Pieter Langendyk (1783 . 1856)

Het Wederzyds Huwelyks Bedrog

Tweede Bedrijf

[Samenvatting]


Eerste tooneel

Charlotte, Klaar

Klaar

Men zal de rest van ’t goed wel uit de Lommerd haalen,
Wanneer je broer koomt; want die kan het wel betaalen.

Charlotte

Zwyg Klaartje, rep u wat. Maak alles aan een kant.

Klaar

Nu benje eerst opgeschikt, Juffrouw; wel, uw Galand
Verliefd nu dubbeld.

Charlotte

Zeg, hoe hangen myn’ mansjetten?

Klaar

Zo wel en fraay, dat ik ze hou voor minnenetten.

Charlotte

Hoe staan myn moesjes?

Klaar

Wel.

Charlotte

En hoe is myn koleur.

Klaar

Bezonder fraaij.

Charlotte

Hoe ruikt myn adem?

Klaar

Zoet van geur.
N‚ muskus.

Charlotte

Neen; het is katsjoe dat wy gebruiken.

Klaar

Goed; anders mogt de Graaf die lekk’re zuurkool ruiken,
Die gy gegeten hebt.

Charlotte

Wat zegt gy?

Klaar

Niets, juffrouw.

Charlotte

Maar ben ik wel gehuld?

Klaar

Ja, als ik u aanschouw,
Moet ik bekennen dat je u zo weet op te schikken,
Dat deze minnaar voort zal vallen in je strikken;
Want wie zou denken, die jou in dees kleed’ren ziet,
Dat jy zo kaal waart, en nog minder had als niet.

Charlotte

’k Verzoek, dat gy uw tong wilt snoeren; ’k kan die rede
Van u niet veelen, meid.

Klaar

’t Is wel, ik ben te vreede.
Maar, juffrouw, zie my ook nu eens met aandacht aan;
Ben ik niet fraay gehuld?

Charlotte

Ja. Klaar, dat kan wel gaan.

Klaar

Hoe staan myn moesjes?

Charlotte

Wel.

Klaar

En ruikt myn adem lekker?

Charlotte

Hoe, is het scheeren, meid? Gy wordt hoe langs hoe gekker.

Klaar

Niet gekker als je meent; ik denk ook nog tot staat
Te komen, zo als jy, Juffrouw; mijn schoon gelaad
Is oorzaak dat ik flus een kusje heb gekreegen
Van zeker Potentaat.

Charlotte

Hei meid, hoe is ’t gelegen?
Gy zyt een spotster, foei, ’t staat qualyk, wen dat af.
’t Koomt door goedaardigheid dat ik u niet bestraf.
Men vindt wel juffers die zich zo niet laaten quellen.

Klaar

Ja, de oorzaek is alleen uit vrees dat ’k zou vertellen
Hoe ’t met uw staat is.

Charlotte

Klaar, wat preveltge?

Klaar

Ik, Juffrouw,
Zeg niemendal, als dat ik heel veel van je hou,
En dat het mogelyk in ’t kort zou kunnen weezen,
Dat ik je nicht wierd.

Charlotte

Meid, zwyg stil, of gy moogt vreezen.

Klaar

Als jy gravin wordt, dan wordt ik vast een baronnes.

Charlotte

Ja, licht een koningin, op allerminst princes.

Klaar

Wat weet ik wat geluk my over ’t hoofd mag hangen!
Maar om je langer niet te houden in verlangen:
Weet dan, dat, als ik flus den graaf die bootschap bracht,
Dat de baron my kuste, en schoon ik al myn macht
Gebruiken moest om die vrypostigheid te keeren,
Het was onmoog’lyk in myn magt my te verweeren;
Hy zeide, in ’t byzyn van den graaf, dat hy verliefd
Op my geworden was; dies, als ’t juffrouw belieft
My wat te helpen, zie ik kans omn ’t zo te maaken,
Dat ik nog baronnes zal worden.

Charlotte

Schoone zaaken!
Gy baronnes? Ha ha! Wat beeldt gy u al in!

Klaar

Ja lach niet, want dat is wel moog’lyk in myn zin.
De heer baron, Juffrouw, krygt dikwyls malle vlagen,
Die ik, als baronnes, heel gaerne wil verdraagen.
De zaak zal heel wel gaan. Al ben ik maar een meid,
Men kan niet weten waar dat myn geluk nog leid.
Ei, laat my dan ook wat jufferlyk opschikken.

Charlotte

Weg, weg.

Klaar

Je weiget het? ’t Is wel, ’k zal alles klikken,
Hoe ’t hier gelegen is.

