Pieter Langendyk (1783 – 1856)

Het Wederzyds Huwelyks Bedrog

Eerste Bedrijf

[Samenvatting]


Eerste tooneel

Lodewyk, Jan

Jan

Myn heer, hoe langen tyd zal nog dit wand’len duuren?
Ik bid: verander, want die malle vieze kuuren
Zyn nergens nut toe, en je maakt my schier ontzind.

Lodewyk

’k Zal zoeken, Jan, zo lang tot ik haar wooning vind.

Jan

Wiens wooning zoekje?

Lodewyk

Jan, durf ik ’t u wel vertrouwen?

Jan

Ik ben een kaerel die een ding kan by my hoŻwen,
En zwygen als een mof, daar kan je vast op gaan.
Zeg vry wien dat je zoekt.

Lodewyk

Ach Jan, de Malibaan....!

Jan

De Malibaan? Hei hei mynheer, wat moogje praaten!
Zoek jy de Malibaan? En hebben we al de straaten
Van Uitrecht daarom zo doorkruist? Zoek dan niet meer.
Is jou gjeboorte plaats dan zo veranderd, heer,
Dat jy de Malibaan en je eigen huis moet zoeken?

Lodewyk

Ach Jan, de Malibaan!

Jan

Jawel, ik zou schier vloeken.
Ach Jan de Malibaan! Het lykt wel schier een klucht.
Ik heb dat Malibaan, gevolgd van zucht op zucht,
Den ganschen dag gehoord. Wat hebben wy geloopen,
Als of wy beenen om een daalder konden koopen.
Ik had gedocht dat hier wat wonders zou geschiÍn;
En nu is ’t anders niet als na de wolken zien,
En: Och, de Malibaan! Het hapert je in de zinnen!

Lodewyk

Daar zag ik ’t voorwerp dat ik eeuwig zal beminnen.

Jan

Nu vat ik eerst de kneep. Je zyt misschien verliefd?
’k Heb daar niet tegen: maak vry dat je wordt geriefd.
Kom, ’k zal je gaeren na de Malibaan verzellen.
Je kunt my dan de zaak terwyl in ’t breed vertellen.

Lodewyk

Jan, gy verstaat my niet. Ik heb daar niet te doen.

Jan

Ja wel, ’k verlang al wat myn heer hier uit zal broÍn:
Een windey, denk ik.

Lodewyk

Jan, hou op de gek te scheeren.
Ik zal ’t u zeggen. Al dat wand’len, gaan en keeren
Is om de woonplaats van een dame te verstaan,
Die ’k gist’ren middag in de Malibaan zag gaan,
Alwaar ze in ’t lieflyk groen zig zelven wat vermaakte,
En naa een korte tyd in haar karos geraakte,
My laatende ls verrukt door ’t aangenaam gezigt
Dier schoonheid.

Jan

Zo myn heer, nu heb je my verlicht.
Had ik ’er y geweest, ’k had my terstond gestoken
In haar gesprek, en naar de Fransche wys gesrpoken,
Gelyk de jonkertjes: je suis vŰt serviteur,
Ma belle dame, aanschouw alhier un grand seinjeur,
Die u pour la temps wat zoekt te konvojeeren
In uw karos, om daar zyn hart te reklameeren,
Dat gy hem hebt ontroofd.

Lodewyk

Wat onbeschofte reÍn.

Jan

Was ik in jouw plaats, ik had in de koets getreÍn.
Nou is de schoone dame uit jou gezicht gestreken.

Lodewyk

Het zy zo ’t wil, ik zal en moet haar zien en spreeken.

Jan

Wat zou ’t je helpen, heer? Je beurs is plat en schraal;
’t Geld dat wy wonnen met de kaart, is altemaal
Jou rykdom en de myne.

Lodewyk

Ach, ’t valt my hard te hooren!
Ik barst van spyt, dat ik, zo edel, welgebooren,
Geen staat kan voeren als een edelman betaamt.
’k Ben nu in Uitrecht, myn geboortestad, beschaamd
Omdat ik and’ren zie in hunne koetzen ryÍn.
Gediend! Ha spyt! Ik mocht de braafste dame vryŽn,
Ten opsicht van myn rang.

Jan

Ik ook; maar Jan Contant...

Lodewyk

Ha spyt! Ik voer geen staat!

Jan

’t Gaat buiten myn verstand.
Voer jy geen staat? ’k Zeg met verlof dat dat onwaar is;
Hoe, hou je geen lakkei? Geen pagie, secretaris,
Geen kok noch kamerlnig? En ool geen trezorier?

