedaan had: en hij zou wellicht nog geruimen tijd haar sprakeloos hebben aangestaard, zoo niet een verward rumoer, dat buiten de deur ontstond, hem uit zijn aangename mijmering had gewekt.

”Heilige Maagd!” riep Barta: ”dat was de stem van Arpad!” en zij snelde naar buiten. De overigen volgden haar: en men zag werkelijk den jongen Madschaar, door eenige wapenknechten des Vrijheers omsingeld, die hem, niet verre van de hoeve, waar hij Barta’s terugkomst verbeidde, hadden overvallen en gedwongen hen te vergezellen.

”Arpad!” riep Barta, zich voor hem stellende, als wilde zij met haar lichaam elk gevaar afweren, dat hem bedreigen mocht.

”Zijt gij de vermetele,” vroeg nu Balderik, ”die maagdenroof pleegt en mijn onderzaten beleedigt?”

”Zijt gij die trotsche Vrijheer,” vroeg Arpad, ”op wiens last men mij te lijf wil, zonder dat ik u iets misdaan heb?”

”Ontwapent hem!” zeide Balderik tot de zijnen, die nog altijd geschroomd hadden, den Madschaar aan te tasten.

”Terug,” riep Arpad, met een donderende stem, die de aanvallers deed achterwaarts deinzen: ”wie waagt het mij te naderen? Is dat uw trouw, Heer van Oldenzaal? Drie dagen beraads hebt gij ons vergund: en die zijn nog niet verloopen. Met welk recht zendt gij dan nu dienstknechten op mij af, op mij, een geboren Vorst, en die mijn zwaard niet afgeeft, dan aan hen die mij gelijk zijn?”

”Een koene prater voorwaar!” zeide Balderik, terwijl hij den zijnen een wenk gaf om af te houden: ”zijt gij de aanvoerder dier heidensche bende?”

”Die ben ik,” antwoordde Arpad, met een bitteren lach: ”ik, Arpad, de zoon van dien Waidewuthis, die bij Sonderhausen zijn honderdduizenden tegen uw Keizer aanvoerde, ik beveel thans over het deerniswaardig overschot dier helden, ’t welk gij uit hun laatsten toevluchtsoord verdrijven wilt. – Doch het zij zoo! wij zullen naar de oevers der Oostzee terugkeeren; – maar slechts op eerlijke voorwaarden. Eer wij ons, wapenloos, als een kudde vee laat heendrijven, zal de laatse onzer door het zwaard uwer krijgsbenden vallen. Maar wij zullen niet ongewroken sterven, bedenk dit wel!”

”Dwaas!” zeide Balderik: ”is het aan u, mij wetten voor te schrijven? Bedenk, dat al de gewapenden, die deze Marken opleveren, ter mijner beschikking staan.”

”Wij zijn steeds rustige en vreedzame ingezetenen geweest,” hernam Arpad: ”en niemand kan ons iets verwijten. Heb ik een Oldenzaler gewond, het was ter zelfverdediging, toen de overmacht mij aanviel. Is deze maagd door een der mijnen geroofd geworden: ik wil het ongelijk herstellen en haar naar uwe kerkwet huwen. Drijf ons niet tot het uiterste: het zou u kunnen rouwen: sla liever de oogen ginds heen, en oordeel, wie op dit tijdstip de sterkste is van ons beiden?”

Dit zeggende wees hij naar de heide, van waar de geheele bende der Madscharen, te voet en te paard, kwam aanrukken. Zij hadden vernomen, dat hun opperhoofd gevangen was, en wilden hem verlossen of met hems sterven. In een oogenblik stond Arpad buiten de kring der wapenknechten en aan het hoofd der zijnen: terwijl beide partijen, zich over elkander scharende, het teeken van aanval verbeidden. Balderik, aan wiens voeten zich Barta geworpen had, stond besluiteloos: hij wilde een bloedstorting voorkomen, en toch was het zijn eer te na, met een hoofd van zwervers op gelijken voet te onderhandelen.