Charlotte

Aan wien?

Klaar

Wel, aan den graaf.

Charlotte

O hemel!

Klaar

Ja, Juffrouw, die heer is al te braaf;
’t Is slecht dat wy hem zo betoveren door liegen,
En met een schyn van staat aan allen kant bedriegen;
Het is kontsientie werk. Maar ’k stap ’er over heen,
Als jy me helpen wilt.

Charlotte

’t Is wel, ik ben te vreÍn.
Maar ’t heeft geen schyn; zou die baron op u verlieven?

Klaar

Hy is puur stapel gek.

Charlotte

Hoe weet gy ’t?

Klaar

Vaste brieven;
Je minnaar heeft het me geluisterd in het oor.
Wees maar gerust, Juffrouw; ik volg den haas op ’t spoor.

Charlotte

Wat heeft de inbeelding op den mensch een groot vermogen!

Klaar

Wat zeg je, Juffrouw?

Charlotte

’k Zal uw toeleg dan gedoogen.
Maar hebt gy Fop, uw broer, van alles onderrecht?

Klaar

o Ja, zeer grondig, maar, daar is hy zelf, de knecht.
Met Hans, myn vryer; en...

Tweede Tooneel

Charlotte, Klaar, Konstance, Hans, Fop

Charlotte

Hans, niet langer draalen;
Daar is de valsche ring.

Hans

Je praat van koeterwaalen;
’k Kan dat natuurlyk als een povre Savojaard.
Ik heb die kunstjes, als je weet, wel meer geklaard.
Maar wanneer koomt de Graaf?

Charlotte

Hy zal hier aanstonds weezen.

Konstance

Maar doe uw’ dingen wel.

Hans

Mevrouw heeft niets te vreezen.
Hans gaat uit de deur.

Derde Tooneel

Charlotte, Konstance, Klaar, Fop

Klaar

Maar Fopbroer, doe voor al je dingen met verstand.

Fop

Ik zal my houden als de plompste broer van ’t land.
Om geld te winnen laat ik my geen ding verveelen,
Al moest ik voor een droes, in plaats van kinkel, speelen.
Fop gaat uit de deur.

Vierde Tooneel

Charlotte, Konstance, Klaar

Konstance

Ach dochter, ’k mis bynba myn zinnen, door de vreugd!
Dat geld van broeder doet aan ons een groote deugd!
Gy kunt uw’ minnaar nu met eeren doen verschynen;
Ook doet een dubb’le vreugd in my de zorg verdwynen;
Dat is, dat ik van daag myn zoon nog hoop te zien,
Met zyne gemalin.

Charlotte

’k Hoop dat het zal geschiÍn.
Zyn tegenwoordigheid, gemist zoo veele jaaren,
Zal onuitspreekbre vreugd in onze harte baaren.
Ook zal myn Graaf als hy zich by zyn aankomst vind,
Meer indruk krygen van myn staat.

Konstance

O ja, myn kind:
De hoffelyke zwier is Karel aangebooren.

Charlotte

Zyn zeden zullen vast myn’ waarden graaf bekooren.

Konstance

Maar is ’t al zeker, kind, ’t geen hy te kennen geeft?
Heeft hy u al gezegt waar hy zyn graafschap heeft?

Charlotte

Nog niet, Mevrouw; hy zal niet weig’ren te openbaaren,
Als wy ’t hem vergen, om het aan ons te verklaaren.
Maar zo veel weet ik; hy ’s aan ’s keizers hof gevoed,
En ’k merk hem aan voor heus en aadlyk van gemoed.

Konstance

’t Bedrog is hedendaags zodanig in de menschen,
Dat ik, als Momus, van de goden wel mogt wenschen,
Dat ieder in de borst een glaazen venster had,
Om dus te zien of ’t hart met valsheid waar beklad.

Charlotte

Mevrouw vergeet ons zelfs; met haar verlof; ’k zou denken
Dat Momus ook zo deed.

Konstance

Kan de achterdocht ons krenken?

Charlotte

Niet eer voor dat men die laat blyken aan elka‚r.

Konstance

Dan is het veinzen goed.

Charlotte

Mevrouw, dat laat ik daar;
Ten minste dient het ons, als ik iets groots zal hoopen.
Hier wordt gescheld.
Daar zal de Graaf licht zyn; ras, Klaartje, doe eens open.
Ik heb na hem verlangd, Mevrouw, en nu hy koomt,
Voel ik my zeer ontroerd; ik vrees...

Konstance

Zyt niet beschroomd.

Vyfde Tooneel

Lodewyk, Konstance, Charlotte, Klaar

Lodewyk

’k Heb de eer, Mevrouw, van u te komen zien en spreeken.

