Pieter Langendyk (1783 – 1856)

Het Wederzyds Huwelyks Bedrog

Vierde Bedrijf

[Samenvatting]


Eerste tooneel

Charlotte, Konstance, Klaar, Fop en Hans beide in lakeije kleeren.

Klaar

Je denkt wel, juffrouw, op de klok van zeven uuren?

Charlotte

Ik ben zeer ongerust, en kan van angst pas duuren.
Mevrouw, recht uit gezegt: ik durf het niet bestaan.
’t Is ook te schand’lyk met een’ minnaar door te gaan.
Zo ’t qualyk uitvalt, ’t zal my al myn leeven spyten.

Klaar

Tut, tut, geen mensch zal jou, hetgeen je doet, verwyten.

Charlotte

Ik wagt nog wat; misschien dat broeder hier haast koomt;
Men hoor wat hy ons raad: wy kunnen onbeschroomd
Aan hem verklaaren hoe de zaaken zyn gelegen;
Hy kan ons helpen door veel eerelyker wegen.

Konstance

Gy hebt al wat gelyk; dat heb ik niet bedacht:
De tyd van broeders komst dient eerst nog afgewacht.
Indien hy geld heeft om de bruiloft uit te voeren,
Is alles wel. Ik wiluw hart niet meer ontroeren.
’k Zou ook niet toestaan dat gy weg gingt, zo ’k niet wist
Dat ’t my aan ’t geld ontbrak; ’k bedacht alleen een list,
Gelyk gy weet, uit nood.

Klaar

Mevrouw, ’t kon wel gebeuren,
Dat jy jou dat besluit voor altoos zoudt betreuren;
De Graaf zal denken dat hy van je wordt begekt,
En moog’lyk dat hy dan om dat affront vertrekt.

Konstance

Indien hy haar bemint, zal hy zo licht niet scheiden,
Want anders blykt het dat hy ons zoekt te misleiden.

Klaar

Misleiden? Neen mevrouw, dat heeft in ’t minst geen schyn.
Daar wordt gescheld.

Konstance

Wie of daar schelt?

Klaar

Dat zal misschien de snyr zyn,
Of lakenkooper, om te maanen. ’t Zyn gezellen
Die ik niet langer weet met praatjes uit te stellen.

Konstance

Zeg dat wy uit zyn. Spel dat volk wat op de mouw.

Klaar

Indien zy ’t zyn, zal ik myn best wel doen, Mevrouw.

Charlotte

Licht dat het broeder is: die kan hier nu al weezen.

Konstance

’t Kan zyn: doch ik heb ren om ’t tegendeel te vreezen.
’k Ben bang voor krediteurs, zo dra ’er wordt gescheld.

Tweede Tooneel

Karel, Charlotte, Konstance, Klaar, Hans een Lakeij van Karel

Konstance

Het is uw broeder! Ach! Ik ben van vreugd ontsteld!
Zyt welkom, waarde zoon!

Charlotte

Zyt welkom, lieve broeder!

Karel

Wat is ’t me een vreugd, dat ik u zien mag! Ach! Vrouwmoeder!
Wat heb ik u misdaan, misleid door myne jeugd!
Vergeef myn losheid!

Konstance

Ach, myn waarde zoon! De vreugd
Verhindert my; ik kan van blydschap naauwlyks spreeken!
Omhels my!

Karel omhelst Konstance:

’k Heb misdaan! Konstance O neen, mijn zoon, ik reken,
Dat gy, door uw vertrek, den grond van ons geluk
Gelegt hebt. Ach, wat vreugd na zo veel ramp en druk!
Wie hadt gedacht, dat ik u in myn oude dagen
Nog weder zien zoude! Al myn tegenspoed en plaagen
En droefheid zal ik nu vergeeten! Koom, mijn kind,
Omhels uw’ broeder, dien ge in ’t leeven weder vindt.

Karel omhelst Charlotte:

Myn zuster! Charlotte Bror!

Klaar

’t Is hier byzonder druk met kussen,
En ik kryg niet een brui, van ’t bystaan, ondertussen.

Karel

Wel, Klaartje, leef je nog?

Klaar

Ja, zo ’k niet beter weet.
Och dat je wist, mynheer, hoe deerlyk dat ik kreet,
Toen jy zo stilletjes en zonder eens te spreeken
Vertrokken waart, en dat ik van je taal noch teken
Kon hooren waar je waart; je zoudt my ook wel eens...
Je weet wel wat ik meen.

Karel

Dat ’s licht wat ongemeens?

Klaar

O neen, niet ongemeens; je hebt het van je leeven
Wel meer gedaan.

