Pieter Langendyk (1783 – 1856)

Het Wederzyds Huwelyks Bedrog

Derde Bedrijf

[Samenvatting]


Eerste tooneel

Lodewyk, Jan, Twee Lakkeijen

Jan

Acht honderd guldens, heer, in n reis weg te geeven
Aan eene juffer, die jy tweemaal van je leeven
Aanschouwd hebt! Ik beken: je zyt vry kordiaal;
Maar ondertussen wordt de beurs geen kleintje schraal.

Lodewyk

Met speelen kan men wer aan and’re schyven raaken.
’t Was nodig, en het hielp bezonder in myn zaaken;
Ik heb de juffer weg.

Jan

Ja, zy licht jou, myn heer.

Lodewyk

Het is geklonken. ’k Zal haar trouwen, Jan.

Jan

Ik zweer,
Dat ik my niet verlaat op juffers, die haar zinnen
Zo schielyk buigen om een’ vreemdeling te minnen:
Daar schuilt wat achter.

Lodewyk

Neen, ik hou hem voor geen man,
Die eene juffer niet terstont bepraaten kan;
Men kan de wermin haast bespeuren aan haare oogen.

Jan

Zie oe, mynheer, zie toe! Een mensch wordt licht bedrogen.
Die wedermin komt my te schielyk; naar ik merk
Spruit zy uit kaalheid; is het mar geen hoerenwerk.

Lodewyk

Ha schelm! Wat zegt gy daar?

Jan

Ik bid: wil u betoomen.
Hebt gy na haar gedrag en staat al wel vernoomen?

Lodewyk

Jan, ik vertrouw my op haar stam en ad’lyk huis.

Jan

Haar stam kan goed zyn en zy zelfs nochtans niet pluis.

Lodewyk

Gy lastert haar.

Jan

O neen, ik heb my zelfs gequeten.
Daar komt de Waard; die zal haar zaaken mog’lyk weeten.

Tweede Tooneel

Lodewyk, Jan, de Waard, Twee Lakkeijen

Lodewyk wyst op het huis van Konstance:

Kent gy die juffer, daar ik flus in praat me was?

Waard

Wel zou ik niet? O ja, zy is een wakk’re tas;
Ze leeft heel zuinig, en ik hoor zy het veel plaaten
Gerft, verstaaje, die haar oom het nagelaaten,
Die in Oostindjen is gesturven, dat je ’t vat.
Verstaa je wel, heer Graaf? Nou, deuze groote schat,
Veurschreeven en veurzeid, moet deze juffer erven,
Gelyk je weet, wanneer de moeder komt te sterven.
Want, as je weet, de zeun is stilletjes uit ’t huis
Vertrokken, as je weet. O my! ’t was zulken kruis
Voor de ouwe vrouw, verstaaje, och zy kon niet bedaaren.

Lodewyk

Hou op, ik heb genoeg, wilt de and’re helft maar spaaren
Tot morgen, dat je’t vat, heer hospes, go gezel.
Ik ben je dankbaar, als je weet, verstaa je wel?

Waard

Heer Graaf, verstaaje wel, ’k zal eeten klaar doen maaken;
Wat lust je t’avond?

Lodewyk

Gy kunt dat voor dees tyd staaken;
Wy zyn op zek’re plaats genodigd, dat je ’t vat.

Derde Tooneel

Lodewyk, Jan, Twee Lakkeijen

Lodewyk

Wat zegt gy nu?

Jan

Ik hoor, zy heeft een’ grooten schat;
De juffer lykt je van het hoofd tot aan de voeten.
En pozito: ze was wat licht, tut tut, wy moeten
Zo naauw niet zien, want geld wordt tog by elk geacht.

Lodewyk

’k Verzoek, dat gy uw plicht voortaan wat meer betracht.
Spreek met eerbigheid van haar, of ’k wil u zweeren...

