Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
   Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
   Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,--

Zóó zag ik eens, in wonder-zoet genucht,
   Uw half-verhulde beelt'nis voor mij staan,--
Dán, met een zachten glimlach en een zucht,
   Voor mijn verwonderde oogen ónder-gaan.

Ik heb u lief, als droomen in den nacht,
   Die, na een eind'loos heil van éénen stond,
   Bij de eerste schemering voor immer vlôôn,--

Als morgen-rood en bleeke sterren-pracht,
   Iets liefs, dat men verloor en niet meer vond,
   Als alles, wat héél ver is en héél schoon.

Willem Kloos