Konstance

De eer is aan ons, myn heer, ik hou het voor een teeken
Van achting tot ons, dat ge u zelfs zo veel verneÍrd.

Lodewyk

Mevrouw, ik zag my nooit zo veel als nu geŽerd,
Dewyl ik zien mag die ’k myn hart reets heb gegeeven,
En in wiens schoonheid ik uw eerste jeugd zie leeven.

Konstance

Gy vleit my, Graaf.

Lodewyk

O neen, ik spreek myn hart regt uit.

Konstance

Het zy het waarheid is, of uit beleefdheid spruit,
Gy toont uw hoflykheid door ’t slypen van uw zinnen,
Om my van uw kant met beleefdheid te overwinnen.
Myn agting hebt gy reets gewonnen.

Lodewyk

Ach Mevrouw!
Vergun my dan, dat ik dees schoonheid onderhouw’
Met woorden die de min my afperst; ’k ben verwonnen;
Geen hoofsche juffer heeft my ooit behaagen konnen.
Ik heb de min gehaat; nu dwingt zy my in ’t end.

Konstance

Gy zegt ons veel, myn heer; maar ons is niet bekend,
Wie die betuiging doet.

Lodewyk

Mevrouw gelieft te weeten,
Waar dat myn graafschap is, en hoe het wordt geheeten?
Ik zal het zeggen, schoon ik ’t liefst verhoolen hou;
Het legt in Polen, en de naam is Habislouw.
Myn vader heeft my jong na ’s keizers hof gezonden,
Wanneer de Turken na ’t bezit van Polen stonden.
En, zonder roem gezegt, ik wierd daar zeer geŽerd.
’k Had mogelyk nu nog in ’t Duitse hof verkeerd,
Indien heer vader in het leeven waar gebleeven;
Zyn dood dwong me om my na myn erfland te begeeven;
En korts kreeg ik eens lust te reizen met myn neef,
Dien ik de schoonheid van dees landstreek zo beschreef,
Dat ik hem overhaalde om reisgezel te weezen.

Klaar

Gy meent de heer baron?

Konstance tegen Klaar

Zwyg stil, of gy moogt vreezen.

Lodewyk

De reis is meest tot zyn verlugting aangeleid,
Wyl hy zwaarmoedig is en vol droefgeestigheid,
Ja buitenspoorig, doch niet altyd, maar by vlaagen.
Hy heeft vernufts genoeg; maar als hem deeze plaagen
Bekruipen, schort het hem ten vollen in ’t verstand;
’t Geheugen gaat dan weg; dan weet hy vaderland,
Noch staat, noch afkomst, noch zyn eigen naam te noemen;
Maar anders is ’t een heer vol moeds, en waard te roemen,
Die door manhaftige krygsdaaden is berucht.

Konstance

Dan is hy waard beklaagt.

Lodewyk

Mevrouw, ’k heb groote zucht
Voor zyn persoon; hy waar’ volmaakt om te beminnen,
Indien hy meester als voorheen waar’ van zyn zinnen.
Daar wordt gescheld en Klaar doet open.

Konstance

Wat is daar voor geraas? Wie stoort ons hier al weer?

Zesde Tooneel

Fop in boeren gewaad, met drie zakjes geld,
Lodewyk, Charlotte, Konstance, Klaar

Fop

Dag juffrouw, dag mevrouw, dag Klaartje, dag myn heer!
Mevrouw, verzinje wel, nou kom ik je betaelen
Is dat je zeun? Ja wel, hy lykt niet van de schraelen
En povre jonkers, neen, verzinje wel; o bloed!
Wat het hy al een goud en zulver aan zen goed!
Ho welkom, heerschip! ’k Hietje welkom om een koekje!
Verzinje wel.

Klaar

Hy is myn heer niet, gek.

Fop

Ja zoekje,
Me wat te pieren? Neen, dat’s mis, verzinje wel.

Konstance

Hy is myn zoon niet, Kees.

Fop

Hoe of dit weezen zel?
Verzinje wel, men heer, laat ik jou iens bekyken.
Nou zien ik ’t eerst, ja daar ’s meer eigen as gelyken.
Vergeef ’t me, Jonker, want ik was verabbezeerd:
Me dogt, om dat je zoo bekant was en geveerd,
Dat je onze jonker waert.

Klaar

Dat maak jy aartig, baasje.

Fop

Al bin ik maar een boer, ik hou myn rippretasie.
Ik en myn wyf, die gaen met al de groote lui
Van ’t stee om.

Klaar

Jy?