Jan

Hoe? Word je quaad, myn heer? Ik zoek je maar te leeren,
Dat schyn geen waarheid is.

Lodewyk

Wel, leer dan ook van my,
Dat gy by juffers van verstand geen zotterny
Beginnen moet. Wat bracht gy flus al vreemde grillen
En leugens op de baan? ’k Had werk om u te stillen.
Dat praatje van paap Jan had schier ons werk verbrod.
’t Is myn geluk, dat zy u aanziet voor een’ zot.

Jan

My dunkt, het staat zo braaf by juffers op te snyn
Van groote zaaken, heer; het is de zjeu van ’t vryn.

Lodewyk

’t Moet met verstand geschin.

Jan

Verstand ontbreekt my niet.

Lodewyk, ziet Charlotte, welke uit het venster kijkt:

Zacht, Jan; me dunkt dat daar myn lief uit ’t venster ziet;
Laat ons nu veinzen dat wy met malkar krakkeelen.

Jan,Lodewyk slaande:

Je liegt het! Heb je ’t hart myn eer aldus te steelen?
Lodewyk en Jan trekken de degens.

Lodewyk

’k Zeg dat het waar is. Ja.

Jan

Graaf, haal het in je hals!

Lodewyk

Baron, beken het dan!

Jan

Ik zeg nog eens: ’t is valsch.
En jy zult sterven!

Lodewyk

Ha Baron, ik zal my wreeken!

Vierde Tooneel

Klaar, Waard, Twee Lakkeijen, Jan, Lodewyk

Jan

Ik zal niet rusten voor dat ik je heb doorsteeken.
Zy worden gescheiden.

Waard

Heer graaf, verstaa je wel, waar komt de questie deur?

Jan

De questie, dat je ’t vat, die komt maar door een leur
Van duizend guldens, die ’k met wedden heb gewonnen.

Lodewyk

’t Is om het geld niet, want dat zou men geeven konnen;
Maar om het point van eer. Wat geef ik om dat geld!

Jan

Ik zeg nog eens, kozyn, dat jy my aanstonds meldt,
Wie dat het zegt.

Lodewyk

Baron, dat kunt gy zelfs wel denken.

Waard

Ei, heer baron en graaf, wilt tog malkaar niet krenken,
Verstaa je, zeg, wie is ’t?

Jan

Dat raaktje niet, Jan Gat.
Zo jy je ’er in steekt, kryg je vuistlook, vat je dat?
Kozyn, ik vraag nog eens of jy den man wilt zeggen.
Daer leit myn degen.

Lodewyk

’k Zal de myne ook nederleggen. Lodewyk fluistert Jan wat in.

Jan

Ik was in misverstand. Kozyn, ik heb den schuld:
’k Verzoek exkuus.

Lodewyk

’k Heb myn belofte nu vervuld.

Jan

Ik zal ’t betaalen.

Lodewyk

Hou het geld: ’t kan my niet scheelen.
Om duizend gulden, zulken bagatel, krakkeelen? Tegen Klaar
’t Is misverstand.... maar hoe! Zyt gy daar, zoete kind?
Het moeit my, dat gy ons te saam in questie vindt.

Klaar

Ik wou alleen graag met zyn Exelentie spreeken.

Lodewyk

Vertrek dan, hospes en lakkeijen.

Waard

Selleweeken!
Is duizend gulden by dat volk een bagatel!
Ik zal heur snyn van de beurs, verstaa je wel.

Jan

Heer graaf, ik zal u met het meisje alleenig laaten.

Klaar

Neen, heer Baron, jy moogt wel hooren wat wy praaten.

Vyfde Tooneel

Lodewyk, Jan, Klaar
Lodewyk

Wel, Klaartje, zeg my, is uw bootschap quaad of goed?

Klaar

Daar is myn juffrouw flus een raar gevoel ontmoet.
Derhalve heeft zy my in tyds by jou gezonden.