Lodewyk

Hoe, is het scheeren?

Jan

Neen.

Lodewyk

Waar zyn ze, gek?

Jan

Wel, hier.
Want al die ampten zyn in myn persoon te vinden.
Maak van me wat je wilt, ik zal ’t my onderwinden.

Lodewyk

’k Weet dat gy assurant, vol leugens, fieltery
En boevestukken zyt.

Jan

Myn heer, die passen my:
Hoe zou ik, eerlyk borst, a‚rs door de waereld raaken?

Lodewyk

Ja, door een touw, Jan, aan een dwarsbalk op twee staaken.

Jan

Myn heer, ik bid je dat wy hier toch met malkaar
Geen questie maaken; ei, laat deze zaaken daar;
Waar zou ’t toe dienen als om alles om te stooten?
Zyn wy van ’t zelfde sop niet beiden overgoten?
Wy zyn hovaerdig, en daar by geen kleintje kaal,
Maar eerlkyk in ons hart. Hoe, zouden ’t altemaal
Juist schelmen zyn, die met een abelheid in ’t speelen
Hun voordeel zochten? Neen.

Lodewyk

Maar, scheelt het veel van steelen,
Wanneer men iemant op een valsche wys het geld
Met speelen afwint?

Jan

Elk moet zien hoe dat hy ’t stelt;
Die speelen wil, moet zich daar weeten voor te wachten,
Of speelen niet.

Lodewyk

Het laatste is ’t beste, zou ik achten.
Maar zeg eens, Jan, hoe staan wy nu met onze kas?

Jan

Je meent de beurs, niet waar, die gistren zieklyk was,
En schier op ’t sterven lag? wel, die begint te zwellen.
Laat zien hoe veel? Hoe veel? Koom, ’k zal het geld eens tellen.

Lodewyk

Dat is niet noodig hier op straat; gy kunt het strak
Wel in de herberg doen.

Jan

Ik hou ’t dan in myn zak.
Wy hebben nog aan goud schier vyftienhonderd gulden,
Of daar omtrent.

Lodewyk

Niet meer?

Jan

Wel neen, myn heer; ’k heb schulden
Daar van betaald.

Lodewyk

Zeg op, wat schulden?

Jan

Aan den Waard
Daar onze koffer staat. Had ik geen geld beschaard,
Die schoft zou al ons goed fraai hebben doen verkoopen,
Gelyk je weet.

Lodewyk

Had gy dat goed maar laten loopen,
Het was zo veel niet waard als onze schuld bedroeg:
De koffer, Jan, was leeg.

Jan

Ja leeg, die koffer woeg
Zo zwaar als lood, daar was wat in, myn heer, zou ’k meenen.

Lodewyk

Ja, oude kleÍren, en geen kleintje kiezelsteenen.

Jan

De droes, dat spyt me, foei! Had onze waard, die schoft,
Die lompe rekel, nu de koffer maar verkoft!
Maar ’k bid je: zeg me toch, myn heer, wat is de reden
Dat jy de koffer houdt en mÍ voert door de steden,
Met zo veel kosten; want je hebt ze van Parys
Tot Uitrecht toe gebracht.

Lodewyk

Hoe Jan, gy zyt zo wys
In schelmeryen, en moet ik u dat nog zeggen?
Wanneer een vreemd’ling in een herberg t’huis wil leggen,
Is ’t nodig dat hy wel voorzien is van krediet;
Want ’t eerste daar monsieur de hospes strak na ziet,
Is de equipagie en bagagie en de kleÍren;
Het spreekwoord zegt: men kent de vogel aan zyn vÍren.

Jan

Ik heb het al verstaan, myn heer, en ik beken,
Dat ik, als and’ren, door dien trek bedrogen ben.
Maar a propŰ, je hebt gezeid, dat je al je vrinden
In Uitrecht had.

Lodewyk

O ja, maar ’k kan niemant vinden.
’k Heb nog een moeder en een zuster; waar zy zyn,
Is me onbekend. Om haar is ’t, dat ik hier verschyn.
Myn zoeken is vergeefs, helaas! Zy zyn vertrokken.

Jan

Ik heb het wel gedocht, myn heer; met Faroos bokken,
Niet waar? Ik heb het te Parys u al gespeld.

Lodewyk

Ach Jan, gy weet niet hoe myn hart nu is bekneld.
Maar gistren schoot my iets van groot belang te binnen;
Dat kan ik door dit geld nu met fatsoen beginnen.

Jan

Wat zal dat zyn?