Fop

Wel ja, ik breg ’er altyd hui
En zoetemelk en kaes. Ik mag met elk verkeeren.

Klaar

Zo doende, Keesje, kan jy gŰe manieren leeren.

Charlotte

Hoe is ’t op onze plaats?

Fop

Daar staet het alles wel,
’k Loof dat het met ’t gewas dit jaer wel slaegen zel:
De boomen bloeijen uit de kunst, en in ’t bezonder
Is ’t op jou Hofstee schoon, verzinje; ’t is geen wonder;
Dat komt dat joffrouw op geen schuitje mist en ziet.
’t Is allemael gien sch‚ het geen juist schaede hiet.
Jou tuinman Jaep verstaet ’em schier op alle zaeken.
Nou is hy bezig om een bloemperk op te maeken,
Vlak voor het huis. Dat moest je haest iens komen zien:
De zoete tijd komt ’an.

Charlotte

’k Denk in een dag of tien
Te komen, ligt nog eer; dat kunt gy Jaap wel zeggen.

Fop

Dan zelje ’t bloemperk daer al opgemaekt zien leggen.

Konstance

Koom, laat ons reeknen, Kees; ik heb niet langer tyd.

Fop

Goed, als je wilt, mevrouw; dan raek ik ’t vragje quyt.
Je loopt die kamer in; ik mien je na te treden.

Zevende Tooneel

Lodewyk, Charlotte. Binnen wordt geld geteld.

Lodewyk

O schoone, die myn hart met uwe aanloklykheden
Doet buigen voor de min, gy hebt myn staat gehoord;
Nu hangt het maar aan u! Ei, laat een troost’lyk woord
Uit uwen lieven mond myn quynend hart verquikken!

Charlotte

Zo haastig niet, myn heer.

Lodewyk

Ik tel al de oogenblikken,
Myn allerwaardste. Ach, troost uw’ minnaar, ja uw’ slaaf.

Charlotte

Het geen gy eischt, myn heer, is zulken grooten gaaf,
Dat ik my honderdmaal, en meerder, moet bedenken,
Eer dat myn plicht vereischt myn hart aan u te schenken.
’k Heb uw’ stantvastigheit in ’t minnen nooit gezien.
By and’re juffers spreekt de Graaf ook zo misschien.

Lodewyk

Ik zweer u, schoone ziel, by ’t bloozen van uw’ kaaken,
Die rooze gloed, die my in zuiv’re min doet blaaken,
Die gloed, die ’t schitt’rend vier van Tirus purper hart,
En met zyn straalen schiet in ’t allerkilste hart;
By ’t diamante licht van uwe tweling zonnen,
Wier straalen allereerst myn minnend hart verwonnen;
By ’t levendig albast van uw’ volmaakte leÍn,
Dat ’k niemant min als u, noch heb bemind voorheen.

Charlotte

Gy ciert uw reden op, en schynt te poŽzeeren.

Lodewyk

Ach, wat kan ons de min door haare kracht niet leeren!
Myn lief, ’k ben onbequaam te schild’ren met uw kragt
Van schoonheid gy myn hart gebragt hebt in uw magt.
Al die aanloklikheid, al die bevalligheden
Zyn machtig myn verstand van ’t regte spoor der reden
Te leiden, zo gy niet uw’ strafheid wat verzoet.

Charlotte

Gy vleijt my, Graaf.

Lodewyk

O neen, zie wien u valt te voet:
Een die zig onderwerpt wat vonnis gy zult geeven.
Aan u, o schoone, hangt myn dood nu of myn leeven;
Maak dat dit oogenblik voor my gelukkig zy.

Charlotte

Staa op, myn heer, en heb wat meerder heerschappy
Op uwe driften; poog die vlam in tyds te dooven;
Uw adeldom en staat gaat onze ver te boven;
En kreegt gy eens berouw van deeze keur, zou ’t licht
Te laat zyn dat gy wist wat zaak gy hadt verricht.

Lodewyk

Die keur, myn schoone, zal my nimmermeer berouwen.

Charlotte

Mag ik ’t gelooven?

Lodewyk

’k Zweer dat gy my moogt vertrouwen.

Charlotte

Gy zyt een edelman; ’k geloof u op uw woord,
En ik beken dat uw’ beleefdheid my bekoort;
Myn hart kan langer dan niet onverschillig weezen.
Doch van vrouwmoeders kant hebt gy licht meer te vreezen;
Schoon ik ’t bezit u van myn hart al toe wou staan,
’t Moest met haar wil zyn, en dat zal bezwaarlyk gaan;
Zy heeft geen dochters meer als my alleen in ’t leeven;
Gy zyt een vreemdling, dien zy my niet graag zal geeven,
Omdat zy dan te veel myn byzyn missen zou.

