Dieryck Volckertzoon Koornhert (1522-1590)

Des menschen zotte slechtigheyd /
Verblint in eyghen baat /
Bidt Godt met ongherechtigheyd
Al om haar hooghtste quaat /
Maar die hem zelf verstaat /
Begeert niet zonder raad.

De luyden en bekennen // nu
Hen zelf noch Gode niet /
Door onverstant zy schennen // nu
Haar leven met verdriet:
En kiesen niet voor iet /
Want elck optijtlijck ziet.

Staat / ryckdom / eer / wellustichheyd
Met macht nu elck begheert
T’verkrijghen maackt onrusticheyd /
T’misbruyck den dwasen deert:
Want t’is hem al verkeert /
En t’scheyd met droefheyds steert.

Maar die de liefd aamercken // kan
die God tot ons waart draaght
Neemt vrolijc al Gods wercken // an /
Hem nerghens af beklaaght:
Al schijnt dat God hem plaaght /
Syn moed blijft onverzaaght.

Dees Prins laat al tvergankelijk
En zoeckt een goed ghemoed:
Gods wille volght hy danckelijck /
Des menschen hoogste goed
Daan zyn begheert na spoet:
Ghelycklyck int zuur en zoet.
Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 08-sep-96


Coster-pagina