”Houdt af! houdt af!” riep opeens een schelklinkende stem: en een oude vrouw kwam zich driftig tusschen de partijen instellen, die aan weerskanten een stap terugtraden; want zoowel de Madscharen als de inboorlingen voedden eerbied en vrees voor Liska de waarzegster.

”Wat wil die vrouw?” vroeg Balderik, haar met verwondering aanziende.

”Balderik van Kleef!” zeide Liska: ”zweer mij, dat gij mijn broeders ongemoeid zult laten, en ik wil u een tijding mededeelen die uw hart met blijdschap zal vervullen.”

”Gij?” zeide de Vrijheer, haar met verachting aanziende: ”denkt gij, dat ik mij met ijdele klanken laat paaien om af te zien van hetgeen ik nuttig en oorbaar acht? Laat dat gespuis de wapenen neerleggen, en dan zal ik u hooren. Gij ziet het, zij kunnen ons niet ontkomen.”

En met een zegevierenden blik zag hij naar de heide, waar van alle kanten versche manschappen kwamen aangerukt.

”Luister!” zeide Liska, zich driftig voor hem stellende: ”het is nu negentien jaren geleden, dat in den boomgaard nabij Elten een tweejarig meisje speelde, blond van lokken en blauw van oogen, lief gelijk de kunstenaars de engeltjes afmalen.”

”God!” riep de Vrijheer, eensklaps geheel aandacht wordende: ”mijn dochter, mijn kind! dat ik na het overlijden mijner vrouw aan mijn zuster in Elten vertrouwde.... wat weet gij van haar? – Is zij niet in den Rijn omgekomen, gelijk men zeide? Leeft zij? spreek! spreek!

”Het was,” zeide Liska, ”niet lang naar den slag bij Sonderhausen, dien gij ook hebt bijgewoond. Mijn stamgenooten waren gesneuveld of verstrooid; ik doolde hulploos rond, met mijn dochter en haar zuigeling. Ons onderhoud verdienden wij met waarzeggen en den verkoop van heilzame geneesmiddelen. Te Keulen zijnde, vernam ik, dat, ofschoon Waidewuthis gesneuveld was, zijn zoon Arpad, mijn lieveling, dien ik, bij zijn geboorte, met eigen handen verpleegd had, uit de slachting gered en door een klein aantal dapperen naar deze streken gebracht was. Straks besloot ik naar dit land te gaan en mijn dagen in zijn dienst te eindigen. Onderweg werd het kind mijner dochter krank en stierf. Toen was het, dat wij Elten voorbijtrokken en ik een nauwelijks tweejarig wicht in den boomgaard van het klooster spelen zag. Het flonkerend juweel, dat haar om den hals hing, wekte mijn begeerte: en meer nog spoorde de zucht om aan mijn dochter een kind in de plaats van het hare terug te geven mij tot den roof aan: ik greep het wicht en voerde het weg – maar later hoorde ik, dat het het uwe was: – maar ook mijn dochter stierf: toen leide ik het te vondeling aan den oever des IJsels.”

”Aan den oever des IJsels!” herhaalde Olberts: ”daar vond ik Barta, toen ik van ’s Keizers leger terugkeerde.”

”Haar!” riep Balderik, terwijl hij met gemengde hoop en vrees op Barta staarde: ”wijf! bewijs mij de waarheid van uw verhaal en, bij den Hemel! uw ondaad zal u vergeven, en u vergelding groot zijn.”

”Zie!” zeide Liska, het kleedje, dat Else haar gegeven had, ten toon spreidende.

”Dat herken ik niet,” zeide Balderik, teleurgesteld.

”Maar ik heb het herkend,” zeide de oude: ”het was dat van mijn kleinkind, waarmede ik uw dochter kleedde, en hetwelk deze aanhad, toen ik haar verliet. Maar herinnert gij u, Balderik van Kleef! het juweel, dat uw kind om den hals droeg.”

”Gewis! het was een kostbare amethist, met Grieksche karakters besneden, en aan een mijner voorouders door den Keizer vereerd.”

”Welnu! dat ik juweel had ik behouden; want ik twijfelde er niet aan, of het moest buitengewone krachten bezitten. Ik schonk het aan Arpad: deze vereerde het op zijn beurt aan zijn beminde: en op deze wijze kwam het door een zonderlinge bestiering van het lot, aan zijn wettige eigenares terug.”