Lodewyk

’k Zal haar en u, myn lief, in ’t graafschap Habislouw
Geleiden, daar gy zult als myn gravin regeeren,
Dit land vergeeten, en u zien van ieder eeren.

Charlotte

Ik zal my schikken naar vrouwmoeders raad, myn heer.
Gy kunt my de eer doen...
Daar wordt gebeld.
Maar wat’s dat? Wie schelt daar weer?
Hee, Klaartje, Klaartje!

Achtste Tooneel

Klaar, Lodewyk, Charlotte

Klaar

Wat belieft Juffrouw?

Charlotte

Doe open!
Gy hoort wel, dat ’er wordt gescheld.

Klaar

Ik zal gaauw loopen.

Charlotte

Myn heer, het moeit my dat we in dit onvry vertrek
Gebleeven zyn; ik wist niet dat ons gesprek
Zo lang zou duuren. Ik zal voortaan de eer genieten
Om in ’t zalet.....

Lodewyk

Myn lief, hoe zeer ’t my moet verdrieten
Ons staag gestoord te zien in dit vertrek, ik hou
Het voor het beste van dit adelyk gebouw,
Omdat ik de eer heb...

Klaar

’t Is een koopman in juweelen,
Monsieur le Poerlaron.

Negende Tooneel

Hans in koopmans gewaad,
Klaar, Lodewyk, Charlotte

Hans onder den naam van Poerlaron

Ze zel hier niet verveelen,
Dat ze aan madamoizel service presenteer?
Ze ’eb deezen dak kehoor dat jou juweel begeer.

Charlotte

Brengt gy iets mede?

Hans

Oui, jou ’ep aan ma boetike
Van daak keweest vergeefs. Mon frient was juist ’eel zieke;
Dien was ze gaan bezoek. Ze bid, madamoizel,
Exkuse moi!

Charlotte

Gy zyt geŽxkuzeert, ’t is wel.
Is u van daags een snoer met paerels voorgekoomen?

Hans

Un paerelsnoere? Non.

Charlotte

Ze is van myn hals genomen
Door dieven op de straat; zo ze u wordt aangebracht,
Neem vry de snoer, en hou de dieven in uw’ macht.

Hans

Dat zel ze doen.

Charlotte

Wat hebt gy mÍgebracht?

Hans

Juweelen.
Zo zuivre poer de kieke; un dief die zou hum steelen.
W‚t dunk jou: is ’t niet bon?

Charlotte

Waar voor is dat te koop?

Hans

Akt’ondert kulde ’t minst.

Charlotte

Dat is te veel; loop, loop.

Hans

Bezie ze wel ter deek: hum ’eb niet eene foute.
Als jy een foute vindt, mak jou voor niet um oute.
Hum ’andel veul met jou; ze weet jou ’ep verstand
Van de juweel, veel betre als al de daam van ’t land.
Jou koop altyd koet koop. Ze ’eb eens van jou kehatte
Cinq’mille Ekuus gelyk. Keen klant in deeze statte
Die zo veel koop, als jou.

Charlotte

Het is geen quaad juweel.
Maar, Monsieur Poerlaron, de prys is veel te veel.
Zes hondert gulden is genoeg; ’k zou niet meer geeven.

Hans

Ze moet niet dingen.

Charlotte

Niet?

Hans

Madam’, zoo waar ze leeven,
Ze zou verlies, ma foi.

Lodewyk

Mag ik ’t juweel eens zien?

Charlotte

Heer graaf, ’t is tot uw dienst.

Hans

Jou moet zo slekt niet biÍn.
Bezie zon Exelense. Ik ’eb nok van myn leeven
Zo weinig niet kewon.

Lodewyk

Ik zal nog vyftig geeven.

Charlotte

Zo, valt gy in myn bod, myn heer?

Lodewyk

Gy biedt te min.

Charlotte

Geef hem zyn’ vollen eisch, heer Graaf, is ’t zo uw zin.

Lodewyk

Gy kunt als ’t u belieft, monsieur, uw geld dan haalen;
’k Zal in myn logement u deezen dag betaalen.

Hans

Bon, waar logeer jou?

Lodewyk

In De Goude Muizeval.

Hans

Son Exelense zek hoe hum daar noemen zal.

Lodewyk

De graaf van Habislouw.

Hans

De Kraaf van Kabeltouwen?
Je suis vŰt serviteur. Ze kan dat wel onthouwen.

