Onze voorouders

Ao. 1048

Jacob van Lenneppagina

Ulrich de zanger

I

Het was in de helft der maand Augustus. De zon had haar loop bijna volbracht en stond juist op die hoogte aan het zwerk, van waar haar stralen vlak nedervielen door de opene vensterbogen in de groote zaal van het grafelik slot te Vlaardingen. Het was een ruim en hooggewelfd vertrek; evenals het kasteel zelf, van die Romaansche bouwourde, wier sporen nog aan sommige onzer oudste kerken te vinden zijn: en de enkele meubelen en pronkstukken, die men er tot gemak en versiering had aangebracht, waren weinig in overeenstemming met den zwaarmoedige stijl van muurwerk en gewelven, met de ruw opgemetselde schouwe en met de zware deuren, aan welke laatste men meer ijzerwerk dan hout gewaarwerd, en welke eerder den toegang tot een staatsgevangenis, dan tot een hofzaal scheen te verleenen.

En geen wonder! – Vlaardingen, de zetel van den machtigen Graaf van Holland, was als zoodanig niet minder dan een doorne in ’t oog van den spijtigen nabuur dan het bloeiende Dordrecht, waar de Duitsche handel zijn stapelplaats had en cijns betalen moest; beide die steden hadden reeds meermalen haar muren door vijandelijke aanvallen bedreigd gezien: en waren nu slechts weinige maanden geleden op de een oogenblik zegevierende legers des Duitschen Keizers heroverd. De pracht en geriefelijkheden des levens moesten er dus achterstaan bij de zorg voor veiligheid en verdediging: en men had ook uit dien hoofde, bij de oprichting van het slot waarvan wij spraken, meer op ’t oog gehad een vaste en verweerbare sterkte te stichten, dan wel een bevallig en gerieflijk woonverblijf.

In de hierboven genoemde zaal was een jonge en schoone vrouw in het midden van haar gezellinnen gezeten. Haar uiterlijke tooi was eenvoudig, maar van fijne en welgekozen stoffage: slechts de bonte rand om den halskraag onderscheidde hare kleeding van die der overige vrouwen en maagden, daar vergaderd; maar dit schijnbaar gering verschil, en daarbij de hooge zetel, met een leuning en een kroontje in ’t snijwerk voorzien, en meer nog het zegelmerk van waardigheid en ernst, hetwelk de gewoonte van te gebieden op de overigens kinderlijke trekken had gedrukt, zouden aan den onbescheiden vreemdeling die hier ongemerkt ware binnengedrongen, in haar de gemalin des Graven, Othilde van Saksen, hebben doen kennen. Om haar heen zat, evenals een jonge zwanendrift om de moeder, een zwerm vrouwen en meisjes, allen in den bloei der jaren, en zich nevens haar onledig houdende met het borduren van een kostbaar tapijtwerk, voor de Abdij van Egmond bestemd. Het was een genoeglijk schouwspel, al die blanke en poezele handjes te zien, die zich tusschen de veelkleurige wol en het schitterende gouddraad bewogen; en die lieve blonde hoofdjes, die achter den zwarten grond van het tapijtwerk en tegen de sombere gewelven vroolijk uitstaken, gelijk door de zon verlichte bloemen tegen een duister veschiet.

Op een betamenlijke afstand en tegenover dat bevallig gezelschap was een wezen van een geheel ander soort gezeten. Hij was de eenige man bij zoovele vrouwen, en zijn voorkomen gaf genoegzaam te kennen, dat hij niet aan rang of geboorte, maar aan geheel andere verdiensten de hooge eer verschuldigd was, van zich in tegenwoordigheid eener zoo luisterrijke schaar te bevinden. Zijn kleeding was wel is waar van kostbare stoffage, doch meer opzichtig en rijk, dan met smaak gekozen; en de verschoten kleur van zijn tabberd zoowel als de weinige glans zijner hals- en armbanden duidden aan, dat zoo hij een zwierig uiterlijk najaagde, hij te achteloos of onverschillig was om, aan rijkdom van kleedij, ook smaak en netheid te paren.

