Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

Ulrich de zanger

II

[Deel I]

Het was aan den oostzijde van Dordrecht en nabij den oever der Merwe, dat Gysbert Goossen de herberg bestuurde, hem door zijn vader nagelaten. Moeilijk had men in die dagen een meer geschikte standplaats ter uitoefening van een dergelijk bedrijf kunnen aantreffen. Op vijftig schreden toch van daar lag het bootje vast, waarmede de vaart naar de overzijde plaats had: en de veerman maakte nooit zooveel haast met van wal te steken, of hij liet altijd aan de reizigers gelegenheid, om zich bij buurman Goossen te gaan verfrisschen en er den noodigen moed op te doen tegen den te aan vaarden tocht: – een dienst, welke de dankbare waard hem vergold, door hem zijn aandeel van de bierkan voor niet te doen geworden en hem op Zon- en feestdagen een plaats onder de schouwe en een deel aan het avondmaal te gunnen.

Bovendien was Dordrecht een drukke en levendige stad, waar zich bestendig schepen ophielden, zoo om aan den sedert dertig jaren aldaar gestelden tol te voldoen, als om er hun waren te slijten: en zoowel de platgeboomde vaartuigen, die den Rijn afzakten, als de zeeschepen, die hun lading van die stapelplaats kwamen halen of brengen, verwekte er een onophoudelijke levendigheid en vertier. Veelal kwamen de kooplieden in persoon op de door hen uitgeruste schepen hun gading zoeken of hun waren uitventen, en bleven natuurlijk eenige dagen, ja soms weken achtereen in die stad doorbrengen; en dan was het op rustdagen of zomeravonden hun gewone uitspanning naar Gysbert Goossen te kuieren en zijn gekruiden wijn of zijn gerstebier te proeven. En daar beide zoo goed waren als men die op tien uren in den omtrek bekomen kon, en onze waard bovendien een goede, vrolijke gast was, die aan zijn klanten niet hooger rekende dan noodig was om het fatsoen zijner herberg op te houden, en althans minder dan in de stad zelve, zoo was het geen wonder dat zijn karretje op een zandweg reed, en dat weldra, eerst een kaatsbaan, en vervolgens een nieuwe mastboom, meet een bontkleurigen vogel op den top, nabij de herberg vertoonden, beide nieuwe genoegens voor de Zondagen belovende.

Het was een weder op zulk een dag, en wel ongeveer vier en twintig uren nadat het vroeger verhaalde op het kasteel te Vlaardingen had plaats gehad, dat zich het erf naast en om de gouden Druif vereerd zag met een talrijk en van alle zijden te zamen gevloeid gezelschap. De kaatsbaan was, wel is waar, op dit oogenblik verlaten; maar des te drukker ging het schieten naar den vogel zijn gang, waarmede ettelijke jonge lieden, meest ingezeten van Venoets-ee en van het naburige Putten zich vermaakten: en de eerlijke Gysbert Goossen lachte niet weinig in zijn vuist, wanneer hij zag, dat die knapen, zoo door het warme weer als door de aandrift van het spel verhit, schier zonder het te bemerken hun kroezen en kannen ledigden en onophoudelijk om nieuwe riepen.

Ook voor de herberg en onder het dak van groene wingerdranken, dat hen voor de brandende zonnestralen beschutte, zat een niet onbeduidend gezelschap, bestaande uit ingezetenen van Dordrecht, zoo koomens als ambachtslieden, onder den schuimenden beker bijeen, en, onder hen, vreemdelingen, overzeesche en naburige kooplieden, onderscheiden zoo door hun kleederdracht als door hun uitspraak, welke laatste echter toen niet dat merkbaar en bepaald verschil had, hetwelk, door het verloop der tijden en het vaststellen van spraakkunstige regels voor elken bijzonderen taaltak van den Germaanschen stam, later werd teweeggebracht.