Tiende Tooneel

Lodewyk, Charlotte, Klaar.

Lodewyk

Myn lief, ’k verzoek dat gy my de eer doet, dit prezent
Van my te ontfangen.

Charlotte

’k Zie dat gy myn’ aard niet kent.

Lodewyk

Myn schoone, ’k bid dat gy ’t prezent niet af wilt wyzen,
AL is het wat gering; gy zult ’t misschien mispryzen,
Dat ik my tegens u in ’t bieden heb gekant?
’t Zal my een eer zyn, om ’t in zulken lieve hand
Te moogen zien. En heb ik daar door iets misdreeven,
Gy moet de mode van het hof de schult dan geeven.
Ik bid u: neem het aan.

Charlotte

’k Bedank u dan, heer Graaf.

Lodewyk

Myn lief, ’t is zulks niet waard; ’t is al te slechte gaaf.
Ik was bijna in toorn op deezen Waal ontsteeken,
Omdat hy onze reÍn zo schielyk af quam breeken.

Charlotte

Daar was niet overig. Gy hebt myn wil gehoord.
Gy moet belooven, aan vrouwmoeder niet een woord
Van ’t geen gy op myn hart gewonnen hebt, te zeggen:
Ik zal het, op zyn tyd, haar zelf te voore leggen;
Gy kunt my midlerwyl bezoeken als galand.

Lodewyk

O! Lastig uitstel voor een hart vol minnebrand!
Daar wordt gescheld.

Charlotte

Doe open, Klaartje. Wie of daar al weer zal koomen?

Lodewyk

Ik hoor de stem van myn koezyn.

Charlotte

Wat doet u schroomen?

Lodewyk

Het is de heer Baron, die door zyn zotterny
My overal beschaamt. Myn hart, ik vrees dat hy
Iets aan zal vangen dat u ligtlyk zal mishaagen.

Charlotte

Een die verstand heeft, kan wel zotterny verdraagen.
De heer Baron zal nu misschien niet spoorloos zyn.

Elfde Tooneel

Jan, Lodewyk, Charlotte, Klaar

Jan

Je suis vŰt serviteur, madame, en mon koezyn.
Vergeef my, dat ik jou gezelschap kom verstooren.
Zyn Exelentie zal een’ blyden tyding hooren.
Kent gy den schryver van het opschrift van dien brief?

Lodewyk

Hoe, hebt gy brieven, heer Baron? Dat is myn lief.
Hebt gy ’er geen voor u?

Jan

Ik heb ’er vyf gekreegen.
En tegen jou gezeid: ik was al wat verleegen
Om geld. De wissel komt nou juist heel net van pas:
Ik denk, dat al myn geld geen duizend ginjes was,
En dat is niet; want wat kan duizend ginjes maaken?

Charlotte terwyl Lodewyk leest

Dat is een groote som.

Klaar

Ja, kon je daar aan raken,
Dat zou ons dienen in ons kraam.

Charlotte

Zwyg, hy is gek.

Jan

Juffrouw, dit is al een kostelyk vertrek.

Charlotte

Myn heer, zo passelyk.

Jan

O neen, het is zeer aardig!
Is dat tapyt niet wel een duizend guldens waardig?

Charlotte

Dat weet ik niet, myn heer, dewyl ’t by de erfenis
Van iemant van ’t geslacht aan ons gekomen is.

Jan

Mejuffer, jy komt my zo aangenaam te vooren,
Dat jy myn hart byna tot liefde zoudt bekooren.
Ja, zo de Graaf, myn neef, jou minnaar niet en waar,
Wy wierden zekerlyk in korten een paar.
’k Heb overal geweest: in Spanje, in Hongaryen,
MezopotamiŽn, en ook in Pikardyen,
In Zweden, PersiŽn, ja in Luilekkerland,
Maar nergens juffertjes zo schoon en vol verstand
Als jy bent, ooit gezien.

Lodewyk

Ha schelm, wie kan ’t verdragen!
Mejuffer, ik verzoek...

Charlotte

Zwyg maar, ’t zyn malle vlaagen.

Jan

In EtiopiŽn heb ik ’er een gevryd,
Die lykt jou op een draad; ’t is of je zusters zyt.
Zy was de dochter van een paap Jan, die voor twee jaaren
Getroud is met den Cham of Keizer der Tartaaren.
Ik was ’er aan verloofd; ze was alreets myn bruid.
Maar die verbuste Cham heeft juist myn trouw gestuit.
Ik meen dien beest wel haast dat schelmstuk te betaalen.

Lodewyk

Hou op met liegen! Of...