Lodewyk

Ik meen my als een heer van staat
Een groot vermogen te vertoonen.

Jan

Dat’s niet quaad.

Lodewyk

En huuren knechten, en een koets om in te ryÍn.

Jan

Ik vat het, om aldus het dametje te vryŽn,
Daar jy verliefd op zyt, dat jou zo heeft bekoord.
En alles met het geld daar my de helft van hoort.
Maar wat zal ik dan doen?

Lodewyk

Ik meen voor graaf te speelen;
Gy zult baron zyn, en wy zullen alles deelen,
Zo wy iets winnen als voorheenen met de kaart,
En and’re kneepen. Maar wy moeten van den waard
Daar wy lozjeeren, nu vertrekken na een ander.

Jan

Dan is het nodig dat ik ook myn kleed verander.

Lodewyk

Gy kunt maar aanstonds na een kleerverkooper gaan,
En loopen dan met een by onzen hospes aan,
Om de bagagie. Ik zal u terwyl hier wagten
In deze herberg; die is beter, zou ik achten.

Jan

Dat denk ik ook, dat die veel beter weezen zal.
Wat hangt ’er uit? Laet zien! De Goude muizeval.
Maar a propŰ, myn heer, wy dienen ook lakkeiŽn
Te hebben. Wil ik ook die kaerels met me leiŽn,
Die ’k dezen morgen vroeg in onze herberg sprak?

Lodewyk geeft Jan een sleutel.

Ja, geef hen uit de kist elk een lakkeiŽ pak.

Tweede Tooneel

Lodewyk, alleen

Lodewyk

Wat moet een edelman al door den nood verdraagen!
Het spyt me dat ik my van dien lakkei mag plaagen,
En niet durf spreeken, om dat hy geheimen weet,
Die niemant weten mag. ’k Heb menigmaal gereed
En op het punt geweest den rekel te kasseeren;
En hoe het gaan zal, zal de tyd my verder leeren.
’k Moet zwygen, want hy kan my dienen in dit stuk.
’t Zyn ongelukkigen die ’t reek’nen voor geluk
Van edel bloed te zyn, ontbloot van geld en schatten;
Maar niemant kan het wel dan die ’t bevind, bevatten.
Ik zal ’t geluk nog eens beproeven met dit geld,
En zoo het opraakt, zoek ik myn geluk te veld.

Lodewyk, gaat na de herberg en roept

Hei! Holla! Hospes! Hei!

Derde Tooneel

Lodewyk, Waard

Waard

Wat is myn heers believen?

Lodewyk

Hebt gy hier lozjement?

Waard

Ik kan je hier gerieven:
’k Akkommedeer de lui hier ieder naar zyn lyf.
’k Ben tot je dienst, myn heer, en zo is ook myn wyf.

Lodewyk

Zeer wel, gy moet terstond de plaatsen dan bereiŽn
Voor eenen graaf, baron en twee of drie lakkeien.

Waard

Myn heer, ’k bedien de lui voor een civiele prys.

Lodewyk

Ik weet wel, hospes, dat is te Uitrecht zo de wys.

Vierde Tooneel

Lodewyk, Waard, Charlotte, Klaar

Lodewyk spreekt stil met den Waard, terwyl Charlotte en Klaar voor de deur komen

Charlotte spreekt hard.

Haal, als ik heb belast, een haas, met drie kalkoenen,
En (zo ze vet zyn) breng dan ook een paar kapoenen.

Klaar, zacht.

Jy meent een koevoet, en drie ming’len karrepap.
Met twee kop gort.

Charlotte, hard.

En loop met een dan met een snap
By onzen slaager, om een harst.

Klaar, zacht.

We zellen smullen;
Dat’s nuchter kalfvleisch.

Charlotte, hard.

Laat die groote pot ook vullen
Met versche augurken, by Pierre Karmolyn.

Klaar, zacht.

Jy meent grauwe erten.

Charlotte

’k Zal terstond hier weder zyn.

Klaar

’t Is wel, Juffrouw, maar ’k dien myn kap dan eerst te zetten.

Charlotte

’k Moet by den juwelier eens zien of de orlietten
Al klaar zyn.

Klaar

Goed, Juffrouw.

Vyfde Tooneel

Lodewyk, de Waard, Klaar

Klaar

Jawel, dat is wat raars.
Jou orlietten! Zie, hoe draait ze met naar naars.
Die arme sloof is met den adel zo bezeten,
Dat zy haar armŰe schier uit grootsheid zou vergeeten.
Zy praat van harsten en kalkoenen; maar ik zweer
Dat zy ’t alleen maar doet om dat die gintsche heer
Het hooren zou. Zy spant hem zeker minnestrikken;
Indien ’t zo is, zal ik haar trouw zyn, niet verklikken.