Lodewyk

Wat raar geval?

Klaar

Dat wy Mevro te stuiten?uw haar moeder vonden
In zulken quaad heumeur, dat zy niets hooren wou
’t Geen tot je voordeel is. Zy zal, naar ik vertrouw,
Haar dochter ergens in een klooster op doen sluiten.

Lodewyk

Wat reden heeft Mevrouw om onze min te stuiten?

Klaar

Zy heeft je vryery een tyd lang aangehoord,
Waar door zy weet dat jy haar dochter hebt bekoord;
Zy noemt haar dartel, wulps, ontbloot van goede zeden,
Een schandvlek van ’t geslacht, die tegen alle reden
Zich zelfs vertrouwen durft aan eenen vreemdeling;
Maar boven al verfoeit zy haar, om dat ze een ring,
Dien gy gekocht hebt, uit uw’ handen dorst ontfangen.
Hoe, zegt ze: gy moet zeer na ’t huwelyk verlangen,
Dat gy een vreemden graaf terstont in de armen valt,
Die zekerlyk met u tot zyn vermaak wat malt.
In ’t kort: Mevrouw heeft haar verbon u meer te spreeken.

Jan

Zou dan je juffrouw zich in ’t klooster laaten steeken?

Klaar

Niet anders als door dwang.

Lodewyk

Zwyg stil, ik hoor te veel.
Dat voorwerp zo volmaakt! Dat beeld zo schoon en el,
Zo net gevormd van len! Zo lief! Zo zoet! Zo aartig!
De min van koningen en groote vorsten waardig,
Daar ik myn vryheid heb voor eeuwig aan verpand,
Zal ik dat missen! Ach, het gaat me aan myn verstand!

Klaar

Uw lief heeft my belast u dezen brief te geeven.

Lodewyk

Licht heeft zy ’t laast vaarwel in dit papier geschreeven!
Lodewyk leest:
"Myn heer, hoe groot uw liefde weezen mag,
Men dwingt my door het moederlyk ontzag
Om my van u altoos af te scheiden.
Neem dan niet vreemd, dat ik my moet bereiden,
Om my van u, die ’k achting draag, te ontslan.
Vaar wel, gy zult altoos in myn’ gedachten staan."
Is ’t mooglyk? Is my dan dat droevig lot beschooren?
Na ’t my gelukt is om die schoone te bekooren!

Jan

Tut, tut, wat bruit het jou? Je zyt een man van staat.
Ik wed jy nog in ’t kort een keuningin bepraat.
Wat bruit jou die mevrouw met al haar vieze grillen?
Nu zou ik ook, uit spyt, haar kind niet hebben willen.
De vrouwlui meenen dat de mannen gekken zyn.

Lodewyk

Ik bid u: zwyg, Baron: gy kent de minnepyn,
Die kracht der liefde, niet, die my nog zal doen sterven,
Indien ik langer moet myn zielsgenoegen derven.

Klaar

Het is vergeefs, myn heer, dat jy je lot beklaagt.
Ik kan wel merken dat myn juffrouw liefde dtaagt
Tot u, en dat zy nooit die liefde zal vergeeten.

Jan

Ja, kool met krenten, meid, dat is een smaak’lyk eeten!
Of zy hem al bemint, dat helpt hem wat, niet waar?
Of weet je raad? Zoo maak je raad ten eerste klaar.

Lodewyk

Ja, meisje, weet ge iets tot myn voordeel te verzinnen,
’t Zal u niet schadelyk zyn.

Klaar

Daar komt my iets te binnen...
Maar juffrouw zal ’t niet doen...

Lodewyk

Ei, Klaartje, spreek vry uit.

Klaar

Myn heer, zy zal ’t niet doen.

Lodewyk

Ei zeg my! ’k Bid, besluit...

Klaar

Zy zal licht heel veel doen om uit den dwang te raaken...
Maar neen, zy zou...

