Elisabeth Koollaart-Hoofman (1664-1736)

Veenberger Beekzang

Klaare beek, wier kronkel-stroomtjes
Schitteren met gouden zoomtjes,
Als het licht natuur doet leeven;
      Wat kan ons uw waterval,
      In dit zielbetovrend dal,
Niet als lust en blijdschap geeven?

’s Mrgens, eer de zon de dropjes
Afdroogt van de roozeknopjes,
Lust ons, vrolijk, korf en mandjes,
      Van ’t gebloemt, dat langs uw boord
      Ons op ’t veldtapijt bekoort,
Op te vullen langs uw randjes.

Of in ’t lommer neęr te duiken
Van nabuurige elzestruiken;
Blijden morgenzang te paaren,
      Met de weergalooze keel
      Van de schelle Philomeel,
Dat het schatert door de blâren.

’a Avonds als uwe ijpe-dreeven
Langer schaduw van zich geeven,
Schaft ge ons aangenaame plassen,
      Laauw van middag zonneschijn;
      Daar we ons in uw kristalijn,
Loopend, lobb’rend, speelend wasschen.

Deze streekk is vrij en veilig,
Boom en bron Diana heilig,
Zonder laagen, zonder smetten;
      Daar geen Satijr, daar geen wigt,
      Trots op zijn gevreesden schigt,
Dartle voeten in durft zetten.

Hier verslijt men, zonder zorgen,
En den avond, en den morgen,
Middernagt en middag-uuren;
      Altoos lustig, altoos blij,
      Altoos vreeze en kommer vrij.
Lang moet zulk een leeven duuren!
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 08-sep-96


Coster-pagina