Wat deze lieden betrof, zij waren uiteraard minder luidruchtig dan de vroolijke knapen, waar ik zooeven van gewaagde; doch heden schenen zij zelfs minder opgeruimd en blijgeestig dan gewoonlijk het geval was, wanneer zij, als thans, bij Gysbert Goossen de zorgen der week kwamen vergeten: ja, hun gesprek werd meestal op halfluiden toon gevoerd en ging niet zelden met een zucht of een bedenkelijk hoofdschudden gepaard. En geen wonder! want de onverwachte terugkomst des Graven was ruchtbaar geworden, en de redenen, welke daartoe aanleiding hadden gegeven en niet volkomen en in alle bijzonderheden bekend waren, veroorzaakten allerlei praatjes en geruchten, het een nog vreemder dan het andere. Ook het geval van den vorigen avond werd op verschillende wijzen, doch nog zeer verward, verhaald. Het eenige, dat aan ieder bekend was en wel het vreemdste van alles klonk, was een bevel, dien morgen te Dordrecht overgebracht, om alle vaartuigen, aan ingezetenen van Luik of Keulen behoorende, aan den ketting te leggen: om de waren en goederen, hun behoorende, in ’s Graven pakhuis op te slaan, en allen handel met die plaatsen te staken. Een dergelijke maatregel, in zulke omstandigheden, met zooveel spoed genomen, en ondanks de heiligheid van den dag omgeroepen, was wel geschikt om velen ter neder te slaan en aan allen bezorgdheid voor de toekomst in te boezemen; want, behalve dat sommige kooplieden hierbij onmiddellijke schade leden, konden allen lichtelijk voorzien, dat de machtige Rijksvorsten, wier onderdanen op deze wijze benadeeld werden, het er niet bij zouden laten zitten, maar maatregelen van weerwraak nemen, waarvan de gevolgen den handel van Dordrecht en wellicht der stad zelve duur zouden te staan komen.

Het was dan ook niet zonder een gewaarwording van medelijken en bezorgdheid tevens, dat zij nu en dan het oog sloegen op een groep lieden, die wat meer zijwaarts onder een lindeboom bijeenzat. Het waren de Keulsche en Luiksche kooplieden, wier belangen door ’s Graven maatregel gekrenkt waren, en die zich hier volgens afspraak vereenigd hadden om te beramen, wat hun te doen stond. Niet onbelangrijk ware het voor den menschenkenner geweest, de verschillende uitwerkingen gaande te slaan, welke de noodlottigen slag op elk van hen in ’t bijzonder gemaakt had. Sommigen waren geheel moedeloos en zaten in stomme wanhoop voor zich op den grond te kijken: bij anderen daarentegen had de spijt de overhand boven de droefheid: de een gaf zijn verdriet in zuchten, de ander in verwenschingen lucht: enkelen ook waren er, die men voor vroolijk en onbekommerd zoude hebben aangezien, zoo niet hun trillende stem en de krampachtige lach, die hun gezegden vergezelde, genoegzaam hadden aangetoond, dat die zoogenaamde vroolijkheid slechts aan een zenuwachtige aandoening haar oorsprong te danken had.

Deze groep was ook aan den eerlijken Gysbert Goossen niet ontsnapt, te minder, omdat het anders zijn beste een mildste klanten waren en dat zij heden nog geen penning bij hem verteerd hadden. Reeds meermalen had hij hun willen vragen of er iets van hun dienst ware; maar, hoewel verlegenheid anders zijn hoofdgebrek niet was, de goede waard had toch te veel gevoel van den toestand dier arme lieden om hun een vraag te doen, die zij wellicht voor een spotternij met hun ongeluk zouden aanmerken. Aan den anderen kant was hij beducht, dat, zoo hij zich in ’t geheel niet met hen bemoeide, deze achteloosheid hen zoude verstoren: hij hoopte nog altijd, dat de zaken zich zouden schikken, en dan was het zijn belang dat zijn herberg niet van zulke vermogende klanten verstoken bleef.

Hij vermande zich eindelijk en naderde dan neerslachtigen hoop met een houding, waarin schroomvalligheid en eigendunk dooreengemengd waren: zijn eene hand lichtte even den lederen kaproen op, die zijn grijsgrauwe haren bedekte, en met de andere rustte hij op de tafel, waar het gezelschap omheenzat.