Karel

En wat?

Klaar

Een welkomzoen gegeeven.

Karel

Gy zyt nog de oude Klaar, een snaakje van een meid.
Daar ’s dan een zoen!

Klaar

En jou ook een tot dankbaarheid.

Konstance

Klaar, wil die dartelheid een weinigje betoonen.
Myn zoon, waar is uw liefste? Of zyt ge alleen gekomen?

Karel

Ik wagt myn lief haast. ’k Ben te paerd vooruit geren;
Ze is op den wagen.

Konstance

Hoe? Liet gy haar zo alleen?

Karel

Ik koom hier om te zien hoe ’t staat met onze zaaken,
Om, zo hier iets ontbrak, eerst op zyn stel te raaken;
Myn liefste weet niet, hoe het by ons is gesteld.
Hebt gy myn laatste brief en ’t pakje met dat geld
Ontfangen?

Konstance

Ja, myn zoon. ’k Geloof, dat uwe leden
Vermoeijd zyn van de reis; gy hebt licht hard gereden?

Karel

o Ja, ik ben vermoeid.

Konstance

Laat ons dan binnen gaan.
’k Zal u een voorval ’t geen ons voorkomt, doen verstaan,
Van zek’ren graaf, die met Charlotte zoekt te trouwen.

Karel

Een graaf, Mevrouw!

Konstance

Treed voort; ’k zal u de zaak ontvouwen.

Derde Tooneel Klaar, Hans

Klaar

Wel Hansje, staa je daar, en spreekje niet een woord?

Hans

Dat raakt je niet.

Klaar

Myn bloed! Hoe benje zo verstoord?

Hans

Wat bruit dat jou?

Klaar

Je zyt nochtans myn uitgeleezen,
Die haast myn bruidegom, myn man en voogd zelt weezen.

Hans

Dat zel je liegen.

Klaar

Hoe? Waarom, myn lieve Hans?

Hans

Dat weet je wel.

Klaar

Myn hart, zeg, is ’er dan geen kans
Om jou met tranen te vermurwen, noch met smeeken?
Myn lieve maatje, ik bid: wil tog een woordje spreeken;
Je weet het immers, dat ik je altyd heb bemind?
Het spyt me, dat ik je in zo’n quaad heumeurtje vind.

Hans

Dat raakt je niet.

Klaar

’t Is wel. Wil jy geen reden hooren?
Dan is het huwelyk of; dat zeg ik van te vooren.

Hans

’t Kan my niet scheelen.

Klaar

Goed, dan trouw ik met een ar,
Tot spyt van jou: je moet me niet veel bruien, var.
Dat is een hangbroek! Dat ’s een puikje der portretten
Uit de almenak! Ja wel, men hoord je beeld te zetten,
Van klinkklaar goud gemaakt, vlak op de vulliskar.

Hans

Dat zou heel mooij zijn.

Klaar

Ja, dat zou heel mooij zyn, nar.

Hans

Maar vryt jou die baron, zeg, Klaar? ’k Begin te vreezen.

Klaar

Dat raakt je niet.

Hans

Hoor, Klaar, je bent myn uitgeleezen;
Ik meen ’t zo quaad niet, zeg, wat zeit myn heer baron?

Klaar

Wat raakt dat jou?

Hans

Ey hoor! Mijn pynxterblom, myn zon,
Wy zellen met malkar, gelyk gezeid is, trouwen.

Klaar

Dat zel je liegen.

Hans

Och! Hoe ken je jou zo houwen,
Myn schepseltje! Je weet dat ik je zo bemin,
En gist’ren had je ook in jou Hansje groote zin.
Het is voor jou, dat ik zo zuinig weet te spaaren.

Klaar

Dat’s goed voor jou.

Hans

Och, Klaar, wil toch je zelfs bewaaren,
Want die baronnen zijn zo vol van gultery;
Je weet het niet, myn kind.

Klaar

Hans, zorg jy niet voor my;
Je hebt de paspoort, en de bons; ’k wil jou niet kennen.

Hans

Zie daar, de mortepaaij moet jou en my dan schennen,
Heb jy het hart, dat jy, karonje, me verlaat;
Ik zal dien gekken vent waarneemen op de straat,
En kloppen hem zo plat als stokvis met myn handen.
De kuiten zel ik hem afbijten met myn tanden,
En voort de rest zo kort als potjebeuling slaan.

Klaar

Ja maar, myn lieve vaar, hy is al mede een haan;
Hy zou dan, op jou kop, zodanig vliegen vangen,
Dat jy zoudt wenschen, dat je al zalig waart gehangen,
Gelyk je wel verdient voor jou bedriegery.
Hoort, monsieur Poerlaron!

