Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

Ulrich de Zanger

Voetnoten

Othilde van Saksen
De geschiedschrijvers zijn onkundig geweest van het bestaan dezer Othilde van Saksen, of hebben nagelaten van haar huwelijk te spreken, uithoofde Dirk de vierde geen mannelijk oir heeft nagelaten.
Vlaardingen, de zetel van den machtigen Graaf van Holland
Vlaardingen schijnt, ten tijde waarvan wij spreken, een aanzienlijke plaats te zijn geweest, en de zetel der eerste Graven, welke daarom haar naam aan het geheele landschap gaf: althans volgens het schrijven van Hermanus Contractus, die zich op het jaar 1047 aldus uitdrukt:

Theodoricus quidam de Phladirtinga Marchio rebellavisse et episcopatus sibi contiguos ad iniuriam Imperatoris populatis esse nuntiatur:

en op het jaar 1049:

interea glaciali hyeme suppediatne, nonnulli de partibus maritimis milites et principes cum Leodinensi episcopo, Trajectensi et Metensi congregati, Theodorico in Phladirtinga insidias tendunt, commisaque pugna victum occidunt, et provinciam illam Imperatori subiicuint.

In een oud verdrag, tusschen de Abdij van Epternach en het Bisdom van Utrecht, wordt Vlaardingen op de eerste plaats onder vijf moederkerken genoemd. Volgens de gevoelens der meeste schrijvers zoude het Vlaardingen of Fladirtinga, waarvan hier gewag wordt gemaakt, niet terzelfder plaatse als de tegenwoordige stad van dien naam, maar meer westwaarts hebben gelegen, en langzamerhand door het geweld der golven gesloopt zijn geworden, t welk de ingezetenen zou genoodzaakt hebben, zich verder landwaarts in te begeven.

Dordrecht
Dat Dordrecht reeds zeer vroeg en bepaaldelijk onder Dirk IV een stad is geweest, wel niet in den zin, dien wij daar tegenwoordig aan hechten, maar althans een bemuurde plaats van eenigen omvang, blijkt onder anderen uit het Florarium Temporum, waarin verhaald wordt, hoe gezegde Graaf, zijn vijande binnen Dordrecht verslagend hebbende, en zich bij de wallen van de stad wat vertredende, met een vergiftigden pijl doodelijk is gekwetst. Een ander oud handschrift, mede bij Scriverius aangehaald, zegt uitdrukkelijk, dat Dirk IV al de schepen der Keulsche kooplieden te Dordrecht verbranden, en de kooplieden zelven, die in de stad waren, gevangen liet nemen: waaruit blijkt, dat de plaats bovendien een koopstad was.

Wie voorts over den naamsoorsprong en de oudheid der stad iets wenscht te weten, dien verwijs ik naar de Oudheden van Zuid-Holland, waar hij de meeste gevoelens dienaangaande door den kundigen Van Rijn met de hem eigene scherpzinnigheid getoetst zal vinden.

