Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

De Hunenborg

Aanteekeningen

Volter Broek
De boerschap Volte is in een moerassige streek tusschen Oldenzaal, Ootmarsum en Denekamp, en ongeveer op gelijken afstand van deze drie plaatsen gezien.
het spokend veulen zonder kop
Een spokend veulen vertoont zich op den weg tusschen Spyk en Godlinse, op de Houw onder Leens, een veulen zonder kop op de Tuinster- of Leemsterwierde, en soortgelijke te Noordwolde, komende van den Wolddijk en gaande in de richting van het Thesinger klooster; en twee veulens hebben op den weg naar Lutjeboeren menigeen des nachts doen huiveren. Te Oosteveld, in het Wester-kwartier, is het volk insgelijks bevreesd voor een spokend veulen zonder kop....

Men ziet des nachts meermalen een man zonder hoofd, te paard rijdende voorbij de klip op den weg van Oosterwijtwerd naar Krewerd, enz. Westendorpt, Verhand. in de N. Werk der Leidsche Maatschappij, II Deel, II Stuk, bl. 500,501

lake
Lake beteekent oorspronkelijk het grensteeken hetwelk door insnijding of ritsing in een boom gemaakt werd, en vandaar, in een meer algemeenen zin, elke soort van grensteeken, ja de geheele grenslinie. Zie Halberstma, in het bij de vorige aanteekeningen meergenoemde vertoog: betiteld Avoort.
Witte Wijven
”Onder de berghjes,” zegt Picard in zijne Antiqiteiten, ”van welke in de voorgaende Distinctie is gewach gemaeckt, vindt men eenige die ingevallen sijn, en sijn voortijts van binnen hol geweest: en dese sijn woonplaetsen der Witte Wijven, en de gedachtenisse eeniger harer wercken en feiten is noch soo versch in de memorie van veel gryse hoofden, als wanneer se noch onlanghs begeurt waren.” Zie wijders over de Witte Wiven het vertoog van Halbersma, onder dien naam in den Overijselschen Almanak van 1837 geplaatst, en Westendorps aanteek. op bovengen. Verhandeling, bl. 506 en volgende.
skelet van een paardekop
”Men hangt nog hier en daar den ham (ovum) waarin een veulen ter wereld komt, in eenen hoogen boom. – Iemand in de Meeden had een paardekop boven zijn varkenskot hangen, ter bevordering van den groei zijner varkens.” Westendorp, bl. 518 – Welk een bittere val! Olwina in ”De koorknaap” gebruikte het skelet ten minste nog om de vijanden te verdrijven en honderd jaar later bezigt de oude Anna het om varkens te mesten.
haar schoteltje onder de tafel omkeert en er de helft uitsmijt
Westendorp verhaalt in zijn aanteekeningen bladz. 370, dat hij meermalen gewaarschuwd werd, in zekere huizen, waar hij als predikant ging, niets te gebruiken, dewijl hij alsdan minder gevaar liep van betjoend (behekst) te worden; doch wanneer hij er niet af kon, moest hij iets uit het schoteljte onder de tafel storten.
Vurigen Landmeter
Te Peise, Roon, Norg, enz. in Drente, ziet men somtijds des nachts vurige mannen bezig, zooals het schijnt, om het land te meten; zij maken veel gedruisch met de kettingen en roepen gedurig: ”lijk, lijk, lijk.” In Duitschland houdt men ook de vurige lichten die in het veld ronddwalen, voor landmeters, die de marken eertijds bedrieglijk gemeten hebben, en uit dien hoofde veroordeeld of verdoemd zijn, om na hun dood rond te waren, ten einde de grensscheidingen te behouden.” Westendorp, bl 511..
Balderik van Kleef, Heer van Oldenzaal
Volgens Van Heussen, Oudheden van Deventer, I, bladz. 253, hebben de Vrijheeren van Kleef eertijds Oldenzaal in eigendom bezeten, en wel in de eerste plaats Boudewijn I, die ze in den jare 817 met vesten zou hebben omringd. De laatste bezitter was Balderik, bijgenaamd de Goede, Bisschop van Utrecht, die de stad in het jaar 970 aan de kerk van Sint-Maarten overgaf; sedert welken tijd de Bisschoppen van Utrecht Heeren van Oldenzaal zijn geweest. De Balderik van ons verhaal is een versierd personage.
De Hunenborg
De Hunenborg, zooals die thans zich vertoont, wordt beschreven in het vertoog van den Oldenzaalschen Rector Weeling, betiteld: de Hunenborg in Volte, bl. 3. [Overijselsche Almanak voor 1837 en in het Nog iets over den Hunenborg, van den Heer J. Helderman [Almanak voor 1838. In deze beide stukken, waarin niet slechts de volksoverleveringen aangaande die zoogenaamde Hunen voorkomen, maar ook met een schrander oordeel onderzocht en in verband met de geschiedenis gebracht worden, heb ik niet alleen de aanleiding tot mijn verhaal, maar ook de bouwstoffen daarvoor gevonden: en hoe getrouw ik mij daaraan heb trachten te houden, heb ik reden van te vreezen, dat de oorspronkelijke naïveteit door de inkleeding niet gewonnen, maar veeleer verloren heeft.
den deurstipel trof
Het verhaal van den boerenknaap der erve Scholte Linde, die door den Hun werd nagejaard, komt bijna woordelijk overeen met de volksoverlevering, op bladz 11 en volg. van het vertoog des Heeren Weeling te vinden. Intusschen kan ik niet nalaten te dezer gelegenheid de verwantschap, althans de gelijkheid te doen opmerken, die er bestaat tusschen de ontmoeting van dezen knaap met den Hun, en die van een anderen met een Wit Wijf, zooals zij verteld wordt in het vertoog over de Witte Wiven van den Heer Halbertsma, in denzelfden Almanak, bl. 243. Die laatste knaap, onder Borne in Twente wonende, had, zegt de schrijver, met zijn baas gewed, ”dat hij in ’t holst van den nacht naar de belter zoude gaan en tergen de Witte Wiven. Zoo gezegd, zoo gedaan; de boer leende zijn paard, en toen de maan achter Oldenzaal was opgegaan, reed hij regelrecht op de geheimzinnige heuvelen aan. Hier gekomen, duwde hij met een stoute hand een puntig ijzer in een der belten, waarop in een oogenblik alle wiven uit dezen en omliggende heuvelen oprezen, om den vermetele te vermorzelen. Doch hij te paard en op de vlucht, vervolgd door al de wiven, die hem zoo na op de hielen zaten, dat hij even voor haar de deur van zijn boers woning bereikte en kon toegrendelen. Dit was hoog tijd: want een der dames was hem zoo dicht aan, dat zij nog met een handbijltje naar hem wierp, doch gelukkig den post van den deur trof, dat er de splinters afvlogen. Het is maar korte jaren geleden, dat de sporen van de bijl nog aan den deurpost van den boer zichbaar waren.”

