Hadrianus Junius over Coster

Toen Coster eens in het bij de stad gelegen bosch wandelde begon hij van het beukenschors lettertypen te snijden en deze dan in spiegelbeeld, zooals bij een zegel, op papier af te drukken; hij maakte zoo voor de aardigheid eenige regels om als voorbeeld te dienen voor zijn kleinkinderen [..]

Later verving hij de beukenhouten typen door looden, en deze weer door tinnen, opdat het materiaal des te steviger en minder buigzaam zijn zou, en ook duurzamer [...]

Er werden gezellen aangenomen, waaronder een zekere Johannes [...]

Toen deze, na onder eede in het drukkersvak opgenomen te zijn, meende dat hij voldoende in de kunst ervaren was om losse letters samen te voegen en in het gieten van typen, greep hij het meest geschikte oogenblik aan, namelijk de nacht waarin de geboorte van Christus gevierd wordt en allen tezamen de gewijde diensten plegen bij te wonen, maakte zich meester van de geheele schat van lettertypen, pakte de uitrusting van werktuigen van zijn patroon bijeen en haastte zich eerst naar Amsterdam, vervolgens naar Keulen, om ten slotte in Mainz aan te komen, om daar na een drukkerij opgericht te hebben, de rijke vruchten van zijn diefstal te oogsten.


uit: Adriaen de Jonghe = Hadrianus Junius, Batavia, 1588.
Terug