Hans haalt de trouwbelofte uit zyn zak:

Je bent een vuile pry,
Een lichtekooy. Ik zweer: je zelt het je betreuren.
Zie, daar ’s je trouwbelofte; ik zal ze aan stukken scheuren.
Ik ken je nou niet meer; ik wil je niet meer zien.

Klaar haalt ze ook uit:

Zie, Hans, dat gaat je veur; het moet gelyk geschin.

Hans

Maar wacht een beetje, Klaar; is ’t ernst? Of is het scheeren?

Klaar

Dat is my evenveel; zo als je zelt begeeren.

Hans

Ik doe ’t maar om te zien of jy me nog bemint.

Klaar

Ik meen het ook niet, Hans; ik was alleen gezind
Om je eens te toetsen, en hetgeen hier is bedreeven;
Dat moeten wy malkar van harte wer vergeeven.

Hans

Daar slaa geluk toe, drie pond vygen op de koop.

Klaar

Vier vaten wyn daar by, drie ankers met een stoop.
Maar zacht: daar is Mevrouw.

Vierde Tooneel

Karel, Konstance, Charlotte, Klaar, Hans, Fop, Lakkei van Karel

Karel

Gy zegt my wond’re trekken
En listen, maar de tyd zal alles wel ontdekken.
Die brief is my verdacht, dewyl ik niemant kan
In Brussel, die zoo hiet gelyk als deeze man.
Kristoofel Ossekop, Bankier der heeren Deenen!
’t Is een verdichte naam.

Charlotte

Zou dan myn broeder meenen,
Dat zulk een’ graaf bequaam zou weezen tot bedrog?

Karel

Hetgeen men nu niet weet, leert ons de tyd licht nog.
’k Heb meer messieurs gekend, die om fortuin te maaken
Opsneden van hun staat, en wonderlyke zaaken
Verzonnen, om een duif te lokken in het net.
Daar is te Brussel korts een karel vastgezet,
Die zich een graaf noemde, en ook niet ontzag te vryn
By jufferen van rang; hy had die schelmeryen
Al lang gepleegd, eer hy bekend wierdt voor een guit.
Derhalve, zuster,er dient uw vryery gestuit,
Tot dat men na zyn’ staat ter dege heeft vernomen.
’k Zal hem verzoeken of hy hier belieft te komen,
Zo dra myn lief hier is, wyl ik nieuwsgierig ben,
En niet gerust zal zyn voor ik dien graave ken.

Charlotte

Zyn deugden kan men aan zyn ommegang bespeuren.

Karel

O zuster, ’k waarschouw u. Men ziet het meer gebeuren;
’t Kan een bedrieger zyn; al zyt gy kloek van geest,
Daar zyn wel wyzer door den schyn bedot geweest.

Klaar

Dat hy een graaf is, heer, daar wil ik wel op zweeren,
Want hy voert staat, en ’t gaat niet aan zyn kouwe kleren,
Al douwt hy me een pistool uit vriendschap in myn hand;
Daar is geen nobelder noch beter heer in ’t land.

Karel

Dat is een schoon bewys! Zulks kan genoeg geschieden,
Al is hy juist geen graaf; men kan verachte lieden
Niet onderscheiden van de grootste, indien het geld
Hun veinzery bedekt. ’k Zie veel hetgeen ons meld,
Dat wy bedrogen zyn; de tyd zal ’t best ontdekken.

Charlotte

Maar frere, uw onderzoek mocht hem tot gramschap wekken.

Karel

Ik merk, hy heeft u reets al binnen door de min.
’k Zoek maar te peilen, hoe hy ’t met u heeft in ’t zin.
’ Zal hem beleefd, gelyk een edelman, ontmoeten,
En in zyn logement flus in passant begroeten.
Maar laat ons met malkar nu heen gaan na de poort,
Den wagen wachten.

Konstance

Goed. Hoor, Klaartje! Hang eens voort
Teewater op; wy gaan myn dochter t’zamen haalen.
Maak alles op zyn stel! ’t Za wakker, niet te draalen!
Wy komen, denk ik, in een klein half uur wer hier.
Indien de graaf hier komt, zo geef hem dit papier
Van Stoffel Ossekop, ’t geen hy hier heeft verlooren.

Karel

Als gy hem spreekt, zo laat hem vry de tyding hooren
Dat ik gekoomen ben.

Klaar

Dat zal ik doen, myn heer.

Konstance

Nu, als gezegt is, Klaar, wy komen daatlyk wer.
En ik belast u dat het water dan moet kooken.