Ofschoon den leeftijd reeds bereikt hebbende, waarop in die dagen bijna ieder wereldlijke ten strijde toog, droeg hij geen wapen, tenzij men een zakmes, dat in een lederen scheede uit zijn gordel stak, met dien naam verkieze te bestempelen. Zijn beroep was ook niet van dien aard, dat hem het dragen van eenig moordtuig voegde: en de zilveren sleutel, die aan een ketting van hetzelfde metaal om zijn hals hing, scheen het vermogen te bezitten om hem overla een vrijen in- en uittocht te verzekeren. Eigenlijk diende die sleutel slechts om de harp te stemmen, die op zijn knieën lag en waaruit hij kort te voren tonen gelokt had, liefelijker dan ooit te voren in het slot te Vlaardingen herklonken.

Het gelaat des minnezangers of vinders had niets, dat bij den eersten inblik innam of behaagde. Vale en onbeduidende wezenstrekken, een breed en vèrvooruitstekend voorhoofd, bekroond met een dicht bosch van ongekemde gitzwarte haren, een platte met wijde neusgaten voorzien neus, lippen, eener neger waardig, en een korte, terugwijkende kin, allen echte kenmerken van het Slavoonsche ras, maakten van Ulrich van Lutzelburg geen man, geschikt om vrouwenharten te bekoren: zelfs zijn grauwe oogen gaven bij een oppervlakkige beschouwing noch vernuft te kennen, noch levendigheid van geest: integendeel had de onbestemde en loensche blik, waarmede hij gewoonlijk om zich heen zag, een uitdrukking, die nu eens van valscheid, dan weder van onnoozelheid verdacht scheen; maar, wanneer hij eenmaal van zijn kunst begon te spreken, of wanneer hij de hand van zijn speeltuig sloeg en den gloed, die hem bezielde, uitstortte in melodieën, dan had er op zijn wezen een trapsgewijze verandering plaats, die, wanneer zij eenmaal volbracht was, hem onkenbaar maakte in de oogen van al wie hem nooit in de ure der verrukking aanschouwd had. Dan verdeelde langzamerhand de vale kleur van zijn gelaat zich in twee afzonderlijke tinten, even gelijk twee wijnsoorten van verschillende kleur en zwaarte in ’t zelfde glas gemengd, zich vaneenscheiden: een gloeiend rood verfde zijn wangen: en de kleur van het breede voorhoofd werd doorschijnend wit, doorkronkeld met sterke blauwe aderen, die men te gelijk met den toon des lieds zag zwellen en zich opzetten; – dan rezen zijn haren omhoog als de manen van een brullende leeuw: dan trilden zijn lippen als de snaren van een speeltuig, en gaven beurtelings trotschheid en deernis, verachting en vreugde te kennen: – dan sloten en verwijdden zich zijn neusgaten als die van een moedig strijdpaard: – dan eindelijk nam zijn blik van lieverlede een meer bepaalde uitdrukking aan: de oogleden verwijderden zich van elkaar: de appels werden grooter: het vuur der verbeelding schonk glans en vermogen aan den oogopslag: en de gewonen onbeteekenende mensch, wien niemand een groet zoude hebben waardig gekeurd, stond herschapen in een machtigen Bard, die, gerust op het vermogen des vernufts, bewondering en ontzag kon afvorderen.

Een dienstman van den Paltsgraaf Otto geboren, had Ulrich, reeds van zijn kindsheid af, niet slechts die neiging voor zang- en toonkunst aan den dag gelegd, welke zijnen landaard eigen is, maar zich door zulke vorderingen in beide onderscheiden, dat hij de aandacht verwierf van den wakkeren Engelhart van Lach, des Paltsgraven broeder, die hem van den lagen trap, welke hij in de maatschappij bekleedde, tot zich ophief en aan zijn persoon verbond. Sedert genoot hij de leiding der meest begaafde Zwabische zangers, wier roem zich toen reeds door Europa begon te verbreiden: hij volmaakte zich meer en meer, en weldra werd ook zijn naam vermaard; want zoowel het hof van den Paltsgraaf als dat van den Keulschen Aartsbisschop, mede een van Engelharts broeders, bood hem de gelegenheid aan, zijne begaafdheden voor de aanzienlijkste toehoorders ten toon te spreiden; en eerlang beschouwden het al de Rijksvorsten als een voorrecht, wanneer zij bij de door hen gegeven feesten op de tegenwoordigheid van Ulrich van Lutzelburg mochten rekenen.

