Hoe kan myn waarde helft, myn lief, dus van my scheiên!
Riep Filis, Mikons vrouw, met jammerlyk misbaar,
En sloeg haar handen in haar schoon en goudgeel hair;
Zy snikte, en riep nog eens, kunt gy my dus zien schreijen!
Hy poogt met zoete taal zyn waarde lief te vleiën,
En zegt, zyt tog getroost, k bid denk om geen gevaar,
Wy zullen in het kort weer weezen by malkaar,
t Geluk zal hoop ik my op myne reis geleiên.
Ach! sprak ze, zonder u heb ik noch vreugd noch lust!
En als het dan moet zyn, nog eens voor t laast gekust,
Hoe klopt myn hart! het zal van droefheid overstroomen!
Daar op vaart Mikon met de schuit van Amsterdam
Op Haarlem, waar van daan hy s avonds wederkwam
Dat was de groote reis, die hy hadt voorgenomen.