Lodewy
k, tegen den Waard

Doe als ik heb gezegt, en maak drie kaamers klaar,
Een voor de knechts, en twee voor ons, maar naast malka‚r.

Waard

’k Zal zyn genade naar zyn staat akkommodeeren;
Wy zyn wel meer gewend hier graaven te lozjeeren.

Zesde Tooneel

Lodewyk, Klaar

Lodewyk

Uw dienaar, zoete kind.

Klaar

Uw dienares, myn heer.

Lodewyk

Gy neemt niet qualyk dat ik u iets prezenteer?
Het is een kleine gift.

Klaar

Wat zal my hier ontmoeten?

Lodewyk

Nu, neem het, zoete kind.

Klaar

Myn heer, ik wil je groeten.

Lodewyk

Nu, neem maar aan.

Klaar

Myn heer, myn heer, ik ben beschaamd!

Lodewyk

Zeg, zoete meisje, hoe die juffer is genaamd,
Die flus hier was; my dunkt, ik heb nog van myn dagen
Geen schooner beeld gezien.

Klaar

Zy schynt je te behagen?
Het is geen wonder: ze is het puikje van de stad.
En haar vrouwmoeder heeft een heele groote schat.
Aan elken vinger kan zy wel een vryer krygen.
Ze is hoog van adel. Maar, myn heer, laat ik maar zwygen:
Ze is hier genoeg bekend. Vraag maar aan iedereen.

Lodewyk

Bezit zy zulken schat?

Klaar

Ja, dat is ongemeen.
Haar kapitaal is groot. Maar wat bezwaard met schulden. Het rukt myn juffrouw aan geen honderd duizend gulden;
Ze zeggen dat ’er schier geen end is aan haar goed,
En ze is, gelyk ik zeg, van heel oud aad’lyk bloed.
En tegen jou gezeit: ze zou heel gaeren trouwen,
Ik kan ’t wel merken. Maar laat ik myn mond maar houwen.

Lodewyk

Gy zegt my veel, maar ’k heb haar naam nog niet gehoord.

Klaar

Zy heet Charlotte.

Lodewyk

En haar stamnaam?

Klaar

Adelpoort.
Gy vraagt zo naauw, myn heer, wat wilt gy tog beginnen?

Lodewyk

Uw juffer tot het end myns leevens trouw beminnen.

Klaar

Hebt gy haar meer gezien?

Lodewyk

Ik zag haar gist’ren gaan.
Met nog een dame.

Klaar

Waar?

Lodewyk

’k Was in de Malibaan
En stond gereed om haar myn’ diensten aan te bieden;
Maar zy ontweek my in haar koets, en scheen te vlieden
Voor myn gezicht, ja reed te viervoets in de stad,
Zo dat ik gants geen tys om haar te volgen had.

Klaar

Dat kan wel weezen, want ze is gist’ren uitgereden
Met haar grootmoeder, om zich zelfs wat te vertreeden.
De Malibaan geeft groot vermaak aan die hier woont.

Lodewyk

Ik bid u, meisje, dat gy my een gunst betoont.

Klaar

Wat gunst?

Lodewyk

Dat gy my, als zy t’huis is, eens komt spreken.

Klaar

Spreek jy myn juffrouw zelf; ik durf me ’er niet in steeken.

Lodewyk

Hoe is uw naam?

Klaar

Myn naam is Klaartje.

Lodewyk, Klaar geld geevende.

Klaartje, daar,
Koop daar wat moois voor. Nu, wy zullen haast malka‚r
Wat beter kennen. Hoor, indien gy weet te maaken,
Dat ik haar spreek, zult ge in het kort aan iets geraaken
Van meer waardy.

Klaar

Dat is onnoodig geld verspild.

Lodewyk

Nu neem maar aan.

Klaar

Myn heer, myn heer! Je zyt te mild!

Lodewyk

Dat is myn aard.

Klaar

Wel, ik beloofje, als meid met eeren,
Dat ’k alles doen zal wat gy van my zult begeeren.
Ik zal haar zeggen dat myn heer haar vierig mint,
En jou dan alles weer vertellen, zo ik ’t vind.
Maar ’k hoor daar juffrouws stem.

Zevende Tooneel

Lodewyk, Klaar, Charlotte

Charlotte

Och dieven! Dieven! Guiten!
Och, och! Myn paerelsnoer! Och buuren, kom eens buiten!

