XIV

Want Ik, die  I k  ben, haat u om uw slechtheid,
Maar houd u dierbaar om mijn eigen pracht:
Gij zijt de toets-steen van mijn eigene echtheid,
De steen waarop ik trap, om mijne kracht

Te laten zien aan 't volk, èn mijn oprechtheid,
Waarmede ik alles, wat ik voelde en dacht,
Verloochende om de Waarheid en Gerechtheid,
Die niet gedoogt, dat één mensch de' and'ren slacht.

Gij deert mij niet, want wat gij deedt is zonde,
Gij weet mij niet, want hooger is mijn Ziel ...

Gij zijt het Beest dier oude, schrikb're Oorkonde
Uit Gods Boek-zelf, dat van den Hemel viel ...

En alle Goeden hebben eene wonde,
Nu dat Mijn Licht op úw gestalte viel.

[vorige: O, dat ik ...][boek van kind en god][volgende:Gij zijt niet ...]

Willem Kloos