Dan, ofschoon hij bewondering afdwong, aan weinigen boezemde hij achting of vriendschap in. De sporen eener ruwe, verwaarloosde opvoeding, die zich te vaak bij hem vertoonden, een wrevelige lichtgeraaktheid (helaas! zoovelen kunstenaars eigen!), een ongebondene levenswijze en een weinig belangrijk onderhoud, wanneer het zijn lievelingsvakken niet gold, waren zoovele donkere zijden, welke zijn schitterende verdiensten in de schaduw stelden. Slechts één mensch op aarde betoonde hem een ware genegenheid: het was Engelhart van Lach, zijn eerste beschermer: en aan dezen was Ulrich wederkeerig verknocht met een gehechtheid, waarvoor men hem onvatbaar zoude geoordeeld hebben, en welke alleen gelijkgesteld kon worden aan die, waarmede hij zijn speeltuig liefhad.

En inderdaad, niet zonder reden waardeerde hij de sierlijke harp, die thans op zijn knieën lag: zij was het loon zijner kunst, en reeds bij zijn eerste schrede op de dichterlijke loopbaan door hem verdiend, toen hij te Regensburg met zeven zangers naar den prijs dong en uit een vorstelijke hand die welverwonnen gift mocht erlangen: zij had hem op al zijn tochten verzeld en overal nieuwe lauweren doen inoogsten; zij was van het kostelijkste hout vervaardigd en met keurige versierselen ingelegd: en de tonen, die zij sloeg, waren zoo zuiver en welluidend, dat geen ander snarentuig in staat was met evenveel volmaaktheid uit te drukken, wat de meester gevoelde en aan zijn toehoorders wilde doen gevoelen.

Ook nu had de harp haar gewone uitwerking gedaan, en de lieftallige schoonen, om Othilde vergaderd, opgetogen van bewondering gelaten; – maar vooral was de edele Gravin zelve verrukt, wederom eens zangen te hooren, zooals zij die zelde vernam, sedert zij de Saksische landpalen verlaten had. Haar blik rustte met een uitdrukking van dankbaarheid op den begaafden zanger; maar weldra sloeg zij dien weder op haar tapijtwerk: want de ingeving, welke den jongeling bezield had, was geweken; zijn gelaat was weder effen en zonder tinten, gelijk de natuur na den ondergang der zon, en zijn oogen stonden flets en levenloos, als ware hij zelf, gelijk zijn harp, slechts een onbezield werktuig, door een kunstrijke hand te zamen gesteld om akkoorden voort te brengen.

Een oogenblik later echter, wanende, dat de zanger aan haar stilzwijgen een ongunstige uitlegging zou kunnen geven, en zijn eergevoel niet willende kwetsen, licht Othilde weder het bevallige hoofdje op en sprak hem toe in de volgende woorden, die met een betooverende glimlach verzeld werden:

”Waarlijk! meester Ulrich! wij zijn grooten dank verschuldigd aan die booze ziekte, die u binnen het Markgraafschap gehouden heeft, en zonder welke gij ongetwijfeld verre van hier zoudt zijn om de gasten, op het steekspel te Luik te vermaken.”

”In waarheid,” zeide Ulrich, terwijl zijn aangezicht door die gedachte even werd opgeklaard: ”daar moest ik zijn: daar zal om den prijs gezongen worden, en nu zal Eberhard van Meiningen daarmede gaan strijken; want Koen van Zwaben, mijn beste leerling, bevindt zich in Utrecht: – nu! men moet ook anderen wat gunnen: Eberhard heeft reeds dikwijls genoeg zijn keel heesch geschreeuwd zonder iets te ontvangen. – En mijn goede Heer Engelhart zal ook weinig in zijn schik zijn, dat hij Ulrich niet heeft om hem als verwinnaar op het steekspel te begroeten.”

