XV

Gij zijt niet slecht geweest: gij waart slechts zwak,
Om niet in Mij te g'looven, die u liefde.
Gij waart een kind, dat àl zijn speelgoed brak,
Wanneer het langer niet zijn speelgoed b'liefde.

O, kind.... I k  wàs geen kind!  I k  ben 't, die kliefde
Dit mijn schoon hoofd, zoo sterk eens, tháns zoo wrak,
Omdat ik niet met mijne groote Liefde
Alleen wil zijn, bij al dat volk, zoo mak.

Gij woudt mijn dood, en ik, ik wilde uw leven:
't Is goed, ik ben gevallen in mijn pracht ...
Maar om Mijzelven, nimmermeer door U.

Thans is het úwe beurt van kracht. Welnu:
Tracht éven sterk, als ik nu stérf, te léven
In de eenzaamheid van 't leven, dat u wacht.

[vorige: Want Ik, die ...][boek van kind en god][volgende: Wanneer ik dood ...]

Willem Kloos