Klaar

’t Is wel, ’k zal met ’er haast wat hoepelstokken stooken:
Wy hebben juist geen hout tot nog toe in ons huis.

Vyfde Tooneel

Charlotte, Klaar, Hans

Charlotte

Maar, Hans, ik hoorde flus hier zulken groot gedruis;
Wat was dat?

Hans

Niemendal.

Charlotte

Ik hoorde u nogtans kyven.
’t Geen hier geschied, moest tog vooral verhoolen blyven.

Klaar

’t Was onder ons, juffrouw, het raakt jou zaken niet.
Hans keef op my; maar ’t is door jaloezy geschiet.
Ik heb het hem, uit grond myns harten, al vergeeven.
Hy docht, dat die Baron...

Charlotte

Heb jy daarom gekeeven?
Daar wordt gescheld en Klaar doet op.
Wat heb jy groot verstand! Zou zulken edelman
Zyn zinnen stellen op een meid? My dunkt dat kan
Niet weezen.

Hans

Hy is gek.

Charlotte

De Graaf zou ’t niet gehengen.

Hans

Juffrouw, hy zou de meid misschien in schande brengen.
Ik heb vooral geen zin in horens, dat je ’t vat...
’k Praat van den drommel, en daar komt hy zelf op ’t mat.

Charlotte

Gy moet dien edelman behoorlijk respekteeren.
Gelyk ’t den staat vereischt van zulke groote heeren.

Zesde Tooneel

Jan, Klaar, Charlotte, Hans

Jan

Vind ik je t’huis, dat ’s goed, myn suikerzoete Klaar.

Klaar

Ja, heer baron, ’k ben tot je dienst; gebied my maar.

Jan

Juffrouw, myn neef heeft lang hier voor de deur staan wachten.
En tuuren na ’t balkon; maar tegen zyn gedachten
Quam een aanzienlyk heer hier uit het huis. Mevrouw
Verzelde hem; hy wist niet wat hy denken zou,
Te meer omdat hy ook een stoet zag van lakkeijen;
En daarom kom ik hier. De kaerel zou schier schrein
Van droefheid, om dat hy niet weet wat dit beduid.
Hy denkt al, dat je bent veranderd van besluit,
En dat dit mooglyk zal een medeminnaar weezen.

Klaar

o Neen, de graaf heeft daar in ’t minst niet voor te vreezen:
’t Is juffrouws broeder, die flus t’huis gekomen is.

Jan

Dan zal de zaak nou niet gelukken, naar ik gis.

Charlotte

De graaf kan hier... Daar hy is zelf, de deur was open.

Zevende Tooneel

Lodewyk, Jan, Charlotte, Klaar, Hans

Lodewyk

Mejuffer, ach, heb ik te vreezen of te hoopen?
Ik wacht het vonnis van myn leeven of myn dood
Uit uwen lieven mond. Ach, was uw’ gunst zo groot,
Dat gy myn wedermin.... maar neen, ’k moet altoos zuchten.
Een nieuwe minnaar zal... Charlotte Myn heer, de minnaars duchten
Altyd het zwaarste. Laat ons in ’t zalet wat gaan.
Ik zal u zeggen, hoe wy met de zaaken staan.
De heer Baron gelief ons beide te verzellen.
Daar wordt gescheld; Klaar doet op.

Hans

Wie of daar is? O bloed! Wat dunk je van zulk schellen?
Die brengt voorzeker geld, maar basta, dat’s abuis.

Achtste Tooneel

Hans, Klaar, Hendrik, Joris

Hendrik

Gon avond, Klaar, is nu Mevrouw en Juffrouw t’huis?

Klaar

Mevrouw is uitgegaan; het komt nou niet gelegen.
Geef my je rekening; wy zellen ter degen
Bezien en nazien.

Hendrik

Hoe? Mevrouw heeft die al lang
Gezien en nagezien; dat is wer de oude zang.

Klaar

Hoe raas je zo? Mevrouw zal je immers wel betaalen?

Joris

Hoe? Heb je niet gezeid, dat ik nu geld zou haalen?

Klaar

Dat’s goed, maar kom dan als zy t’huis is, dat is raar.

Hendrik

Ze scheert met ons de gek: het is al over ’t jaar,
Dat ik geloopen heb; ik zal heur affronteeren.
Ze draagen aan haar gat begut de zelfde kleren,
Het zelfde stof, dat ik ’er heb verkoft; ik zal
Heur roepen.

Klaar

Meen je ’t ook? Ei, Hendrik, ben je mal?
’t Is maar een bagatel.

Hendrik

Het is twee honderd gulden.
Is dat een bagatel?