Bij het hooren van dit gezegde des meistreels zagen de jonge meisjes elkander glimlachende aan en de Gravin sloeg de oogen neder. Slechts eene van uit den hoop, Aleide van Brederode, wierp een ontevreden blik op den zanger: zij, een bloedverwante van Graaf Dirk, begreep, dat het den vreemdeling weinig betaamde, aan het Vlaardinger hof iemand anders als vermoedelijken overwinnaar op het steekspel aan te duiden dan het doorluchtige gesleacht. ”Naar het mij toeschijnt,” zeide zij, zich met een spijtigen lach tot de Gravin wendende, ”weet deze vinder niet dat de Graaf van Holland zich mede te Luik bevindt; anders zou hij met wat minder gewisheid den zegepalm aan dien Engelhart van Lach toekennen.”

”Heil en eere den edelen Grave!” zeide Ulrich, een weinig verlegen over de woorden, die hij zonder nadenken geuit had: ”maar voorwaar! hij zal aan mijnen Heere Engelhart van Lach een geduchte tegenpartij hebben en de hulp van zijn H. Patroon behoeven om niet uit den zadel gelicht te worden; want hoe grooter zijn roem is, zoo veel te eerder zal zich Engelhart tegen hem overstellen.”

”Heilige Maagd! wat zegt gij daar?” vroeg de Gravin, verbleekende en den draad aan hare vingers latende ontsnappen.

”Dwaasheden!” zeide Aleide: ”het bloed van Gerolf vreest de gevelde lansen niet: en uw doorluchte gemaal zal den roem van zijn geslacht wel weten op te houden.”

”Neen! mijn lieve nicht!” hernam Othilde, zich naar Aleide buigende en zacht genoeg sprekende om niet door den vinder te worden verstaan: ”ik vrees, dat hij maar al te zeer de waarheid spreekt. Vanwaar anders die merkwaardige overeenstemming tusschen zijn waarschuwing en die, welke wij hedenmorgen ontvingen?”

”Wat bedoelt de Gravin?” vroeg Aleide, die op dien morgen van het kasteel was verwijderd geweest.

”Och!” antwoordde deze: ”ik had den Bijbel in de Hofkapel laten raadplegen om naar het lot van mijn gemaal te vernemen: en de plaats die zich voordeed luidde, volgens de verklaring van Pater Wolfbrand: ”en de engel stond op tegen Balaam....” engel, Engelhart, nu beseft gij de oorzaak mijner bekommering.”

”Maar!” zeide Aleide: ”ik zie niet, dat zulks nog bewijst dat de Graaf overwonnen moet worden.”

”En dan,” vervolgde Othilde, ”het gekras van dien nachtvogel, die alle avonden op den lindeboom recht tegenover mijn slaapsalet gaat zitten, is ook niet zonder voorbeduiding. Och! ik zorg, er heeft een ongeval plaats gehad.”

Op ditzelfde oogenblik deed zich een luidruchtig rumoer buiten het slot hooren. Het was een verward geschreeuw en gegalm, een gedraaf en een gedruisch, alsof de gansche bevolking van Vlaardingen op de been was.

Wanneer men de oorzaak eener volksopschudding niet kent, valt het moeilijk, alleen op het gehoor af te onderscheiden of die het gevolg eener oproerige beweging is dan wel of zij haar oorsprong aan een blijde aanleiding verschuldigd is. Het is niet te verwonderen, dat Othilde, wier geest op dit oogenblik met sombere gedachten bezig was, aan dat woest rumoer een ongunstige uitlegging gaf en door den gewaarwording van angst werd geschokt.

”Heilige Maagd!” riep zij! ”wat is dat? slaat het volk aan ’t muiten?”

”Wees bedaard, Mevrouw!” zeide Aleide: ”het zijn blijdschapskreten. Hoor! men roept: leve Graaf Dirk!”

”De Graaf!” riep een dienaar, die onthutst en met driftige schreden de zaal kwam instuiven.