Lodewyk

Spreek op!

Klaar

Heer graaf, je moest haar schaaken.

Jan

Ik moet een beest zyn, docht ik ook het zelfde niet.
Het was een warentig op myn tong eer zy het ried;
Die meid was waardig dat zy wierd in goud beslaagen.

Lodewyk

Die raad gevalt my, en ik zou den aanslag waagen,
Indien ik wist, dat zulks myn lief behaaglyk vondt.
Maar neen, zy weet nog niet hoe my de liefde wondt;
Zy kent de kracht nog niet van haare aantreklykheden.

Jan

Zy weet nog niet wat dat het is in d’echt te treeden
Met zulken grooten graaf, den graaf van Habislouw;
Zy weet niet, dat men haar Genade zeggen zou,
Als jy haar man waart, en dat ze in een koets zou ryn
Van klinkklaar goud, gevolgd van agt’ren en ter zyn
Door dienaars, elk zo bont gelyk een Arlekyn;
Bloed! Wist ze dat, ik wed, ze wel geschaakt wou zyn.

Klaar

De heer Baron is ’t hoofd geen kleintje weer op schroeven.

Jan

Het klaagen, dunkt me, zal nu langer niet behoeven;
Smeed nu het yzer, wyl het heet is; maak besluit;
Je moet ’er schaaken, of je dingen zyn verbruid.

Lodewyk

’k Zal na myn kamer gaan, om voort een brief te schryven.
Kozyn, gelief zo lang op deeze plaats te blyven
Met Klaartje; ’k koom zo ras als ’t mooglyk is hier wer.

Zesde Tooneel

Jan, Klaar

Klaar

Die graaf, myn heer baron, is al een wakker heer.

Jan

O ja, als hy niet slaapt, dan is hy altyd wakker.
Ik ken je zeggen, dat ik nooit geen beter makker
Gehad heb als myn neef. Hy is een dapp’re vent;
Alwaar gevochten wordt is hy altyd omtrent.
De slag van Eekeren is door hem half gewonnen;
Hadt hy er niet geweest, men had hem niet begonnen.
Hy is geweest voor Luik, voor Hoei, voor Keizerswaard.
De vyand vlucht terstond voor ’t brieschen van zyn paerd.
Hy deed den Schellenberg, terwyl hy stampte, drillen.
Roermond en Stevenswaard, daar wy van zwygen willen,
Was knapkoek voor hem. Maar de slag van Hogstet, bloed!
Daar toonde hy, zo wel als ik, zyn helden moed.
Daar zag men duizenden door ons in ’t water dringen.
Te Ramillie deed hy nog wonderlyker dingen;
Hy had een ruiter daar by ’t haar gevat uit klucht,
En gooijde hem met paard knaphandig in de lucht,
Zo hoog, dat hy van verre een vlieg geleek, en daalde
Niet eer voor dat men van den veldslag zegepraalde.

Klaar

Met uw verlof, myn heer, daar twyffel ik wat aan.

Jan

Wist jy wat dingen hy had by Turio gedaan,
Je zoudt niet twyffelen aan die van Oudenaarde,
Daar hij de minste luis niet in het leeven spaarde.
Te Meenen, Dendermonde en Doornik, Ryssel, Aath,
En honderd steeden, daar de tyd niet toe en laat
Om van te spreeken, heeft hy wonderen bedreeven.

Klaar

Ik heb niet veel verstand, heer, van ’t soldaatenleeven.

Jan

Dit alles won hy met den slag van Malplaket.

Klaar

Hoe kan dat mooglyk zyn?

Jan

Ja, maar ’t was in zyn bed;
Hy hoorde my alleen die dingen maar verhaalen,
En raakte door die gevechten aan het maalen.
Hy heeft nog meer gedroomd, dat ik vertellen zal.