Jan

De drommel zel hem haalen!
De Cham zel weeten, wien hy heeft gešffronteerd.

Lodewyk

Zwyg, zeg ik, of...

Jan

Op ’t minst dient hy wat afgesmeerd.
Hoe, zou die vent myn bruid, die ik zo lief had, houwen?
Zou hy ten spyt van my paap Jan zyn dochter trouwen?
’k Wou liever, dat hy op een heete hekel zal,
Of dat die Cham zyn broek vol brandenetels had.

Lodewyk

Zwyg liever van dien Cham, en spreek van and’re zaaken.

Jan

Koezyn, ik voel myn hart zo in de liefde blaaken,
Nu ik die juffer zie, dat ik niet laaten kan
Te spreeken van myn bruid, de dochter van paap Jan;
Om haar zal ik altyd deez’ schoone juffer minnen,
En ook myn best doen om haar tot myn bruid te winnen.
Doe jy je best al me, en zie wien ’t hagje krygt.

Lodewyk

Ik zweer u, heer Baron!

Jan

Ja, Graaf, of jy me dreigt,
Dat bruit me nietmendal. Ik wil dees juffer vryŽn.
Doe jy je best ook maar; ik mag het heel wel lyÍn.

Lodewyk

Mejuffer, ’k bid; vergeef deeze onbescheidenheid
Van myn koezyn; gy weet....

Jan

Myn schoone! Ik ben bereid
Om u te toonen, dat ik hier niets heb misdreeven
Het geen hem redenen kan tot misnoegen geeven.

Charlotte

Myn heer, wees vry gerust, dewyl ’t maar kortswyl is.

Jan

Maar, dat ik jou bemin, dat’s zeker en gewis.
Wat meenje, Graaf, dat jou heer vader toe zou laaten,
Dat jy zoudt trouwen? Neen, hy zou jou dood’lyk haaten.
Je vader is een man die staat na qualiteit.
Hy heeft je een hartogin voor ’t minste toegeleid.
Het is de waarheid: je behoeft me niet te wenken.

Lodewyk

Myn heer, hoe spreekt ge dus? Wat zult gy al bedenken,
Om my te quellen? Myn heer vader is lang dood.
Ik heb ’t haar wys gemaakt.

Jan

Myn min is reets zo groot,
Dat ik warentig schier de waarheid heb vergeeten;
Maar nou bedenk ik my. Hy ’s dood, is wel te weeten,
Zo dood gelyk een pier; hy storf geheel te onpas,
Toen ik de bruigom met paap Jan zyn dochter was.

Klaar

Op wat wys sturf hy? Hoe heeft hy den geest gegeeven?

Jan

Wel kind, hy sturf om dat hy langer niet kon leeven.

Lodewyk

O fielt, gy zoudt my door uw’ losheid schier verra‚n.
Myn heer, het wordt al tyd; koom laat ons t’samen gaan.

Jan

Laat ons dees schoone nog een weinig onderhouwen.
Of wil jy gaan? Ik blyf.

Lodewyk

Ha schelm! Het zal u rouwen!

Jan

Dewyl je ’t zo begeert, ik zal gehoorzaam zyn,
En in ons logement een helder glaasje wyn
Op haar’ gezontheid door myn edel keelgat gieten.

Lodewyk

Vaar wel, myn schoone, ik hoop ’t geluk steets te genieten
Van u te dienen, zo gy my zulks waardig kent. Jan laat een brief vallen. Ik meen het ook zo, met dit zelfde kompliment.

Charlotte

De eer is aan my, en ’t is my leet, dat ik de heeren
Niet beter naar hunn’ waarde en staat kan regaleeren.

Twaalfde Tooneel

Charlotte, Klaar, Konstance, Fop

Charlotte

Wat dunkt mevrouw: heb ik myn rol niet wel gespeeld?

Fop

En heb ik na de kunst niet fraaij een boer verbeeld?

Konstance

Tot nog toe gaat het wel, myn kind; nu moet men maaken,
Dat hy gelegenheid verkryge om u te schaaken.

Charlotte

Mevrouw, dat dunkt my vreemd; hoe durf ik zulks bestaan?
Die zo uitspoorig is, en strydig met ’t welleven?

Konstance

Dus doende hoef ik u geen huwlyksgoed te geeven.
Ik doe ’t uit nood, want wierd gy met myn wil de bruid,
Dan quam gewis terstond ons onvermogen uit.
Daar wordt veel gelds vereischt tot al de omstandigheden
Van zulken bruiloft; met een’ graaf in d’echt te treeden,
Dat is iets ongemeens. Al waar ’t een edelman
Van minder staat, weet, dat ik ’t niet uitvoeren kan.