Klaar

Ja, waaren al je schulden...
’k Wil zeggen schuldenaars, zoo goed als myn mevrouw,
Dan was je wel bewaart.

Hendrik

Hoor, weet je wat? Met jou
Wil ik niet praaten; ’k wil Mevrouw nu zelver spreeken.
Je hebt ons lang genoeg bedrogen met je streeken.
Nu is Mevrouw niet t’huis; dan leid ze nog te bed;
Dan zit ze aan tafel; en dan heeft ze wer belet.
’t Is altyd dit of dat.

Klaar

Ze zel je ’t geld wel geeven;
Kom morgen ochtend wer.

Joris

Ja, dan was ’t wer om ’t even.
Al wisje wasjes! Komt Mevrouw niet haast werom?

Klaar

Is dan het geen dat jy moet hebben zulken som,
Myn heer de snyr? Dan kan zeker niet veel weezen.

Joris

Niet veel? Hoor toe, ik zel myn rekening eens leezen.

Joris leest:

Mevrouw, Mevrouw van Adelpoort
Debet aan Joris Luberts Koort.
Ik heb aan Juffrouws rok genaaid: drie gulden.
Item: ’t oud rygelyf verfraaid: een gulden, tien st.
Item: een nieuw korsjet gemaakt: twee gulden.

Klaar

Item: daar heb je toen geen kleintje van getaakt.

Joris leest:

Item: een rechtdraat en aan zei: twee gulden, twee st.
Item: een nieuwe leverei: vyf gulden, n stuiver.
Item: aan gaeren en aan lint: een gl., twe st., acht pen.

Klaar

Item: jou lappendief, je maakt my schier ontzind.

Joris leest:

Item: nog ns een zy korchet: twee gulden.
Item: balynen ingezet: zes stuivers, acht penn.
Item: een tabbertje voor Klaar: drie gl., drie st., vier pen.

Klaar

Item: doen haalde je myn lappen deur de schaar.

Joris leest:

Item: aan voering en aan baaij: zes gulden, twee pen.
Item: aan monstering heel fraaij: sestien stuivers.
Item: een nachtjak voor Mevrouw: een gulde, sestien st.
Item: aan loot in elke mouw: vyf stuiv., tien penn.
Item: nog aan mevrouws japon: twee gulden.

Klaar

Item: hou op!

Joris

Dat is zoo klaar gelyk de zon;
’k Moet hebben: Somma dartig gulden en een stuiver.

Klaar

o Ja, ik weet het wel: jou rekening is zuiver.
Kom morgen ochtend wer; jou geld is al gereed.

Hendrik

Ik heb den brui daar van; ik zegje dat ik weet,
Dat jou mevrouw hier is. Ze laat zich maar verzaaken.

Klaar

Hoe drommel zal ik het met die qua geesten maken?

Hendrik

Is zy in huis niet, ik zal blyven tot zy koomt.

Klaar

Ei, raas zo niet, sus, sus! Wat is myn hart beschroomd!
Hoor, juffrouw is wel t’huis; maar ’t komt nu niet gelegen.
Daar is een zeker heer. Zy heeft belet gekreegen...
Maar zacht, daar is zy zelf.

Negende Tooneel

Charlotte, Lodewyk, Jan, Klaar, Hans, Hendrik, Joris

Charlotte

Is ’t moog’lyk! Wat is dit?

Hendrik

Juffrouw, ik kom nu om... Charlotte ’k Verzoek u dat gy zit.
Geef stoelen, Klaartje. ’k Zal de heeren aanstonds spreeken.

Joris

Juffrouw, dat hoet niet, ’k kom... de tyd is reets verstreeken.

Klaar tegen Joris:

Zit neer, je hoed op, want je luizen worden kout.

Hendrik

Mejuffrouw, ’k kom...

Charlotte

Myn heer is onderdaags getrouwd?

Hendrik

o Ja, met uw verlof...

Charlotte

De juffer is zeer aartig.
Myn heer is ook de min van zulk een vrouw wel waardig.

Hendrik

Dat’s waar, ik ben venoegd, maar...

Charlotte

’k Heb haar stem gehoord;
Zy zingt zeer fraaij muziek; voorwaar haar stem bekoort
Een ieder.

Hendrik

Ja, zy kan my met haar stem vermaaken.
Maar als ’t juffrouw belieft te spreeken van myn zaaken...

Charlotte

Zy is bequaam tot uw negotie.

Hendrik

’t Kan wel gaan.
Maar a prop, Juffrouw...

Charlotte

Zy heeft al lang gestaan
In stoffe winkels. By Ragoe altoos twee jaaren.

Hendrik

O, maar ik verzoek...

