XVII

Ik heb U dit te zeggen, dat Uw naam,
Zóó dier, zal prijken tot het eind der dagen,
Niet door U-zelf, maar door dit Boek, welks faam
Zal groeien met den Tijd; - als 't verre dagen

Van eene Zon, zwak uit zich-zelf, in tragen
Opgang, opkomend aan de kim, om saam
Met haar Aanbidder, door het ruim, in staêgen
Vuurgloed te branden, in een hoog verzaam.

Gij kúnt niet van mij af: ik zal U heffen
Tot waar àl volkren biddende op u zien,
Eeuwig als een verdoemden brand in 't blauw.

Wánt Gij waart valsch: maar, dat Gij Mij kondt treffen
In Dit Groot Hart is waard om U te biên
Een eeuwge Glorie om uw eigen grauw.

[vorige: Wanneer ik dood ...][boek van kind en god][volgende: Nu dát zoo ...]

Willem Kloos