Klaar

Ei, heer Baron, verhaal wat anders: ’t is te mal

Jan

My is wat raars gebeurd by Berge in Henegouwen;
Dit is wel waardig dat wy ’t in gedachten houwen.
Daar wierdt ik door een myn gesmeeten naar omhoog,
Met zulken kracht, dat ik gelyk een vogel vloog,
En raakte boven wind; ’k wierd in een uur zes zeven
Met groote snelligheid door deezen wind gedreven
Rontom de waereld, die ’t fatzoen heeft van een ey.
Je kent wel denken: ik was schriklyk in de ly.
Ik raakte aan ’t vallen; ’k had het leeven ook verlooren;
Maar ’k bleef juist hangen aan een postelyne toren
In China, met myn rok. Elk was daar op de been;
Zy hadden my al lang zien vliegen, zo ik meen.
In ’t kort: de koster quam my helpen en beleezen.
Hy docht dat ’k Joosje was, de heilig der Cineezen,
Zo dat de koning zelfs my zeer veel eer bewees.
Toen ik dat zag, speulde ik voor Joosje zonder vrees,
En eischte dat ze me een scheepslading met juweelen
Bezorgen moesten, of de droes zou met ’er speelen;
De gekken deeden ’t, en ik ging terstond te scheep
Na Poolen. Zeg eens, Klaar, was deze grap niet leep?

Klaar

’t Kan niet gebeuren: wie heeft ooit zo’n zaak vernomen?

Jan

Myn suikerzoete Klaar, een mensch kan koddig droomen.

Klaar

Zo heb je ’t maar gedroomd?

Jan

Dat zeg ik immers, meid.
’t Is alles maar gedroomd, dat ik jou heb gezeid.

Klaar

Uw snaakze geest, myn heer, is wonderlyk en aartig.

Jan

Veel dames achten my heur zoet gezelschap waardig;
Maar ’k acht ze niet, om dat jou lieffelyk gelaat
De mooiste van ’t zalet in glans te boven gaat.
Je bent begut een meid die fiks zyt op je kooten,
En niet ongoelikjes, maar glad van muil en pooten.

Klaar

Dat lykt wel scheeren.

Jan

Neen, ik ben verliefd op jou.
Ik wou wel dat je my een zoentje geven wou.
Hy zoent Klaar.

Klaar

Nou, nou, het is zo wel, is dat een mensch ook drukken!
Ei foei! Schei uit, Baron; niet meer, hoe zel het lukken?
Gaa liever na ’t zalet, en zoen daar jous gelyk.

Jan

Och! Och! Me dunkt dat ik van liefde schier bezwyk.

Klaar

Ei, ei, ’t is lang genoeg, je zyt een harde zoender,
Je hebt en baard zo scharp gelyk een platte boender:
Myn wang is al aan bloed.

Jan

’t Komt dat ik je bemin.
Ik heb jou liever als de grootste koningin.

Klaar

Ik kan ’t wel denken.

Jan

Meid, ik wil het je zweeren.

Klaar

’t Is lang genoeg, mun heer, met myn de gek te scheeren;
’t Is gantsch onnodig.

Jan

’k Zeg nog eens, dat ik het meen.
Ik heb jou al bemind toe jy my eerst verscheen.
Zie daar, dit goudstuk meen ik jou op trouw te geeven;
Wy zellen met malkar in Poolen heerlyk leeven.
Zie daar, daar is myn hand; ik meen het zeker, Klaar.

Klaar

Je zegt het wel, myn heer, doch doet het moog’lyk maar...

Jan

Neen, neem maar aan; ik zweer warentig je te trouwen.

Klaar

Ja maar, ik vrees, Baron: je zelt je woord niet houwen.
Al ben ik maar een meid, ’k pas nochtans op myn eer,
En ben ik slecht van staat, myn vader was een heer
Van aanzien, daar het door den tyd mede is verloopen.