”De GraafF!” herhaalden allen met een kreet van verbazing. Othilde wilde naar buiten snellen; maar reeds aan de deur kwam zij haar echtgenoot tegen, die haar in zijn armen sloot.

”Nu verrast gij mij waarlijk,” zeide zij, zich met uitgelaten blijdschap aan zijn borst klemmende.

Het overige gezelschap deelde echter niet zoo gaaf in de vreugd der Gravin; integendeel stond een uitdrukking van verlegenheid en zorg op elk gelaat te lezen: het steekspel te Luik moest den vorigen dag hebben plaatsgehad: en de afstand van daar naar Vlaardingen was te groot om in vier en twintig uren afgelegd te worden. Derhalve, òf de Graaf had het tornooi niet bijgewoond, gelijk toch zijn stellig voornemen was toen hij vertrok: – òf hij had het voor den afloop moeten verlaten: en geen van beide kon plaats hebben gehad zonder gewichtige en ongetwijfeld ongunstige oorzaken. Ook waren de gloeiende wangen en verwilderde blikken des Graven, de sombere, mistroostige houding van zijn broeder Floris, die hem gevolgd was, en de verwarde staat, waarin zich hun rusting en kleedij bevonden, weinig geschikt om iemand omtrent de aanleiding hunner onverwachte terugkomst gerust te stellen.

”Is mijnen Heere iets overkomen?” vroeg ten laatste Othilde, toen zij mede de uitdrukking gewaarwerd van des Graven gelaat: ”uwe genade schijnt geweldig verhit en heeft met al te veel spoed gereden.”

”Ik heb gereden met den spoed, die vereischt wordt, wanneer men voor zijn leven rijdt.” zeide de Graaf: ”en wij zijn wel een nieuwe kapel aan Sint-Albert schuldig, dat wij er heelshuids afkomen. – Hier knapen! verlost mij van deze wapens! brengt mijn tabberd en een verschen dronk!”

Othilde trad sidderen terug, om aan de schildknapen gelegenheid te geven, huns meesters last te volbrengen. Zij zag nu eerst, dat haar gemaal een vreemden, gemeenen helm op had, dat zijn borstharnas vol zat van bulten en krassen, dat er bloed op zijn wapenrok kleefde en dat de beenstukken op sommige plaatsen verbrijzeld waren.

”Bij alle Heiligen! verhaal mij toch, wat u gebeurd is,” hervatte zij, doodsbleek, met gevouwen handen en een traan in ’t oog voor hem staande.

”Ik bid u, Heer Oom!” vroeg Aleide van Brederode aan Floris, terwijl deze zwijgend zijn wapenrok uittoog: ”verhaal ons toch!.... de Leeuw van Holland is immers niet met schande uit het steekspel teruggekeerd.”

”De Leeuw van Holland mist twee zijner welpen,” antwoordde Floris op verdrietigen toon.

”Wil mijn Heer, dat men zich verwijdere?” vroeg de Gravin aan haar gemaal: ”er zijn wellicht zaken voorgevallen, die niet openlijk bekend moeten worden.”

”Neen!” antwoordde Graaf Dirk, het hoofd opheffende, en met een luide stem: ”ieder mag gerust weten, wat er gebeurd is: en, dank zij onze Lieve Vrouwe, de Graaf van Holland behoeft zich nergens voor te schamen. Luistert!”

Er had een diepe stilte plaats. Al de juffers drongen naderbij om beter te hooren: en Ulrich van Lutzelburg, die op het punt geweest was, de zaal te verlaten, bleef met gespannen aandacht op eenigen afstand staan. Op dit oogenblik bracht een dienaar een beker binnen.

”Drink eerst,” zeide Othilde, terwijl zij haar echtgenoot naar den zetel geleidde, dien zij zooeven verlaten had.

”En verhaal ons nu,” vervolgde zij, nadat Dirk, gedronken hebbende, den beker aan zijn broeder overreikte: ”mijn Heer is zeker niet op het steekspel te Luik geweest?”