Om de overeenkomst van dit verhaal met het onze (of dat des Heeren Weeling) nog beter in ’t oog te doen vallen, diene men te weten, dat zoowel de spies, waarvan de eenen boerenknaap zich tegen den Hun bedient, als het puntige ijzer van den anderen, in de Twentsche volkstaal met het woord spit wordt aangeduid. Een derde, mede gelijksoortig sprookje, door den Heer Halbertsma aangehaald, waarin geen Hunen of Witte Wiven, maar Trollen de hoofdrol spelen, bevestigd al wederom de waarheid der opmerking dat vele, in den eersten opslag verschillende, volkslegenden, inderdaad slechts eenen en denzelfden oorsprong hebben.

Magyaren/Madscharen
De Magyaren (van Lennep’s Madscharen), die zichzelf nog steeds beschouwen als afstammelingen van de Hunnen, verlieten in de negende eeuw hun toenmalige woonplaats aan de Wolga en terroriseerden het Frankische rijk. Hendrik de Vogelaar kon ze in de tiende eeuw uit zijn stamland Saksen verdrijven, zoals Olberts verhaalt. Zijn zoon Otto de Grote versloeg ze in de slag bij de Lech in Beieren. Daarna trokken de Magyaren zich terug en stichtten Hongarije. Ze bekeerden zich tot het Christendom en werden een gerespecteerd Europees volk.


[Jacob van Lennep pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.