Onze voorouders

Jacob van Lenneppagina

Voorrede

Men heeft veel over het nuttige of nadeelige der historische romans geschreven en getwist: en het is mijn bedoeling niet te dezer plaatse dit vraagstuk opnieuw te berde te brengen. Dat ik mij aan het opstellen en uitgeven van dergelijke verhalen bezondig, is een bewijs, dat ik de soort voorsta en mijn gevoelen te dien opzichte kan niet onpartijdig zijn. Slechts dit geloof ik te kunnen vaststellen, dat de rechte kennis der waarheid minder schade lijdt door een roman dan door een dagblad of een geschiedkundig werk. Dit moge bij den eerste opslag een paradox schijnen; maar niets is er, dat meer heeft van een paradox dan een nieuw denkbeeld: – en de verklaring mijner stelling is doodeenvoudig. De lezer van een roman is reeds door den titel gewaarschuwd, dat hij de waarheid en verdichting door elkander gemengd zal vinden: en hij heeft het zich zelven te wijten, zoo hij alles voor goede munt opneemt. De dagblad- en de historieschrijver daarentegen beloven waarheid: – en hoevelen onder hen zijn er, die woord houden?

In de tafereelen, welke ik thans den lezer aanbied en welke ik naar chronologische orde denk te vervolgen, zoolang mij het schrijven en het publiek zeer licht van de waarheid te onderkennen zijn. Omtrent al wat de volgorde en den afloop der gebeurtenissen, de gewoonten en zeden de karakters der bestaan hebbende personen betreft, zal ik zoo getrouw mogelijk teruggeven hetgeen het gezag van vroegere schrijvers mij geleerd heeft: en faal ik, de schuld zal niet bij mij, maar bij hen gelegen zijn. Ik zal wijders de reeks mijner verhalen zoodanig pogen in te richten, dat zij, ofschoon met elkander in onmiddellijk verband staande, echter te zamen genomen de trapsgewijze ontwikkeling vertoonen, welke de invloed der verschillende volkeren, die ons land bewoonden, en der maatschappelijke stelsels, die het beheerschten, daarin hebben hebben teweeggebracht. Er zal hierdoor, vlei ik mij, eenheid in de verscheidenheid en afwisseling bij gelijkvormigheid ontstaan.

Onder het opstellen dezer verhalen kwamen mij de Romans du Languedoc van Soulié in handen, en zag ik, dat ook hij zich voor zijn vaderland hetzelfde plan had voorgesteld als ik voor het mijne. Veel is er in zijn Voorrede, dat ik hier zou kunnen schrijven, daar het op mijnen arbeid evenzeer toepasselijk is. Ik wil echter liever den lezer daarheen verwijzen: hij zal eenigen genoeglijke uren doorbrengen en niet zonder nut het boek uit de hand leggen. Veel zal hij vinden, dat ook in mijn twee eerste verhalen (Zie Alwart) bijna in gelijke bewoordingen voorkomt: en geen wonder; want om de zeden der Romeinen en Galliërs van den ouden tijd voor te stellen, heeft de Fransche schrijver bij Cesar, Tacitus, Juvenalis, Petronius enz. moeten te raden gaan: en dit was evenzeer mijn geval. Wanneer twee kunstenaars dezelfde beeltenis afschilderen, zal niemand hen beschuldigen, dat zij elkander bestolen hebben; – waarom zou men dit verwijt aan twee schrijvers doen, die naar gelijke voorbeelden werkten? Ziedaar echter, wat men meermalen gedaan heeft, ook te mijnen opzichte, toen men, mijn Saffo recenseerde, in den aanhef een plagiaat van Burger meende te zien; terwijl zoowel het gedicht van Burger, als mijn Koor niet anders waren als eene meer of min vrije navolging van het bij een ieder (behalve bij den recensent) bekende pervigilium Veneris

J. van Lennep



[Alwart] [Jacob van Lennep pagina]

Bezorgd door Joachim Verhagen (J.C.D.Verhagen@fys.ruu.nl).
Opmerkingen aan: coster@dds.nl.