XVI

Wanneer ik dood ben, lief, en iemand zegt,
Dat ik zoo niets was, dan zult Gij oprijzen,
Hem op dees allerlaatste bladen wijzen,
En zeggen: "Hij was groot! En die het zegt,

"Ben ik, die 't weet: want ik, die altijd vecht
"Met menschen, om mijns-zelfs wil, die durf eischen
"Dat àlles voor mij wijkt, - ik kan 't bewijzen:
"Heb ik niet zelf hem in zijn graf gelegd?"

Ik geef u geen gelijk, want grooter is 't
Te stérven voor zijn Ikheid, dan te léven:
't Zoet leven lokt méér dan een donkre kist.

Maar Gij komt mij nabij in kracht van pijn
En vreugd, en dus wil 'k U mijn doodsblad geven:
Mijn grootste glorie zal dees bladzij zijn.

[vorige: Gij zijt niet ...][boek van kind en god][volgende: Ik heb U ...]

Willem Kloos