”Dat juweel!.... ik bezit het niet meer,” stamelde Barta, die met hevige ontroering naar het verhaal geluisterd had.

”Ik ontnam het u,” zeide Anna, ”in dien schrikkelijke nacht, toen.... wij hebben het den Priester gebracht: en het prijkt thans in de kapel te Ootmarsum.”

”O! ik behoef het niet,” riep Balderik, terwijl hij naar Barta toetrad en haar in de armen sloot: ”ik begeer geen bewijzen meer: zij is mijn Aleide, het levend evenbeeld harer te vroeg gestorven moeder: en de ontroering, die mij op haar eerste gezicht beving, was de inspraak van het vaderhart. O, mijn kind! gij zult met mij trekken: ik zal in mijn ouderdom niet langer alleen zijn: ik zal weer gelukkige dagen beleven.”

Lang bleef de teruggevonden dochter in de armen haars vaders geklemd: toen sloeg zij eerst de oogen op haar kind, en wendde die vervolgens naar Arpad, die somber en zwijgend naast hen stond.

”Vader!” zeide zij: ”ziehier mijn gemaal: hij alleen mag over mij beschikken.”

”Dat huwelijk is onwettig,” zeide Balderik: ”het is niet door de Kerk gesloten.”

”En dit kind!” riep Arpad, terwijl hij het wichtje opnam en aan Balderik voorhield: ”het is uw kleinzoon, Vrijheer van Kleef! en het bloed der Madschaarsche Vorsten was niet onwaard, zich met het uwe te vermengen!”

”Vorst zonder Vorstendom!” zeide Balderik: ”wat kunt gij haar aanbieden? Ballingschap en ellende.”

Die zal ik met hem deelen.” zeide Barta: ”want hij is mijn echtgenoot en de vader van mijn kind.”

Lang stond Balderik in droef gepeins verzonken: eindelijk drukte hij zijn dochter aan ’t hart: ”het zij, zoo gij wilt, Aleide!” zeide hij: ”verlaat slechts uw ouden vader niet!”


Een maand na dit voorval werden beiden, Arpad en zijn kind, op éénen dag gedoopt en het huwelijk tusschen den Prins der Madscharen en de dochter des Kleefschen Vrijheers door den Abt van Corvey ingezegend. Het jeugdige echtpaar bleef bij den Vrijheer inwonen, terwjl Arpad zich door zijn edele inborst en wakkere daden de genegenheid van zijn schoonvader won en de Stamheer werd van een geslacht, later onder den naam van Heeren van Redichem in ’s Lands geschiedenissen vermaard. Olberts en zijn vrouw sloegen de aanbiedingen af, hun door den Vrijheer gedaan en verkozen hunne dagen op de erve Scholte Linde te eindigen. Zij smaakten het genoegen, dat Weender, van zijn ongelukkige min genezen, hun binnen het jaar een knappe schoondochter bracht, die door haar vlijt, bekwaamheid en trouwe zorg aan de oude lieden het gemis van Barta vergoedde. Dit huwelijk bracht den laatsten slag toe aan aan de verwachtingen van Else, die het zich zelve reeds niet had kunnen vergeven, dat zij, door haar bezoek bij Liska, het geluk van de gehate medeminnares had bewerkt: – Het verblijf op de hoeve werd haar ondraaglijk; zij nam haar afscheid en stierf kort daarna van hartzeer en spijt.

Wat de Madscharen betreft, voor het grootste gedeelte volgden zij het voorbeeld van Arpad en lieten zich doopen: sommigen hunner gingen over in den dienst des Vrijheers: de overigen zetteden zich hier of daar in den omtrek neder; doch hun nagedachtenis bleef in Overijsel leven en nog heden kan de reiziger, die, aan de Volter Broek gezeten, de overblijfselen van den Hunenborg gadeslaat van elken landman, de geschiedenis van den roof der schoone Barta, en van den Hun, die Weender najoeg, in zijn volkstaal hooren verhalen.



[Noot over de Madscharen] [Jacob van Lennep pagina]  

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.