Klaar

Wat is ’er, juffrouw?

Charlotte

Och, myn paerelsnoer!

Klaar

Die ’s vals. Waar is die?

Charlotte

Och, die is gestoolen van myn hals!
De schelmen zyn hun best dat straatje doorgeloopen!

Achtste Tooneel

Lodewyk, Klaar, Charlotte, de Waard met een bezem, de knecht van den Waard met een stok

Waard

He! Houd den dief! Hy zal het met den hals bekoopen!
Waar is hy/

Charlotte

Die straat in.

Waard

Alon, dat gaat je voor.
He! Houd den dief! He! Houd den dief! Dat straatje door.

Negende Tooneel

Charlotte, Lodewyk, Klaar
Charlotte

Zy loopen daar verkeerd; ’k heb in die straat geweezen.

Lodewyk

Ik slaa die straat dan in, Mejuffer; wil niet vreezen:
’k Hoop dat ik hen door vlyt wel achterhaalen zal.
o Hemel! dit ’s voor my een zonderling geval!
Hoe waaren ze gekleed, Mejuffer?

Charlotte

Och, zy waaren...
Zy waaren beide in ’t blaauw! Och, ik kan niet bedaaren!

Lodewyk

Geef aan mejuffer gaauw te drinken, meisje, ik gaa,
En zet de schelmen met gezwindheid achter na,
En breng u voort bescheid.

Tiende Tooneel

Charlotte, Klaar

Klaar

Nu lachen? En flus schreien?
Wat ’s dat te zeggen?

Charlotte

Klaar, wij moeten hier verbeiÍn,
En niet in huis gaan, voor dat wy hem weder zien.
Ik heb myn snier nog.

Klaar

Ho, dan is ’t een list misschien?

Charlotte

Voorzeeker; ’k hoop dien heer in ’t minnenet te trekken
En met een schyn van staat tot liefde te verwekken;
Dat was de reden dat ik van kapoenen sprak.
Ik heb daar ginder in een hoek gestaan, en strak
Heel klaar gezien, dat hy met u iets heeft gesproken,
En tweemaal uit zyn beurs geld in de hand gestoken.
Toen, dacht my, was het tyd om met hem in gesprek
Te raaken, door een list. Ik wist geen beter trek
Dan dezen, want hem zelfs aanspreeken zou niet voegen.
Wat sprak hy met u, Klaar?

Klaar

Ik zal je vergenoegen.
Hy gaf me, eer hy begon te spreeken, een dukaat;
Toen vroeg hy na je naam, geslacht en stam en staat;
Die heb ik hem gezeid; maar ’k heb, en ’t had ook reden,
Van al uw geld en geod zodanig opgesneden,
Dat hy versteld stond; en dat kost hem een pistool;
Maar ’k moest daar wat voor doen.

Charlotte

Wat?

Klaar

Klappen uit het school.

Charlotte

O hemel! ’k Hoop niet dat ge onze armoede openbaarde?

Klaar

Het eerste dat ik in oprechtigheid verklaarde,
Was, dat men in je huis gort uit het water at.

Charlotte

Ha spyt!

Klaar

Het twede, dat ’k nooit huur en heb gehad.

Charlotte

Ha spyt!

Klaar

Het derde, dat ’t zo slecht hier is geschapen,
Dat juffrouw en mevrouw en meid op ťťn bed slaapen,
Dat jou juweelen valsch, je klÍeren onbetaald,
En alle zo ik denk zyn op krediet gehaald.

Charlotte

O valsche pry! ’k Zal u verscheuren met myn tanden!

Klaar

Zacht, juffrouw, wordt niet boos! Wel foei! Wel foei! ’t Is schanden!
Jy zyt ’t alleen niet. Hoor, heb jy geen geld noch goed,
Je kent wel leeven van jou oud en aad’lyk bloed.

Charlotte

Myn adel, myn fatzoen aldus te schand’lizeeren!
Gy my verwyten dat we in huis wat deklineeren?
Ik zal gevoelig zyn van zulken groot affront.
Ik zal Mevrouw die zaak...

Klaar

Hoor, hoor! ’t Is maar een vond,
Die ik bedacht heb om je wat te doen ontstellen;
Ik zag wel datje flus maar veinsde, en u moest quellen
Om recht verschrikt te zyn, ’t geen nu natuurlyk is.
Als hy nu weder koomt, dat haast zal zyn, na ’k gis,
Ken jy je rol wat net en ongeveinsder speelen,
En hy niet merken, dat je zoekt zyn hart te steelen.