Charlotte

Gy kond niet beter paaren
Als met een juffer die zoo veel bequaamheid heeft.
Gy zult welvaaren: ze is aanminnig en beleefd,
’k Denk morgen by uw vrouw een modens stof te koopen.

Hendrik

Ja, maar Juffrouw...

Charlotte

Ik mag niet op een ander loopen.
Gy doet my wel. Schrijf dan meteen uw reek’ning uit.
Gy wacht zoo lang daar me; ’k weet niet wat dit beduid.

Hendrik

Ik heb myn rekening al lang aan Klaar gegeeven.

Joris

Ik heb myn rekening ook netjes uitgeschreeven.

Charlotte

O pry, waarom geeft gy my .daar geen kennis van?

Klaar

Juffrouw, ik heb ’t versloft, en zo als ik den man
Hier zie, begin ik om de rekening te denken.

Charlotte

Door zulke slofheid zoudt gy myn krediet haast krenken.
Wat denken deze lin? Indien dit wer geschied,
Zal ik u leeren...

Klaar

Och! juffrouw, ik wist het niet.

Hendrik

Daar is myn rekening.

Joris

Daar myne.

Charlotte

Ik zal bezorgen,
Dat gy, messieurs, uw geld ontfangen zult op morgen.

Hendrik

Uw dienaar, Juffrouw.

Joris

En ik blyf je serviteur.

Charlotte

Ras, Klaartje, lei me dat kanailje na de deur.

Tiende Tooneel

Lodewyk, Jan, Charlotte, Hans, Klaar

Lodewy

k Myn lief, het moeit my, dat ik nu zo ras moet scheiden.

Charlotte

O ja, heer graaf, gy dient niet langer te verbeiden.
Gy weet de reden; want ’t zou stryden met myne eer,
Dewyl mevrouw ’t verbied. Wij zien malkander wer
Deez’ avond; broeder zal u zekerlyk bezoeken.

Lodewyk

Helaas! Moet ik dan...

Charlotte

Ei, ik bid wil u verkloeken.

Lodewyk

Wel aan, ik wacht hem dan in myne herberg, flus.

Charlotte

Vaar wel, myn heer.

Lodewyk

Vaar wel, myn schoone, met dees kus.

Jan

Ik volg je zo, myn heer. ’k Moet nog een weinig praaten
Met Klaartje.

Charlotte

Ik zal myn heer dan wat alleenig laaten.
Klaar, ’k gaa wat leggen op de rustbank; ik heb pyn
In ’t hoofd; maar roep me als hire de vrinden weder zyn.

Klaar

’t Is wel, juffrouw, ik zal.

Elfde Tooneel

Klaar, Jan

Klaar

Wilt gy niet me vertrekken,
Myn heer?

Jan

Neen, ’k zel tot jou gezelschap wat verstrekken.
Maar, liefje, zeg my, is jou heer een kapitein?

Klaar

Ja, tot uw’ dienst, myn hart, Baron van Schraalenstein.

Jan

Zo hy in Duitsland diend, zou ik hem mooglyk kennen,
Hoewel men door den tyd malkander kan ontwennen.

Klaar

Hy komt uit Brabant.

Jan

Neen, dan is ’t de zelfde niet.
Ik ken een kapitein in Duitsland, die zo hiet.
Het is myn hopman niet, nou heb ik niet te vreezen.
Ik heb een vaers op jou gerymd, meid, kan je leezen?

Klaar

Heel wel, waar is het van?

Jan

Het handelt van de min.

Klaar

Zo, ben je m poejeet?

Jan

Wel ja, steekt daar wat in?
Ik heb een heer gediend in Holland, die ’t me leerde.

Klaar

Een heer gediend?

Jan

Wel neen, ’k wil zeggen, ik verkeerde
Met zeker heer. De droes! ’k Had my daar schier verpraat!
Dat is ’er een die net de pozy verstaat.
Hy rymelt op n dag ten minste zeven vellen;
Hy hoest zyn kluchten, en hy zweet gestadig spellen!
Hy weet het onderscheid van de en den heel net.
P H is maar een beest, en moet aan kant gezet.
Ae die, zweert hy, zel nog van zyn handen sterven,
En ’t woord quansuis zel hy in ballingschap doen zwerven;
C K, die ’t a.b.c. veel jaaren heeft gebruid,
Krygt van hem na de dood nog steeken in de huid,
En al de prullevaars, die qualyk conjugeeren,
Zal hy met knuppeldicht geen kleintje deklineeren.

Klaar

Dan is het a.b.c. tans in een grooten nood?