Klaar

Mevrouw heeft groot gelyk: ’t is wonder wel verzonnen;
Die zaak dient niet versloft, maar met ’er haast begonnen.

Charlotte

Ik durf het niet bestaan.

Klaar

Verlies je ’er ook iets by?

Charlotte

Myn reputatie.

Klaar

Ja, zet die maar aan een zy.
Laat jou een vogel, die zo vet is, niet ontslippen.

Konstance

Hy mint u teder, kind.

Charlotte

Ja mooglyk met de lippen.
Kan ik een hoveling betrouwen?

Konstance

Neen, niet veel;
Maar zou een die niet mint, u zulken schoon juweel
Zo los vereeren? Neen, het blykt dat zyne zinnen
Geneigt zyn te uwaarts. Wilt maar vry de zaak beginnen.
Wees niet beschroomt, myn kind, ’t moet wel voor ons beslaan.

Charlotte

Mevrouw, ik moet my op die zaak ter deeg beraÍn.

Klaar

Ik vind een brief. Dien heeft de Graaf misschien vergeeten.

Charlotte

Klaar, hy is open?

Klaar

Ja.

Charlotte

Dan moet ik d’inhoud weeten.
Charlotte leest:
"’k Neem de eer van u te kontenteeren,
Genadig heer, op uw begeeren,
En zend twee wisselbrieven op
Den heer Kristoffel Ossekop,
Le grand Banquier der heeren Deenen;
Zy zyn op zicht, en reets verscheenen,
Groot ieder van twee duizend pond,
Dien gy koerant ontfangen kond.
Hy woont te Brussel, in den grooten
Kristoffel, naast de Kallefs pooten.
Hy is het wiss’len lang gewend,
En by de Deenen wel bekend.
Voorts valt voor ons niet meer te schrijven,
Als dat wy uwen dienaar bllijven.
En groet genadig uw koezyn,
Den heer baron van Schraalenstein,
Wiens quaal ik hoop dat nu niet zwaar is.
Hans Yzerfresser, secretaris.

Charlotte

Klaar, breng dien brief voort na De Gouden Muizeval.
Hy zal verleegen zyn.

Klaar

’t Is wel, Juffrouw, ik zal.
Kon ik den heer Baron ook tot myn min beleezen,
En mocht ik baronnes, als jy gravinne, wezen,
Ik was ’er boven op.

Charlotte

Ei zwyg die malle praat;
Hy is een edelman, en gy van slechten staat.
Hoe kan die malligheid u komen in de zinnen?

Klaar

In oŻwe tyÍn was ’t de mode om zo te minnen.
In Cats staat immers van de schoone Aspazia
Daar keuning Cirus op verliefde, en haar zo dra
Niet had gezien of liet haar door zyn’ dienaars schaaken,
En tot een koningin, ten spyt van and’ren, maaken.
Ben ik zoo schoon juist niet als deeze harderin,
Het scheelt al evenwel heel weinig in myn zin.
Ik zal myn best doen om den karel te verleiŽn;
En hy is gek, hy zel wel luist’ren na myn vleijen.

Charlotte

Is ’t ernst of boert?

Klaar

’t Is ernst.

Konstance

Hoe, Klaartje, wordt gy zot?

Charlotte

Mevrouw, gy ziet dat zy met deeze zaaken spot;
Want zy heeft trouwbelofte aan onzen Hans gegeeven.

Klaar

’t Is immers beter met een edelman te leeven,
En weezen baronnes, als met een’ armen knecht
Een ordinaarisje op te zetten?

Fop

Jy hebt recht,
Myn zuster. Doe je best; je zelt den gek bepraaten.

Charlotte

Dan zult ge Hans, daar ge aan verlooft zyt, dus verlaaten?

Klaar

Die koop ik af, indien ik ryk wordt, met wat geld.

Charlotte

’t Is wel, doe vry uw best, en zie hoe dat gy ’t stelt;
Verbrod ons werk maar niet door die uitsporigheden.

Klaar

Ik zal myn zaaken wel beleggen, en myn reden.
Zal ik nu met den brief voort na zyn herberg gaan?

Konstance

Nog niet; ik moet u eerst ter deegen doen verstaan,
Op welken wys gy met die heeren dient te spreeken,
Op dat aan d’aanslag die ’k bedacht, niets moog’ ontbreeken.

Charlotte

Men zy zo schielyk niet. De zaak is van gewicht.

Klaar

Dat’s raar! In myn zin is de zaak niet zwaar, maar licht.

Eind van het Twede Bedryf.


[Naar het derde bedrijf]