Charlotte

Gy spot met my, o feeks, en hebt my zo ontsteld!

Klaar

Zyt maar gerust, juffrouw; ik heb hem niets gemeld
Als ’t geen je dienstig is om hem in ’t net te brengen.
Wat voordeel zou ’t my zyn?

Charlotte

De tyd kan niet gehengen
Hier lang te praaten. Zeg wat hy aan u verzocht.

Klaar

Ik heb door leugens hem heel fraai in ’t net gebrocht.
Hy denkt niet anders als om jou getrouw te minnen;
Je zyt van nu af aan meestresse van zyn zinnen.

Charlotte

Maar, Klaartje, mag ik my verlaaten op uw trouw?

Klaar

Daar ’s niets dat ik niet voor u over heb, juffrouw;
Je kend my immers; wat behoefje dat te vraagen?

Charlotte

’k Verzoek dan vrindlyk, of gy my voor voor drie vier dagen
Dat geld wilt leenen, dat die hier u heeft vereerd.

Klaar

Ei juffrouw, ’k bid! Mijn staat is ook gedeklineerd;
Want eer ik by je quam had ik nog honderd gulden,
Die ik je leenen moest, om daar je kleinste schulden,
Die ’t meeste schreeuwden, mÍ te stoppen, en dit geld
Is al myn rykdom. Ei, zie liever, hoe je ’t steld.
Ei, Juffrouw, ’k bid...

Charlotte

’t Is niet de pyne waard mamaatje
Weer geld af te eischen.

Klaar

Wel, ik zeg, het is een quaadje
Den kaalen adel te bedienen.

Charlotte

Wilt gy, Klaar?

Klaar

Ja, Juffrouw, ’k magje niet verlegen laaten, daar.
Je kunt het my als je getrouwd zyt, weÍr betaalen.

Charlotte

Ja, ja, gy weet wel waar gy ’t wederom zult haalen.
Ik heb juist geen klein geld en wil niet wiss’len, kind.

Klaar

Ik weet warentig niet, mejuffrouw, hoe je ’t vindt.
Is goud klein geld? en wilje groots zyn by die weeten
Dat je uit gebrek van geld in lang niet hebt gegeeten,
Als potjebeuling, en...

Charlotte

Zwyg. Wie heeft ooit gehoord,
Dat gy zo stout... maar...

Elfde Tooneel

Charlotte, Klaar, Bode

Bode

Woont mevrouw van Adelpoort
Hier, juffrouw?

Charlotte

Ja, myn vrind.

Bode

Dit geld moet hier dan weezen.
’t Koomt uit het leger.

Charlotte

Laat het opschrift my eens leezen.
Gy zyt te recht, myn vrind. Blyf hier een weinig staan.
Klaar, haal mevrouw. Maar ’k zie zy komt daar zelfs al aan.

Twaalfde Tooneel

Charlotte, Klaar, Bode, Konstance

Charlotte

Daar is een zak met geld.

Konstance

Voor ons, myn kind. Wy droomen.
Van waar zou dat geluk zo schielyk by ons koomen?

Tegen den bode

Laat my den brief eens zien. Ja. Hoeveel is de vracht?

Bode

Vyf gulden.

Konstance

Zo veel geld?

Bode

Het is niet minder.

Konstance

Wacht,
Dat ik het open doe. Maar ’k zie, ’k hoef niets te geeven:
’t Is immer gefrankeert! Zie daar, ’t staat daar geschreeven.

Bode

Waar staat het? Ja, ik zie ’t; ik heb het niet belet.
Maar ’t is ’er ook te flaauw en duister op gezet.
’k Verzoek exkuus, en moet dan niet als voor ’t bestellen
Drie stuivers hebben.

Konstance

Kind, wilt gy ze hem maar tellen?

Charlotte

Ik heb juist geen klein geld. Hebt gy het, Klaar, zo geef.

Klaar

’k Heb ook juist geen klein geld, zo waar niet als ik leef.

Charlotte

’k Heb wel dukaaten en pistoolen.

Klaar

’k Zal eens zoeken.
Ja ’k vind nog geld, Juffrouw, het zat juist in de hoeken
Geschoten van myn zak. Daar vriend, daar is je geld.

Dartiende Tooneel

Charlotte, Klaar, Konstance

Konstance, den rief geopend hebbende.

Die brief komt van myn zoon, Charlotte; ik ben ontsteld.

Charlotte

Van broeder? Ach Mevrouw! Is hy nog in het leeven!
O onverwagte vreugd!

