BRIEF VAN MARIUS BAUER UIT MOSKOU

[De Kroniek van 31 mei 1896]

21 Mei

(schim van een) schets van Bauer uit MoskouHet is voorbij!

Nog dreunt het in mijn hoofd, het gelui der klokken; nog woelt er een stroom van goud en zilver voor mijn oogen; nog zie ik dien keizer temidden van de golvende kleurenpracht, toen die duizenden en duizenden menschen het hoofd ontblootten en uit die duizenden kelen het Heil den Keizer klonk. Hoe zal ik je maar eenigszins dragelijk vertellen, wat ik zag? Het begon met een stroom van scharlaken; rij aan rij trokken zij voorbij, prachtige paarden, de kozakken in hun roode kaftans, en antieke mutsen, aan gouden gordels hangen zwaarden in scheeden van groen fluweel met zilveren banden, in de handen trillen de roode lansen, de zilveren vaandels schitteren in het zonlicht. Een defilé van rood en goud, en men gelooft niet dat er nog iets mooiers op de wereld te zien kan zijn, als vlak daarachter verschijnen de oostersche vorsten, de vazallen van Rusland, op heerlijke paarden rijden zij daar aan. t Is een drom van kleuren, van geel en purper, van roze en goud en groen en paars, en violet, de schabrakken en tuigen der paarden zijn van zilver en goud, t is een gefonkel van edelgesteenten, t is een stoet van sultans en zoo ontzachelijk mooi, dat het haast geen werkelijkheid meer lijkt. Vorstelijk de vorst die zulk een stoet van oostersche weelde voor zich uitzendt!

Op die praal volgden te paard de adel van Rusland in goud geborduurde rokken en steken met witte veeren, en dan een drom van la-keien, die fonkelden van goud, en hof-loopers met bossen van witte en gele struisveeren op het hoofd, en negers in prachtige rose zijde cos-tuums, en dan een open gouden galakoets, getrokken door zes bruine paarden, overdekt met een schitterend tuig, en de koppen gebogen onder de bouquetten van witte veeren, kamerjonkers in zwart en goud, op rijk getuigde paarden, en nog méer koetsen; de een na de ander trekt voorbij, er zitten ceremoniemeesters in met lange gouden staven, en vreemde prinsen; en vóor al die koetsen trappelen de prachtig opgetuigde dieren, de witte struisveeren wiegen op de koppen, het goud fonkelt tusschen de purperen hemels der koetsen, en t lijkt een optocht uit een sprookje. En ginds komen de kurassiers, in zilveren harnassen en met zilveren helmen; als een stroom van vloeiend zilver, als een beek door een bloemenveld beweegt die stoet zich door de menschenmassa; iedere beweging werpt een zon uit; en als eindelijk die fonkelende massa is heengetrokken, verschijnt daar de keizer, bijna onzichtbaar, tusschen die lawine van uniformen die achter hem rijdt. Op een heerlijk wit paard rijdt hij daar, eenigszins bleek, eenvoudig gekleed, in blauw uniform met lichtblauwe sjerp en astrakan muts.

Onmiddellijk daarachter de prinsen en grootvorsten, en daarna een stoet van honderden generaals en officieren, een gewuif van pluimen en veeren, een gefonkel van goud en van kleuren, en die gansche menigte volk, die zee van hoofden, galmen het uit, de mutsen zwaaien en die storm van geluid, en dat klokkengedreun, die gansche aanblik was overweldigend. En het gejuich dat wegsterft, naarmate de keizer verder trekt, zwelt weer aan opnieuw, als dan de keizerinnen voorbij gaan, in karossen nóg weelderiger en rijker dan de vorige, die bespannen zijn met acht witte paarden, ook allen weer met witte veeren en schitterend van goud en dan nóg meer koetsen en goud en veeren, en princessen in wolken van tulle en hermelijn, en nóg meer uniformen-geblink en geschitter; een eindelooze pracht, een zee van goud, die àlmaar voortrolt door die volgepropte straten.

En dit is nog niet alles, een gansch leger ruiters trekt nog voorbij, en er komen er, in kleurige kleeren, en wit met bont omzoomde en met goud geborduurde mantels, en er zijn er in zilver en zwart, en geel en blauw en goud, en er zijn er in felrood, en in enkel zilver en wit. Zij zitten op zadels van astrakan, op zadels van goud, en fluweel. Er zijn stoeten kozakken in korenblauw en met blauwe lansen, en al die regimenten hebben éénkleurige paarden, zoo zijn er gansch witte en enkel bruine of zwarte, en die heele armee, dat leger van pracht, trekt je voorbij als een droom.

Is er wel één vorst op aarde, die zoo veel praal ten toon kan stellen, en als je dan denkt aan al die weelde, die er nog is in die kerken en schatkamers en in de paleizen, als je je voorstelt hoe veel rijker t nog zijn zal bij de kroning, krijg je dan niet een gevoel van dankbaarheid en eerbied? Ik tenminste heb gejuicht voor den man, die de wereld zoon schouwspel biedt!


[Kroniekdebat]