Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

Ulrich de zanger

III

[Deel II]

Ettelijke maanden waren verloopen. Holland had rust en vrede met zijn naburen gehad; maar de bezorgdheid der Dordtenaren was niet zonder grond geweest: en de Bisschoppen van Keulen en Luik, met eenigen schijn van reden op Graaf Dirk verbitterd, wachtten slechts op een geschikt tijdstip, om wraak te nemen over het ongelijk, hunnen onderzaten aangedaan. Zij spanden samen met den Kerkvoogd van Ments en den Markgraaf van Brandenburg: en de Utrechtsche bisschop, altijd naijverig op zijn Hollandschen nabuur, was licht over te halen om zich bij hun geheim verbond te voegen. Nauwelijks had de winter de velden met ijskorsten bedekt, of talrijke legerbenden, door de bondgenooten op de been gebracht, kwamen over de toegevrozen rivieren aangetrokken en stonden op ’t onvoorzienst voor de poorten van Dordrecht, welke stad het hun gelukte, door verstandhouding van binnen, in hun macht te krijgen. Dan, gelijk het ons de geschiedenis der middeleeuwen door veelvuldige voorbeelden leert, bij de toenmalige krijgstochten was met een mislukte onderneming alles gedaan en bracht een welgeslaagde zelfs geen baat aan, wanneer zij wat verre van huis had plaats gehad en men over geen genoegzame macht kon beschikken om het verkregen voordeel te behouden. Geen dag duurde het of Graaf Dirk had zijn moedige vazallen verzameld, en, met behulp van Gerard van Putten, aan het hoofd der wakkere ingezetenen van Vernouts-ee, wist hij in de hem ontroofde stad weer binnen te dringen, er den vijand uit te kloppen en hem tot over de grenzen van het Graafschap terug te drijven.

Het was op den dag na deze gebeurtenis, dat onze vroolijke minnezanger Koen van Zwaben, nieuwsgierig om te zien of de voorgevallen strijd veel schade in Dordrecht veroorzaakt had, den burcht te Vlaardingen verliet. Hij was aldaar sedert het verdwijnen van Ulrich met welgevallen door de altijd op zang en snarenspel beluste Gravin ontvangen geworden, en, al wist hij niet zoo meesterlijk de harp te hanteeren als zijn voorganger, deze minderheid werd vergoed door de opgeruimde vroolijkheid van zijn aard, die hem bij het gansche hof bemind en welgezien maakte.

Hij was dan in Dordrecht gekomen en droeg de hem toevertrouwde harp aan een zijden koord om den hals, als een beschermend wapen tegen alle overlast. Terwijl hij, zonder bepaald doel, de vrijgevochten stad ronddwaalde en rechts en links naar de huizen rondkeek, tegen wier muren men hier en daar nog de bloedige sporen zag van den strijd, bracht hem het toeval ook op de Voorstraat, waar meer nog dan elders de blijken aanwezig waren van het hevig gevecht. Onwillekeurig opziende, ontdekte hij, aan het zolderraam eener bouwvallige woning een hoofd, dat even uitkeek, maar terstond weder binnengehaald werd: echter niet spoedig genoeg, of Koen had de vale gelaatstrekken herkend van zijn voormaligen meester in den kunst, den Lutzelburger Ulrich. Nieuwsgierig om te weten, hoe deze zich daar ter plaatse bevond, stiet hij de loshangende deur van het huis open en trad naar binnen. Nauwelijks bevond hij zich in het eenige benedenvertrek dat hier aanwezig was, of hij bemerkte, dat dit verblijf waarschijnlijk in den vorigen nacht tot het tooneel verstrekt had van een dier gevechten, zoo menigvuldig binnen Dordrecht geleverd; want de posten en stijlen waren met bloed geverfd; hier en daar lag gebroken wapentuig: en overal heerschte wanorde en vernieling. Niemand echter antwoordde op zijn geroep; maar toen hij, ongeduldig wordende, de ladder wilde opklimmen, die naar den zolder voerde, gleed opeens een gedaante, welke de duisternis hem niet dadelijk toeliet te herkennen, door het valluik naar beneden, en Ulrich stond aan zijn zijde.

”Bij de elfduizend Maagden! wie verwachtte u hier?” vroeg Koen, terwijl hij zijn kunstgenoot beschouwde, die, zwijgend en somber, met een boog zonder koord in de hand, in de kazak eens krijgsknechts en met een pijl in den gordel, hem aanstaarde. ”Hebt gij waarlijk het oorlogsbedrijf bij de hand genomen? Pas maar op, dat men u niet beetkrijge; want dan is het: hangen, zonder genade.”

”Hoe komt gij hier?” vroeg Ulrich, op zijn beurt.