Jan

Ja, zulke menschen vindt men veel, myn hart, by hoopen:
Elk moet zig troosten, want het is een slechten tyd.
Al ben je ’t geld, je bent den adel nog niet quyt.

Klaar

Myn adelyk geslacht wordt nog by elk geprezen.

Jan

Je woont in Uitrecht, zou je niet van adel weezen?
Ik kon wel zien, myn hart, dat jy van adel waart.
Ha! Zo myn stam zich met uwe eed’le stamme paart,
Wat zal jou wapen by het myne heerlyk pronken!

Klaar

Wel, heer Baron, je zoud me schier in min ontfonken.
Ik weet niet wat ik deed, indien gy ernstig spraakt.

Jan

De min heeft my alreeds gezengd, gebrand, geblaakt,
Gebakken en gestoofd; ik ben bekwaam om te eeten.
Wat drommel wil je meer van myne liefde weeten?

Klaar

Ik zal het waagen, want de gek is al verward.

Jan

Nu, Klaartje, zeg maar ja; ik meen ’t met al myn hart.

Klaar

Wel aan, myn heer Baron, ik laat my dan bepraaten.

Jan

Myn lief, ik zweer dat ik je nimmer zal verlaaten.
Zie daar, ontfang myn trouw.

Klaar

Daar is ook iets van my.

Jan

Een kusje.

Klaar

Zacht, myn heer. ’t Is hier op straat te onvry...
Daar komt de Graaf werom.

Zevende Tooneel

Lodewyk, Jan, Klaar

Lodewyk

Ik heb den brief geschreven;
Wil dien myn engelin terstond in handen geeven,
Opdat zy zie hoe my myn ramp ter harte gaat.

Jan

Mag ik niet zien, kozyn, wat in dit briefje staat?

Lodewyk

Ja, lees het vry, myn heer.

Jan

leest:

„Myn hart! Myn uitverkooren!
Ik heb door uw gezicht myn vryheid reets verlooren.
Indien ik hoopen durf dat gy my weder mint,
Wees dan verzeekerd dat ge een’ minnaar in my vindt,
Die moed heeft om ten dienst van u ’t al op te zetten
Wat hy bezit Ja, geen gevaar zal my beletten
Om u te redden. Vrees den haat uws moeders niet:
Die slyt licht door den tys. Vaar wel, ’k wacht met verdriet
Na ’t oogenblik ddat ik uw antwoord zal ontfangen."

Klaar

Die brief is puik; ik zal hem juffrouw aanstonds langen,
En brengen je zo gaauw, als ’t moog’lyk is bescheid.

Achtste Tooneel

Lodewyk, Jan

Jan

Dat is een wakk’re tas; wat dunkt je van de meid?
Wie zou geen zieke bruid met zulken hart bespaaren?
En ze is al redelyk verstandig na haar jaaren.
Ik ben ’er boven op, als ik haar trouw, myn heer.
o Bloed! Wat ben ik bly! ’k Heb al wat ik begeer!

Lodewyk

Hoe zo?

Jan

Wij hebben reeds beloofd malkar te trouwen.

Lodewyk

Hoe, wordt gy gek? ’t Is maar een meid; het zal u trouwen.

Jan

O neen, myn heer, zy is een vrouwmensch naar myn lyf.
My dient geen pimpelmees. Ik zogt maar na een wyf
Die naar myn zin was.

Lodewyk

Ja, gy hebt u wel gequeeten.
Hoe zal het gaan als zy in ’t end eens komt te weeren
Dat zy bedrogen is, en gy geen man van staat,
Gelyk gy voorgeeft, zyt.

Jan

Myn heer, dan dag en raad.
Maar zeg my eens: hoe zal Charlotte staan te kyken,
Als jy geen graaf bent? Want dat moet in ’t end ook blyken.
Haar liefde zal misschien dan ook zo groot niet zyn;
Zy mint je uit redenen van staat, naar allen schyn.