”Wel!” zeide hij, ”meester Johan! ik groet u, en ook u, Reinhart Schmidt! en u allen. Dat is een treurige dag voor u geweest; – maar wij willen het beste hopen, en dat alles zich spoedig moge schikken: gij zult nog wel een penningske overgehouden hebben om bij den ouden Gysbert te verteren, en anders betaalt gij mij wanneer gij weerom komt. Waar kan het druivensap beter toe strekken, dan om ons op te beuren en te vervroolijken in leed of ongeval? Komt! wat zal het wezen, goede vrienden? Rijnsche wijn of Zedewaars? of verkiest gij liever van het oude bier?”

”Ai mij! goede vriend Gysbert,” zeide half schreiende Reinhart Schmidt, een koopman uit Keulen, wiens trekken den diepsten weemoed vertoonden: ”spreek mij van geen wijn noch bier. Gisteren was ik een man van vermogen en had een goed schip met granen in eigendom: – en vandaag ben ik een bedorven man en zal moeten loopen bedelen om den weg naar huis te vinden.”

”Bedelen!” herhaalde Goossen: ”ei kom! zooverre zal het toch niet komen. Geloof mij,” vervolgde hij op zacht vertrouwelijken toon, het hoofd over de tafel vooruitstekende: ”binnen een paar dagen is alles weer in orde: dan zal de drift van onzen lieven heer Grave, wien God behoede, wel bekoeld zijn. Hij heeft dat besluit in toorn genomen: en dan doet men wel meer dingen, waar men naderhand spijt van heeft.”

”Hij heeft het in toorn genomen, en hij zal het uit eigenbelang volhouden,” zeide op bitteren toon Humprecht de Zwarte, een Luikenaar, wiens uit den aard bleek gelaat de spijt en verkropte woede met een vale tint overdekt hadden, die treffend afstak bij zijn gitzwarten lokkken: ”ha! ha! denk eens, hoe zoet het is, wanneer men een schoon voorwendsel heeft, zulk een slag te doen en de vermeende wond, die de eer ontvangen heeft, met zulk een balsem te zalven. En nog zullen wij dankbaar moeten zijn, dat men ons genadiglijk het lijf schenkt.”

”Wat baat het ons,” zeide een ander: ”of zij ons het leven laten. Er schiet mij toch niets anders over dan van honger te sterven.”

”Of ons te verdrinken,” zeide met een akeligen lach Veit Wanck de Keulenaar: ”en dan nog liever in zoeten wijn, dan in brak water. Hei, ho! mijn maats! de waard heeft gelijk: wij moeten drinken en vroolijk zijn! En heb ik er geen reden toe? Gisteren was ik rijk en zat tot over de ooren in de zorgen. Graaf Dirk (Sinte-Ursel beloone hem) heeft een best middel geweten om die van mijn hals te schuiven. Komt! lustig dan! Gysbert, breng wijn! hier zijn mijn leste penningen: wij willen die samen verdrinken: – weg met alle ellenden van den rijkdom! Leve de armoede! Zijn hier geen speellui? Zang en dans moet er zijn! Hei! Ho! ik ben vroolijk!”

En welhaast, de wijnkan opnemende, die de waard hem bracht, begon hij met woestheid te zingen:

”Komt samen in ’t gezelschap! daar worde nu geschranst,
Gedronken en gezongen, gedreumeld en gedanst!
               Gedobbeld en gekanst!
                   Men roep’ om wijn!
                   Het moet zoo zijn!
               Dat is mijn hart-verlangst!”

De overige kooplieden zagen niet zonder tegenzin en walging den opgewonden toestand van hun metgezel. Zij poogden hem tot bedaren te brengen; maar nauwelijks zweeg hij, of het referein van zijn lied werd herhaald door een heldere vroolijke stem: en aller oogen vestigeden zich op een schoonen jongeling, die ongemerkt in hun nabijheid gekomen was. Zijn kleeding was net en wel gekozen, het ronde mutsje op zijn kastanje-bruine lokken en de blanke veder, die van daar langs zijn blozend en gul gelaat neerviel, niet zonder oordeel aldus te zijn geplaatst. Hij hield een Pansfluit in de hand, waarmede hij op een vrij kluchtige wijze zijn gezang afwisselde.

”Koen de zwaab!” riep Veit Wanck, den zanger terstond herkennende: ”eilieve! komt gij uit de lucht gevallen? – doch dat is hetzelfde. Kom hier aanzitten: drink, zing en speel! wees vroolijk met ons. Zing lustig op:

Geld is weg, goed is weg enz.”

