De aêloudheid maalt de min gelyk een weeldrig kind;
Opdat een man van moed zich schaam daar mê te speelen;
t Voert wapens, omdat elk zou vreezen t wicht te streelen,
Dat jokkende ons verraadt, en vyand quetst en vrind.
Zy geeft het vleugels: wyl t zo licht is als de wind,
Vol onstandvastigheid, en los in alle deelen,
En t voorwerp dat men mint, uit wellust doen verveelen,
Als t ongestadig hart een schooner lichaam vindt.
Ook maalt zy t looze wicht met doeken voor zyne oogen;
Opdat de jeugd niet door een leidsman word bedrogen,
Wiens volger doorgaans in een poel van rampen viel.
De fakkel, die het voert, mag wufte wulpen blaaken:
Wie moet heeft kan zich van zyn hart ligt meester maaken.
De lust vergaat. De liefde is eeuwig als de ziel.