Konstance

Hy heeft hem zelfs geschreeven
Uit Brussel! Ach myn kind, wat is myn hart verheugd!
Hy zal ons aad’lyk huis herstellen door zyn deugd.

Charlotte leest.

’Vrouw moeder, en masseur, ’k neem de eer van u te groeten,
En uwe droefheid me dit gifje te verzoeten.
’t Fortuin heeft t’zederd ik van u gescheiden ben
My iets gediend; ’k toon dan dat ik myn plicht erken,
Voor ’t goed dat ik van u en by u heb genoten.
’k Zend duizend guldens, en ik hoop het te vergrooten
In ’t kort, zo ’t mooglyk is. ’k Ben kapitein te voet
Geworden, en ik heb gelegenheid en moed
Om tot een hooger trap en meer fortuin te raaken.
’k Kan ook niet laaten om aan u bekend te maaken,
Dat ik getrouwd ben met een juffer, welker stam
In Uitrecht, zo als onze, een’ aadlyk oorsprongk nam.
’k Berei my tot de reis, die morgen zal geschieden,
Om u myn gemalin, Sofia, aan te bieden.
’k Breek af door haast. Vaar wel. Uw Karel Adelpoort.’
Hy schryft haar stamnaam niet, veel min rept hy een woord
Van haar geslacht. Dat’s raar! Dat doet my zeer verlangen.

Konstance

Na ’k aan den datum zie, zal ik hen haast ontfangen.
Charlotte, ik zal dit geld terstond in onze kist
Weg sluiten, want indien een krediteur dit wist,
Men quam ons op den hals. En, Klaar, maak gy te zwygen.

Klaar

Neen, neen, daar zal door my geen mensch de lucht van krygen.

Veertiende Tooneel

Charlotte, Klaar

Charlotte

Ik wenschte, Klaar, dat nu die heer hier weder was.

Klaar

Maar, Juffrouw, wat komt hier dit geld nu wel te pas!
Ik maakte al zwaarigheid, want zulke groote heeren,
Gelyk je weet, moet m’ in het vryŽn braaf trakteeren.

Charlotte

Zwyg stil, daar koomt hy weer, en schynt niet wel te vreÍn.

Vyftiende Tooneel

Charlotte, Klaar, Lodewyk

Charlotte

Zyn ze achterhaald, myn heer?

Lodewyk

’t Moeit my, mejuffer: neen.
’k Heb alles aangewend; maar ach, het is verlooren!
Zy zyn te ver vooruit, en niet wel op te spooren.
De beste raad is, dat men overal berigt
By juweliers laat doen; de dieven zullen licht
De snoer ten eersten aan den een of d’a‚r verkoopen.

Klaar

En ik zal met’er haast eens na de Lommerd loopen,
En zien...

Charlotte

Zwyg stil. Myn heer, ’t is maar een bagatel,
Niet waardig dat ik my om zulken zaak ontstel.
De schrik was ’t allermeest. Ik zal wel order geeven
Aan iemand van myn volk.

Klaar

’t Dient in de krant geschreeven.

Charlotte

Ik ben, myn heer, voor zo veel moeiten geobligeert.

Lodewyk

Neen, schoone juffer, ’k hou my daardoor zo geŽerd,
Dat uw beveelen my voor wetten zullen strekken.
Uwe oogen, die myn hart tot zuiv’re liefde wekken,
Door hunne aanlokkigheid, zyn van zo’n grote kragt,
Dat ik moet buigen voor de min en haare magt.
’k Wil liever duizendmaal voor u, o schoone, sterven.
Als ’t zoet genoegen van me uw slaef te noemen derven.

Charlotte

Myn heer, de vleijery is nu zo algemeen,
Dat ’t dwaasheid weezen zoude, op uw beleefde reÍn
My zelf te vleijen met die ydele gedachten,
Dat ik iets schoon bezit; maar ’k kon niet anders wachten
Van u; want ’k zie u aan voor eenen hoveling,
Dien ’t vleijen eigen is. Myn schoonheid is gering.

Lodewyk

Ik ben een hoveling, ’t is waar; maar zeer verscheiÍn
Van aarts als anderen: ik heb de walg van ’t vleijen,
En zyt verzekerd, dat al ’t geen ik zeg, niet spruit
Als uit een zuivre min. Het liefelyk geluid
Van uwen lieven mond kan my zo zeer bekooren,
Dat ik den hemel bid om dat altoos te hooren.

Charlotte

Mijn heer, het loopt te hoog! Zoud ge in zo korten tyd
Verlieven? ’k Denk dat niet.