Jan

’t Leit al op sterven, ja, het is al ruim half dood.
Maar, meid, je moest de kunst ten vollen meester weezen,
Eer jy dit vaersje, naar den aard, zoudt kunnen leezen.
Madame, ik zal ’t, met jou permissie, zelfs eens doen;
Het is een rympje dat jou raakt, na ’k zou vermon.
Jan leest:
"Wat is de liefde groot,
Al in de wereld plane!
Mijn harteken minjoot,
Je moet me helpen zane,
Of ’k sterf de bitt’re dood.
O droefheid groot!
Let eens op myn aanschyn,
O maagdeken verheven,
Dan zult gy haast certyn
Bemerken daar bezeven,
Dat door de min ik quyn,
Tot myn ruwyn.
Oorlof myn lieveken, ziet,
Help my ny uit dangieren!
Ik bendere geenen bandiet,
Maar vol ompleete manieren.
Ei help my uit verdriet,
Al zonder verschiet?"
Dat is eerst kunst, niet waar?

Klaar

Hoe kan je ’t zo bedenken?
Zo zulke vaerzen jou de harsenen niet krenken
In ’t maaken, dan verstaa ik me op het rymen niet.
Maar waar is d’inhoud van dat rympje toch geschied?

Jan

’t Geschied op deeze plaats, o maagdeken verheven:
Dat heele vaers is maar op jou alleen geschreeven.

Klaar

Zo? Meen je ’t nog in ernst?

Jan

Voorzeeker, engelief,
Ik hou je voor myn bruid; je bend myn hartedief.

Klaar

Maar weet de graaf het wel, dat wy malkar beminnen?
Hy zal ’t beletten.

Jan

Neen, dat durft hy niet beginnen.
Ik zel je trouwen, spyt wie dat het je benyd.

Klaar

Maar heer, ik vrees jy zult verand’ren door den tyd.

Jan

Ik, ik verand’ren? Dat zal nimmermeer gebeuren.
Eer zal de Dom van ’t hoofd tot aan de voeten scheuren,
Eer zal een olifant verand’ren in een luis,
Eer kikvorsch in een paerd of in een haringbuis.
Eer zal je een baviaan in een karos zien ryn,
Met veertien uilen als trouwanten van ter zyn.

Klaar

De vent is zeker gek. Maar als ik met je trouw,
Moest jy me zeggen, waar dat ik belanden zou.

Jan

Belanden? Hoor eens toe! Voor eerst, om niet te doolen,
Zel ik je brengen in een koets recht uit na Poolen;
Maar onderwegen ook wat pleist’ren, dat je ’t vat.
Nou, in dat Poolen leit een heele groote stadt,
Nog grooter als Parys, met Amsterdam en Londen,
Konstantinopelen en Rome aaneen gebonden
Met Uitrecht ’er op toe; en deeze groote stadt
Zel ik je geeven tot een bruidschat, vat je dat?
Je kent van de inkomst van die stadt gemak’lyk leeven;
Zo niet, ik zel je een stadt nog op de koop toe geeven.

Klaar

Ik heb van zulken stadt myn leeven niet gehoord.

Jan

Zy is er evenwel, myn hartje, rechtevoort.

Klaar

Dat is onmogelyk.

Jan

’t Is zo, ter goeder trouwen;
De grond die is ’er; maar de huizen moet je bouwen.

Klaar

Dat is een raare gek.

Jan

Wat zegje, hartedief?

Klaar

Myn heer Baron, ik heb je waarlyk al wat lief.

Jan

Myn smoddermuiltje!

Klaar

Maar waar is myn heer geboren?

Jan

Myn heer is hier... maar zacht, ze zeggen op een toren.
Maar... ’k was ’er zelf niet by, ten minste, ’k weet het niet.

Klaar

Hoe? Op een toren?

Jan

Ja, myn zieltje, dat geschied
In Polen altyd zo; dar worden al de grooten
Op torens voortgebracht; dat ’s eens voor al beslooten;
Die dat niet doen wil, acht men voor geen edelman;
Men dronk, morbleu, met zulken vent niet uit n kan;
Wy staan op ’t point d’honneur. Dat zou jy niet gelooven.

Twaalfde Tooneel

Hans, Jan, Klaar

Hans

Het water kookt al, Klaar.

Jan

Wie komt my daar berooven
Van al myn vreugd? Zeg op, wat ben je voor een schoft?

Hans

’k Zeg: handen van de bank; het vleis is al verkoft.
Al ben je de baron, ik zei, de duivel haalje,
Dat zo niet lyn.

Jan

Ha! Wat zeg je daar, kanailje?

Hans

Dat ik geen schoft ben, en die meid is reets myn bruid.