”Ik kom er vandaan,” antwoordde de Graaf, ”en ik heb doorgereden zonder rust te nemen; want ik wilde niet, dat iemand mij vooruit zoude wezen, om u hier te ontrusten en de kwade tijdingen, die ik breng, nog te vergrooten: in ’t kort: ziehier het geval: het steekspel was aangevangen in goede eendracht en liefde: na eenige ontmoetingen viel mij het lot te beurt, mij te bevinden tegenover Engelhart van Lach, den broeder des Keulschen Bisschops.”

”Bij de wonden onzes Heeren! daar hebben wij het al!” riep de Gravin uit. De minnezanger deed een stap voorwaarts en zijn gelaat teekende levendige belangstelling.

”Ik had veel van dien Engelhart gehoord,” vervolgde de Graaf: ”en dat men hem voor een der kloekste ridders van Duitschland hield. Ik had mij daarom van de beste lans voorzien die te bekomen was, en voor rusting, zadel en stegelreep meer dan gewone zorg gedragen! Wij reden op elkander aan. .. helaas!”

”Uwe Genade miste hem toch niet?” riep de bezorgde Aleide uit.

”Gave God dat ik hem gemist had,” zeide de Graaf! ”ik trof hem met zooveel kracht, dat hij van ’t paard tuimelde; hij kwam met het hoofd op een der palen van het tusschenschot neder .... hoe weet ik niet .... althans de brave ridder stond niet meer op.”

”Niet weder op!” herhaalde Ulrich met een gesmoorde stem, terwijl hij zich de handen wrong; – de overige toehoorders bleven bedrukt en zwijgend om zich zien.

”Was het mijne schuld?” vervolgde de Graaf: ”mijn halve graafschap had ik er voor gegeven om hem in ’t leven terug te roepen. Met liefde had ik een kapel gesticht om er zielmissen voor hem te doen lezen; maar wat gebeurde er? De schildknapen van Engelhart mompelden, dat ik hem verraderlijk had neergestooten. De Bisschop van Keulen, de Paltsgraaf van den Rijn en de Lutzelburger kwamen met hun dienstmannen op mij aangereden, wraak roepende over den dood van hun broeder. Hun had ik nog kunnen vergeven; gramschap en broederliefde redeneeren niet; maar dat de Bisschop van Luik, die het steekspel had aangelegd en in de zaak tot scheidsman had moeten strekken, althans zich onzijdig houden, dat die mede tegen mij partij trok, dat vergeef ik hem nimmer!”

”Hoe! zonder de zaak te onderzoeken?” vroeg de Gravin.

”Zonder eenig onderzoek! Het ridderspel werd in schrikkelijke ernst veranderd. Van alle zijden drong men op mij aan. Mijn broeders, mijn neven van Teisterband en Kleef, onze ridders en knapen schaarden zich aan mijn zijde. Het gelukte ons, door dien verbitterden hoop heen te slaan; maar helaas! het kostte aan Aernout en Willem het leven.”

”Die ongelukkigen!” zuchtte Othilde: ”twee zulke brave, beminnelijke knapen!” En al de aanwezigen stortten tranen over het lot der edele basterds van Dirk III.

Niet alzoo de vinder Ulrich. Stokstijf en zonder dat een lid van zijn lijf zich bewoog, had hij den Graaf aangehoord. Al zijn bloed was hem naar het hart teruggevloeid en zijn geheele denkvermogen had zich tot één punt verenigd: den dood zijne geliefden meesters. Van hetgeen de Graaf verder sprak had hij niets vernomen; deze enkele gedachte hield hem bezig: die man daar is de moordenaar van Engelhart van Lach. Eindelijk, toen Graaf Dirk zijn verhaal geëindigd had, dat door een diepe stilte werd vervangen, scheen het Ulrich toe of hij uit een droom ontwaakte! een rilling overviel hem: zijn gelaat werd bloedrood: de geest der wraakzucht maakte zich van hem meester en deed hem het oog voor alle gevolgen sluiten: hij maakte zijn speeltuig los, trok het mes uit, dat aan zijn zijde hing, en (men verschoone dezen afgesletene, maar hier geheel passende vergelijking) als een tijger, die van uit de diepte der bosschen schiet en den buffelstier in ’t midden der kudde op ’t lijf valt, zoo kwam ook hij met eenen sprong tusschen de argelooze vrouwen door op den Graaf aan. Men zag het staal blinken. Een algemeene gil deed zich hooren; maar niet langer dan een enkel oogenblik duurde de angst der aanwezigen, want het volgende zag den moordenaar wapenloos en door de sterke vuist des Graven bedwongen. Deze, hoe onvoorbereid, had echter door een tijdigen beweging den arm gegrepen, die gereed was hem te treffen en hield nu den zwakken vinder met evenveel gemak onder zich als de gier een tengere duif.

