Pieter Langendyk (1683-1756)

Teder Afscheid

Hoe kan myn waarde helft, myn lief, dus van my scheiÍn!
Riep Filis, Mikons vrouw, met jammerlyk misbaar,
En sloeg haar handen in haar schoon en goudgeel hair;
Zy snikte, en riep nog eens, kunt gy my dus zien schreijen!

Hy poogt met zoete taal zyn waarde lief te vleiŽn,
En zegt, zyt tog getroost, ’k bid denk om geen gevaar,
Wy zullen in het kort weer weezen by malkaar,
’t Geluk zal hoop ik my op myne reis geleiÍn.

Ach! sprak ze, zonder u heb ik noch vreugd noch lust!
En als het dan moet zyn, nog eens voor ’t laast gekust,
Hoe klopt myn hart! het zal van droefheid overstroomen!

Daar op vaart Mikon met de schuit van Amsterdam
Op Haarlem, waar van daan hy ’s avonds wederkwam
Dat was de groote reis, die hy hadt voorgenomen.