Lodewyk

’k Zie op haar kapitaal; daar kunnen wy van leeven.

Jan

Ja, als haar moeder haar dat kapitaal wil geeven.

Lodewyk

De zwaarigheid voor my is klein, myn lieve Jan,
Als ik Charlotte tot den vlugt beweegen kan;
Mevrouw van Adelpoort zal lichtelyk bedaaren;
Die haat, hoe groot zy schynt, za; slyten door de jaaren.

Jan

Maar ondertusschen moet je zorgen hoe je ’t stelt.

Lodewyk

Charlotte neemt gewis juweelen m en geld.

Jan

Maar a prop, verneem je nog iets van je vrinden?

Lodewyk

Vrouwmoeder is verhuist; ik kan haar nergens vinden.
Ik heb geweest daar zy het laatste heeft gewoond.
’t Waar my een vreugd, wierdt my haar woonplaats eens getoond.

Jan

Zy is misschien heel ryk. Ze ken licht plaaten geeven.

Lodewyk

Indien zy ryk waar, zou ’k op deeze wyz’ niet leeven;
Ik had niet weg gegaan.

Jan

’t Schort haar dan m aan goed?
Myn heer, me dunkt dat jy dan niet meer zoeken moet;
Ons ov’rig kapitaal zou dan meer aanstoot lyn;
Acht honderd gulden zyn al happa door je vryen.
Dat ’s meerder als je part; het ov’rig resje hoord
Aan my, gelyk je weet, myn heer, door ons akkoord.

Lodewyk

Ik weet van geen akkoord.

Jan

Wy zouden ummers deelen
Al wat wy wonnen met het dobbelen en speelen?

Lodewyk

Goed, hou maar rekening, zo kom je niet te kort.

Jan

Maar als die rekening dan niet betaalt en wordt?

Lodewyk

Heb maar geen zorg. Ik zal uw diensten wel beloonen,
En u, zo lang ik leef, myn dankbaarheit betoonen;
’t Geen gy te kort komt u betaalen, en nog meer...

Jan

’t Is wel, maar wie zal daar uw borg voor zyn, myn heer?

Lodewyk

Myn ad’lyk woord.

Jan

Daar zou de Lommerd niet op schieten.

Lodewyk

Ei Jan, uw malle klap begint me te verdrieten;
Betrouw u op myn woord.

Jan

’t Is wel, ik ben te vren,
Dewyl ik moet. Maar zacht: ’k zie Klaartje herwaarts tren.

Negende Tooneel

Lodewyk, Jan, Klaar

Klaar

Heer Graaf, zy heeft den brief al beevende geleezen.
Ik merkte dat zy ’t u zou toestaan, aan haar weezen;
Maar evenwel, zy is nog niet gerezolveert;
’t Koomt haar te schielyk voor, myn heer; maar zy begeert
Dat gy haar t’avond, voor ’t balkon, zult komen spreeken,
Ten zeven uuren.

Jan

Bloed! Dat is een heerlyk teken!

Lodewykgeeft geld aan Klaar:

Zeg aan myn lief, dat ik zal komen op dien tyd,
En prezenteert myn dienst aan haar. Dat’s voor uw vlyt,
Dien gy hebt aangewend.

Klaar

Myn heer, met geen gedachten...
Zo veel, wel heer!

Jan

Je moet geschenken nooit verachten.

Klaar

Ik dank je zeer, heer Graaf! ’k Durf hier niet langer staan.

Lodewyk

Vaar wel, ik zal zo lang in onze herberg gaan.

Jan

Nou Klaar, je weet wel wat wy hebben afgesproken!

Klaar

Ja, wees gerust, Baron: die praat dient afgebroken;
Want zo mevrouw my zag, dan was de zaak verbrust.

Jan

Heel goed, wees dan te vren, al wordt je niet gekust.

Eind van het derde Bedryf.


[Naar het vierde bedrijf]