Klaar

’k Geloof ook dat ’t je spyt.
Ja Juffrouw, ’t kan wel zyn: ’k heb in de Astree gelezen,
Dat ’t by de herders ook altyd zo was voor dezen.
Lees maar Lyzanders en Kalistes.
Of Bassa Ibrahim, of Milord Koerteny,
Kleopatra, Kassandre en duizend fraaije dingen;
’t Is ouwe liedje, dat de dichters altyd zingen:
Een boere meid word ligt door hen een koningin,
Een herder koning. Wel, steekt daar juist zo veel in?
Hoe menig prins doen zy in boere klÍren dwaalen,
Om Filisjes, die hen ontvlugten, te achterhaalen!
En dunkt je dit nu raar? Je leest het al den dag.

Charlotte

o Malle meid, hou op.

Klaar

’t Is zeker waar.

Charlotte

Ik lach!

Lodewyk

Gy lacht, myn schoone, en geeft myn stof, helaes, tot treuren.

Charlotte

Het is genoeg, myn heer.

Lodewyk

Ach, mogt my de eer gebeuren,
Dat ik uw’ dienaer wierde, en dat ik wedermin
Van u verwachten mogt, ik zou myn engelin
Betoonen, dat myn staat haar schoonheid evenaarde.

Charlotte

Gy zyt my onbekend.

Lodewyk

Ik ben een Graef van waarde
En macht in Poolen; doch in ’s keizers hof gevoed,
Eerst heer, en nu een slaaf, omdat ik u ontmoet;
Een slaaf, geketend in uw’ straffe minnebanden,
Die zyn geluk geheel gesteld heeft in uw’ handen.

Charlotte

Heer graaf, hoewel ik my niet ongevoelig ken,
Weet echter, dat ik zo onnozel ook niet ben,
Om niet te zien, dat wy te veel van staat verscheelen,
En dat ’t u lust met myn eenvoudigheid te speelen;
Ik ben een juffer, wel van adel, maar myn goed
En rykdom zyn gering, ten aenzien van myn bloed.

Klaar

Dat liegt zy niet, die pry; zy heeft hem nu al binnen.

Lodewyk

’k Moest volgens mynen staat een hoofsche juffer minnen;
Maar gy hebt my bekoord door uw volmaakt gezicht,
Waar voor de schoonste die ik ooit gezien heb, zwicht.

Charlotte

De tyd vereischt, heer graaf, dees reden af te breeken.

Lodewyk

’k Hoop de eer te hebben, schoone, om met u meer te spreeken,
En zal met uw verlof verzoeken aan Mevrouw
Uw moeder, dat ik u somtyds wat onderhouw.

Charlotte

Myn heer...

Lodewyk

Ik hoop dat zy daar niet zal tegen weezen.

Charlotte

Heer graaf, ik bid...

Lodewyk

Helaas, uw weigring doet my vreezen!

Charlotte

Uw dienares, mynheer.

Klaar

Heer graaf, kom jy maar flus.

Lodewyk

Gedoog, myn engelin, dat ik uw’ handen kuss’.

Charlotte

Myn heer, ik hoor daar volk!

Lodewyk

Ik ken ze; ’t zyn myn vrienden,
En dienaars.

Zestiende Tooneel

Charlotte, Klaar, Lodewyk, Jan in een edelmans gewaad,
twee Lakkeien, een kruijer met een koffer op den kruijwagen.

Jan

Dit’s de straat; nu zal ik het wel vinden.
Ha! Ha! Hier is het. Volg me met den gantschen trein.
Maak plaats! Maak plaats! Voor den baron van Schraalenstein;
En dat ben ik, kanaalje! A ’t za! Hier moet ik weezen.
Vat aan, heer Kruijer. Ha, wa breek je? Je moogt vreezen,
Daar ’s steene waar in. Zo, de koffer moet hier in.

Jan geeft geld aan den kruijer, die weg kruijd,
terwijl Lodewyk de Juffer na de deur leid.

Daar is je geld.

Zeventiende Tooneel

Lodewyk, Jan, Lakkeien

Jan

Hoe ben je al bezig?

Lodewyk

Ik heb haar die in de Malibaan zag wand’len
Gevonden.

Jan

Laat ze zich een beetje mak’lyk hand’len?

Lodewyk

Ik ben niet hoopeloos: de zaak schynt wel te staan.
’k Zal ’t u verhaalen. Laat ons in de herberg gaan.


Eind van het eerste Bedryf.


[Naar het tweede bedrijf]