”Hoe nu! wat wil dit?” vroeg Graaf Dirk, met de oogen fonkelende van gramschap, terwijl hij den arm des trillenden en doodsbleeken zangers zoo krachtig tusschen zijn gespierde vingers kneep, dat men de beenderen hoorde kraken: ”moest ik de Luiksche verraders ontkomen om aan mijn eigen haard voor den moorddolk bloot te staan?”

”Neem mijn leven, gelijk gij dat van mijnen Heer Engelhart genomen hebt,” zeide de vinder, op een doffen toon.

”Hoe! wat meent hij?” vroeg de Graaf: ”zijt gij een dienaar van Engelhart? En hebt gij vleugels gehad om mij hier vooruit te zijn; want bij Sint-Aelbert! mij duntk, ik heb uw leelijke tronie reeds bij mijn komst hier gezien. Welnu! wie lost mij dat raadsel op?”

De Gravin was van ontsteltenis onmachtig een woord te uiten; maar Aleide van Brederod gaf de verlangde inlichtingen.

”O ho!” zeide de Graaf: ”waait de wind uit dien hoek? – En dacht gij waarlijk, nietige worm!” vervolgde hij, den moordenaar tusschen zijn handen heen en weder wrijvende, alsof hij hem ot pulver wilde malen: ”dacht gij den man te zullen vellen, tegen wien uw meester te kort schoot?”

”Veroorloof,” zeide Floris, toetredende, ”dat de dienaars u van dezen schelm afhelpen. Het komt niet met den eer van een Graaf van Holland overeen, zijn handne aan zulk een nietigen booswicht te bezoedelen.”

”Een oogenblik!” zeide de Graaf: ”die man heeft wellicht nog iets in te brengen. Misschien vraagt hij genade.”

”Ik gevoel,” zeide Ulrich, dat het dwaas ware, om het leven te bidden, wanneer men zich in de klauwen des leeuws bevindt.”

”Welnu!” hernam de Graaf, den moordenaar loslatende en hem midden in den kring stootende: ”dan bedriegt gij u: ook de leeuw kan zich genadig betoonen: en wanneer hij den elefant heeft geveld, zal hij niet op een stinkende bunsing woeden. Ga heen! Ik schenk u het leven.”

”Graaf!” riep Floris ontsteld: ”dat is meer dan genade; dat is onvoorzichtigheid.”

”Integendeel!” zeide Dirk op een halfluiden toon: ”dat is zorg voor mijn eer. Men heeft mij reeds den dood van Engelhart geweten: hoeveel te gretiger zou de later te werk gaan, wanneer men ook dien van dezen zanger mij kon wijten. – Maar hoe!” hier keerde hij zich tot Ulrich: ”nog niet van hier?”

De zanger, die tot dien tijd als versteend was blijven staan en zelf kwalijk besefte of hij wel begrepen had, kwam bij deze toespraak tot zich zelven: met langzame schreden ging hij zijn harp halen en maakte zich toen gereed om te vertrekken tusschen de vrouwen door, wier groep zich sidderend voor hem opende.

”En hoor nog dit, ellendige kermisgast!” riep hem Graaf Dirk achterna: ”indien gij u ooit weer verstout, uw valsche snaren binnen de grenzen van mijn gebied te doen klinken, dan zal uw lichaam tot een aas der kraaien strekken, dat zweer ik u bij mijn heiligen Patroon!”

Helaas! de goede Graaf had den moordenaar het lijf geschonken; waarom moest hij den zanger beleedigen?



[Deel II] [Jacob van Lennep pagina

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.