Vijandelijke aanvallen
Reeds van de vroegste tijden af dagtekenen de twisten tusschen de Graven van Holland en de Utrechtsche Bisschoppen, die bij het geestelijk gezag, t welk zij gerechtigd waren over deze landen uit te oefenen, ook geheele of gedeeltelijke aanspraak maakten op het wereldlijk beheer. Zoo was het op aanhitsing van Bisschop Bernulf, dat Keizer Hendrik met een aanzienlijk leger, in 1046, De Maas kwam afzakken, en Dordrecht, Vlaardingen, Rijnsburg, de geheele streek daartusschen gelegen, die men (misschien niet geheel zonder reden) voorgaf aan den Bisschop ontweldigd te zijn, voor hem bemachtigde. Dirk IV, zich met Godfried van Lotharingen verbonden hebbende, viel nu van zijn kant in Utrecht en in Luikerland. In het volgende najaar keerde de Keizer terug en veroverde opnieuw de in het vorig jaar door hem genomen plaatsen: iets, t geen sommige geschiedschrijvers vreemd voorkomt, doch geene verwondering moet baren, wanneer men bedenkt, dat men te dier tijd geen staande legers had, maar een krijgsmacht, bijeengebracht door bondgenooten of vazallen, die, als t hun verdroot, of als hun dienstplicht vervuld was, weder huiswaarts trokken: zoodat het hoogstwaarschijnlijk is, dat de Keizer zich genoodzaakt had gezien, de door hem bezette landstreek weder te ontruimen. Hoe dit zij, ook van zijn tweede verovering had hij weinig vrucht: het late jaargetijde, de hooge vloeden, het verloopen van zijn heir en daarbij de betere kennis, welke Graaf Dirk van het terrein bezat, dwongen Hendrik opnieuw tot den aftocht, dien hij niet zonder zwaar nadeel, en met verlies van zijn schepen, die in t slijk bleven vastzitten, bewerkstelligde.
Paltsgraaf van Lach
In de elfde eeuw had de Paltsgraaf Hendrik, broeder van dien Otto, van wien melding gemaakt wordt in het verhaal, zijn zetel te Lach, een kasteel nabij Andernach gelegen, en noemde zich alzoo Dominum de Lacu. Bekend is nog heden ten dage de Lacher See, een ingestorte krater, wegens zijn grondelooze diepte vermaard. Dezelfde Hendrik stichtte aldaar een klooster, gelijk blijkt uit den open brief, in den jare 1093 door hem gegeven, bijgebracht door Tolner in cod. diplomat. Palatino, pag 32. De Kroniek van Lach (Chronicon de Lacu) is onder de geschiedboeken van die eeuwen bekend.
Markgraaf
Vele geleerden vinden zich verlegen met dien titel van Markgraaf, aan Dirk IV gegeven, en willen daaruit zijn macht en aanzien bewijzen, omdat, gelijk zij met veel omhaal betoogen, de titel van Markgraaf, of Marquis hooger is dan die van Graaf. Dit moge later zoo geweest zijn, het levert in dit geval geen bewijs, en doet niets ter zake: in de eeuw, waarin Dirk IV leefde, wilde men door Markgraaf niet meer te kennen geven dan zoodanigen Graaf, die de marken of grenzen te bewaken had: een verplichting, welke zijn ambt wel belangrijker maakte dan dat van een Graaf, die binnenslands een gewest bestierde, maar hem daarom nog met geen grooter aanzien of macht bekleedde.
Koomen
Zoo schreef men oudtijds bij verkorting voor koopman, gelijk uit menigvuldigen oude keuren, alsmede Killiaen in V. Kooman, blijken kan. Zoo heeft ook Lustburgh in zijne Amsterdamsche Avondwandelingh, 1633, 9de couplet:
      Doch wie zijn coome-schappen,
        Meer veylt als het wel behoort.
      

Van dit koomen is koomenij (koopmanschap), evenals bakkerij van bakker, tapperij van tapper, slijterij van slijter, enz. Tegenwoordig, nu men de taal en hare afleidingen niet meer uit de oude oorkonden of uit het gezond verstand, maar uit de dagbladen leert, schrijft men kom-en-eisch: even alsof de EI in t Neerduitsch ooit in IJ veranderen kon.

Kapel der Scheepsluiden
Aan deze kapel, waarvan de tijd der stichting onzeker is, werd in den jare 1363 een gasthuis getimmerd, waartoe Boudewijn Yenson en zijn vrouw Lysbet Heynsdochter hare huizing gegeven hebben. In 1574 werd dit gebouw aan het schippersgild tot het houden hunner vergaderingen afgestaan.
De dood van Dirk IV volgens een 20ste eeuws geschiedenisboek
Godfried met de baard, krijgt bij de dood van zijn vader slechts Opper-Lotharingen, en Neder-Lotharingen komt als leen aan zijn broer Gothelo de luiaard (1044). Godfried werft aanhangers in Neder-Lotharingen, waar de Nederlanden onder vallen en begint in 1047 een opstand tegen keizer Hendrik III. Godfried wordt onder andere gesteund door Frankrijk, Boudewijn V van Vlaanderen en Dirk IV, Markgraaf van Holland. Dit leidt tot een veldtocht van de Keizer tegen Dirk IV, die sneuvelt bij Theredrech, wat misschien Dordrecht is (1049).

Floris I, Dirks broer en opvolger sterft wel aan een sluipmoord, in 1061 en te Neder-Hemert.

Overigens geeft de Keizer Neder-Lotharingen aan Godfried in 1065, maar daar heeft Dirk IV niet veel meer aan.



[Jacob van Lennep pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.