”Bij Sint-Bonifaas!” zeide de zanger, hem met verbaasheid aanstarende: ”gij zoo uitbundig? dat ben ik nooit van u gewend geweest. Maar dat is om ’t even! Lang mij slechts een beker en ik zal gaarne voor u zingen. Ik heb eenige nieuwe liederen meegebracht: en ik tref het recht goed, dat ik zoo juist bij mijn komst een gezelschap van echte zangliefhebbers aantref: want om u de waarheid te zeggen, hier aan de Merwe heeft men den rechten smaak niet voor de muziek! Dan! hoe is het? Wat schort er aan? gij kijkt allen zoo vreemd uit uw oogen. Daar is Reinhart Schmidt, dien ik altijd opgeruimd gekend heb, die zet een gezicht, alsof al zijn granen door de muizen opgevreten waren.”

”Zijt gij dan zoo kort hier, dat gij niet weet wat er gebeurd is?” vroeg Reinhart met een zucht.

”Neen, waarlijk niet,” antwoordde Koen: ”ik kom zooeven van Utrecht en wel voornamelijk om mijn waardigen meester te zoeken, den wereldberoemden Ulrich van Lutzelburg, die, hoor ik, zich in ’t Markgraafschap ophoudt.”

”Wel! ga hem zoeken,” zeide Humprecht: ”want wij zijn thans niet in staat, uw liedern aan te hooren en te beloonen. En gij, Veit Wanck! eindig toch met drinken en neuriën. Wij zijn hier niet saamgekomen om ons te vermaken; maar om te overleggen wat ons te doen staat.”

Deze verstandige woorden maakten indruk op de aanwezige kooplieden, zelfs op den woeste Veit: en allen staken de hoofden bij elkaar om zich onderling te beraden.

”Nu! veel genoegen met uw geheimen raad,” zeide Koen: ”en kleinen dank voor uw beleefdheid. Ik zie wel, dat ik van u geen reisgeld bekomen zal om mijn weg te vorderen; maar, die goede koomens daar of die brave landlui zullen mij wel vrijhouden.”

Aldus sprekende had hij zich langzamerhand van de kooplieden verwijderd en begon hij zijn liederen in de nabijheid der Dordtenaren te zingen. Na bij hen eenige penningskens te hebben ingeoost, naderde hij de schutters, die onder een blij gejoel hun spel bleven voortzetten. Terwijl hij, op een kleinen afstand, doch buiten de omheining van het schietperk zijn gezangen deed hooren, trok een der schutters zijn opmerkzaamheid zoozeer, dat hij het oog niet van hem kon afhouden. Het was niet de behendigheid van dien persoon, die zijn aandacht wekte: want de man scheen in het hanteeren den kruisboog ten eenenmale onbedreven: en de onhandige wijze waarop hij niet zelden den pijl op eenigen afstand van den vogel zond, deed hem meer dan eens uitjouwen door de vroolijke landjeugd; – maar de gestalte van den vreemdeling, wiens gelaat door een loshangende kaper verborgen was, kwam aan Koen bekend voor.

”Hier, goede vinder!” zeide Gysbert Goossen, terwijl hij Koen op zijde kwam en hem een vollen beker inschonk: ”men zegt terecht: muzikanten bevochtigen gaarne hun keel: en dat voorrecht zult gij aan de gouden Druif niet missen.”

”Grooten dank, huisman!” zeide Koen: ”dat laat zich niet afslaan: maar eilieve! zeg mij: kent gij dien schutter daarginds, met die bruine samaar, die zooeven geschoten heeft?”

”Die daar, die onder zijn kaproen schuilt als een uil in zijn hol? Neen voorwaar! en ik begeer hem ook niet te kennen. Want wat hij hier doet, die zijn boog houdt of het een roeispaan was, dat verklaar ik niet te begrijpen.”

”’t Is zonderling!” hervatte Koen: ”zijn houding is zoo volkomen gelijk aan die van.... maar ’t is onmogelijk! Wat zou hij onder boogschutters doen? In allen gevalle, wij kunnen een middel beproeven om het gewaar te worden.”