”Wel, dat ziet gij, man! ik kom hier den boel eens opnemen en tevens dacht ik: als Graaf Dirk van de vervolging zijner vijanden terugkomt, kon ik hem wel tegemoet gaan en een zegelied spelen, gelijk mij wel verhaald is, dat de dochter van den Hertog Jefta deed, toen haar vader als winnaar van het steekspel terugkeerde; maar, wat u betreft, pak u weg, voordat het zegevierend leger terugkomt, en zoolang de stad nog van krijgsvolk verlaten is: en ontdoe u van die kazak en dien boog, die toch buiten dienst is.”

Ulrich wierp een somberen blik op zijn boog, en vervolgens Koen aanziende, scheen hij door een plotseling denkbeeld getroffen: ”Koen!” zeide hij: ”geef mij mijn harp terug.”

”Hoe!” zeide deze: ”nu? op dit oogenblik?”

”Gee mij haar terug, Koen!” herhaalde Ulrich op een dringenden toon: ”zij is mijn eigendom: ik kan haar thans niet ontberen.”

”Aha! ik begrijp het al! Gij wilt den krijgsknecht uitschudden en uw vorig beroep weer opvatten. Nu, bij Sinte-Ursel! gij hebt gelijk! en schoon het mij in de ziel grieft van dit speeltuig te scheiden, het past in uwe handen beter dan in de mijne. Zie, daar is zij.”

”En nu!” zeide Ulrich, nadat hij de harp hernomen had: ”verlaat mij: en denk aan uw eed. gij weet het, ik ben dood voor iedereen.” – Met deze woorden snelde hij de ladder naar den zolder weder op.

Koen verliet de woning met een bedenkelijk hoofdschudden: ”ik wilde wel,” zeide hij, ”dat ik dien dwazen eed nooit had afgelegd. Wat zijn voornemen is, besef ik niet; maar, dat hij weinig goeds in den zin heeft, daarvan houd ik mij overtuigd!”

Terwijl hij aldus peinsde, hoorde hij een uitbundig gejuich en gedruisch in de verte. Het was de Graaf, die, aan ’t hoofd van zijn zegevierend leger van het najagen der vijanden terugkeerende, langs den waterkant aan kwam trekken.

Koen bleef staan, en weldra zag hij met levendige belangstelling den ganschen drom door een der belendende stegen op hem afkomen. De trein, werd, gelijk bij alle dergelijke omstandigheden plaats heeft, geopend door zingenden en galmende hoop kinderen en ledigloopers uit de heffe des volks: na hen volgde een krijgsbende, buit en gevangenen met zich voerende: en vervolgens Graaf Dirk te paard gezeten en omstuwd van zijn machtigste vazallen.

”Hij komt hier langs!” dacht Koen, en te gelijk, door een onverwinbaren argwaan aangedreven, wendde hij den blik naar de woning waarin zich Ulrich bevinden moest. Hoe groot was zijn verbazing toen hij dezen tusschen twee daken in de goot zag staan, zich half achter de nok van het huis verbergende.

”Wat wil hij!” dacht Koen: ”daar loopt hij immers in ’t oog; maar bij alle Heiligen! wat gaat hij nu uitrichten?”

Hij had een boog, en nu welgespannen, in de handen van Ulrich gezien.

Op dit oogenblik was de Graaf op een korten afstand genaderd en had Koen herkend: ”Komaan! meester zangerf!” riep hij hem toe op vroolijken toon: ”maak u thans gereed t’avond een fraai lied te zingen, er eere van onze overwinning.”

”Bij Sinte-Ursel! nader niet,” schreeuwe Koen, zich voor de paarden werpende en angstig naar boven wijzende.

”Hoe nu! wat is er?” vroeg Graaf Dirk, zijn paard intoomende.

Maar hij was reeds te ver gekomen. Een pijl snorde door de lucht en de Graaf stortte gewond achterover in den zadel.

Een algemeene kreet wedergalmde door de lucht. ”’t Is niets,” zeide de Graaf, zich weder opheffende en zoo luid mogelijk sprekende: ”de wond is slechts in de dij.”

”Des te erger voor u, Graaf! want de pijl was vergiftigd,” schreeuwde Ulrich van boven, en te gelijk verdween hij uit elks gezicht.

”Vergiftigd!” herhaalden galmend al die zich op straat bevonden: en een aantal gewapenden drong in de huizen om den moordenaar te zoeken. Deze was echter ontkomen; men vond drie dagen daarna, toen reeds de Graaf overleden was, zijn half bevroren lijk, met de harp daaromheen gebonden, in een der nabijgelegen plassen.

Koen was de krijgsknechten in de verlatene woning gevolgd: op een binnenplaats ontdekte hij den weggeworpen boog, en nam dien op.

”Goede God!” riep hij, de boogpees met aandacht beschouwende: ”het was een harpsnaar!”



[Wat mijn geschiedenisboek zegt] [Jacob van Lennep pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.