Klaar

Myn heer, hy liegt het: ’t is een olyke schavuit.

Jan

’k Zel met dit entje staal je zo de lenden smeeren,
Dat je op een ander tyd my meer zelt extimeeren.

Hans

Dan haal ik hier terstond de buuren in het huis.

Jan

Ik zeg je, karel, maak me hier niet veel gedruis,
Of ’k steek je voort aan ’t spit.

Hans

Je hoeft me niet te dreigen,
Of ’k zel ten eersten ook een grooten degen krygen.

Klaar

Hier is ’er geen in huis, baron, wees vry gerust.

Jan

’k Zeg, karel, zo je niet terstond myn rotting kust,
Dat ik zodanig meen je ruggestuk te meeten,
Dat jy de jaloezy ten eersten zult vergeeten.

Hans

Je doet my ongelyk; ’k zel ’t jou betaalen, Klaar,
Dat zweer ik, komt myn heer, mevrouw en juffrouw maar.

Jan

Hoe? Karel, durf jy haar, daar ik ben, affronteeren?

Hans

Morbleu! ’k Spring uit myn vel.

Jan

’k Moet jou de lenden smeeren,
Want jy verzoekt ’er om. Bid aanstonds om gen!

Hans

Ik wil niet!

Jan slaat Hans met de rotting:

Daar, daar, daar. Doe aanstonds ’t geen ik ra.

Hans

Och! Och, vergeefme tog het geen ik heb gesprooken!
De droes, is dat ook slaan! Myn ribben zyn gebroken.

Jan geeft Hans geld:

Daar, zalf ze hier wat mee; ’k vereer je dees dukaat.
Maak me op een ander tyd door jaloezy niet quaad.

Hans

’k Bedank je, heer Baron. Zo veel! O seldrementen!
Doet rottingolium in Polen zulke renten,
Dan is het goed, naar ’k merk, om daar lakkei te zyn.

Klaar

Hoor, Hansje!

Hans

Wat belieft Mevrouw van Schraalenstein?

Jan

Mevrouw van Schraalenstein? Wel, daar moet wat voor weezen.
Hoor, Hans! Kom hier eens, Hans!

Hans

Och! Ik begin te vreezen!

Jan

Hoor, Hans! Kom hier eens, Hans, kom hier eens by me staan:
Je zelt wat hebben.

Hans

Maar ik vrees, je zelt wer slaan.

Jan

Mevrouw van Schraalenstein vereert je twee dukaaten,
Maar mits konditie, dat je ’er my zelt trouwen laaten;
En wilje met ons gaan na Polen, zel ik jou
Hofmeester maaken van den graaf van Habislouw.

Hans

Je zegt zo wat; ’t is wel; ik zel me een reis bedenken...
’t Komt my niet qualyk voor; ik wil ze jou wel schenken.
Ik stap ’er dan van of; zie daar, daar is myn hand;
En daar is ’t briefje, dat ik heb tot onderpand
Van Klaar; ’k wil zeggen van mevrouw, jou uitverkoren.

Jan

Geef hier, dat ’s goed. Wel zo, wel zo, dat mag ik hooren.

Klaar

Zie daar, myn lief, daar is het schrift dat ik van hem
Gekreegen heb.

Jan scheurt de trouwbeloften aan stukken:

Wel zo, dat geeft de zaak wat klem.
’k Zel jou tot baronnes, jou tot hofmeester maaken;
En moog’lyk zel je lui tot hooger staat geraaken,
Want dat bruit my niet; weest te vreede zo ik ’t schik:
Je zelt het allebei net hebben zo als ik.

Hans

Zyn exelentie denkt wel om die twee dukaaten?

Jan

Hofmeester, zou ik niet? ’k Vergat het door het praaten.
Zie daar, myn vriend, ze zyn van harte jou gegund.

Hans

’k Bedankje, heer baron. Bloed! Dat is schoone munt.

Jan

Nu, dat’s gearresteerd, niet waar, myn uitgeleezen?
Je zelt van nu voortaan myn’ baronnesse weezen.

Klaar

O ja, myn tweede ziel.

Jan

Geef my daar op een zoen.
Hadie, ik gaa; ’k heb in myn herberg iets te doen.

Klaar

Myn hart, ik heb een’ brief; heb jy die hier verlooren?

Jan

Laat zien, myn engellief. O ja myn uitverkooren.
Vaar wel, tot flus, myn hart; ik kom hier daatlyk weer.

Klaar

Ik blyf je dienaares, en wachtje dan, myn heer.

Eind van het vierde Bedryf.


[Naar het vijfde bedrijf]