Met dit voornemen hief hij een lied aan, dat hij voorheen van zijn meester in de kunst Ulrich van Lutzelburg, had geleerd; en hij deed al wat in hem was om de voordracht zoo bevallig en lieflijk mogelijk te maken; zoodat verscheidenen onder de landlieden een oogenblik hun aandacht tusschen zijn melodie en het schuttersspel verdeelden; maar de man, voor wei hij eigenlijk zong, schonk er even weinig oplettendheid aan of hij doof was geweest.

”Nu! wij zullen u wel nader toetsen!” dacht Koen: en opeens, midden onder de heerlijkste modulatiën, liet hij een paar noten hooren, slechts even valsch genoeg om een geoefenden kenner te hinderen. Terstond zag hij den onbekende met het hoofd een trillende beweging maken, als iemand, die met een kroes vol koud water begoten wordt. Alle twijfel hield bij Koen op: hij trad de omheining binnen, en den man met de bruine samaar op den schouder tikkende, fluisterde hij hem in ’t oor:

”Sedert wanneer is de vermaarde meesterzanger een boogschutter geworden?”

”Stil!” zeide Ulrich van Lutzelburg; want niemand anders was de onbekende: ”houd u, als kendet gij mij niet. Laat mij los! Het is mijn beurt om den vogel te raken.”

En, de pijl op den boog leggende, schoot hij weder een goed eind over den vogel heen.

”Om ’t even!” mompelde hij, onder het hoongelach der boerenknapen terugkeerende: ”ik zal het leeren, al moest ik een rond jaar niets anders doen.”

”Geloof mij,” zeide Koen, verwonderd en bedroefd over hetgeen hij als een dwaze gril beschouwde: ”laat dit spel over aan hen, die het verstaan: wat hebben uw vingers met de koorden van een boog te doen, daar zij zoo meesterlijk die eener harp weten te hanteeren?”

”Eener harp?” herhaalde Ulrich: ”eener harp, zegt gij? Doch ja! ik besef uw verwondering: deze zal nog hooger klimmen. Volg mij!”

En, den arm van Koen nemende, voerde hij hem met zich buiten de heining, en den landweg op. Weldra kwamen zij aan een kleine opene kapel, de kapel der Scheepsluiden genaamd, waar hij hem deed binnentreden. Hij boog zich achter het outer en haalde zijn harp voor den dag, die daar verborgen was. Vervolgens zich op de trappen van het outer nederzettende, verhaalde hij aan Koen, wat er op den burcht van Vlaardingen was voorgevallen.

”Mij dunkt”, zeide de jongeling, toen het verhaal geëindigd was, ”dat de Graaf edelmoedig genoeg met u gehandeld heeft.”

”Edelmoedig!” herhaalde Ulrich: ”hoor toe! zoo hij mij op het rad had laten leggen, had ik geen reden tot beklag gehad; maar hij heeft mij behandeld als het verachtelijkste aller wezens. Hij schonk mij het leven; maar zijn vlijmende spotternij ontman mij tevens alles, wat mij waarde in het leven stellen deed. Ik niet beter dan een kermiszanger! de tonen mijner harp onzuiver! Bij Sinte-Ursel! ik zal hem dien hoon betaald zetten.”

”Hoe kunt gij u die woorden aantrekken?” vroeg Koen: ”een ieder is immers van het tegendeel overtuigd?”

”Genoeg!” zeide Ulrich, oprijzende. ”Ik wil zien of die harp in de hand eens anderen even ongelukkig zijn zal. Koen! gij hebt mij die menigmaal benijd. Ik vertrouw u haar toe, tot zoolang ik die terug zal eischen.”

”Mij!” riep Koen verheugd: ”mij wilt gij die treffelijke harp toevertrouwen?”

”U! – maar op ééne voorwaarde.”

”En welke?”

”Dat gij op dit outer en in naam der gebenedijde Moeder Gods mij zweert, overal het gerucht mijns doods te verspreiden, en nooit aan iemand te verhalen, dat ik nog in leven ben.”

”Ik zweer het,” zeide Koen, de harp met een blik van begeerlijkheid aanziende.

”Daar is zij,” zeide Ulrich: ”geluk er mede.”

”En gij?” vraagt Koen.

”Ik ga met den boog leren schieten,” zeide Ulrich, zich met een snelheid verwijderende.



[Deel III] [Jacob van Lennep pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.